Zoeken

Koffie

"Alleen kan een mens niet biljarten. Hij zette z'n pet op en ging." Toon Hermans, Café Biljart   Mis je haar, Peter? Ik had er nog niet bij stilgestaan of ik haar miste of niet. Het voelde wat onwezenlijk, zo die eerste schoolweek zonder mijn vaste maatje, maar toen Stefanie de vraag stelde, kwam het gemis keihard binnen. Ja, eh. Ik zie het aan je ogen. Het is niet hetzelfde om hier zo alleen mijn koffietje te drinken, echt niet. Katrien en ik waren al tientallen jaren als twee collegiale handen op één buik. De laatste vijf jaren hadden we als leerkracht allebei gevraagd om het eerste lesuur niet te moeten lesgeven. Dan konden we hier samen een koffie komen drinken voor we aan onze dag begonnen. Hier was de koffie immers veel lekker en gezelliger dan in de leraarskamer. Het was als een soort van stilte voor de storm, we konden even ademhalen voor de hectiek van de dag het zou overnemen. Door de deur van brasserie ’t Sujet zag ik het wat gezette silhouet van Gerard verschijnen. Hij stak zijn hand op, ik stak mijn hand op. Volgende week had ik een afspraak bij hem om te kijken hoe het met mijn depressie gesteld was. Best dat ik dan dit gevoel van ontheemding ook even ter sprake zou brengen. Ik moest vechten tegen mijn tranen. Zou dat normaal zijn, of had dat ook met mijn depressie te maken? Stefanie zette zich op de stoel vlak voor me waar normaal Katrien altijd zat. Ze keek me recht in de ogen. Blauw. Katrien had grijsgroene ogen. Dat was anders. Katrien had ook nooit een open decolleté aan en zat mooi recht. Doordat Stefanie wat voorovergebogen zat, dwaalde mijn blik al te gemakkelijk naar haar grotere borsten. Tine had me in het begin dat we samen waren verteld dat elke vrouw dat onmiddellijk doorhad als een man naar hun borsten keek. Het kon me niet zoveel schelen, maar richtte mijn blik toch weer op haar gezicht. Dat was licht opgemaakt, de lippen waren subtiel gestift. Katrien maakte zich zelden op, af en toe een lijntje om haar ogen. Ze had ook echte natuurlijke krullen, terwijl Stefanie haar steile haar in een staartje droeg. Het waren twee totaal andere vrouwen, maar beiden mooi in hun eigen opzicht. Nochtans zou Stefanie nooit de rol van Katrien kunnen overnemen. Al was het maar dat Stefanie hier werkte achter de toog. ’s Morgens zette ze de koffietjes klaar die de obers vervolgens de zaal in droegen, maar nu zag ik dat Ruben even haar plaats had ingenomen. Fijn dat ze dat deden, maar dat zouden ze zeker niet elke dag doen. Katrien was trouwens onvervangbaar. Hoe gaat het eigenlijk met jou, Peter? Stefanie bleef me indringend aankijken. Het ging wel. Er waren nog heel wat moeilijke momenten, maar mijn vrouw was heel begripsvol en de collega’s ook wel eigenlijk. Ik had wel nooit gedacht dat een burn-out en een depressie zo ingrijpend konden zijn. Zelf had ze ook een paar moeilijke periodes gekend, zei ze. Of ik wist dat zij ook in het onderwijs had gestaan, maar dat ze er wat gedegouteerd uitgestapt was? Het zou een te lang verhaal zijn om te vertellen. Dat hield ze voor een andere keer. Hier zat ze goed. Het had eventjes geduurd, maar nu kon ze het met haar baas Luuk vaak regelen dat ze de kinderen wat vaker zag. Haar man, die les gaf in een andere school, ving de kinderen vlak na schooltijd op en zij kon tegen 18u stoppen en dan kon ze hen nog helpen met hun huiswerk en zo. In het begin dat ze hier werkte, lag dat moeilijk, maar nu niet meer. Vandaar dat ze elke ochtend de zaak opende. Dat werkte voor haar het beste. Of ik ook al aan een job buiten het onderwijs gedacht had. Ik denk niet dat ik iets anders kan. Ach, natuurlijk wel. Het hielp om je blik af en toe te verruimen. Dat deed Katrien toch ook. Zij is niet voor niets aan een andere carrière begonnen. Ze moest eens andere lucht hebben. Dat klopte als een bus en dat wist ik maar al te goed. Hoe vaak hadden we het er hier met elkaar over gehad. De laatste maanden voortdurend. Ik had alleen niet door dat Katrien het effectief zou doen, van werk veranderen. Mij hier alleen achterlaten in een periode dat ook ik het moeilijk had. Niet dat ik het haar kwalijk nam. Ik besefte maar al te goed dat ieder zijn eigen leven leidde en ik wist dat de depressie die me omknelde ervoor zorgde dat ik mij bijna halsstarrig aan bepaalde personen vastklampte. De weinige echte vrienden die ik had, leken voor mij in deze toestand wel een soort bezit, een reddingsboei waar ik voortdurend beroep moest op kunnen doen. Dat ging natuurlijk niet, zo werkte het niet. Katrien had het ook waarlijk moeilijk en eigenlijk moest ik haar bewonderen voor de moed die ze had om voor een andere job te kiezen. Het was die moed en energie die mij voorlopig nog niet gegund was. Misschien moest ik daar ook niet op wachten en actief op zoek gaan. Ik zuchtte en voelde me moe bij de gedachte alleen al. Waarom stop je niet gewoon even met lesgeven en probeer je iets anders. Met proberen is niks mis. Ik zeg maar iets: in een winkel staan, bij tuinaannemers, die schreeuwden voor extra werkkrachten of zelfs vrijwilligerswerk… Is hier geen werk voor mij, Stefanie? Katrien en ik lachte er soms mee. Als we het beu zijn bij ons in school, dan komen we hier voor Luuk werken. Die is goed voor zijn personeel. Dat klopt. Ik werk hier graag, maar in het begin was het wel pittig. Voorlopig is er geen vacature. Heb je graag dat ik er iets van zeg tegen Luuk? Nee, laat maar. Ik denk niet dat in de horeca werken iets voor mij is.  ’s Morgens was het hier rustig genoeg, zoals ik hier zat, maar tegen de middag en avond was het veel te druk. Ik zou gek worden van al die drukte. Te veel indrukken. En ’s avonds was ik zo moe, zo moe. En dan zou ik de kindjes vaak niet zien. Nee, hier werken dat ging ik niet doen. Het was voor haar kindjes dat Katrien ander werk wou. In school was ze voortdurend kinderen in het gareel aan het houden en aan het foeteren. Zo veel dat ze thuis van haar eigen kindjes niks meer kon verdragen en bij het minste ontplofte. Dat wou ze niet meer: te veel voor andermans kinderen zorgen en de zorg van Bauke en Nienke niet meer aankunnen. Dat was de omgekeerde wereld. Bovendien vond ze het moeilijk om de leerlingen nog te motiveren voor Frans. Ze deden het gewoon niet graag en zij had er de energie niet meer voor om ertegenin te gaan. Ze verviel steeds vaker in een cynische houding en dat was niks voor haar. Het was zo erg dat ze niet meer overweg kon met haar rechtstreekse vakcollega’s die zo computeranalfabeet waren dat ze ook voortdurend aandacht en hulp nodig hadden. Zij zat in een straatje waar ze dringend uit moest. Ik knikte dan en begreep het, maar besefte niet hoezeer ze het meende en hoe zwaar het me zou vallen als ze effectief de overstap naar de privé maakte. En het viel me zwaarder dan ik wou toegeven. Dat voelde ik nu des te meer. Met mijn vrouw durfde ik het er niet over hebben, zij hoorde me al genoeg klagen en zagen. Ik wou niet dat ze zich vanalles in het hoofd zou halen en jaloers zou worden op Katrien. Ook al was ze een knappe vrouw en sympathiek en ook al waren er lustgevoelens, dat wou niet zeggen dat ik het te ver zou laten komen. Te veel gedoe en te vermoeiend, te veel mogelijke schuldgevoelens en gewoon allemaal te ingewikkeld. Niks voor mij. Ik zag Tine te graag, veel te graag. Elke avond fluisterde ik in haar slapende oor dat ik van haar hield. Heel veel. En ik meende het, dan ging ik haar toch zoiets niet aandoen. Nooit van mijn leven. Bovendien had ik niet de indruk dat Katrien enige gevoelens voor mij koesterde. Ik was voor haar een veilige gesprekspartner op dat gebied, vrees ik. Waarom ga je niet gewoon naar een interimkantoor en zeg je dat je eens wat ander werk wilt. Dat is vaak fysiek werk in de productie, maar andere lucht is andere lucht. Ik weet het niet, Stefanie. Ik weet het niet. Ze keek me aan met die grote, staalblauwe ogen. Het leken wel spiegels. Waarom waren die prachtige ogen zo bezorgd om mij, vroeg ik mij af. Op mijn gsm verscheen een whatsappje. Het was een foto van een bureau waarop een laptop en een tweede scherm te zien waren. Er stond een lege mok koffie naast. “De ochtend zonder jou,” stond erbij geschreven. Wat moest ik daar nu op antwoorden? Stefanie legde haar hand op mijn onderarm en zei dat ze me ging laten. Ze nam haar plaats weer in achter de toog en Ruben vertrok met een volle plateau naar het terras. Ik legde de juiste hoeveelheid munten op tafel, aarzelde en legde er tien cent extra bij. Merci voor de babbel, Stefanie! Dat is graag gedaan, Peter. En ze knipoogde. Waarom knipoogde ze? De psychiater stak zijn hand op toen ik hem passeerde bij het naar buiten gaan. Ik knoopte mijn jas dicht en dacht dat het misschien niet zo’n goed idee was om hier zo alleen te zitten elke ochtend.

