Zoeken

De haat in Amadou’s hoofd

Amadou is 21 en komt uit Guinee. Zijn parcours: naar een politieke manifestatie gegaan, daar gearresteerd, een paar dagen gevangenis, vrij, toch nog eens naar een politieke meeting, ‘s ochtends vroeg uit bed gehaald, bewusteloos geslagen, weer gevangenis, langer deze keer, met meer slagen, honger en vernederingen. Angst. Veel angst. Na twee maanden vrijgekocht door zijn familie en onmiddellijk op het vliegtuig gezet, richting België. Het is moeilijk praten met Amadou. Omdat hij acute aanvallen van hoofdpijn krijgt zodra we spreken over wat hem overkomen is. Als Amadou zo’n hoofdpijnaanval krijgt, neemt hij zijn hoofd in zijn handen en kreunt. Hij kan zich dan niet meer concentreren, niet meer nadenken en praten. De vorige twee keer is ons gesprek daardoor noodgedwongen stopgezet. Maar deze keer wil ik wat verder geraken en in plaats van Amadou naar de verpleegster te sturen, haal ik zelf een Dafalgan en een glas water, zet het voor hem neer, wacht tot hij het heeft opgedronken en vraag verder : “Amadou, wat voel je precies in je hoofd? Wat zegt de pijn?” Amadou zegt : “Haat, zoveel haat”. En dan “Auw, auw, auw, het doet zo’n pijn. Ik heb zo’n schrik van de haat in mijn hoofd, schrik dat ik een slechte mens word, even slecht als de bewakers uit de gevangenis.” Nu gaat er echt niets meer. Amadou ziet asgrauw, mompelt een verontschuldiging en verdwijnt stil, krom en gebogen door de deur. De volgende keer begin ik het gesprek met de volgende uitleg: Amadou, als je de haat onderdrukt, komt ze als een boemerang terug: in de vorm van hoofdpijn, en misschien ook in de vorm van ‘slechte’ gedachten, of ‘slechte’ daden – want de haat wordt groter en sterker als je er niet naar kijkt, als je er schrik van hebt, en doet alsof hij er niet is. Daarom wil ik wil samen met jou kijken naar de haat. En een weg naar buiten vinden voor de haat. Oké? Amadou is mee. We ontleden samen wat er allemaal meespeelt in ‘de haat’, wat hem zo groot maakt. Het lukt ons om de haat een beetje beter te begrijpen, in woorden te vatten, te pakken te krijgen: de haat van Amadou is een mengeling van woede, pijn en onmacht om wat hem is aangedaan, én heel veel verdriet – om het verlies van zijn land, zijn thuis, zijn familie. In plaats van hoofdpijn te krijgen heeft Amadou deze keer geweend, veel, lang en stil, omdat hij zijn ouders zo erg mist, en zijn broers en zussen, zijn leven in Guinee, zijn werk, de gemeenschap waarin hij is opgegroeid. Hij heeft gehuild om zichzelf, omdat hij hier eenzaam is, alleen en verloren, zonder toekomst, zonder thuis. De haat in Amadou’s hoofd is eigenlijk een heel erg bang en verdrietig hart.

ybe casteleyn
0 0

De dag dat ik bijna een man vermoord had.

Ik moet een jaar of tien geweest zijn. Het was zomer en prachtig weer. Zoals op elke mooie zomerdag waren ik en de andere kinderen uit de buurt buiten aan het spelen bij de hoge boom waar we inklommen zodat je, als je hoog genoeg durfde te gaan, over de daken heen kon kijken en zelfs de rivier kon zien. Die dag hadden we een groot stuk boomstam gevonden dat door de gemeente moest zijn afgezaagd en achtergelaten. Zo een waarvan je moeder zou zeggen dat het een stoel voor kabouters of dwergen is. De stam was veel te zwaar om op te tillen, dus we rolde er wat mee rond terwijl we bedachten wat we ermee zouden doen. We besloten het ding naar beneden te laten vallen. Naast de hoge boom waar we de stam gevonden hadden was een twee, misschien drie meter diepe muur die aansloot op de aflopende trap die naar de straat leidde. Als we de stam een flinke duw gaven zou die zeker de muur afrollen en met een spectaculaire smak de grond raken. Ik was de oudste van alle aanwezigen, dus ik mocht de stam in beweging brengen, de zwaartekracht zou de rest doen. Ik vroeg aan de anderen of er iemand aankwam, niemand, goed. Rollen dan maar. Ik bracht de stam in positie en gaf hem een duw met mijn voet. De boomstam rolde met een redelijke snelheid over de rand heen en we hoorden een doffe klap van hard hout dat de stenen raakt. De klap werd meteen gevolgd door een vloedgolf aan gevloek. Geschrokken keken we over de rand heen naar beneden. Daar stond een man van middelbare leeftijd met een mix van woede en doodsangst op zijn gezicht. Dertig centimeter voor zijn voeten lag de boomstam, waar de man in godsnaam vandaan was gekomen weet ik nog steeds niet. Als die boomstam hem geraakt had zou hij zeker zijn nek gebroken hebben. Nadat hij ons de huid vol had gescholden liep hij verder, nog trillerig van de schrik. Het enige wat ik had kunnen uitbrengen was een schamele sorry meneer. Ik kon die dag aan niets anders meer denken. Wat als het fout was gegaan? Dan was ik een moordenaar, een crimineel! Ze zouden zeggen dat we het plan secuur uitgedacht hadden, de luttele centimeters die de stam zijn doelwit gemist had getuigde van onze precisie in deze hinderlaag. Het doel werd maar nét gemist. Als er een engel over me waakt, dan zal ik absoluut een roos meenemen op de dag dat ik hem, of haar, tegenkom. 

Atlas
15 0
Tip

proza met witloofsaus

Waarom lees ik zo weinig eigentijdse Vlamingen? Omdat ik die mensen nooit in het publiek debat zie natuurlijk. Dat is in onze contreien al lang gegijzeld door lobbygroepen en politici, maar toch. Als een auteur al eens zijn zaklampje over de wereld laat schijnen, lijkt hij of zij niet verder te komen dan de bedwand. Liefde, geboortegrond, familieperikelen. Twitter en de bakker of seriemoordenaar op de hoek. Privacy-wetgeving, nationalisme, armoede? Kraaien ze niet over. Sociaal engagement, zei u? Safety in numbers, ja: de open brief als verzetsdaad. En dan weer snel de savanne af. Zouden die schrijvers eigenlijk met elkaar corresponderen? vraag ik me wel eens af. En waarover zouden ze het dan hebben? Een nieuw recept voor kaassouflé, misschien. Subsidies. De backstage in cultureel centrum De Kakelhoeve. Ik weet het niet. Wie weet heb ik het verkeerd voor. Bewaren ze hun bravoure voor hun brieven, leren we binnen 50 jaar dat ze wel degelijk een visie op mens en wereld hadden. Ter inspiratie alvast een heerlijk stukje 'mannen maken plannen' uit het brievenboek Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel (De Bezige Bij, 2008): Willem Frederik Hermans aan Gerard Reve, 15 november 1950"(...) Wat wij nodig hebben, is een tijdschrift dat oorspronkelijke taal laat horen. Ik doe op het ogenblik pogingen zulk een tijdschrift op te richten. Als ondertitel (of beschrijving van de inhoud) zal het waarsch. krijgen 'tijdschrift voor literatuur en psychologie'. Ik had eigenlijk liever gehad: 'voor litt. en sexuologie', maar dat is waarschijnlijk te gewaagd. Enfin, het komt ten slotte op hetzelfde neer." Gerard Reve aan Willem Frederik Hermans, 16 november 1950 "(...) Je plan voor een nieuw tijdschrift, dat niet zal drijven op lyrisch gelul, maar op bloedwarme kopij en waarin het leven belangrijker zal zijn dan de literatuur, heeft een ongekende geestdrift in mij gewekt. [...] je kunt van mij een uiterst verbitterd artikel verwachten over de mogelijkheden voor de schrijver in Nederland. Daarop moet ik lang broeden, maar met een paar dagen heb je het. [...] Welk een verfijnd genot indien het door jou ontworpen tijdschrift inderdaad verschijnt: een Havelock Ellis, Hirschfeld of Kinseyperiodiek dus. Het moet op nuchtere wijze heel schuin zijn: een soort notariële acte der decadentie." Het tijdschrift dat De Draad van Ariadne zou gaan heten, is er nooit gekomen.

