Zoeken

De naakte waarheid

Schrijven is een beetje als naakt lopen met je hersenen. Niet alleen lijkt het telkens weer alsof je nog nooit iets geschreven hebt, alsof het je eerste keer is, maar je laat ook nog eens iedereen zomaar lezen wat je denkt. Niets is zo puur en zo bloot als je diepste gedachten. Een nieuwe tekst is telkens weer een belevenis. Een geboorte. Naakt. Toen ik jong was wipte ik nog vaak. De grens over, bedoel ik dan vooral. Vanuit Lommel was je immers in geen tijd in Luyksgestel, Bergeyk, Valkenswaard en Eindhoven. Eigenlijk zat ik overal zo'n beetje. Op een keer, toen ik zo'n jaar of tien was, ging ik samen met mijn ouders en mijn nicht naar ergens en nergens. We stopten spontaan in het plaatsje Eersel, bij een strand waar we nog nooit eerder geweest waren: het E3 strand. Soms moet je gewoon doen en niet denken, dat leek het credo. To go where no man has gone before, al is dat misschien een beetje overdreven. Ach, een probeersel in Eersel, laat ik het zo noemen. Het zand was er parelwit en er vertoefden opvallend veel jonge mensen op het strand. Gezellig druk, maar ook weer niet té. Ik ben nooit een zwemmer geweest, noch een bouwer van zandkastelen. Voetballen ja, dat was mijn ding, maar dat vond mijn nicht dan weer niet al te lang leuk, dus keek ik na een tijdje zomaar wat rond. Vooral naar de meisjes in bikini natuurlijk, zo eerlijk moet ik wel zijn.  'Ik heb trek in een ijsje, mammie! Echt hele grote trek!' Een klein blond jochie met blond haar en heel wat sproetjes. Hij lag samen met z'n mama een paar meter verderop al een tijdje luidruchtig te wezen. 'Haal dan maar een ijsje, jongen. Hier is geld.' Ik keek meteen naar mijn eigen mammie en voor we het wisten deden we een copy-paste, alleen kreeg ik een groter budget mee, alsook mijn nicht, met de opdracht om dat mannetje te volgen en voor iedereen een ijsje te kopen.  Er was haast mee gemoeid, want die kleine wist blijkbaar verdomd goed waar het koude spul te krijgen was. Zelf hadden we geen idee. Hij rende een heel eind naar een soort van uitgang. Een uitgang met een pijnlijke overgang, want het ging abrupt van mul zand naar van die puntige kiezelsteentjes. Het kleine ettertje had zelf preventief slippers aangetrokken. Wij natuurlijk niet, in onze halsoverkoppigheid en zeven haasten tegelijkertijd. Een paar tientallen meters die wel kilometers leken, trippelden we naast een soort hekwerk. We waren zo gefocust op dat steeds sneller lopende rotjoch en op onze pijnlijke poten, dat we de mooie ouderwetse ijskar pas opmerkten toen we er bijna tegenaan hinkepinkten. En toen, toen we niet meer aan de achterkant stonden, toen zagen we het pas! Een hele rij roze oude mensen. Ze ... ze hadden niks aan! Geen T-shirt, geen bikini, geen short, geen zwembroek, zelfs geen string, nee, helemaal niks! Daar stonden ze. Netjes op een rij hun beurt af te wachten. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Geen hond scheen het iets te kunnen schelen dat ze poedelnaakt waren. Buiten ons. Wat zagen we ineens veel blubberbuiken en oude uitgezakte mensenkonten in allerlei vormen en schakeringen, van marmerwit naar lichtbruin, donkerbruin tot zwart, met tussendoor ook veel pijnlijk uitziend rood. Wat staarden we naar de talrijke tieten in alle mogelijke formaten. Onze monden vielen open en onze neuzen gingen spontaan de hoogte in bij het aanschouwen van zoveel (vooral grijs) schaamhaar en verrimpelde geslachtsdelen.  Ik schrijf het helemaal niet graag, maar vooral die genitaliën zorgden bij mij voor de slappe lach. Ik hield het niet meer. Zeker toen ik de grote ogen van mijn nicht en haar opengevallen mond in het vizier kreeg.  Wij waren zo ongeveer de enigen die gêne voelden, ondanks het feit dat we 'gekleed' waren. Wat een situatie! We stonden gewoon te midden van een meute blote bejaarden. Geen woord spraken we. Mijn nicht deed haar uiterste best om niet te lachen en zelf deed ik niet anders dan hoesten, proesten, onderdrukken, piepen, mijn hand voor mijn mond houden, de tranen uit mijn ogen wrijven en voortdurend naar de grond kijken. Naar de puntige steentjes die ik blijkbaar niet meer leek te voelen.  Toen het eindelijk onze beurt was en we zo ingetogen mogelijk besteld hadden, duwde de ijsjesverkoper, die gelukkig wel helemaal aangekleed was, de ijsjes in onze handen, waar ze bijna onmiddellijk begonnen te smelten.  We likten en slikten elk dan maar twee ijsjes en net toen ik me wat kalmer voelde worden en mijn buikpijn langzamerhand verdween, zag ik net voor het betreden van het strand een bord met een pijl die naar rechts wees: 'NAAKTSTRAND'. In de verte zag ik ook weer een hele zwerm senioren komen aanlopen. Snel! Weg! Wat een bevrijding achteraf, dat warme zand en die zedige jonge mensen! Waar ik daarstraks in mijn wildste prepuberale fantasieën nog stiekem droomde dat al die mooie meisjes hun bikini zouden uitgooien om naakt te zonnen, hoefde het voor mij nu even niet meer. Ik was helemaal verzadigd.  Om een of andere reden zou ik de eerstvolgende weken ook niet meer te porren zijn voor hotdogs, tv-worstjes, thee (vanwege de zakjes), pudding (zowel vanille, mokka als chocolade), meloenen of suikerspinnen.  En jij? Je was live aanwezig bij de geboorte van een tekst. Bij de hergeboorte van een herinnering. 