Hans Van Ham
22 0

Koning Heldernacht

  Op de bodem van de slotgracht met haar zwaan of twee, daar wacht de sidderaal, daar liggen ze bij duisternis, de lijken hand in hand. Als ik maar heel even rust mocht zijn, weg kon uit de burcht van Koning Heldernacht. Helaas. Nog zelden heerst de eenvoud van de maan. Bedaar en sus de schemer. Zwijg nu, kikkers. Kwaak niet uit de modder over bange dagen. Er is een gier geland en dat was gisteren, toen klein geluk zijn hol niet vond, een dood konijn nog uit één oog kon zien, hoe uit de hemel zwarte regen viel. Het parelgras verloor zijn groen. Een laagje teer ligt op het hart van onze bloemen. Mijn schat, in onze tuin, die liefde voor ons scheppen zou, trachten drie vuurvliegjes de bui te overleven. Het einde lonkt. Altijd. Ze weten het. Zo ook de visser op de oever met zijn lege aangezicht. Hij vroeg mij eens of ik de wormen, die zich in mijn darmen voeden met de onverteerde droesem, aan hem schenken kan. Domme kranigheid en het verzuim te sterven. Ze hebben tijd gestolen van een staande klok. Het ding heeft ooit een winter lang de wereld heen en weer geslingerd. Ze tikt nog steeds. In de hal van het fort, met scherpe torens, scheve spitsen en volg je de trap, durf je langs die manke treden, dan vind je in zijn kop een hele hoop scharminkels. Het zijn schrale skeletten van de fantasie, fantomen die gescheurde kleren dragen. Ze wijzen je de weg. Naar zijn troon, naar die koning met zijn zieke tronie. Heldernacht? Te troebel is zijn blik en aan een draad daar hangen ze te drogen voor zijn natte mond, wanneer de duisternis haar gal uitspuwt. Het is sprot met rode ogen. Het zijn vodden die graag mottengaten wilden omdat aangetaste stof hen beter past. Uitgekleed zijn alle dromen en de waan ligt poedelnaakt aan zijn voeten. Of ik hem strelen wil. Of ik zijn bulten aaien wil en de koning lacht veel groener dan het parelgras.  De lijken hebben grijs gestolen van een tortelduif en zeggen het. Allemaal. Dat ik best meekom naar die bodem, die geneugten van de sidderaal. Het is voorbij, mijn lieveling. Zoek mij niet meer. De zwanen drijven naast elkaar. Slechts op prentkaartjes van het kasteel. Mijn ogen zijn te moe. De wormen willen mij. Mijn hart is voor de gier.     een sprookje uit de reeks 'Majnun het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
8 1