Guy Bourgeois
15 0

Vissen met onnatuurlijke gezwellen

Fukushima, mogelijk de grootse ramp in wording die de mensheid ooit gekend heeft. Maar we horen er vrijwel niets over, tenminste, niet op het vertrouwde acht uur journaal. Nog elke dag stroomt er radioactief afval in de Noordelijke Stille Oceaan dat zich als een kanker in de wereldzeeën verspreid. Door Yakuza (de Japanse maffia) geronselde zwervers werken voor een belachelijke zestig dollar per dag in het rampgebied in en rondom Fukushima terwijl hun kennis compleet ontoereikend is om de problemen op te lossen. ‘s Avonds proberen de arbeiders hun eigen problemen te vergeten door zich over te geven aan drank in de wetenschap dat ze hun eigen doodsvonnis getekend hebben. ‘s Morgens zetten ze hun uitzichtloze taak verder voort. Levende doden zijn het, werkend aan een missie die specialisten in plaats van daklozen vereist. Voor zestig dollar per dag mag je je bij het selecte gezelschap van de levende doden aansluiten! De wereld is kennelijk incapabel om de situatie ook maar enigszins goed aan te pakken. Maar vind maar eens de benodigde specialisten die zichzelf dood willen werken ten behoeve van de wereld. Goed, zolang we er gewoon vooral niet teveel over praten bestaat het probleem niet. Zolang de vis die we zaterdag middag op de markt halen geen onnatuurlijke gezwellen heeft en de aarde blijft doordraaien is er nog niets aan de hand. Voor de zekerheid gewoon netjes een paar potassium iodide tabletten per dag slikken die helpen tegen het schadelijke effect van radioactieve straling, dan komt alles goed. De verenigde Staten hebben alvast veertien miljoen stuks besteld. Tenminste, als we de vaak nogal discutabele sites die verslag doen over Fukushima mogen geloven. Als er een kern van waarheid zit in de verhalen omtrent de nucleaire ramp zal dat genoeg rede zijn voor menig mens om in paniek te raken. Dan is het wellicht beter dat we er op het NOS journaal niets van horen en we nog met een gerust hart kunnen zeggen: ‘Ach, die sites zijn toch onbetrouwbaar, er is vast niets aan de hand.’ Laten we het hopen.

Atlas
0 0
Tip

Zonnig met een wolkje armoede

Ooit The Wire gezien? Speelt zich af in de onderbuik van Baltimore, maar toen we even de wijk Raval in Barcelona doorkruisten, in mijn gids omschreven als "uw veiligheid is hier 's avonds niet gegarandeerd" maar door een vriendin aangeraden als een gezellige culturele smeltkroes, dacht ik even in voornoemde serie beland te zijn. Hustlers, players, dealers, working girls, ... In het spoor van enkele hooggehakte (mooie) benen passeren we een of andere evangelische missie met een lange rij hongerigen, moeten we uitwijken voor enkele Bubbs-figuren die een winkelkarretje met hun hele hebben en houden voortduwen, krijgen we hasjjies aangeboden, aanschouwen we de hele (onder)wereld op een vierkante kilometer, en als we op de lokale Rambla belanden is het plaatje compleet: een meute persmuskieten omcirkelt een of andere bobo-politicus die, aan de lijfwachten te zien, ook mijn gids gelezen - of geschreven - heeft. In elk geval, The Wire-gelijk waarvan het vijfde seizoen focust op de journalistieke kant van het verhaal, is het hoofdartikel de dag nadien in de lokale krant wel degelijk Raval. 'Vemos un barri digne'. Veel armoede hier in Barcelona. Zichtbare armoede, bedoel ik. Ontluisterend om zien hoe in een of andere bibliotheek in Raval (dé bibliotheek van Catalonië) met bijhorende paradijselijke binnentuin een groep toeristen wordt rondgeleid, terwijl twee meter verder, onder de beschutting van de galerij enkele daklozen in hun pis, of die van hun lotgenoten, dromen van betere tijden. Ook de wijk van ons hotel, de Barri Gotic ontsnapt er niet aan: als de avond valt, zijn er in bepaalde straten hoogoplopende discussies tussen jongerenbendes die strijden om "de hoeken" alwaar ze hun waar willen verkopen. Na twee dagen wandelen hebben we onze bekomst van de grootstedelijke drukte. Time to get out. Sitges wordt ons aangeraden door enkele Spanjaarden, een kuststadje waarvan de populatie in het toeristenseizoen verdriedubbelt. Het bevalt ons wel, maar toch nog een beetje druk. Ongelooflijk veel homokoppels ook. Zie je een man, dan zie je twee mannen. Niks op tegen, maar ze zijn écht wel in de meerderheid. En daarmee zijn de rollen eens omgedraaid: zoals zij de rest van de wereld waarschijnlijk ervaren, gevuld met die heterokoppels, zo voelen wij ons hier af en toe een beetje out of place. Vooral als je een hoek omgaat, en geheel onverwacht uitkijkt op een soortement naaktstrand alwaar de mens in volle glorie één wordt met de natuur. Na twee dagen hebben we Sitges ook wel gezien. Ségur de Calafell ligt ook aan de zee, en met veel plezier stappen we op de trein. Aangekomen op onze bestemming trekken we richting zee. Een desolate woestijn waar alleen een enkele gepensioneerde hond, excuseer, een gepensioneerde met hond, door het decor schuifelt. Als we op het enige terras in de omtrek vragen wat er hier zoal te beleven is, bekijkt de dienster me met grote ogen: "Nada" zegt ze beslist. Om er even later fronsend aan toe te voegen: "La plaja", achterom wijzend naar die grote leegte. Mmm, problematisch. Nada is perfect, maar we zijn het type toerist dat graag uitvalswegen heeft. Als we ergens arriveren, stormen we het toeristische infokantoor binnen. Folders, brochures, affiches, kaarten, reistijden, overstappen, openingsuren ... Overstelpt met goede raad en beladen met drukwerk verlaten we dan het kantoor om - het is echt sterker dan onszelf - een totaal verkeerde richting uit te lopen. Heerlijk om te weten wat je allemaal niét gaan doen. De Spanjaarden zijn op dat gebied trouwens een grote hulp. Passeer je een museum, kasteel of kathedraal (waar je wel even wil gaan schuilen voor de zon) dan is het gegarandeerd gesloten, vervallen of tijdelijk ontoegankelijk. Je zal het altijd zien, denk je dan, de landerigheid van de Spanjaarden vervloekend die je culturele uitstapje altijd weer dwarsbomen. Maar om terug te gaan naar Ségur de Calafell: nada is dus geen optie. En zo belanden we enkele kilometers verder in Calafell zelf, alwaar we vijf dagen eten, drinken, wandelen, genieten, uitblazen en ook een heel kleine beetje lezen (De gazet The Times ontdekt. Grappig hoor: Once, only a waiter could stand between a Frenchman and his lunch.) Dus: een bezienswaardigheid die het ook tot in de gidsen heeft geschopt? Niet gezien. Maar wel een deugddoende vakantie gehad.