Danny Vandenberk
0 0

Bericht verwijderd

Er zijn zinnen die ge kunt lezen zonder ze gelezen te hebben. Bericht verwijderd. Dat staat daar dan. Grijs. Onschuldig. Alsof er niets gebeurd is. Maar er is natuurlijk van alles gebeurd. Iemand heeft iets geschreven. Iemand heeft getwijfeld. Iemand heeft op verzenden geduwd en daar onmiddellijk spijt van gekregen. Of erger nog: iemand heeft drie minuten lang zitten typen. Dat ballonnetje verscheen, verdween, verscheen opnieuw en verdween weer. Ge kent dat. En dan uiteindelijk: Bericht verwijderd. Dat is gelijk een cadeau krijgen waar iemand vlak voor uw neus het papier terug rond plakt. Ik word daar ambetant van. Niet woest. Geen stoelen-gooiend kwaad. Gewoon dat klein venijnig gevoel van: zeg het dan. Of zeg het niet. Maar laat mij niet achter met een leeg vakje en een hoofd vol scenario's. Want een verwijderd bericht is nooit leeg.  Een verwijderd bericht is een misdaad zonder lijk. Een klein grafzerkje in een WhatsApp-gesprek. Hier rust een zin. Geboren om 22.14 uur. Overleden om 22.15 uur. Oorzaak onbekend. En nu zou het schoon zijn mocht ik kunnen zeggen dat ik dat zelf nooit doe. Maar dat is niet waar. Ik verwijder ook berichten. Ik heb daar zelfs regels voor. Strenge regels. Ik verwijder enkel stommiteiten. Een bericht voor de verkeerde correspondent. Een bericht dat een halve minuut te vroeg vertrokken is. Een autocorrectie die van mijn tekst een psychiatrisch verslag maakt. Een "sleutel niet mee". Lap. Toch wel mee. Dat soort dingen. Praktische ongelukken. Geen emotionele staatsgrepen. Allez ja. Dat maak ik mezelf toch wijs. Want blijkbaar vinden andere mensen mijn verwijderde berichten ook verdacht. Dan krijg ik opmerkingen. "Wat had ge geschreven?" "Waarom hebt ge dat verwijderd?" Alsof een bericht verwijderen erger is dan iets compleet scheef schrijven en dat vervolgens voor eeuwig online laten staan als digitaal bewijsmateriaal. Verwijderde berichten is  eigenlijk ongeveer een  moderne versie van belleketrek. Vroeger belde ge aan. Dingdong. En dan liep ge weg. De mens binnen hoorde de bel, legde zijn krant neer, zette zijn koffie op tafel, deed de deur open en... Niemand. Alleen wat verwarring op de stoep. Een verwijderd WhatsApp-bericht doet exact hetzelfde. Dingdong. Uw gsm licht op. Ge kijkt. Ge voelt een lichte opwinding. Een lichte ongerustheid. Misschien zelfs een klein beetje hoop. En dan... Bericht verwijderd. Niemand aan de deur. Mijn fantasie schiet dan onmiddellijk aan het werk. Een verwijderd bericht is in mijn hoofd nooit een boodschappenlijstje. Nooit: "Kunt ge melk meebrengen?" Nee. In mijn hoofd heeft iemand net zijn liefde verklaard. Of afscheid genomen. Of bekend dat hij al jaren een dubbelleven leidt als accordeonist op een cruiseschip tussen Helsinki en Stockholm. Er is minstens één geheim kind. Een onverwachte erfenis. Een kasteel in de Ardèche. Een verloren broer die na veertig jaar plots terug opduikt. Mijn fantasie geeft een verwijderd bericht altijd een budget van enkele miljoenen euro's. Terwijl de werkelijkheid waarschijnlijk luidde: "Vergeet de vuilzak buiten te zetten." Dat is het frustrerende aan verwijderde berichten. Ge krijgt nooit de ontknoping. Ge blijft achter in uw eigen scenario. Misschien zegt dat meer over mij dan over WhatsApp. Dat kan. Maar ik denk dat we allemaal een beetje hetzelfde doen. We willen graag gezien worden, alleen liefst niet té graag. We willen eerlijk zijn, alleen liefst niet té eerlijk. We willen ons hart tonen, maar liefst met een nooduitgang vlak naast de deur. Daarom bestaan verwijderde berichten. Omdat moed soms maar twintig seconden duurt. Misschien is dat wat mij zo stoort aan dat grijze vakje. Niet dat ik niet weet wat er stond, maar dat ik nooit zal weten wat iemand heel even wél durfde te zeggen. Een verwijderd bericht lijkt een einde. Maar meestal begint daar pas het verhaal.