Over dialogen

Ik leg geërgerd een boek weg. Geen gewoon boek, het is een bestseller (New York Times Best Sellers List!), geschreven door een bestsellerauteur. En ik lees geen woord meer.    De schildering van het decor is fraai en vakkundig, ik zie geregeld goede actie afgewisseld met nuttige achtergrondinfo en over de bladzijden trippelen redelijk tot best wel interessante personen die worstelen met spannende problemen op weg naar een ongetwijfeld spetterende ontknoping op pagina vierhonderdeenenzestig.   En toch, bij pagina eenenveertig, na de eerste alinea van hoofdstuk drie, zucht ik en sla deze pagina op pagina veertig. Ik schuif het boek weg, pak mijn telefoon en scroll naar mijn bankrekening, dit was weer zonde van mijn geld.   De reden? Tenenkrommende dialogen. Vanaf pagina 3, de tweede pagina van het eerste hoofdstuk, is het jeuk-aan-de-ruggengraat-gevend erg. Opvallend dat ook bestsellerschrijvers soms de personen verschrikkelijk laten praten. Je vraagt je soms af waarom ze hun mond open trekken. Een of twee keer in een boek, daar kan ik overheen komen. Maar bijna elk gesprek is niet te lezen. En ik erger mij zo, dat ik het hier van mij af schrijf.     Dialogen: basics in elke lesboekje over schrijven.    U hoeft niet verder te lezen als u bekend bent met de principes van het schrijven van een goede dialoog. Dit schrijfsel voegt niets toe aan wat u weet (of zou moeten weten) over gesprekken op papier. En toch, blijkbaar denkt menig verhalenschrijver: die basistheorie (in elk schrijfboek herhaald) is niet voor mij, mijn geneuzel is wél belangwekkend. Nou, nee dus. 1 Dialogen zijn ongezond strak afgetrainde uittreksels van de gesproken werkelijkheid. Uitspreeksels zonder een greintje vet, en als je het goed beschouwd onnatuurlijk. 2En deze afgetrainde uitspreeksels houden een hete bal vast. Ze pakken de bal, laten even de spieren zien of doen een klein kunstje en gooien zo snel mogelijk de bal door, voordat de handen verbranden. De ontvanger wil zo mogelijk nog korter een pirouette doen en voordat de draai volledig is, pakt de eerste de bal weer af. Dit wordt een wedstrijd. Een echte wedstrijd van de bal pakken, een kunstje doen en doorgeven die handel.    Wij lezers, als kijkers naar het spel, willen een echte strijd, geen demonstratiepotje van klunzen die op een mooie zomeravond voor de ontspanning een balletje hooghouden. Nee, een strijd tussen deze uitspreeksels op het scherpst van de snede . Altijd vlijmscherp. Elk woord en elke reactie snijdt door het papier. Alsof je leven ervan afhangt.  3De uitspreeksels hebben verschillende kleren aan, afhankelijk van de situatie. Een vrolijke rok, serieus kostuum, grappige hoed, droevige pandjesjas, oppervlakkig T-shirt met krullend borsthaar of decolleté, diepzinnig gewaad, of wat voor broek, shirt of sok dan ook. Maar altijd nauwsluitend, zonder franjes: de spieren en opgezwollen aderen blijven zichtbaar. Een ruimzittend kledingstuk laat de drager struikelen.    Struikelende zinnen, of een fladderend loszittend stuk gesproken stof beneemt de lezer het plezier van de strijd. Een lezer wil geen gefladder, de lezer wil de bal zien schieten. 4De dialoog, net als bij een wedstrijd, wordt boeiend voor de lezer vanaf de aftrap of service (of welke sportvergelijking u wilt maken). Het inspelen en warmlopen is volledig oninteressant. Voor de wedstrijd zijn de lichamen gehuld in trainingspakken, soms zelfs met een gekleurd hesje en praten met de trainer, geven een hand aan de scheidsrechter en rommelen in de tas op zoek naar de waterfles. Slaapverwekkend en een onnodige afleiding van je verhaal en de voortgang stopt, alsof je met je racefiets in de modder vast komt te zitten.    Elke eerste uitgesproken zin is een snoeiharde service van de hete bal, de kale spieren bollen en geven een zwieper waar het uitspreeksel aan de overzijde van het net niet van terug heeft.   Hebben ze ruzie? Voor de eerste zin die u schrijft hebben de personages de inleidende beschietingen al gedaan. U begint bij de hoogtepunten. Vraagt uw personage een lening? De voorstelrondes, achtergrond checks zijn gedaan en het kopje koffie is neergezet: U begint met de afwijzing. Alles daarvoor is geneuzel. 5De lezer wil ook maar één wedstrijd per keer bekijken. Beschrijf wat de afgetrainde uitspreeksels belangrijk vinden en hou je hieraan. Bij teveel verschillende ballen die alle kanten opvliegen, waarbij de spelers tussen-hupjes maken en een spagaatje hier-en-daar, verliest de lezer het overzicht en de aandacht. De lezer staat halverwege op en loopt naar de kantine om het op een zuipen te zetten.    Dat de fiets van de hoofdpersoon onder het raam bij de bank staat wil niet zeggen dat het merk en het genot van wielrennen een onderwerp van gesprek moet zijn: De afwijzing van de lening, daar gaat het om. 6Wat wel leuk is, als je met de bal tovert. Soms is het balletje weg, je leest aan de bewegingen af dat de bal ergens is, en waar. Een schaduw vliegt langs en achter de rug wordt iets opgevangen. Maar de bal direct zien, nee, dat lukt niet. Om dit te bereiken, moeten de uitspreeksels nog strakker en nog onnatuurlijker zijn afgetraind.    Dat de lening wordt afgewezen omdat de beoogde lener de vrouw van de bankdirecteur heeft genomen op het toilet van het dorpshuis, terwijl de directeur in de grote zaal Sinterklaas speelde voor de kinderen uit de buurt, wordt slechts gesuggereerd, niet gezegd. Zo, ik ben het kwijt.  Als u het tot hier hebt volgehouden, hoeft u geen slecht gesprek meer op papier te zetten en stopt u, net als ik, met lezen bij tenenkrommende dialogen.    En als u denkt, "wat ik aan uitweidingen, stopwoorden en extra's in mijn dialogen stop zijn wel geslaagd," of "iedereen zit er wel op te wachten," of "het is echt belangrijk om te weten wat er allemaal vooraf gebeurde," of "zo laat ik karakter zien," of "zie mij nou eens die personages literair laten praten" .  .  .   Wordt wakker! Het boeit helemaal niemand!

MCH
44 0

De Yurt

Wat een mindfuck: een joert, of yurt, of hoe je zo'n stinkende kuttent ook noemt. Slapen tussen kleedjes die sinds de middeleeuwen niet zijn gelucht.    Die dingen bestaan echt. En drie weken lang is dit "thuis".  Mama toeterde tijdens de buurtbbq "back-to-basics" rond, na haar derde glas Riesling Spätlese. Die waarschuwing pikte ik niet goed op omdat mama niet tegen wijn kan, na half zes neem ik haar nooit serieus.   Papa flipte hamburgers als een bakplaatmaster bij de Mac, prikte in een worst en zei: 'Lekker die rust, eindelijk quality time voor het gezin'. Die had ik wel moeten oppikken, papa drinkt 0% Radler.   En Michelle bewonderend knikken. 'Dapper,' vond ze, 'dat de kinderen mee willen, zouden die van mij nooit doen'.   Nou, deze kinderen wilden ook niet mee, we moesten. Sander en ik wilden gewoon naar een camping met een zwembad. En een disco. En het liefst met leuke jongens. De provider belooft 4G in heel Europa. Nou, zeros-strepos in het kutse midden van het kutste Frankrijk. Eerst een kwartier lopen, in de kuthitte, tot de rand van het kutdorp. Een kwartier! En nog perst Insta traag naar binnen alsof een olifant door een rietje schijt. We qualitytimen in een zwart gat. En papa zelf? Hij ging gisteren in Cafe Sport met pastis en borrelnootjes Max Verstappen kijken en duwde ons het keramiekmuseum van Limoge in, met bordjes en vazen uit de kringloop.   De rest van de week: "Lekker off grid, lekker samen". Ik wil niet off grid in de prehistorie van Tibet, ik wil bereik.   En een zwembad, ik hou niet van riviertjes, véél te koud om in te zwemmen en kajakken doen alleen losers. En wij. En de rest van de camping, lijkt het. Sander zit mij de hele tijd nat te spatten, ik peddel straks op zijn pols. Kan hij lekker janken.   En Airco.   'Heb je niet nodig, de unieke tent is zelfkoelend,' zegt mama.   Zelfkoelend? Ik heb een 7,5 voor Natuurkunde mijn wereld is simpel: buiten 30 graden? Dan is het binnen 30 graden als mama de hele dag de deur en ramen open houdt "om door te waaien".   'Authentiek, je voelt de geest van de steppen,' zegt ze met haar hysterische vrolijkheid elk uur om zichzelf te overtuigen. Zij vindt het hier ook kut.    Simpel wijf.   Nog anderhalve week basic life op kleverige felrode en blauwe keukenstoelen die papa in geen duizend jaar ons huis in wil, in het wasemende oude zweet van iedereen die hier hun vakantie heeft verpest. Op ons veldje, schuin aan de overkant, staan Frank en Laura met hun dochtertje Milou. Ze noemden dat kind naar een kat! Prakken ze 's morgens een blikje Whiskas in haar bord voor "ons dorreltje"? Niet mijn woorden hé! Dat blaten ze tien keer per uur tegen die luierkruiper. En nee, Milou is niet schattig, ze plakt en stinkt. Die gasten moeten haar minder shinen en vaker verschonen en wassen.   Die twee zijn de minst gekke hier, de rest is nog erger.   Hoe zou het met Ramon zijn? Zijn laatste insta-post is drie dagen oud, tongt hij met een ander? Muilen noemen ze dat in België volgens Tony, mooi woord: Muilen. Anyway, hij hopt eiland tussen Texel en ergens in Denemarken, met meiden aan boord die wel leuke dingen mogen van hun ouders. En 's avonds allemaal stappen in de haven.   Nog elf dagen in die kuthitte en dan is het voorbij. Volgend jaar ben ik achttien en ga ik zelf. Met Ramon. Of met Marieke en Ilse naar Lloret. Of met Tony.