Guy Bourgeois
0 1

de gestolde tranen van de uitgever

Ijdelheid, treurnis: wees gerust, in dit hoekje van de Standaard boekhandel had ik het rijk voor mezelf. 'Big data' spookte door mijn hoofd, en dus belandde ik bij de afdeling inwisselbare waren: communicatie, online media, management, marketing. Boeken die al gedateerd zijn bij verschijnen.  Bijsluiter-boeken over blogs, digital branding, sociale media. De bijsluiter als bijwerking. Gedrukte gedrochten, borrelende uitstulpingen van de online onderstroom. Papieren placebo's, daar waar zelfmedicatie onze enige hoop is. Willen die uitgevers nu echt per se failliet? En hoe zit dat met de papierindustrie? En geeft zo'n auteur dan zijn eigen boekje af als visitekaartje of zo? En de omloopsnelheid van boeken? Is dit het dan? Is dit het drama van het boekenvak, zijn dit de gestolde tranen van de uitgever? Moedeloosheid springt me naar de keel, als een uitgehongerde jakhals. Ach, big data, waar zitten jullie? Was 'Big data' eigenlijk wel de titel? In elke andere winkel had ik de kassierster, de schoonmaakploeg en de terloopse klant aan de tand gevoeld, maar hier neemt zo'n vraag al snel de allures aan van een rogatoir. Titel? Uitgever? Auteur? Publicatiedatum? ISBN? Waarom wil u dat boek? Waarom koopt u geen mooie verjaardagskaart, spannende zomerthriller of de nieuwste Jamie Oliver? En dus verliet ik mak en weemoedig (meewoedig) de winkel met Halfgod verzamelaar van Komrij, als een beteuterde wijnliefhebber die het alweer met een Chateau Pétrus 2005 moet doen. Een dag later is de wrok getemperd, de lucht opgeklaard. De kat vleit zich als een leeuw voor mijn aangezicht, de eksters kraaien. Berustend nestel ik me in de zomerse zetel. En ik lees Komrij's stuk uit 1987 over 'computerboeken': "De computer, die pretendeert paperassen overbodig te maken, heeft in werkelijkheid een heel nieuwe papierstroom op gang gebracht. (...) Door bedrukt papier laat men zich instrueren hoe men papier dat nog blanco is bedrukt krijgt. De computer hangt er wat onhandig tussenin." Computerboeken uit 1987 of sociale media-boeken uit 2013: "Waarom doet de computerwereld niet wat des computers is?" En alweer moet ik constateren dat de scherpe zienigheid van Komrij (doorzien is voorzien) nog altijd pertinent is. En dat ook wel nog enkele decennia zal blijven. Prachtboek.

Guy Bourgeois
12 0

Spiritueel Sprookjesboek voor Volwassen Hoofdstuk 1 'over de sterren'