Katrien Daniels
86 3

'Het dolle dagboek': een nieuw fragment

In 2025 verscheen mijn dolkimische debuutroman 'Het dolle dagboek'. Als smaakmaker hierbij een fragmentje... Nadien werkte ik enkele weken als corrector voor een katholiek college bij Leuven, en dat was een minder fraaie periode. Mijn werk bestond erin om alle examens van middelbare schoolstudenten voor het vak godsdienst te verbeteren. Ik huiver nog steeds als ik eraan denk wat ik daarbij soms te lezen kreeg. Als sommige zaken niet zo hilarisch waren geweest, dan was ik op dag één al in tranen uitgebarsten. Zo veranderde een studente de naam van debekende twintigste-eeuwse theoloog Hans Kung zonder pardon in Hans Kong (en ze deed dat niet éénmaal maar zevenmaal zeventigmaal, om het op zijn Bijbels te zeggen).Op de vraag “wat is de natuur van Jezus Christus?” kreeg ik dan weer de meest onthutsende antwoorden te verwerken: “Hij is mannelijk. Dat zie je toch?”, of, ietwat naïever, “Hijtrok graag de bergen in, en ook aan grote meren was Hij vaak te vinden, dat staat in de Bijbel”. Nu besef ik wel dat de doorsnee mens vandaag de dag niet meer weet dat Christusvolgens de leer van de Kerk een goddelijke en een menselijke natuur heeft, maar van een student mag je op het examen godsdienst toch wel wat meer verwachten, vind ik. Niet dus.Een leerkracht die op een examenformulier vroeg naar de exacte benaming van een gevormde en aangestelde misdienaar, kreeg van een leerling ooit het antwoord 'alcoholist' in plaats van 'acoliet’. Alsof een goede misdienaar per definitie naar de fles dreigt te grijpen (verder dan de kelk komen de meesten gelukkig niet).