MCH
48 0

Mijn Straat

Met een gestrekt hand op mijn wenkbrauwen, maak ik een afdakje. Ik kijk doorheen de weerspiegelingen in het etalageraam. Ik ben er nooit binnen gestapt. Ik zie de stoffen er nog zo hangen. Elke keer dacht ik: als ik trouw, maak ik hem zelf. Ik doe een stap opzij om mijn schouder niet opnieuw tegen het bord ‘te huur’ te botsen. Het volgende huisnummer, tweeëndertig, is een geverfde porseleinen tegel met blauwe bloemetjes rond de cijfers gekruld. Het houdt mijn leeftijd vast en de keramieklessen die ik niet heb genomen in mijn twintigerjaren. Aan de overkant zijn de zwevende bloembakken en ganzen van de rode bakstenengevel gehaald. De acht jaar lang Mooiste Gevel van Vlaanderen heeft nu een rij lege bierflesjes achter het linker raam staan op de tweede verdieping. Ze heeft mijn hemden nog gestreken toen ik twee huizen verder kwam wonen. Ze heeft mij een strijkijzer cadeau gedaan, uiteindelijk. 'Want een man houd je niet in leven door het een vis te geven, maar een hengel'. Dat had ze uit de bijbel. Ze kwam van de generatie waar meneer pastoor zelf nog bij op de biecht moest. Het houten witte rolluik van de fietsenmaker wat verderop is afgebladderd. Er hangt een vergeeld affiche op dat ze tijdelijk gesloten zijn wegens verbouwingen. Het hing er toen ik hier voor het eerst heen verhuisde. Ondertussen ben ik toe aan mijn derde appartement en wegens krenterige streken doe ik dat nooit vóór de contractuele opzegtermijn. Als eufemisme voor faillissement, is verbouwingen wel niet slecht gevonden. Eindigen op een hoogtepunt. De boom op de hoek wordt elk jaar sterker dan de drie houten pikkels die hem met een strakke zwarte rekker het rechte pad wijzen. Zijn bladeren vallen nog elke herfst en als de gemeente ze niet heeft weggeblazen of opgeharkt, kan ik het niet laten ze in het rond te schoppen. Als er op dat moment mensen kijken of het kan me op dat moment schelen dat er mensen zouden kunnen kijken, laat ik ze onopvallend onder mijn schoenen verbrokkelen. Ik passeer deze straat elke dag. Van en naar het station. Van en naar het werk. Van en naar de winkel. Net zoals we gemiddeld tweeëndertig jaar slapen in ons leven, heb ik in deze straat tijd doorgebracht die ik niet meer terugkrijg. Tijd die ik had kunnen spenderen aan keramieklessen en trouwjurken stikken. Of een man vinden om ín een huwelijk te strikken. Ik passeer deze straat elke dag. En nooit verandert er iets. Tot ik achter een stelling, het oorspronkelijke gebouw niet meer voor de geest kan halen.

Amarant Plas
51 4

Wie ben ik?

Een balpen beweegt over een blad papier. Het eerste woord is kort: ‘Kim.’ Drie letters, niet meer. Het woord zwemt door de lucht telkens als iemand hem nodig heeft. De pen springt verder op de pagina, ‘Stessens’ verschijnt als een spook achter ‘Kim.’ Jammer genoeg kunnen de acht letters niet vliegen. Het lange woord kruipt over alle bladeren heen, sinds zijn eerste levensjaar. De pen tekent een huisje met het opschrift: ‘Hasselt.’ Hij passeert vele letters, woorden, zinnen tot verhalen, en stopt na de vierendertig te hebben bereikt. Hij kreunt en draait rond de tekeningen, met een kleedje van tekst. Vervolgens geniet hij van verhalen die teruggaan naar de hemel van het boekenrijk. Met een gebed naar de Bibliothecaris, hoopt hij op een toekomst. De pen glijdt over het papier. In paniek, want de Tipp-Ex veegt de letters weg. Opgejaagd door rode cijfers vlucht hij weg. Bloedende letters, met hoornen en een staart, laten hem beven. Geen enkel kopieerapparaat heet hem welkom, waardoor er geen nieuwe inkt binnenkomt. De pen vlucht eenzaam naar het huisje. Hij stopt plots. Een stempel valt uit de lucht. De afdruk van de zwarte inkt droogt op. Een vaag woord ‘autisme’ verschijnt in de schaduw achter de laatste zin. De pen worstelt door de afdruk heen, maar een tweede aanval doet hem terugdeinzen. Hij trilt. Een afdruk met het woord: ‘homo’ brandt zich op het papier. De pen struikelt en er vormt zich een streep door zijn leven. Hij kruipt door de vlekken verder naar een boek dat open ligt. De pen grijpt naar de lege pagina’s, maar een dief verdwijnt met de schatkist in de nacht. Met zwarte tranen valt hij in slaap. De balpen ontwaakt bij het zien van een nieuw licht. Hij springt op een vers blad papier. Met sierlijke letters danst hij tot er zich een woord vormt: ‘Inktvis.’

Kim Stessens
25 1

Een kleine wens

Ik ontwaak, sta op, maar een helse pijn overvalt me. Ik draai me en stoot mijn voeten. Terwijl ik op mijn tanden bijt, zie ik de andere kant van bed. De shock verdooft de pijn, want mijn benen liggen grotendeels uit bed. Is mijn bed gekrompen? Normaal liggen mijn voeten toch bijna een halve meter van het beduiteinde. Ik voel de pijn verdwijnen en sta recht, maar een klap tegen mijn hoofd beëindigt de euforie al snel. Mijn verstand heeft kennis gemaakt met de hemel van beton. Ik buk mijn hoofd, terwijl het plafond mijn ogen precies grijpt. Normaal is dat toch twee meter dertig? Dit zou onmogelijk moeten zijn. Ofwel is de kamer gekrompen, ofwel ben ik ineens een dikke zeventig centimeter gegroeid. Ik denk na over de uiterst vreemde situatie tot mijn oog op de weegschaal valt. Misschien kan ik zo de waarheid achterhalen. Ik zet mijn voeten die eerder op vrachtschepen lijken op de balans. Ik kijk naar de rode cijfers die met angst beginnen te stabiliseren. Drie nummers staan hand in hand voor de komma. Ik slik. Ik ben dus groter geworden, tenzij een derde optie een andere verklaring geeft. Voordat ik me verder zorgen maak, kan ik me beter eerst wassen en omkleden. Met slechts de helft van het normaal aantal stappen, bereik ik de kast. Natuurlijk kan ik het grijze landschap van stof en vuil niet negeren dat gelijk een dak mijn kleren droog houdt. Nota aan mezelf: ik moet ook de bovenkant van de kast poetsen. Met irritatie gaat de kastdeur open, behoorlijk moeilijk als je handen lijken op die van een hooivork. Ik haal mijn kleren eruit. Ik voel het koud zweet van mijn lichaam af paraderen. Mijn T-shirt is slechts de helft van mijn schouders breed. Dit past niet. Moet ik nu nog naakt gaan rondlopen? Ik neem een proper laken, het is beter dan niks. De vraag spookt door mijn hoofd: waarom wilde ik groter zijn? Ik stap naar de badkamer, maar de deur heeft een ander idee. Mijn hoofd neemt de muur erboven voor zijn rekening. Het word zwart voor mijn ogen, tot de duisternis verdwijnt. Mijn gezicht plakt op de grond. Ik duizel nog even en grijp het bed vast om terug recht te staan. Ik zucht. Ik ben terug normaal. Ik kan beter blij zijn met zoals ik ben, het kan altijd erger. Ik leg me terug in bed, en droom dat ik beter mezelf kan zijn.