Vertel nog eens van vroeger opa ... Héél lang geleden, het was in de tijd dat men nog sterren aan de hemel kon zien... Echt waar, wat zijn dat sterren aan de hemel opa?   Wel, dat is zoiets als dit:http://users.skynet.be/sky03361/fotos/pleiaden.JPG Wij noemden dit het Zevengesternte of Plejaden. Waar komen die vandaan opa? Al die sterren groepjes hadden een naam en wij konden die vinden aan de hemel. De herders konden er zich tijdens de nacht op richten om de weg terug te vinden net als op de Grote Beer en de Kleine Beer en de Poolster.  Welke beer is dat dan hoe kan een beer nou aan dat ding staan wat u hemel noemt? Dat is een verhaal van meer dan 3500 jaar oud en om dat te begrijpen ben je nog veel te klein en moet je eerst nog goed je best doen op school. Op school moeten wij enkel spelletjes doen omdat we al slim genoeg zijn zegt de juf. Dan kent die juf niets van sterretjes, zelfs niet van de glinsterende sterretjes in gelukkige kinderoogjes. De juf zegt :dat wij niks hoeven leren want de computer weet toch alles al. Tot op de dag dat hij bezoek krijgt van vier russen en dan weten de kindjes plots niets meer. Daar is toch wel een spuitje voor opa, voor alles is toch een spuitje? Niet voor de computer. Waarom niet opa?Ik begrijp het niet. Dan moet je het maar eens aan je computer vragen en dan zul je zien dat die in feite het meest belangrijke niet weet. Hij weet zelfs niet wat "houden van" betekent, zelfs niet wat voelen betekent Ja dat is zo, als ik vraag wie ik ben, zegt ie niks  hij moet toch ook weten wie ik ben, hij zegt andere dingen wel tegen mij als ik iets vraag, kan een pc niet voelen dan opa? Wat een gek ding is het dan. Slechts een machine die de indruk geeft dat ze verstandig is, maar ze kent slechts de domme dingen die de domme mensen er in gestopt hebben alsof dat de enige en volledige waarheid is. Dus hij zegt bijna nooit de waarheid, hoe moet ik daar dan achter komen als de juf ook niks vertelt? Door te leren naar binnen in jezelf te gaan, want daar zit alle kennis verborgen, maar de mensen zijn het vergeten en geloven dat anderen meer weten over hun eigen zelf. Ik ben blij dat u er nog bent opa anders zou ik daar nooit achter komen en dat leren. Daarom zijn er oude opa' s lief kindje, omdat de lieve kindjes het iets minder moeilijk zouden hebben op deze aarde. Fijn dat het zo is opa, dan zijn wij in elk geval nooit alleen. Neen, want als die opa' s voor altijd hun ogen dicht hebben gedaan dan gaan zijn weer naar hun echte huis en dat ligt nog veel verder dan de verste sterren, maar toch blijven zij dan nog bij u en kun je er mee spreken door in de stilte in je eigen hart te praten zolang hij er van jou mag blijven. Dus je bent altijd bij mij ook als je er niet meer bent  waar ga je dan heen, hoe kan dat nou? Omdat de liefde van oude opa' s overal is waar hij die liefde vindt zelfs al is hij toch verder dan de verste sterren, dan blijft hij toch bij je zolang je dat wil, zelfs al zie, noch hoor je hem niet meer buiten je, je blijft hem zien en horen binnen in jou. Ga ik dan later ook daar heen opa daar waar jij dan heen gaat als je er niet meer bent? Zeker en ik zal op je wachten, en dan wordt het een groot feest! Zal ik u dan wel weten te vinden opa, ik ken de manier waarop je daar komt niet.. Dan kom ik je wel halen als de tijd daarvoor gekomen is, ik zal trouwens nooit van je weg geweest zijn. Gaan papa en mama daar dan ook heen? Zeker, maar misschien moeten zij eerst nog vele andere reizen ondernemen voor zij ook daar aankomen. Maar als ze niet weten hoe ze moeten reizen, vinden ze ons misschien nooit Toch wel, want wij weten waar zij zijn en spreken met hen in het diepste van hun hart om hen te helpen, maar om ons te horen maken ze meestal teveel lawaai en moeten we geduldig zijn tot het leven hen dwingt om even stil te zijn. Kunnen we net zolang blijven wachten dan als we willen opa? Ja en dat zullen we ook doen, maar als het te lang duurt kan het zijn dat we nog verder moeten, maar dan zullen anderen onze taak overnemen en hen verder begeleiden. Vinden ze ons dan wel terug wat als ze ons niet meer vinden opa? Anderen zullen hen toch leiden.. Maar kan ik dan nog met ze praten? Dat zal je nooit verleren, maar zij moeten nog wel leren luisteren naar dat stille stemmetje van jou. Kunnen ze dat niet nu al leren opa, dan hoeven ze niet zo te zoeken en te reizen.. Dat is heel moeilijk te leren en de mensen houden steeds meer en meer van alle vormen van veel lawaai en zijn soms zelfs bang geworden van die stilte die spreken kan. Waarom zijn ze daar dan zo bang van opa, er is toch niets engs aan.. Zij vinden soms van wel omdat ze bang zijn van zichzelf en zouden zien wat ze echt zijn, want dan zouden zij moeten beginnen werken aan zichzelf in plaats van de baas te spelen over anderen. Hoe kan je nou bang zijn van jezelf opa en waarom spelen ze dan de baas? Omdat het gemakkelijker is baas te spelen over anderen dan over jezelf. Is dat net zoiets als die kinderen die mijn speelgoed willen hebben en dan niet terug meer geven? Daar is toch niks leuks aan.. Zoiets is het, je bent een verstandig kind. Maar ik heb ook een hele lieve opa die mij van alles leert, hebben die andere kinderen die mijn speelgoed afpakken niet zo een lieve opa en waarom niet dan? Omdat zij vergeten zijn, helemaal vergeten, vanwaar zij komen zowel de opa' s als de kindjes. Maar hoe moet dat dan met die kindjes opa, komen die dan nooit naar waar wij heen gaan? Toch wel, af en toe komen zij iemand tegen die hen wat vertelt en hen wat in de juiste richting stuurt, maar zij moeten er dan ook naar luisteren, anders kan het weer heel lang duren voor ze weer zo iemand ontmoeten. Dan moeten ze dus een opa vinden zoals u  dan komt het wel goed toch? Als ze zeer aandachtig luisteren en er naar handelen wel en dan komen ze vlug weer zo' n opa of oma tegen die ze verder helpt. Kunnen alle kindjes dat leren dan opa kan ik ze dat niet gewoon vertellen want zo moeilijk is het toch niet? Als je ze dat gewoon vertelt zullen ze je niet begrijpen en je uitlachen, je kan het slechts vertellen aan wie aandachtig wil luisteren en vragen stelt zoals jij. Maar waarom hebben papa en mama dat nog niet geleerd opa, jij bent er toch nog.. Omdat zij op school andere dingen hebben geleerd en nu denken dat dit de enige waarheid is en opa slechts dom en goedgelovig, daarom zei ik je dat je dat niet zomaar aan iedereen kunt vertellen. Het is ons geheimpje hé opa.. Zeker! en dat geheimpje wordt al duizenden jaren doorverteld op heel de wereld, dikwijls verborgen in verhaaltjes en sprookjes waarvan alleen slimme kindjes kunnen begrijpen dat die verhaaltjes ook dingen vertellen die men niet onmiddellijk begrijpt en zelfs niet hoort. Als ik later groot ben dan ga ik ook een verhaaltje schrijven daarover, ik vind het zo'n mooi geheimpje dat mogen andere kindjes dan ook lezen, vindt je dat goed opa? Zééér goed zelfs. Ik wist niet dat ik zo' n slim kleindochtertje had. Ik wist niet dat ik zo'n slimme lieve opa had en dat de andere kindjes die niet hebben. Maar jij verdient zo’ n opa wel, want jij kan luisteren en vragen. Dank je wel opa, je bent er 1 uit  duizenden! Als ik later groot ben wil ik net zo slim als jouw worden opa! Ben jij ook klein geweest Opa? Dat was in de tijd... neen niet in de tijd dat de dieren nog spraken dat is al veel langer geleden, maar wel nog in de tijd dat de sterretjes aan de hemel schitterden. Opa jij zegt altijd dat ik alles kan worden wat ik wil en ik wil net zo slim worden dus wordt ik dat en ik ga verder reizen als de sterren net als jij hé opa? Dat zullen we samen doen want ik zal toch op je wachten heb ik gezegd. Als er geen sterretjes meer aan de hemel staan geeft dat niet want ze staan toch in mijn ogen en dan zie je ze ook , welke zouden de mooiste zijn opa? De jouwe natuurlijk want dat zijn sterretjes van echt geluk! Ik zie in uw ogen ook sterretjes mooi hoor opa blijven die altijd daar? Die blijven altijd daar. Net zoals de zon altijd schijnt, ook achter de wolken en zelfs 's nachts aan de andere kant van de aarde. Zo komt het ook dat je soms die sterretjes van opa niet kunt zien omdat ze verborgen zijn achter de wolken die tranendruppels regenen van verdriet of niet meer zichtbaar zijn in de donkerste tijden van een mensenleven. Maar waarom heb je dan verdriet opa en wie moet jou dan troosten? Zovele vragen, mijn lief kindje, die had opa ook als hij zo klein was, en heel zijn leven heeft hij naar antwoorden gezocht en heeft er vele gevonden, daarom kan hij nu zoveel aan je doorvertellen en als je later groter bent geworden dan vertel je dit verder als je mama of oma geworden bent. Van wie heb jij het dan geleerd opa? Dat heeft opa allemaal moeten zoeken zonder oma of opa die hem dat konden vertellen, maar opa heeft geleerd naar het stille stemmetje van binnen in zijn hart te luisteren en daar heeft hij veel van geleerd en heeft daardoor ook veel gevonden. Jij kunt nu verder gaan met wat opa je van zijn eigen kennis heeft gegeven en weet vanaf nu dat je niet alleen bent en ook niet dom al zullen andere mensen dat dikwijls van je zeggen. Wat raar dat domme mensen zo denken, maar die hebben natuurlijk geen opa zoals ik.. Weet je hoe dat komt? Zijn de lieve opa's op geweest of waren ze nog niet slim genoeg? Dat komt omdat mensen leren van mensen die veel geleerd hebben zonder ooit na te gaan of dat wel juist was, en als ze dan op deze manier heel veel geleerd hadden dan vonden ze zich geleerd en was elke andere gedachte dom en die gaven dan op school weer dezelfde "geleerdheid" door aan de volgende kindjes en als er bij die kindjes waren met een opa zoals ik dan dachten ze dat die te oud en te dom was en ze luisterden er niet naar omdat men hen dat op school zo geleerd had. Maar opa, toen jij klein was wisten jouw opa en oma toen daar niks van hoe kan dat nou? Omdat je al vlug leert zwijgen als men je uitlacht en zegt dat je dom bent. Heb je dat ook al niet meegemaakt? Ja soms wel  en dan weet ik niet wat ik moet zeggen, ik snap ook niet dat mensen dat doen als je anders denkt ben je toch nog niet dom? Daarom ga ik toch ook naar school om te leren maar dat soort dingen leer je daar niet, waarom eigenlijk niet opa? Als je anders denkt dan ben je niet dom maar mensen hebben dat niet graag want dat betekent dat er ook anders kan gedacht worden dan men op school leert en dan zouden zij ook anders moeten denken. Maar daar zouden de kindjes toch veel meer van leren opa, daar is toch school voor? Vroeger leerde men zelfs op school dat de aarde een plat vlak was en wie anders durfde denken werd levend verbrand op de brandstapel. Nu is dat gelukkig niet zo erg meer, maar de meeste mensen hebben liever verkeerde ideeën dan van idee te moeten veranderen. Zij zijn als mensen die liever met gaten in hun schoenen lopen dan er nieuwe te gaan passen omdat die een andere kleur hebben. Dat snap ik niet opa, wie wil er nu met een gat in zijn schoen lopen dan krijg je toch natte koude voeten dat voelt toch niet lekker .. Neen, maar zij zijn nu eenmaal bang en houden meer van het oude vertrouwde, zelfs al is dat nat en koud, dan te durven nieuwe schoenen te passen met een model dat ze nog niet gezien hebben. Ik vind het juist leuk iets nieuws te proberen u toch ook opa waar zijn die mensen dan zo bang voor? Het oude is toch al bekend en wordt vervelend als je er lang mee moet doen, kopen ze dan ook nooit nieuwe kleren? Mensen zijn bang om te moeten toegeven dat het nieuwe beter is dan het oude omdat zijn dan moeten toegeven dat zij het ooit verkeerd voor hadden en nog niet weten dat mensen het altijd verkeerd voor hebben omdat zij nu eenmaal niet alles kunnen weten en slechts kunnen hopen dat de nieuwe gedachten minder fout zijn dan de oude. Zo moet de mensheid groeien en leren. Ze kopen natuurlijk wel nieuwe kleren maar als ze oud geworden zijn denken ze nog steeds hetzelfde als hun papa en mama en hebben dus op een heel leven niets bijgeleerd en ook niets nieuws aan andere mensen kunnen aanleren. En zo blijven de mensen steeds maar dom en doen steeds maar domme dingen, zoals elkaar pijn doen en ruzie maken en soms zelfs oorlog voeren. Lopen ze dan hun hele leven met een jas aan die eigenlijk te klein is dan krijgen ze het toch koud opa of voelen ze dat niet? Ze hebben het koud en hun jas is te klein en wringt  en doet pijn langs alle kanten maar ze willen al het oude behouden, en je ziet nu zelf wat er allemaal van komt. Waarom willen ze dan niet lief zijn voor elkaar dat doet toch veel minder pijn? Omdat je daar slim moet voor zijn zoals jij. O dus ik moet het hun eigenlijk leren maar ben ik daar niet te klein dan voor opa? Ik moet nog zoveel leren. Je kan het maar leren aan wie het leren wil. Aan anderen mag je dat niet proberen aan te leren want die worden dan kwaad of lachen je uit. Mensen die echt willen leren, leren van elkaar zij leren al aanlerend. Zoals ik van u opa?Juist! Dank je wel opa, dat je mijn opa bent!  

