Zoeken

Blijven staan

‘Komt allemaal naar hier, vrouwen. Medea is zot geworden. De duvel is in haar lijf gekropen en spreekt door hare mond.’ Zo begon het. Of toch ongeveer. Na bijna dertig jaar zitten die woorden nog altijd ergens in mijn hoofd. Ik was negentien en ik was Medea. Allez. Ik speelde Medea. Ik kende mijn tekst. Mijn wereldproblemen waren nog bijzonder overzichtelijk. Een jongen die niet keek wanneer ik wilde dat hij keek. Een examen waarvoor ik te laat begonnen was. Een moeder die lastig deed. Een broek waarin mijn gat er dik uitzag. Een puist die altijd een uitstekend gevoel voor timing had. En daar stond ik dan, in de toneelklas, een vrouw te spelen die door haar man verlaten was voor een jongere vrouw en die van verdriet, vernedering en razernij zo ver buiten zichzelf trad dat ze bereid was het ondenkbare te doen. Haar kinderen vermoorden. Wist ik veel. Op je negentiende weet je inderdaad niet veel. Je denkt nog dat de wereld min of meer logisch in elkaar zit. Dat wie goed doet, goed ontmoet. Dat grote liefdes groot blijven. Dat mensen die zeggen dat ze blijven, blijven. Dat volwassenen weten waarmee ze bezig zijn. Dat ouders altijd ouders zijn. Dat vriendschappen niet breken. Dat als je iemand je hart geeft, die mens daar toch op zijn minst niet mee gaat voetballen. En vooral: je denkt dat je zelf ongeveer weet wie je bent en hoe je in bepaalde situaties zou reageren. Ik zou nooit. Dat zeggen negentienjarigen nogal gemakkelijk. Ik zou nooit bij iemand blijven die mij pijn doet. Ik zou nooit liegen. Nooit iemand haten die ik ooit graag gezien heb. Nooit jaloers zijn. Nooit wraak willen. Nooit iets zeggen alleen omdat je precies weet waar het bij de ander pijn doet. En dan begint het leven, in beetjes. Een kras. Een barst. Een deur die dichtgaat. Iemand die vertrekt. Iemand die blijft maar er eigenlijk al lang niet meer is. Liefde die niet genoeg blijkt. Een leugen recht in je gezicht. Een afscheid waarvoor je nog niet klaar was. Onrecht waar geen mooie oplossing voor bestaat. Je kinderen die pijn hebben en jij die ontdekt dat moederliefde dan wel enorm is, maar helaas geen superkracht. Je leert dat goede mensen soms rotte dingen doen. Dat mensen van wie je houdt je kunnen verwonden. Dat je iemand tegelijk kunt missen en naar de maan wensen. Dat verdriet niet altijd waardig is. Dat woede soms onder je vel kruipt en daar dagen blijft zitten. En dat je zelf ook niet altijd die redelijke, zachte, verstandige mens bent die je dacht te zijn. Ergens onderweg zit die Medea. Niet de kindermoordenares. Maar de vrouw ervoor. De vrouw die roept: kijk dan wat ge met mij gedaan hebt. De vrouw die niet onmiddellijk wil verwerken, helen, loslaten, verbinden of dankbaar zijn voor de lessen die het universum haar alweer cadeau heeft gedaan. Fuck de lessen van het universum. Soms ben je kwaad. Razend kwaad. En ik weet nu dat de ergste woede soms heel stil is. En dan moet je gewoon gaan staan. Staan. Er staan. Niet flink. Niet geheeld. Niet met een of andere kutquote over loslaten op Instagram. Gewoon recht. Met uw verdriet. Uw woede. Uw goesting om iemand zijn kop tegen een Griekse zuil te kloppen. Met alles wat niet netjes, vrouwelijk, redelijk of vergeven is. Met de duvel in uw lijf gekropen is. Blijf staan. Medea. Staan. ‘Dag Jason. Wat een schoon gedacht van u om naar hier te komen en uw schone jonge bruid achter te laten... Onnozelaar! '

Katrien Daniels
56 3

Hemellichaam

Daar waar de wetten van de tijd vervagen, daar lag hij. De singulariteit van haar verlangen. Het zwarte, fluwelen punt waar alles samenkwam. De ster wist niet wie of wat hij was, maar ze voelde dat haar banen om hem heen steeds dichter lagen. Altijd was ze gewend geweest om de duisternis te bezweren, maar nu wilde ze de donkerte net proeven. Zijn onwrikbare zwaarte hypnotiseerde haar, en langzaam liet ze zich afglijden in zijn invloedssfeer. Eenmaal de kosmische dans begon, was er geen weg meer terug. Bedwelmd door de belofte van zijn pulserende hart, vormde ze haar ritme naar het zijne. Met zachte aanrakingen streelde hij haar buitenste lagen los. Onder zijn onverbiddelijke kracht opende zij zich als een bron. Zij was de ster die in gouden rivieren zijn hart van zwart velours voedde. In zijn standvastige zwaarte legde zij haar puurste licht. Aarzelend zochten haar fijne, gouden vingers zijn middelpunt. Hij schoof haar nevelsluiers langzaam opzij, en voelde door de zachte waas hoe haar gloed langzaam naar hem toe bewoog. Met elke haal van zijn energie legde hij meer van haar bovennatuurlijke krachten bloot. Hij ontmantelde haar teder op de maat van zijn trillende kern. Het sterrenstof dat zij loste, smeedde hij in zijn kosmische handen om tot vloeibaar goud. Hij wilde haar niet breken, hij wilde haar absorberen. Haar goud voor eeuwig bewaren in zijn ondoordringbare kern. Samen gleden ze naar zijn horizon, de flinterdunne grens tussen het bekende universum en het absolute niet-weten. Op die drempel stolde de tijd. Er was geen zij of hij meer, de tijd enkel nog een eeuwig nu: een versmelting van vloeibaar goud en hermetisch zwart. Misschien wilde zij geen ster meer zijn, maar transformeren tot een geheel nieuw hemellichaam zodra ze achter zijn waarnemingshorizon verdween. In een verzengende hitte barstte haar laatste verzet open. Hij trok haar over de drempel, naar de einder waar alles onomkeerbaar werd. De kosmische adem stokte. Hij leidde haar dieper zijn kern binnen. Met een laatste zucht van licht sloot de horizon zich.

Jolien Van de Velde
472 2