Zoeken

Bloemetjesfauteuils

Ik heb nooit helemaal geweten hoe het kwam dat mijn grootvader zijn tenen verloren was. Op de plaats waar zijn voet had moeten overgaan in vijf aparte delen, flapte de neus van de kous naar beneden zoals de mouwen van een te warm gestreken overhemd. Als hij stapte, schoven zijn schoenen ongemakkelijk heen en weer. Ik heb hem eens gezegd dat hij beter een kleine maat kocht.   Het is niet zo dat hij ermee geboren was. Dat gebeurt, dat de menselijke ontwikkeling soms lichaamsdelen vergeet, maar op foto’s van de gidsen zag ik hem op een omgevallen boom, een blonde jongen met een glimlach, een coltrui en een beige broek, en in elke sandaal een voet met vijf bemodderde tenen.   Als volwassene werkte hij in de mijn, dus ik geloof dat ik wel eens gedacht zal hebben dat er een rotsblok op zijn voet gevallen was. En dat zijn makkers hem dan in een schacht naar boven sleurden tot er licht kwam en ze teneergeslagen achter zijn rug gebaarden: hopeloos.   Nee, schudde mijn grootvader* op het voorstel van de kleinere schoen, dan zou hij kinderlaarzen moeten dragen. Zijn trots was hij nooit verloren. Ik paste mijn voeten naast de zijne om na te gaan hoe hard ze van grootte verschilden. Dat was de eerste keer dat ik besefte dat tenen een aanzienlijk deel van je voet innemen.   *Hij was daar heel goed in, in nee schudden. Hij deed het langzaam omdat de spieren van zijn nek moeilijk van de ene naar de andere kant rekten. Een nee-schudding kon daardoor soms twee minuten duren, en dan was het wel duidelijk dat hij niet akkoord was.   De tweede keer dat ik dat besefte, was in het vijfde leerjaar, toen ik van een springkasteel viel, vier voetwortelbeentjes brak en zes weken een loopgips kreeg.   Ik kan me niet herinneren dat mijn grootvaders gebrek aan tenen echt een onderwerp was. Het was er gewoon, zoals de bloemen op de fauteuils waarin we naar Te land, Ter zee en In de Lucht keken, of de stukken appelvlaai waar niemand ooit nog plaats voor had.   Ik heb de voeten van mijn grootvader nooit zonder kousen gezien. Als hij pantoffels nodig had om naar de badkamer te schuifelen, moest ik die met gesloten ogen aangeven. Het was een belofte dat ik de littekens mocht zien als ik twaalf werd, maar toen was hij al dood en ik heb lang spijt gevoeld dat ik nooit stiekem heb gekeken.

Kristien Spooren
0 0

In Schotland

Toen ik in de paasvakantie alleen op reis ging en aankwam in Schotland, wandelde ik door het grootste treinstation van Glasgow. Midden in de centrale hal stond een grote, houten balk met aan vier kanten dezelfde analoge klok. Als de secondenaald de twaalf raakte, versprong de lange wijzer een minuut, alsof het leven altijd op hetzelfde ritme wegtikt. Aan de voet liepen de mensen de tijd voorbij.   Veertig minuten van Glasgow lag Hamilton park. Ik zag er een eekhoorn, schapen, bruine runderen en een oude vrouw met blauwe oogschaduw die dansjes deed omdat ze nog nooit een toerist had ontmoet. Rond de middag klom ik in een eikenboom met dikke knoesten om rozijnenboterhammen te eten en er was niemand die zag hoe gelukkig ik was.   De volgende dag zat ik op de bus naar Loch Lomond, een meer dat geboren was tussen de vlaktes en de hooglanden waardoor niemand echt zeker wist waar het thuis hoorde. Ik had horen zeggen dat de avonden hier het mooist waren. Het water rimpelde op het oppervlak en weerspiegelde de zon die langzaam verdween, alsof ze in de verte werd ingeslikt.   Onderweg naar het meer passeerde de bus langs Levendale, een dorp dat zo hard heuvelde dat het leek of we in een achtbaan zaten. Onder de bibliotheek was een autoparking. Er stond een bord van de gemeente met een schuifbalk en twee vakjes, vrij en vol. Het was nog niet digitaal en ik vroeg me af of er dan iemand was die bij de laatste auto naar dat bord loopt om het balkje te verschuiven.   Op maandag haastte een man zich naar het werk. Hij droeg een zwart kostuum, een grijze stropdas, geklede schoenen en een hoed die aan de rechterkant een beetje deukte omdat hij tegen het raam in slaap gevallen was. Terwijl hij bedrukt door de straten beende, dronk hij geen koffie, maar caprisone met een rietje.   In Dundee dronk ik thee met een vrouw uit Japan. Op straat vond ik een stuk van zes centiemen. Dat hebben de Schotten ooit uitgevonden om kleine meisjes geluk te wensen. Je kreeg dan zo’n munt met het geboortejaar van je moeder op. Het is lang geleden dat ze mijn talisman werd.   De tweede week stapte ik het begin van de West Highland Way. Dat is een hele lange weg die start in Milngavie, een stadje dat op een sprookje lijkt omdat er nog lantaarnpalen zijn en de mensen zich schuifelend van de ene naar de andere plaats bewegen. Toen ik op de terugweg een stuk van de kaart wilde snijden, klom ik door een modderpoel over een hek met horizontale stangen. Het was stil in het landschap. Vanachter een heuvel naderde een kudde wilde hooglanders. Ze kwamen loeiend dichterbij, tot een van hen het geluid van mijn hartslag hoorde en we elkaar voorzichtig in de ogen keken. Er had nog nooit een koe aan mijn voeten gegrazen.   Op het einde van de reis hielp ik zwangere schapen bevallen. Een tweeling stierf, een lam lag weerloos op een heuveltop. Het was koud die nacht. De zon viel neer, de lucht kleurde marineblauw met witte sterren. In mijn armen klonk het oorverdovend gemis van een jong verstoten door haar moeder. Het rilde, bijna in morsecode, alsof het alleen maar kon zeggen: sommige dingen gaan niet goed. Zomaar, zonder dat je er iets uit kan leren.

Kristien Spooren
21 0