Lucia Swinkels
9 0

Pauv' bête

‘t Begon allemaal met een meute kiekens die een collega zich had aangeschaft. Daartoe had hij eerst een deel van z’n tuin afgebakend en een luxueuze stal gebouwd met legbakken, voedertorens, een haan en klassieke muziek en dat soort dingen. Met andere woorden: Michel's kiekens kwamen niets tekort. En toch bleven die rotbeesten niet binnen hun omheining. En toch trokken sommigen eropuit daar ’t gras nog altijd groener bleek aan de andere kant van de draad. En de wormen wellicht vetter, weetikveel. Michel is echter ook een klein beetje jager. Hij heeft dus honden. Getrainde Engelse setters ‘pourre la bécasseu!’, meerbepaald. Ik ga z’n commentaar fonetisch schrijven want ’t is het mooiste stukje ‘Sètois’ dat ik ooit heb gehoord. ‘k Schrijf de vertaling er wel achter. 'Tu vois ce chieng? Hierre ce coujong m’a attrapeeh unne poulle qui s’était échappeeh! Il l’a plumeeh vivànte, tu te rang compte? Ce batard l'a coingceeh avecce sa patte gauche surre l’aile gauche et sa patte droite sur l’aille droite! Ang suite il l’a arracheeh touttes ses plummes ce pauv’ bête ! J'éteeh obligeeh de la tueeh, cette espesse d'abrutie!' 'Zie je die hond? Die klootzak heeft gisteren een kip gevangen die was ontsnapt! Hij heeft ze levend geplukt, stel je voor! Die bastaard zette eerst z'n linkerpoot op haar linkervleugel en z'n rechterpoot op haar rechtervleugel! Vervolgens heeft hij al haar pluimen uitgetrokken, dat arme beest! Ik moest haar wel doden, de verdomde klootzak!' Michel houdt zielsveel van z'n kiekens. En Snoopy mag dan wel een uitmuntende kippenplukker zijn - als jachthond is hij naar verluidt geen rotte cent waard. Zelden zo m'n lippen moeten verbijten. Arme Michel. En arme kip. En Snoopy? Die lag gelukzalig in 't zonnetje, een bruin veertje nog in z'n bek.

v. lammerenwerper
3 0

Proloog Poison love

Ze had me gewoon gebroken net als al de andere. Ik haatte het. Ik wou geen gevoelens meer kennen. Ik wil er vanaf zijn. Ineens was er een fel licht en kwam er een man met een zwarte cape tevoorschijn. 'Wie ben je?' Vroeg ik toch wel redelijk bang. 'Ik kan je helpen.' Zei hij met een diepe stem. Ik keek hem raar aan  wie kon mij nu helpen.'Met wat?' Vroeg ik. 'Ik kan je hart van steen maken.' Zei hij. Ik keek hem ongelovig aan. 'En dan ga ik dood.' Zei ik spottend en begon te lachen. 'Nee, je blijft leven alleen zonder gevoelens.' Zei hij. Ik keek raar aan wie kon dat nu doen? 'Echt?' Vroeg ik als bevestiging. 'Ja.' Zei hij. Hij stak zijn hand uit. 'Pak mijn hand aan.' Zei hij. Ik pakte zijn hand en voelde een helse pijn in mijn borstkas. Ik zakte door mekaar maar de man bleef mijn hand vasthouden. Ik wou hem los laten maar hij bleef me vast houden. Hij voelde die helse pijn niet. Ik sloot mijn ogen en toen ik ze opende was de pijn weg. Ik keek de man emotieloos aan. 'Voila het is gelukt.' Zei hij. Ik knikte onverschillig. Toen verdween hij terug in het licht. Ik stond daar even te staren naar het niks Toen besefte ik wat ik net had gedaan. Ik wou geen pijn meer voelen maar nu kon ik misschien ook niet meer blij zijn? Wat had ik gedaan. Maar het was te laat. Ik zou nu als iemand door het leven gaan met een stenen hart. Ik had het koud. Raar de zon schijnt en het is bijna september. Ik haalde mijn schouders op en liep naar huis direct naar mijn kamer. Ik sloot mijn ogen. Misschien viel het nog wel mee. Maar wat de duivel en Owen niet wisten. De vloek kon verbroken worden..