Kim Stessens
11 2

Je veux vivre, libre et rire

Eindelijk zomer! Vakantie! Komende zaterdag vertrek ik met mijn vriendin op een weekendje us- time.Even weg van alle sleur, vrij zijn en vooral ons zelf zijn. Ons 2 daagse start in Nieuwpoort en we fietsen langs de ijzer via Diksmuide naar Ieper.Goed uitgekiende rustige route met bankjes aan het water.Waar we kunnen aperitieven met hapjes.Een picknick die 10 keer beter zal smaken dan ergens anders.Rijden in stilte, beetje praten en lachen en dan weer even stilte en dan zuchten.Een zucht van gelukzaligheid.Zalig die zaligheid met ons 2. De westhoek.Mijn lang leven geweest.Ik keer er zo graag naar terug.Fier dat ik dit met mijn vriendin kan delen.In de vooravond wil ik haar mijne picon laten proeven en genieten van de sfeer op de Grote markt aan de Hallen.Zalig.Zucht. Één nachtje zonder onze wederhelft..Een groot bed voor ons alleen.We worden niet gestoord door gesnurk of gebrabbel, tenzij het uit ons eigen mond komt.Maar daar slapen we door.Vrij om even us time te creëren. Stilte.Rust.Zalig.Zucht. Lekker ontbijt met ons 2 op zondagochtend.Onze boel verzamelen en on the road again.We fietsen vandaag via de mooiste dorpjes naar Veurne.West-Vleteren, Beauvoorde en Oeren.Zelfs wil ik tonen waar Willem Vermandere woont en waar zijn kunst tentoongesteld staat in de kerk van Steenkerke.En waar er zo een gezellig terrasje is..Ja! je raadt het al! Ook daar hebben ze lekkere picon 🙃We hebben tijd! En we doen het op het gemak.Is tenslotte 65 km.Fietsen.Zon.Genieten.Zucht. Veurne, grote markt.Mooie oude Vlaamsche gebouwen.Het straalt iets uit.Nog een mooi plaatsje "bachten de kupe"Onze mannen staan ons op te wachten.'T zijn schatjes.Straks samen terug naar huis.Eerst genieten van een Bourgondische maaltijd.65 km fietsen geeft je honger.Weekendje Westhoek zit erop.Wat was dit leuk.Us time is voorbij.Zucht. By NoNaSh

NoNaSh
0 0
Tip

Een lange dag

Het is niet een geschikte ochtend om te verdrinken, al is natuurlijk geen enkele ochtend daarvoor geschikt.   Schuifelend over de loopplank voel ik naar het eind. Opvallend dat je geblinddoekt beter ruikt, zonder moeite onderscheid ik de zeegeur, mijn zonnecrème en flarden oleander van de struiken een paar kilometer verderop. “If wind is west, you smell olandre bushbush,” zei de beheerder bij aankomst. Nooit gedacht dat het zover zou dragen.    Mijn rechter grote teen herkent de rand. Mijn linkervoet houd ik achter, ik sta met de hielen tegen elkaar, als een balletdanser in een plié. In mijn achterhoofd zegt mijn nichtje: “eerste positie”, zal ik mijn knieën buigen met mijn armen netjes voor mijn borst? Zelfs nu speel ik de showman. Ik reik met mijn hand naar mijn ogen en wrijf met mijn duim de blinddoek nét voldoende omhoog om te zien waar ik val.     Een eerste aftastende prik in mijn rug herinnert mij aan de reden dat ik hier sta, de tweede prik duwt mij over de rand. Bij het ontbijt zwaaide ik met de folder en zei dat we over een uur het ruime sop zouden nemen. Jelka en ik definiëren spontaniteit anders. Zelf benadrukt ze dan: “zorgvuldig zijn,” “grenzen bewaren” en “eerst denken, dan doen”. En ja hoor: ze ontplofte als vanouds. En Rens? Zodra hij het jeugdjournaal herinnerde over piraterij en gewapende mensensmokkelaars op de Middellandse Zee, volgde hij zijn moeder.   Rens kreeg ik naar de haven met de belofte dat hij direct bij terugkomst, de piratenset kreeg uit het winkeltje in het dorp. De eerste keer dat we langs de etalage liepen zag hij tussen de emmertjes en bodyboards een rood-zwarte piratenpet met een plastic zwaard en handhaak. En hij was verkocht. Jelka haar onrust over de zeewaardigheid van de boot en mijn gebrek aan navigatiekunst was moeilijker af te kopen. Ze kwam, en daar was alles mee gezegd. Ze keek donker, het maakte haar irritant én onweerstaanbaar mooi.   ‘Gecontroleerd?’ Jelka vroeg het met een combinatie van wantrouwen en “ik ben beter.” Als hoofd van het microbiologisch laboratorium van “Gentiar Medicines”, stelde ze altijd zo vragen. Voor dit type baan was ze ontworpen, jammer dat het ontwerp in ons privéleven ook doorwerkte.   ‘Gevraagd.’   ‘Nee, dus.’   ‘Dimitrios, enough gaz?’ riep ik en wees op de grijze buitenboordmotor.   ‘No to worries mister,’ zei Dimitrios, hij krabbelde door zijn grijze borsthaar boven zijn oliebevlekte overhemd. ‘I fill up myselfly.’   ‘Je hoort het,’ zei ik.   Ze veegde een van haar eeuwig verende rossige krullen uit haar gezicht en snoof op de manier waarop ze haar ondergeschikten angst aanjaagde. Ze legde onze tas met zwemspullen en Rens zijn snorkel in de boot.   ‘Wat doe je, ronddobberend midden op zee, het wordt nacht en jij hebt geen idee waar de haven is?’ vroeg ze.   ‘En de piraten van het jeugdjournaal?’ vroeg Rens.   ‘Als iets gebeurt,’ zei ik, ‘doe ik een hele dag wat jullie willen.’   ‘Je hebt niet eens een vaarbewijs,’ zei Jelka, ze pakte een reddingsvest en trok deze over Rens zijn hoofd. ‘We zijn net gek.’ Een lichte tik tegen mijn achterste meldde dat het goed begon te komen. ‘Voldoende benzine?’ De priemende ogen waarmee Jelka mij in de nutteloos geworden stuurmansstoel duwde maakte haar ravissant, helaas niet geschikt voor een relaxte vakantie. ‘Mijnheer hoefde niet te controleren.’   Ik wees naar de horizon, in de verte schemerde ons eiland in een licht dat alleen hier lijkt te schijnen en pas zichtbaar wordt zodra anderen niet kijken. ‘Kijk en geniet, dit zie je alleen op reclames van een dure auto.’ Ik woelde door de haren van Rens. ‘Let op mijn woorden, jongen, Dimitrios zoekt ons al.’ Ik wees iets rechts naast de kerktoren van ons dorp. ‘Zie je ons appartement? Vlakbij het strand en die lichtjes.’   ‘Alsof Bob Ross zijn kwast tegen het doek heeft gekwakt,’ schamperde Jelka.   ‘De piraten komen,’ zei Rens. ‘Net als op het jeugdjournaal.’ Hij leek niet meer op de stoere kapitein van een uur geleden die het roer bediende en de koers bepaalde. Hij was een trillend jongetje van tien verdrinkend in zijn zwemvest.   ‘Niets aan de hand, dat is tv,’ stelde ik hem gerust.   ‘We varen langs de vluchtelingenroute,’ fluisterde Jelka. ‘Tussen Griekenland en Turkije is die rapportage opgenomen.’ Ze glimlachte stoer naar onze zoon. ‘Hier dus,’ siste ze me toe.   Ik wees Rens de contouren van heuvels en stadjes in het verdwijnende licht.    Een zwaarder wordend geronk liet Rens zijn hoofd omdraaien.   ‘Kijk,’ riep hij, ‘zie je!’   Een zwarte stip veranderde in een grijze streep en transformeerde verder naar een roestig schip. Het minderde vaart en scheerde langs, de hekgolf schoof mij uit de stuurmansstoel. Een dieselwalm plakte over onze boot.   In de vage schemer keek een gebarsten gezicht over de reling. Zijn vier vrijwel-niet-zichtbare tanden, rammelden.   Rens zei: ‘Het is die van het jeugdjournaal.’ Hij dook diep bij Jelka weg.   Ik haalde de pikhaak uit de klemmen aan de zijkant van de boot en maakte mij breed.   ‘Doe niet zo gek,’ zei Jelka, ‘wat begin je daarmee?’   Vanuit het schip klonk gelach en een zoeklicht scheen mij zowat omver. Iets ratelde en ons bootje schudde zo dat ik bijna overboord duikelde. Rens rent naar de rand van het zwembad. ‘Je keek,’ roept hij. ‘Nog een keer.’ Hij schuift zijn piratenpet schuin op zijn hoofd, zet een hand in zijn heup en wijst met zijn plastic zwaard naar de duikplank.   ‘Een keer is voldoende,’ zeg ik.   ‘Je beloofde de hele dag,’ roept Jelka van haar ligbed. ‘Ik zei nog: controleer de benzine. Gelukkig kwam die vissersboot langs.’ Ze neemt een slok van haar Ice Tea en leest verder in het julinummer van “Applied Microbiology and Biotechnology”.   ‘Ar Ar,’ zegt Rens met een piratenstem en draait zijn zwaard langzaam in kleine cirkels. Hij zakt door zijn knieën en vist met zijn haakhand de theedoek van ons appartement uit het water. Fel pletst hij deze in mijn gezicht. ‘En je blinddoek oplaten, landrot!’   Het wordt een lange dag.

