Zoeken

vlinders

een kind zegt dat er vlinders in mijn buik zitten. hoe weet je dat, vraag ik. ik zie het, zegt de jongen. ik kijk naar beneden om na te gaan of er een voelspriet door mijn navel prikt. twaalf opgevouwen vleugels slapen als een middenrif tussen mijn borst- en buikholte. hun achterlijven trillen bij elke uitademing.   doet het pijn, vraagt hij. ik denk het niet, zeg ik. er hebben nog nooit vlinders in mijn buik gewoond. ik denk dat het kriebelt als ze wakker worden. we fluisteren. ik vraag me af of ze aan me vast zitten, en of we dan samen oud zullen worden, hun latente schubben verfrommeld als rimpels in een gedateerde huid. de antennes van insecten dragen gevoelige receptoren die dienen om een geschikte partner te signaleren.   toen ik vannacht in spiegelbeeld naast haar lag, kropen ze comfortabel tussen ons in. ik denk aan hoe het was, met z’n vijven, hoe haar lach, en mijn ogen, hoe haar handen mijn lichaam stroomlijnden zoals chloorwater in een zwembad bij vlinderslag, en hoe we dan in zandlopervorm in slaap vielen, mijn vingers gekruld in de golven van haar haren.   god, ik mis u.   ik zei dat ik mijn ribben voelde lachen. de jongen zegt dat dat niet kan, en dat sommige vlinders vensters in hun vleugels hebben. ze lijken dan hun leven lang op fladderende herfstbladeren. ik hoop dat ze nooit per vergissing in herbaria belanden, naast vergankelijk gedroogde bloemen, hun pootjes wriemelend op dubbelzijdige kleefband onder een kader met naam en toenaam.   wij houden niet van hokjes, vul ik aan. gewoon van elkaar.   het kind vraagt of ik stuifmeel heb. ik denk het niet, zeg ik. ik heb vanmorgen wel aardbeien gegeten. ik heb de pitten uit de frambozen geplukt en ze naar het licht gehouden. er straalden roze stukken zon door. dat vonden we een warme gedachte.

Kristien Spooren
18 1

het zou een boek kunnen worden II

aapje,   toen ik vanmorgen wakker werd lag jij nog te slapen. ik weet niet hoe je het deed, maar je zag eruit alsof je dacht aan geometrische figuren, want je lag met je ene been gestrekt en het andere in driehoek zodat je een vlaggetje vormde. je armen kartelden horizontaal langs je hoofd. ik sloop zorgvuldig de kamer uit om ontbijt te maken.   je werd altijd bijzonder gelukkig van fruit. ik vroeg je ooit wat je lievelingsfruit was en je zei dat je dat een oneerlijke vraag vond omdat het hebben van lievelingsdingen bij definitie bevooroordeeld is.   soms hield je van de veelzijdigheid van nectarines, hoe je gulzig de pit uit de vrucht kon bijten en wedstrijdjes kon houden wie om ter snelst de laatste gele draadjes van de steen knabbelde. soms sneed je een ananas in kubieke stukken of pelde je bananen alsof het dromen waren.   ik zette rozenthee voor je. de dampen kringelden richting slaapkamer want toen ik ermee naar boven kwam hadden ze jouw ogen geopend.   je zag er zo doorzichtig uit.   achter jou waaiden de gordijnen op het ritme van de regen. de wolken hingen netjes gestreken in de lucht.   op de vraag wat je voelde zei je vervolgens:   weet je wat ik het meeste mis aan kind zijn? dat ik nog slaappitjes in mijn ogen had. ze bewezen dat ik een tijd niet bewust had bestaan en iedere ochtend wreef ik ze naar mijn ooghoeken alsof ik daardoor weer in werking kon treden. toen ik de pitjes op mijn vingers zag, vond ik dat ze op fossielen leken.   we zwegen. we dachten aan versteende verledens en of iemand ooit onze botten zou vinden. het kan ook zijn dat we dat niet dachten want stilte is altijd zo veelzeggend.   er zijn momenten die zich ongevraagd ergens tussen wringen. toen wij de ochtend van die eerste dag op bed lagen, nadat jij kapot was gegaan en voor we verder moesten, nam ik je favoriete boeken van het nachtkastje. ik legde ze horizontaal aan beide kanten van het bed.   zo voelde het om gedachtestreepjes in een zin te zijn, een onderbreking die los van alles staat.

Kristien Spooren
0 0

het zou een boek kunnen worden I

en zo ging ik dan kapot, zei je. de lavendelstruik achter ons ritselde. ik moest denken aan hoe de wind ooit stormde en jij met je jas open gilde dat je een zeearend was. geen gewone, had je geroepen, de grootste van Europa. je nam mijn hand en we dansten door het onweer alsof dat was wat we deden.   kapot.   je keek me aan met het soort bruine ogen die verwachtten dat ik een antwoord had. ik wilde je alleen maar opvouwen en als een pakketje in mijn armen nemen.   de enige waarheid is dat ik nog nooit iemand gekend heb die op zo'n mooie manier kapot is gegaan. het was bijna iets om jaloers op te worden. de zon straalde voorzichtig door jouw barsten. je verbleekte, jij en alle stukken waaruit je bestond. je was beschaamd en ik hield nog meer van je.   ik zag de kreuken in je voorhoofd en vroeg me af hoe lang je al bezorgd was. fronsen ontstaan niet van de ene op de andere dag. had ik de plooien glad kunnen strijken voor ze zich eeuwig in je huid tekenden?   en toch stond broosheid jou wonderschoon.   weet je nog hoe we 's nachts rillend een rivier in sprongen? ik voelde er eigenlijk niet veel voor, maar jij was zo aandoenlijk onbezonnen dat ik niet anders kon dan je achterna rennen, bloot, mijn badpak achterlatend als een vergeten accessoire. onze lichamen braken het maanlicht dat op het water een heldere streep achterliet.   wist je dat ze daar in het Zweeds een woord voor hebben? mångata. ik kwam het tegen toen ik op pinterest inspiratie zocht om gedichten te schrijven. ik wou dat ik het zelf had uitgevonden, zoals "ijsbergsla" of "ochtendnevel".   je huilde omdat de schoonheid van dat woord niet genoeg was. de zenuwen brulden door je lijf en je beet op je nagels. aapje, er was niemand die beter op haar nagels kon bijten dan jij. je deed het zorgvuldig, met kleine hapjes en in een boogje, zodat de mensen dachten dat je een schaartje had gebruikt. hoeveel keer wilde je eigenlijk die witte randen verscheuren?   je hebt me nooit in vertrouwen genomen wanneer de dijken achter jouw ogen braken en je zei dat het een kattenallergie was.   de dag dat we elkaar leerden kennen droeg je regenlaarzen, een jeans van je broer, donkergroene oorwarmers en een baksteenrode trui. ik wist niet eens dat dat een kleur was, baksteenrood, tot jij besloot dat we er zeker van moesten zijn en we het verhaal van een schilder vonden die alle bestaande kleuren op een doek naast elkaar had gestreept.   je rilde. ik vouwde mijn lichaam als een bolster rond het jouwe. voorlopig was dat het enige wat ik kon bedenken. je sliep en ik wou dat ik wist hoe het voelde om bang te zijn van de wereld terwijl je er radslagen op turnde.

Kristien Spooren
0 0