Malikx
0 0
Tip

Florentina proloog

De maagdelijk witte lakens moesten strak gestreken worden. Geen enkele vouw of kreuk mocht het gladde oppervlak verstoren. Het was een opgave waar ze uren zoet mee was. In de zomermaanden als de lakens buiten droogden was het belangrijk om ze op het juiste moment binnen te halen. In de wintermaanden moest ze de zware wasmand twee trappen hoog dragen helemaal tot op zolder. Daarboven was een grote ruimte waar hij een lange waslijn gespannen had, enkel voor de lakens. Op zolder stond ook de rode zetel bekleed met stof van zacht fluweel en geborduurde bloemen. Als de kinderen kwamen logeren verhuisde de zetel naar beneden naar de kleinste kamer waar ook de twijfelaar tegen de muur stond. Voor verder meubilair was er daar geen plaats. De kamer werd enkel gebruikt om te slapen. Dat hoorde zo. De kinderen brachten leven in huis. Hun felle stemmetjes, hun gegiechel en het geluid van hun snelle voetstappen wanneer ze achter elkaar door de kamers renden verdreef de eenzaamheid en de stilte. Op die dagen kon ze genieten van de drukte in het anders zo lege huis. Hij bleef ook vaker thuis als de kinderen er waren. Het late werken in de avonduren verloor blijkbaar zijn glans in vergelijking met de huiselijke gezelligheid. Misschien had alles anders kunnen zijn als ze zelf kinderen gehad zouden hebben. Spijtig genoeg waren die er nooit gekomen. De enige kinderen die zij ooit zou kunnen verwennen waren die van haar broer en zus. Zij was de suikertante en daar zou het bij blijven. Ze verwende hen zo vaak ze er de kans toe kreeg. Ze troostte hen als ze bang werden van de creperende slakken op het tuinpad. De onhebbelijke gewoonte van haar schoonvader om de bruine naaktslakken met een lucifer te doorboren zogezegd om andere slakken af te schrikken, had enkel effect op de kinderen. De slakken bleven komen elk jaar opnieuw, de kinderen niet. De kinderen werden groter en gingen hun eigen weg. Dat is wat ze zichzelf voorhield in de koude uren wanneer ze nadacht over wat er was gebeurd. Ze had ze zelf verboden om te komen. De meisjes toch, toen ze te groot werden.

Annick G
114 0

Rocket Pilou

Gisterochtend, 9.30. Ik bel aan bij een klant voor een hoop kleine prutsen - herstel van een waterlek in een afvoerpijp, vervanging van een sifon, een kookplaat en 't slot van de voordeur - business as usual wanneer een appartement weer eens van huurder verandert. Ik installeer me in de keuken, help de dame bij 't leegmaken van haar keukengemeubelte en plots komt er, uit 't niets als 't ware, een groen rammelend balletje voor m'n voeten gerold. Denkende dat er wellicht ergens een speelpoes zit verstopt - er stond immers een kattenbak in een hoek - en zonder ook maar één seconde na te denken geef ik een welgemikte trap tegen de rammelbal en schiet hem als een raket recht door de keukendeur naar de leefruimte ernaast 'ràààààààààmramramramramraram'. 'MON PILOU OH MON DIEU MON P'TI PILOU OH NON!!!' De dame krijst het uit, terwijl 't groene rolding stuiterend z'n weg voortzet. Ik word ijskoud. Net alsof al je bloed plots uit je bovenlichaam wegtrekt en samentrekt in je geslachtsdelen, je kent dat wel. Verlammend, en hoogst onaangenaam. 'Pilou?! Wat is pilou?!' vraag ik half stotterend en totaal niet begrijpend wat er zonet is gebeurd. 'MIJN HAMSTER! Mijn klein lief hamstertje!!!' antwoordt vrouwlief terwijl ze 't balletje opraapt, openvijst en er voor m'n verbaasde ogen een hamster uittovert. Een hamster verdorie! Een hàmster! In een loopballetje - zo'n ding waarmee 't diertje 't hele huis kan bezoeken zonder dat je 't risico loopt om 't kwijt te spelen of erop te trappen. En daar had ik verdorie een penalty mee genomen. Ik zonk door de grond. Hoe moest ik daar in godsnaam op reageren? 'Sorry, m'n excuses, niet met opzet, wistikveel', àlle clichés heb ik bovengehaald en in een enorme braakbal samengekauwd om de hopeloze situatie een minimum te verzachten terwijl de dame elke vierkante millimeter haar kleine 'Pilou' inspecteerde. ' 't Geeft niet hoor, 't is niet de eerste keer dat hem dit overkomt' zei ze 'maak je maar geen zorgen, 'k was enkel een beetje geschrokken...'. En ik dan... 'Pilou' stelde het inderdaad bewonderenswaardig wel, ook al was hij net tegen 220 km/u door de keuken en leefruimte geschoten. Opgelucht zette ik m'n werk voort en 't voorval uit m'n hoofd. Toen ik echter later op de dag Pilou's story aan m'n collega vertelde kon ik eindelijk losbarsten. Gegierd van 't lachen hebben we. 'Wat bezielde je eigenlijk om in dat balletje te trappen?' vroeg m'n collega. Geen idee. De inspiratie van 't moment, wellicht. Dju toch. Nog een geluk dat ik 't niet heb opgeraapt en door 't raam gegooid...