MCH
102 2

Larven voor de specht

  Bloemen zitten zomaar vast aan stengels van het groen en op een tak zit de kameleon een kleurtje te bedenken voor een grauwe dag. Als ik even vallen mag, hetzij uit klamme lucht of uit de rede, onderbreken mag de tijden met een kille rand. Ik wil je bellen, schat, een stroomstoot voelen door die kabel, weten dat het mag. Het is de waarheid van een blinde koe. Het zijn mijn vingers die het dachten en gewaarwerden. Alles was er averechts en door een kwakkel aangesloten op een net van onfortuin. Liep er al lang een leiding door de straten van het ongehoorde? Smeerpijpen. Sifonputjes. Ze zaten vol, denk ik, met larven van malaise en ik heb ze ooit gedragen, afgestaan, te vroeg geboren lichaampjes met in hun ruggenmerg al sporen van geluk. Nektar, celdonoren, overschot aan sperma van een okapi. Het stond daar in een krantjesrand gekribbeld door een zieke luis die wachtte op een dokter met een derde oog waarmee hij hachelijke kwalen ijlings onderscheiden kon. Ik denk sindsdien het liefst aan niets, aan lege visbokalen. Liefste, kan ik zomaar omkijken, jouw krullen in de verte zien, die haren vol met vlinders? Zijn de verhalen die ik voor je droom wel sterk genoeg, of is het water voor de blaren al voorzien nog voor het vuur mijn handen voelt? Gisteren heb ik nog gesproken. Ik durfde. Het was tot een schijn van betere dagen en ik kon ze horen in de verte. De woede van een ekster in een kooi van zilver en de specht hij tokkelde. Signalen in een taal voor ingewijden. Amoureuze morse. Ik wil nochtans terug. Er zijn die wrede treden, glad en ongerangschikt. Het is een touwladder en hij gelooft. Zo ook de boom, de hut. Het touw zal ooit gebruikt worden. Om af te dalen. Doch. Ik weet niet eens of er een bodem is, de stam niet uit een kerker groeit. Of kom, mijn lieveling. Naar hier. Dit bos. Los geraken moest ik van de steden, al te vaste wegen, weg van die wagons beladen met ontvreemde hoofden. Ginds was het. Op sporen met dat hard motief. Intussen, schat, ben ik echt alles kwijt. De troost die zich in mondhoekjes verscholen hield. De hoop die in je ogen sliep. Als ik de zon vertel, hoe jij met warmte strooien kon, ontzegt hij mij bij dag, zomaar het licht en vraagt me waarom ik, diep in mijn hart, een regenboog verberg.     uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
3 0

Jonathan Jonckheere

Jonathan Jonckheere heeft een winkeltje met jojo’s, jongleerobjecten en lege yoghurtpotjes. Achterin het schroomvallige pand staan nog altijd drie machines, wordt er zelden nog gewerkt. Het zijn een draaibank, lintzaag en een hydraulische pers. Het huis is niet bijzonder en Jonathan leeft doorgaans eerder stil. Hij eet, hij knabbelt aan de tijd, hij drinkt een Bass Pale Ale of water, mijmert en vier ledematen heeft hij van gewone lengte, best normaal, van vlees en bloed. De botten in zijn lijf zijn ongebroken, helemaal tot hier geraakt. Ze zijn intussen wel verknocht aan ochtendgloren en de stralen van een milde zon. Er hangt dan ook een bordje. Open als het regent, als de wolken grauw, of grim, of grijs dreigen te zijn. Niets is nog echt, ook niet met bedoelingen. De klanten met hun circustrucjes, vragen over zwaartekracht en deviatie, ze komen nog, zo vaak als tweelingen geboren worden in een stal te Betlehem. De kans op beterschap, de dansjes van het ongewisse blijven ongezien. En heel misschien. Wanneer de voorstellingen uitverkocht zijn in dat hoofd, alles onverhoopt zijn plaats vond in een potje, in de vorm van blijdschap uitgezaagd kon worden. Dan zit hij op het dak. De glimlach van een vogel is onzichtbaar rond zijn bek. Een tol voor een kind. Een touw voor een ruk of een knoop rond de nek van een angst, de twijfel of hij spreken kan tot haar, de aarzeling. De rekjes liggen vol met dergelijke zaken, goochelinstrumenten, bibelotjes en onzichtbare verlangens. Wie ze aanraakt is gezien, kan proeven van het stof. Ofschoon. Hoewel. Jonathan, hij is zo gek nog niet. Hij kocht planeten van een Kleine Beer en reist al vele jaren ongestoord, wanneer het dak te laag is om te springen, terwijl de speeltjes voor de geest en zijn begoocheling zich liggen te vervelen. Als de mensheid moe is, Jonathan zijn laatste slaap verkocht heeft aan de strompelende onrust die deur vond van zijn winkeltje. Dan heeft altijd ergens wel. Nog vleugels liggen voor een ongeboren droom en weg is hij. Tot hij weer vallen zal.     uit de reeks 'Kleinood'