Wim Corbeel
3 0

In het tandvlees

  Omdat. Want ja. Het kwijlt. Het komt uit die wijsheidstanden. Zij hebben immers dat vermogen om te oordelen. Mij te beschouwen als te vreemd. Het is gelijk die paarden. Ze kunnen niet uit de weide en wreten gras volledig dood. Daarom. Ik ben op mijn hoede. Zelfs op hun platte land. En ik kan het slechts aanbevelen. Poets dat gebit. Bid tot de goden van het verre niets. Laat haar niet binnen in je hoofd. Die mensheid. Met dat scheef en wreed gedoe. Hun spreuken uit het weerbericht. Die heimwee naar de vaste grond. Aan mij., de zotverklaarde, zal het niet liggen. Ik mors niet met de regen. Ik dool niet zonder het te weten. De aap slaapt in mijn donker oog. Intussen en al deftig lang. Ik laaf me aan de wolken en ik overleef. Ik luister niet naar Martine Tanghe. Nooit gedaan. Het kan niet meer. Het ligt zo vast. Het fenomeen zoekt altijd weer naar wezens, hunkert naar dat voortbestaan. Gelijk hoe. Want ja. Honger is voor hen die dromen durven en echt. Chot. Poets dat gebit. Veeg dat rood van je lippen. Het droop immers als bloed over je neus tot op je mand. Heb je dat gehoord? Hoe ze stierven? Neen. Het beeld hield van gebroken klanken en de reporter sprak best luid. Hop paardje hop. Over de omheining. Door het mauve land vol zachte chocolade en nogmaals. Doe het. Poets je tanden. Kam je haren. Spreek met twee woorden. Stel je netjes voor. Niet aan mij. Dank u en ja. Ik durf dat. Zeggen dat het scheelt. Niet goed ziet. Stop en kuis ook die oren. Zodat het vlies de trommel hoort. De rouwstoet is op komst. Loop weg of was gewoon gebleven in je binnentuin. Las daar over zeepaardjes en bleef kinderliedjes zingen. Omdat. Want ja. Het kwijlt er al uit. Nu is het al te laat. Wat rest is al het wrede te negeren.  De mensheid die de mensheid wil ontvluchten en het kortste résumé over de tong laat glijden. Gelijk een haring zonder kop. De wijsheidtanden keken toe. Toen je hapte. Dat. Terwijl de mond wat dorst verkocht aan water in een glas. Bloed weer heimwee kreeg naar vlees.       uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'      

Bernd Vanderbilt
3 0

Op reis

“Ben je maar alleen vandaag?” “Hij is op reis.” “Zonder jou?” “Ja, blijkbaar.” “Het klinkt alsof jullie ruzie gemaakt hebben.” “We hebben geen ruzie gemaakt.” “Toch niet te erg, hoop ik, want jullie zijn de kortste weg naar kleinkinderen.” “Pappie!? Stop daarmee.” “Het mag ook met iemand anders, zigeunertje, maar je moeder zou …” “Mammie is dood.” “Hoef je mij niet te vertellen. Dat merk ik nog elke dag.” Ik keek naar Mammies foto op de schouw. Er stond een halve kaars naast. Pappie stak elke avond een kaars aan. De schouwmantel moest dringend afgestoft. Kendy, de poetsvrouw, was te klein om daar goed aan te kunnen en ze ging niet op een trapje staan. Dat deed ze niet. “Heb je nog steeds Kendy als poetsvrouw?” “Dat is zo’n lieve, Petra’tje. Die ga ik toch niet vervangen. Ze kan zo goed luisteren.” “Ze spreekt ééntalig Spaans, Pappie, en ze poetst niet goed.” Ook op de vensterbanken lag stof en in de hoeken op de vloer. Kendy kwam dan misschien uit Venezuela, maar ze poetste met de Franse slag. Je kon exact zien tot waar de ramen gepoetst waren. Het bovenste deel daar kon ze niet aan. “Ben je nog bij je Mammie geweest?” “Nee.” “Vergeet haar niet, Petra. Ze zag jou zo graag. Ik heb pas nog nieuwe bloemen op haar steen gelegd. Ze zijn mooi. Gilberreke van de bloemist heeft ze speciaal voor haar gemaakt. “Je betaalt te veel voor die bloemen, Pappie. Ze profiteren van jou.” “De bloemist mag er toch ook iets aan verdienen. Ga gewoon een paar keer bij je Mammie langs, daar wordt ze gelukkig van.” Ik zuchtte en vroeg of hij koffie wilde, terwijl ik naar de keuken stapte, waar de koffiekan nog in de machine stond. Hij had hem veel te straf gezet. Dat hij nog geen last had gekregen van zijn maag, was een wonder. De hele dag door. Ik goot de kan leeg in de thermos. Dat was nog steeds dezelfde thermos als toen ik klein was. “Doe maar met.” “Pappie! Het is half elf ’s morgens.” “Eéntje per dag, meisje. Eéntje.” Ik nam de aarden kruik ‘witte’ uit de barkast en goot een klein scheutje in zijn mok. “Nog.” Ik kletste er een klein beetje bij. “Doe het fatsoenlijk of ik doe het zelf.” “Hier, doe het dan maar zelf.” En hij goot er een flinke scheut bij. Ikzelf verdunde mijn koffie met ongeveer even veel melk en een half klontje suiker. Pappie zette de fles terug in de barkast. Hij hoestte en schraapte zijn keel na zijn eerste slok. Al meer dan tien jaar leefde hij zo. Sinds Mammie overleden was aan die stomme kanker. “Ben je gelukkig, meisje, je ziet er zo bedrukt uit? Als je met die ruzie in zit. Dat maakt niet uit. Je mammie en ik hadden ook ooit ruzie, maar we legden het altijd bij voor we gingen slapen. Nooit bij elkaar in bed kruipen voor de ruzie opgelost is. Dat nooit.” “Dat is het niet.” “Ik ben ook eens een keertje drie weken naar Amerika geweest, voor opleiding van het werk, en toen heb ik je Mammie gemist, heel erg. Dus Hij zal je ook wel missen.” “Denk je?” “Ja. Zeker weten. En wij hadden nog geen telefoons. Drie weken was echt drie weken. Tegenwoordig.” “Hij heeft zijn telefoon niet mee.”  “Echt. Nu ja. Typisch Hem. Al die computers en smartphones dat was niks voor Hem. Dat zei Hij toch altijd. Je hebt er natuurlijk ook ‘ne speciale’ uitgekozen.” “Hoe bedoel je?” “Hij kan hier aankomen en koffie drinken en zonder iets te zeggen na een half uur weer vertrekken.” “Komt Hij hier zonder mij?” “Ja, hoor, minstens een keer per week. En Hij heeft van die dagen dat hij dus absoluut niks zegt. Of ja, toch zo goed als niks.” “Dat wist ik niet. Nu ja, maakt ook niet uit. Wel attent van Hem.” “Attent, ja, spraakzaam, nee. Daarmee, het verbaasde me dat Hij er niet bij was. Ben je al weg? Je moet toch pas om twee uur op het werk zijn. Je kan hier een boterhammetje mee eten, meisje, je weet dat ik niet graag alleen eet en ik eet al zo veel alleen. Zullen we een kaartje leggen?”