v. lammerenwerper
0 0
Tip

Sjoelbakken in de belevenisbibliotheek

 Het zijn de sluipende evoluties die onze maatschappij vormgeven. Nog even en het hele gesubsidieerde socioculturele veld wordt de bibliotheek binnengeborsteld. De archief- en bibliotheeksector spreekt zeer tot mijn verbeelding: als je 2000 jaar lang je aanwinsten hebt bijgehouden op een steekkaartje, ben je minder snel geneigd om de nieuwe technologieën als een achteruitgang van onze beschaving te beschouwen.  En mensen die tussen de boeken leven en werken vind ik a priori al een aanwinst. En geloof het maar: archivarissen en bibliothecarissen zijn lang niet zo stoffig als de legende het wil. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat alles pei en vree is, en dat er ook in dit boekenbastion geen malloten-managers rondlopen die dan weer verantwoording moeten afleggen aan andere malloten. Zo stellen we u voor, ... reverence … : de belevenisbibliotheek. Lang geleden, toen de managers nog mensentaal spraken, had je de bibliotheek. Dat was een verzamelplaats van boeken, die je, als je braaf en niet te luidruchtig was, mocht ontlenen. Je vond er rijen en rekken vol boeken. Drie hoog, duizenden thema’s, tienduizenden verhalen. Altijd was er in die bibliotheek iets nieuws te ontdekken. Een bezoek aan de bib was, excusez le mot, een belevenis. De begrafenisoptochtDie tijd is voorbij. Nu al kan je in de bibliotheek een cocktail drinken, internetten, breicursussen volgen en naar het voetbal kijken. Maar nog even, pakweg 15 jaar, en boeken ga je er niet meer vinden. Al het geld dat in crèches, expo's, cursussen en concerten wordt gestoken, gaat niet naar boeken en de uitbouw van de collectie. Zo simpel is dat. De belevenisbibliotheek is de bib die zichzelf uitkleedt tot cultureel centrum, ontmoetingsplek, café en concertzaal in één. De zintuigen mogen er door alles geprikkeld worden, behalve door boeken. De belevenisbibliotheek is de bib die ten grave wordt gedragen, en men zegt ons dat het een carnavalsstoet is. Dat bibliotheken een doorn zijn in het oog van de boekenhaters-politici, dat wisten we al langer. ‘Brood en spelen’, niet ‘boeken en brood’. En dus kwamen de beleidsmensen op het geniale idee om - eens de wijkbibliotheken weggesaneerd en gecentraliseerd - de bibliotheek de nek om te draaien waar ze bijstaat. De enkele bibliotheken die het voorrecht krijgen te blijven bestaan, kunnen welzeker rekenen op een miljoentje voor een verbouwing of zelfs fonkelende nieuwbouw. Maar daar moet dan wel iets tegenover staan. En dus wordt de bib vanaf nu beladen met alle welzijnstaken die je maar kan bedenken: inburgeringscursussen, taallessen, kooklessen, noem maar op. Het hele gesubsidieerde socioculturele veld wordt op een hoopje geharkt en de bibliotheek binnen geborsteld. Nog even en ze delen er ook soep aan daklozen uit. We hebben er zelf om gevraagdZo’n evolutie moet je een beetje verpakken natuurlijk. Het woord ‘belevenisbibliotheek’ kwam als een geschenk uit de hemel gevallen. Wetenschappelijk verantwoord ook. Het lijkt terug te voeren op de term ‘experience economy’ die een zekere Pine & Gilmore bedachten. In de krantenwinkel koop je je croissant, en bij de bakker koop je je krant. Zoiets. Het is – geloof het maar – de consument zelf die erom zeurde: in de bib wil die ook een pint drinken, tai chi-lessen volgen en luidop commentaar geven tijdens het politieke debat. Dat is nu eenmaal de tijd waarin we leven. Tuur je op je gemakje naar een boom, zie je ineens een manager naar boven klauteren. Begint wat aan de takken te schudden. Een hele belevenis, wat ik je zeg: alle bladeren vallen eraf. En, zie daar, een beetje later valt ook de manager er achteraan. Voor ouderwetse zeuren ten slotte die vinden dat er in de bibliotheek ook boeken horen, geen paniek! Ook voor hen is een belevenis voorzien. Na consumentenonderzoek werd in de kelder een stiltegebied afgebakend. Het boek bleek een uitstekend isolatiemateriaal.

Guy Bourgeois
51 0

Kort verhaald: een wolkje onweer in een koffiemok.