Bernd Vanderbilt
6 0

Eldorado

Het café Eldorado verbergt zichzelf achter een met glas omgeven façade. Met wat fantasie zou je het geheel een veranda kunnen noemen. De bordjes van biermerken verdonkeremanen de rest van de gevel. De gekleurde deurlinten wiegen zachtjes op en neer op het ritme van de wind.  Gezeten op een plastieken stoel zit Marianne. Sinds 55 jaar de bazin van Eldorado. Het paradijs voor motards, drankzuchtige loonwerkers en kaarters. Voor haar staat een half leeg glas VAL limonade. Haar zoon Oswald, inderdaad genoemd naar de moordenaar van John F. Kennedy Lee Harvey Oswald, krasselt wat achter de toog. Hij bevindt zich al zijn hele leven in de stilte voor de storm. Stilaan daagt het hem dat de storm zal uitblijven. Marianne heeft altijd al een zwak gehad voor mannen met een hoek af. Toen ze eind 1963 zwanger bleek wist ze onmiddellijk hoe ze haar kind, indien een jongen, zou noemen. Indien een meisje had ze trouwens ook niet getwijfeld.  Af en toe passeren er wielertoeristen. Gezonde mensen die fitheid etaleren en scherpte hoog in het vaandel dragen. De steenweg voor het café die dit stuk van de Vlaamse Ardennen door twee splijt is niet de meest dankbare maar wel een noodzakelijke weg voor wielertoeristen. Marianne vindt het losers, stuk voor stuk. Met hun duffe pakjes. Hun geschoren benen. Hun hippe zonnebrillen en speciale drankjes. Als ze stoppen zuipen ze schaamteloos haar Orval op. Die schijnt, met name in de steden waar ze vandaan komen, schaars te zijn. Niet hier, het enige wat hier schaars is, is liefde. Drank is er altijd in overvloed.  Stilaan komt Eldorado op het punt dat er meer drank dan klandizie is. Daniël, één van de laatste der Mohikanen, zit in een hoek wat met zijn vingers te draaien. Marianne houdt hem in het oog. Niet omdat ze hem niet kan vertrouwen, ze kent hem al lang. Ze is nieuwsgierig of hij iets te vertellen heeft. Hij heft zijn glas ten hemel en prevelt  ‘Marianne’. Ze knikt, steekt haar hand uit en roept op haar beurt: ‘Oswald, Carlsberg voor Daniël’. Oswald gehoorzaamt gedwee. Hij schenkt met kunde een vers glas in.  Daniël wacht op Roger, zijn elf jaar oudere makker. Dat wil zeggen dat Roger al een tijdje met pensioen is. Hij kan dus niet meer, zoals Daniël doet, een paar uurtjes pieken en tussen twee klussen door op café komen. Hij moet afspraken maken met zijn vrouw. Daarenboven mag hij niet meer drinken want zijn lever ligt voor pampus.  Er stopt een fietser, een vermaledijde toerist, duidelijk te zien.  ‘Valt hier wat te eten’, vraagt de man. Marianne schudt van neen. Ze wil wijzen naar iets verderop waar een restaurant gelegen is maar bedenkt zich dan. Moeizaam staat ze op, ze voelt even haar benen en evenwicht. Ze tast de mogelijkheden van haar lichaam af, steekt een vinger in de lucht, wrijft door haar grijze haren en zegt: ik bak wel een croque monsieur.  Daniël die dit hoort, verslikt zich bijna in zijn bier. Ook Oswald richt zich als een reptiel op uit de benedenkoelkast, opent zichzelf een fristi en wrijft een streepje zweet van zijn voorhoofd.  Hoog boven Eldorado knalt de zon door het wolkendek en spiest het landschap met een verhelderend licht. Soms is er optimisme, later volgt het onweer. 

Thomas De Mulder
10 0

NIET DE NAGELS

Twee spiegels, tegenover elkaar geplaatst boden ons een oneindig perspectief.   En toch, dacht ik, er moet méér zijn. “Toerisme”, Jotie T’Hooft In de H&M stonden twee spiegels tegenover elkaar. Dat had Karel gezien, hij keek eerst bedenkelijk naar de spiegels apart en daarna probeerde hij gekke gezichten en bewegingen uit.  Dat deed me denken aan het gedicht “Toerisme” van Jotie T’ Hooft en hoe we dat, meer dan vijfentwintig jaar geleden, in de klas Nederlands besproken hadden. Het had toen indruk op me gemaakt, net zoals het tragische leven van Jotie T’Hooft zelf. Hopelijk bleven onze kinderen ver weg van dat soort van junkieverdriet. De ouders van die veel te vroeg gestorven dichter moesten hem toch ook graag gezien hebben, en dan zo machteloos je kind zien afglijden… Ik mocht er niet aan denken dat… Karel wekte me uit mijn angstdroom. Het soort van ‘geblaf’ dat hij uitstootte, reserveerde hij doorgaans voor als we met de bakfiets onder een brug passeerden. Dat vonden zowel hij als Marie-Anne geweldig, want dan hoorden ze zichzelf nog eens. Tussen deze twee spiegels leek het wel alsof hij een eindeloze echo had verwacht. Met kinderen weet je het nooit, die hebben soms zo van die vreemde kronkels. Ssssht!, Karel! Niet roepen hier. Met zijn geroep had hij de aandacht van Marie-Anne getrokken, die nochtans druk bezig was accessoires uit de rekken te halen. Ze liet een stuk of zes diademen, drie strikjes, een eenhoornhandtasje en een set haarbanden pardoes op de vloer liggen om met haar tong aan één van de twee spiegels te komen likken.  Marie-Anne, vooruit, hou je tong binnen en blijf van die spiegels af. Wat is dat nu weer voor een idee?! En kom, die spulletjes terugleggen.  Karel blijf van je zus af. Karel, niet duwen. Ka-rel, hallo, stop met duwen. Karel zou binnen een maand zes worden en in diezelfde maand werd Marie-Anne vier. Kennissen en vrienden met oudere kinderen zeiden vaak dat het allemaal beter werd als ze wat ouder waren, maar soms vond ik dat het lang duurde voor ze eindelijk die leeftijd hadden dat ze minder luid, impulsief en ronduit vermoeiend waren. Waar was Tine, eigenlijk? Het was haar idee geweest, om ‘snelsnel’ de H&M binnen te gaan. Karel had immers dringend nieuwe T-shirts en broeken nodig. Hij was de laatste tijd zo hard gegroeid dat bijna al zijn kleren én schoenen trouwens, te klein geworden waren. En dat met het nieuwe schooljaar in aantocht! Boven een stel klerenhangers achteraan de winkel verscheen plots een rok. Peter, riep Tinne, is dat iets voor mij. Zus, raap die spulletjes nu eens op en waar is jouw broer? Ik riep terug dat ik dat zo niet kon zien, dat moest ze passen. Aan de toon van mijn stem kon ze allicht horen dat ik absoluut niet in de stemming was om voor haar of voor mezelf te shoppen. Ik hield er sowieso niet van om luide conversaties te voeren op openbare plaatsen, dat wist ze ook. In ieder geval: daarmee leek de kous af en kon ik op zoek gaan naar Karel, die hopelijk niet de winkel uit geschoten was. Ha daar stond hij; hij was de spulletjes die Marie-Anne zo achteloos op de vloer had laten liggen, netjes terug op hun plaats aan het hangen. Deze morgen hadden we samen met Tines ouders, broer, diens vrouw en de kinderen een ontbijtje genuttigd. De hele schoonfamilie zat in een brasserie op elkaar gestouwd aan te kleine tafeltjes, die al vlug vol papier en kleurpotloden lagen. Af en toe viel er zo’n kleurpotloodje op de grond en dat gaf dan aanleiding tot een hoop gewring en gewriemel om aan dat potloodje te komen. De tweeling van Tines broer, twee jaar, wilde niet meer in een kinderstoel en moest voortdurend ergens in de zaak gevangen worden om terug aan tafel gezet te worden. Marie-Anne moest drie keer ‘pipi gaan doen’, maar slechts één keer kwam er een dun straaltje, de andere keren dus helemaal niks. Daartussen probeerden de volwassenen een gesprek te voeren, hun eigen ontbijt én dat van de kinderen weg te werken. Ik was totaal opgedraaid en er helemaal klaar mee, toen mijn schoonmoeder voorstelde om toch nog – ‘op ons gemak’ – een koffietje te bestellen. Aan die koffie heb ik mijn tong verbrand om de kinderen zo snel mogelijk mee naar buiten te kunnen nemen, zodat ze op het marktplein konden ravotten. Dat gaf nog een hoop kabaal, maar het gesus en gemekker van de ouders om nu alsjeblief stil en rustig te zijn, viel al weg. Bovendien klinkt kindergespeel een pak minder doordringend in de buitenlucht.  Dat extra koffietje duurde voor de schoonfamilie een extra drie kwartier; mijn schoonzus had het onderonsje op de duur ook verlaten en we stonden zuchtend naast elkaar naar de kinderen te kijken tot de rest eindelijk de brasserie verliet. Toen wou Tine dus nog ‘snelsnel’ de H&M binnen.  Ondertussen was het half twaalf geworden. Ik had deze voormiddag nog graag het gazon gemaaid. Ja, dat ging dus niet meer. Deze namiddag was ik graag gaan fietsen, maar morgen is het zondag, dan mag er geen gras gemaaid worden, dus kon ik misschien beter morgen gaan fietsen. Fietsen of maaien, ik wist het nog niet voor deze namiddag. Wie weet wou Tine deze namiddag nog schoenen gaan kopen. Ik zou wel zien.  Om te vermijden dat Marie-Anne weer vanalles van de rekken zou nemen, nam ik de kinderen opnieuw mee naar buiten. Marie-Anne rukte zich los uit mijn greep en liep zomaar de straat op. Potverdikke, Marie-Anne, blijf staan. Blijf staan. Hier zeg ik. Gelukkig kwamen er geen auto’s of fietsen aan en bereikte ze levend het marktplein. Ík ben braaf, eh, papa. Ja, Karel, jij bent braaf. Ga maar spelen. Aanstekelijk giechelend liep Marie-Anne weer de straat op, toen ik haar probeerde te vangen om een standje te geven. Ik dreigde haar in de oude waterput te steken, als ze niet ging luisteren, dan zat ze daar maar alleen en zonder iemand. Ik hief haar zelfs over de rand om mijn woorden kracht bij te zetten. Ik voelde dat ik kwader geworden was dan ik had willen zijn, en ik dacht: zij zijn niet de nagels aan mijn doodskist, echt niet. Ze zijn de kist zelf.  Onmiddellijk na die gedachte haatte ik mezelf dieper en hartgrondiger dan ik tot nog toe ooit had gedaan. Krijsend lag Marie-Anne op de plaveien van het marktplein. Ik mocht niet naar haar feestje komen. Ik had haar verdrietig gemaakt. Ik nam haar op en ze sloeg haar armpjes stevig om mijn nek. Haar traantjes en wat snot bevlekten mijn hemd. Achter mijn rug, had Karel zijn broek tot op zijn enkels laten zakken om een plasje te maken tegen één van de lindebomen. Zijn witte billen blonken in de zon.  Tine kwam met twee grote papieren tassen uit de winkel en stak ‘snelsnel’ de straat over naar de Hema. Ach, laat ze maar, dacht ik. Na de diepe zelfhaat die ik daarnet nog had ervaren, overspoelde me een warm gevoel. Het was goed zo.