Hans Van Ham
8 0

Want ik red

Wanneer een autootje waar kinderen in spelen door de lava wordt geduwd, dan zullen de banden smelten. Dan smelt de baby in de speelauto als deeg in de oven. De baby neemt de materie aan van klei die ik moet vasthouden, bijsturen, hervormen. Met mijn hand grijp ik de omvang van zijn veel te fragiele nekje om te voorkomen dat zijn hoofd verder in zijn lichaam smelt. Want smelten zal hij. En hij zal er eeuwig onder lijden. Dus ik vang zijn ledematen op en draai ze bij. De lava ons neemt ons beiden mee. Maar ik red. Wanneer mijn broer steeds naar een mysterieuze kamer verdwijnt. Daar waar computerschermen hem brainwashen tot een mechanisch bestaan. En niemand merkt op dat hij er lomer en lomer uitziet. Een beetje uitgerekt en zo ongelofelijk mager. Niemand merkt op hoe hij uren in de kamer verdwijnt wanneer het alarm afgaat. Maar deze keer zal ik meekomen. Deze keer trek ik hem weg. De kamer daar hij verdwijnt, waar hij bewusteloos in een stoel ligt, ligt hij vastgebonden te staren naar het computerscherm dat hem vertelt hoe hij ons moet verlaten. Maar geen zorgen, want ik red. Ik red ons allemaal. Wanneer de zombie meisjes met hun rode capes als onschuldige poppen in de berm liggen. Daar net tegenover de plaats waar mijn vriendinnen na het vluchten hun kamp opbouwen. De avond nadert en plots maken ze knarsende geluiden, ze lijken wel te ontwaken. En wanneer ze als vleesetende meisjes opstaan en aan zij die hun benen scheren beginnen knagen. Dan kom ik met maar één doel. Want ik red. Wanneer we verstoppertje spelen terwijl mama zich laat opereren. Verstop ik mij in de kast van de operatiekamer. Daar waar de dokters haar inslaap doen en ze met messen in haar lichaam beginnen snijden. Omdat ze haar schoonheid benijden? Daar zal ik haar dragen. Ik draag haar al ben ik maar acht of negen jaar. Al is ze voor mijn armpjes veel te zwaar. Ik zal haar redden. Wanneer zal mijn onderbewuste het mezelf vergeven dat ik papa niet redden kon. Wanneer zal ik stoppen met compenseren. Maar ik droom en droom en dat is al iets. Liever zulke dromen die ik overleef, als een situatie waar ik niet bang meer voor moet zijn. Dan niets.

Tess Declercq
0 0