Hans Van Ham
17 0

Kansloze ouwe-lullen-poststress

Ik ben niet meer de jongste, maar je moet mee met de tijd.  Dus wat doe je? Zegt Burbn u iets? Of Systrom? Waarschijnlijk niet, maar op opvolger Instagram gingen zo'n paar honderd miljoen mensen mij voor.Dus wat doe ik?Ik ben niet hip, kan niet fotograferen, maak niets mee. Dus: MCH schrijft een verhaaltje, een paar in de week. Volgens mijn kinderen (die dit medium jaren bevolken en wél begrijpen) is dit kansloos. Ben ík kansloos.En wat gebeurt er? Vrijwel niets, mijn kinderen hebben gelijk: papa is kansloos in de moderne wereld. 25 mei mijn eerste bericht en na de afgelopen maand of drie kan ik concluderen dat deze moderne wereld niet op een verhalenboek zit te wachten. Ik hou stug vol, maar waarom?Dat heb ik onderzocht: Ik noem het de "Kansloze-Post-Stress": de stress om iets te missen met een Post waar niemand op zit te wachten. Stel je voor dat er wél meer dan vier mensen liken? Stel je scoort met een Post 6 likes? Kansloos! Roepen mijn kinderen vanuit de kamer. Maar je weet maar nooit. Stel je voor dat iemand een reactie onder een verhaal schrijft? Kansloos! Roepen mijn kinderen, maar je weet maar nooit. Stel je voor dat iemand je een bericht stuurt (dan hoor je er een ietsieminiepietsie-beetje echtererder bij)? Kansloos! Roepen mijn kinderen, maar je weet maar nooit. Het lijkt op de Lotto: je wint nooit (mijn topper: 15 Euro), en elke keer zit je in spanning te wachten. (Ook hier roepen mijn kinderen, als ik bij de balie van de Primera een lot koop: Kansloos!)  Overigens, die sporadische likes zijn niet van mijn kinderen, stel hun vrienden komen erachter dat ze suffe tekst liken? Daar gaat je imago. Met zoveel bejaarden boven de 20 op Insta, is het al een duffe bedoening, daar hoeft je vader niet bij te komen. Een kansloze vader om precies te zijn.

MCH
16 0

Dappere wereldreiziger

Gedurende zijn epische "Wereldreis", de, van half juni tot half september durende, bus- en treintocht door Thailand, Cambodja en Maleisië, netjes volgens de regels van de Lonely Planet, Tripadvisor en de aanmoedigingen van mede-backpackers die, zeer origineel, precies op dezelfde tijdstippen langs dezelfde route opdoken, had hij niets meegekregen van de wonderen die TV-reisprogramma's beloofden.  Uit angst te worden afgezet, met een omweg op een bestemming aan te komen of juist daarvan te vertrekken, in de maling genomen te worden door gidsen, lokale reisbureaus, taxichauffeurs, baliemedewerkers van hostels en alle overige ingezetenen ("locals", in reizigersjargon) die matig Engels spraken, tuimelde hij schichtig langs de voorgeschreven route, zijn onzekerheid verbergend achter een botte arrogantie die bij de lokale veroorzakers van zijn angst zo'n instantane antipathie opwekte, dat juist zijn gedrag al zijn angsten tot werkelijkheid materialiseerde.    Je zou kunnen zeggen dat het "Reis" deel van de wereldreis zoveel planning, organisatie en inspanning kostte, dat hij bij terugkomst besefte dat hij vrijwel geen blik op het "Wereld" deel had geworpen. Dat hij geen rijst lustte, hielp hier niet bij, gelukkig werd de universele taal van pizza, pasta en banana-pancake zelfs in de kleinste dorpjes langs de touristtrail gesproken.   Zijn opsnuiven van nieuwe culturen beperkte zich tot de geur van oude sokken en zijn van zweetbacteriën doorweekte ondergoed, dat zijn moeder, bij het meesnuiven tijdens het uitpakken van de rugzak, bezorgd deed uitroepen dat hij de volgende keer wat beter aan zijn lichamelijke hygiëne moest denken. Nou, er kwam geen volgende keer. De vakantiedagen werden zo dicht mogelijk bij huis doorgerbracht.   Het woord "reizen" zou de rest van zijn leven een onrustig, verdrietig sentiment oproepen alsof hij zijn enige, ware geliefde door onhandigheid misgelopen was en waarna dat eeuwig geluk aan de andere kant van een muur stond. Wuivend door een potdicht raam en bemind door anderen.

MCH
20 0