 1. ‘Alle grote schrijvers schrijven autobiografisch,’ schreef een ooit befaamd Belgisch schrijver, en hij had gelijk. Hoe verklaar je anders al die slechte korte verhalen? Je kent ze vast wel: overdramatische rommel over gestorven levenspartners; vervlogen minnaars, weltschmerz, eenzaamheid of – veruit de ergste vorm van verderf – walgelijk minimalisme over kleine autistische kindjes met een suikerpot of muffe dementerende oudjes achter roestende deurknoppen die niemand ooit... Cheap emotainment, vers geplukt van Vijftv en overgoten met een sausje pervers ramptoerisme, dat op de koop toe nog geregeld bekroond wordt omdat dat schetsje minimalisme ‘toch zo uitzonderlijk geschreven is’. Om het op zijn Oscar Wildes te zeggen: het is niet omdat je uitzonderlijk schrijft, dat je ook uitzonderlijk leeft…en vice versa. En dan rest er nog de hamvraag: kan men die rommel schroomloos literatuur noemen? Zeg nu eens eerlijk… ‘Laat hen dan eens zien hoe het wel moet,’ antwoordt ze mij, in de haast magische tv-kamer waar de hyperactieve hond slaapt naast de sofa waarop zij en ik voor het eerst de liefde bedreven (maar dat geheel terzijde). ‘Dat is wel heel ambitieus, zelfs voor mij,’ reageerde ik, ‘en trouwens: ik heb mijn handen vol met onze roman, dat weet je toch?’ ‘Dat sluit elkaar toch niet uit? Schrijf dan daarover, alle grote schrijvers schrijven toch autobiografisch? Wel, bewijs het’. Ze had die pretlichtjes in haar ogen – Paris, minuit sur Seine, mon amour – en haar beruchte glimlach als een uitdaging. ‘Ok,’ zei ik, ‘maar als ik slaag in mijn opzet, druk jij jouw glimlach tegen de mijne, en zien we wat er dan gebeurt’. Over die laatste enigmatische verwoording moest ze even nadenken, maar uiteindelijk ging ze akkoord, waardoor ik nu heel wat te bewijzen heb. De hyperactieve hond laat ik intussen rustig in het midden liggen: je wil hem best niet gestoord zien worden. Zij strekte zich languit op de sofa, haar hoofd op mijn schoot en zei, heel speels en duivels verleidelijk: ‘Zo, vertel me eens een kort verhaaltje’. Een kort verhaaltje, zegt ze. Dat is 12.000 tekens volgens de stad Deinze en dus nog maar 10.219 te gaan. Het wordt hoog tijd om – zoals Van Ostaijen – naakt te zijn en te beginnen. Goed. Ik neem plaats achter mijn Underwood en transformeer mezelf tot broodschrijver. Ik word Shakespeare, Chandler, Capote – driemaal een sisklank als aanhef en één keer een Frans condoom met Truman (een Amerikaans president?) als voorspel. Zippergate? Neen, dat kwam pas later. Desalniettemin: stof tot nadenken, maar er is geen tijd: te weinig tekens en te veel, veel te veel te vertellen. Pressure! En al het goede schrijven is autobiografisch! Ok… Lig je goed, lieverd, daar beneden met je hoofdje op mijn Levi’s 501? En u, wildvreemde lezer, klaar om van start te gaan? Ik neem me vooralsnog een whisky.    2. Op een regenachtige namiddag in september stappen twee helden O’Reilly’s binnen en als echte stamgasten – of dronkaards – nemen ze plaats aan de bar. Lio en ik – jij weet dat, liefje, maar de wildvreemde lezer niet – zijn wat men noemt beste vrienden: samen maakten we Brussel al onveilig ten tijde van 9/11, Brazilië-België en Marc Wilmots. Al jaren is O’Reilly’s onze uitvalsbasis, en dat zal wel nog een tijdje zo blijven. Mitch, de barman met de Hasselhoff Baywatchnaam en de Humphrey Bogartschouders, komt ons meteen tegemoet. Lio bestelt een Guinness en een kop koffie. Buiten ons is de pub vrijwel leeg, op een koppeltje na, dat achterin de pub in een vergeten hoekje lekker knus naast elkaar zit. De jongen warmt zijn handen aan het meisje en het meisje – op haar beurt – aan een kop warme chocolademelk. ‘Die chocomelk smaakt raar,’ zegt ze. ‘Mag ik ’s proeven?’ vraag ik. Ze heeft gelijk: flets en zo goed als chocoladeloos: de cacaomix in de machine is op en de barman heeft het nog niet in de gaten. ‘Momentje,’ zeg ik en breng de fletse mok weer naar de toog. Mitch maakt er geen probleem van. Even later staat er een verse chocolademelk mét slagroom voor haar neus. ‘Handig niet, dat uitgaan met een ex-barman?’ Ik knipoog, zij lacht. Ik ga naast haar zitten op de sofa in het (vergeten?) hoekje. ‘Hé, zat jij daarnet niet tegenover mij?!’ ‘Nee, dat was iemand anders, zo’n loser met een slechte chocomelk’. We lachen – is zoveel lachen niet ongezond? – ik sla mijn arm om haar heen en ze kijkt naar me. Haar ogen stralen en komen tergend langzaam dichter en dichter en ietwat overhaast zoen ik haar. Het was lekkere chocolademelk. ‘Veel te lekker’. ‘Man, overdrijf eens niet: ’t is zwarte koffie,’ antwoordt Lio, ‘Akkoord, het is beter zwart dan met al die rommel erin: suikertjes, melkjes, candarels en een speculaasje, kloterij die abnormale mensen allemaal in hun kop kwakken…’ ‘En daarom is dit net veel te lekker,’ antwoord ik hem, waarop ik nog een slok neem en vervolgens de hele melk-suiker-candarelzooi en zelfs het koekje in mijn koffie gooi. Terwijl ik duchtig aan het roeren ben komt Maarten de pub binnen, doordeweeks een brave jongen en zelfs in het weekend een van mijn beste vrienden. ‘Dag mannen, wat doen jullie hier?’ begon hij. ‘Momentje,’ zei Lio, ‘Kris was geloof ik net van plan een vastgeroest dogma te ontkrachten’. Beiden zwegen en keken bezield naar de mokkakleurige maalstroom waarin mijn lepel – en stukjes speculaas – wild tekeer ging. ‘Een wolkje onweer in een koffiemok, meneer?’ Maarten begreep niet meteen wat er aan de hand was maar gunde me voorlopig het voordeel van de twijfel. Ook Mitch, het Alziend Oog van O’Reilly’s, hield zich op de achtergrond. Omdat er zich geen vrijwilliger aanbood nam ik zelf een slok van het inmiddels lauwe mengsel. ‘Beter?’ vroeg Lio. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘maar nu weet ik tenminste weer waarom ik mijn koffie zwart drink. Dag Maarten, jongen, alles goed?’ Maarten had een meisje bij, een nieuw meisje. Het eerste meisje dat hij mijns inziens ooit mee naar de pub bracht. Bruin haar, bruine ogen, slank, geen x-benen en vrij knappe borsten (rond of peervormig, kan al dan niet afhangen van en uit de beha), kortom: al bij al netjes. Maarten stelde ons voor, ze gaf ons beiden een kus op de wang. Na de nodige formaliteiten kwam ik te weten dat haar naam Stefanie was. Ietwat timide keek ze voortdurend naar de grond, alsof oogcontact een uitdaging was. Ja, wat had Maarten allemaal niet over ons verteld? En ‘beste vrienden’ ontmoeten is op zich al een precaire situatie. ‘Kijk liever wat meer naar boven, liefje, ik geneer me voor mijn kapotte schoenen,’ zei ik. Ze lachte wat onwennig, want inderdaad: mijn Allstars waren naar compleet de vaantjes. ‘Je had hem twee weken terug moeten zien,’ zei Maarten, ‘toen zat ie hier met teensletsen’. ‘Jij kleine klootzak,’ antwoordde ik, want Maarten was niet groot en had meestal een stel kl…, nou ja, ‘dat kind is hier nog maar net en direct mijn vuile was gaan uithangen!’ Lio begon luid te lachen, Stefanie viel in. Het hek was van de dam, en het ijs gelukkig vrij snel gebroken. Stefanie vertelde dat ze Maarten had ontmoet op een trouwfeest van een familievriend. Het was liefde op het eerste gezicht. Hierna spraken ze een aantal keren af en intussen – drieënhalve week later – waren ze samen en ja hoor: gelukkig. Ik herinner me nog hoe ik dacht: ‘Soms lijkt het zo makkelijk te gaan, zo vanzelfsprekend, is dat dan echte liefde?’ Daar leek het in ieder geval op. Ze waren jong en verliefd, op een typische, niet-walgelijke wijze. Daar was ik oprecht blij om, hoewel het tegelijkertijd pijnlijk was om aan te zien. Volgens mij beseften Lio en Maarten dat: ze wisten het immers van jou en mij. Misschien ook daarom dat Maarten na één rondje zei dat ze er vandoor gingen: ‘Stefanie wil nog snel even de winkelstraat doen’. ‘Vergeet niet,’ riep Lio Maarten nog na, ‘betalen doe je in de Rue D’Aerschot!’ Ik stootte mijn elleboog onzacht tegen zijn ribben. ‘Wat?’ antwoordde Maarten. ‘Geen schandalen in ’t paskot!’ verduidelijkte ik. ‘Aight,’ lachte Maarten en stak zijn duim omhoog. ‘Waarom was dat nu weer nodig?’ vroeg ik. Lio nam een slok van zijn Guinness, ‘Weet ik veel’. Ik wist het ook niet meer, het hele gedoe had me ontstemd en wellicht daarom vroeg ik Mitch om twee Jack-on-the-rocks te maken, zodra hij even vijf minuten tijd had. Mijn blik dwaalde af naar het vergeten hoekje: het knusse koppeltje zat er niet meer. Ze waren vast, los van elkaar, naar huis gegaan…    3. Met gesloten ogen ligt ze naar me te luisteren, een tijgerin in de prairie die in staat is me te verscheuren zodra ik in ademnood raak en mijn woordenstroom dien te pauzeren – bij haar ben ik slechts een papieren tijger, moet je weten. En toch wil ik even halt houden: wat een bravoure (Neen, in feite is mijn glas gewoon leeg, de inspiratie even op of het inktlint van de Underwood versleten: kies maar). ‘En in dat verhaal zit geen heimwee of eenzaamheid?’ begint ze. Ik streel haar zachtjes, voorhoofd-wang-hals, waar het warm is: ik ben een waaghals. ‘Natuurlijk wel, maar ik miste je, en ga daar niet over liegen. Vind je het overdramatisch misschien?’ ‘Nee, nóg niet, ga nog maar even door’. (Met strelen?) ‘De fletse chocomelk, dat weet ik nog, maar ik herinner me niets van je periode als barman’. ‘Vandaar dat ik ex-barman zei: dat was grotendeels voor jouw tijd, maar je herinnert je vast nog wel de picknick in het Warandepark, vlak voor mijn avondshift?’ ‘Ja! Dat weet ik nog’. ‘Nou, dan hoef ik het je niet te vertellen’. ‘Jawel, vertel: denk aan de wildvreemde lezer!’ ‘Nou goed, voor de wildvreemde lezer dan,’ knipoogde ik. ‘Klootzak’, zei ze. ‘Ga je me nog lang onderbreken?’ En toen zweeg ze.    4. ’s Morgens was er geen zon, alleen donkere wolken met wat onweer en regenwater. ‘Fuck,’ dacht ik toen ik mijn Mercedes insprong, ‘Is dit nu een weertje om voor de eerste keer naar Brussel te rijden?’ Brussel is levensgevaarlijk met de auto: stel je het gerust voor als een Spaans tomatengevecht waarin je met een gloednieuw wit maatpak onbevlekt door moet navigeren. Of overdrijf ik? Hoe dan ook, ik werd om 17:00 verwacht in Brussels Café, en daarvoor moest ik jou zien in Brussel. Ik had geen keuze: drie dagen later vertrok jij voor drie weken naar India. Falen was dus geen optie, en ik was voorbereid: een picknickmand met daarin jouw favoriete broodje, jouw favoriete smoothie en een kleinigheidje dat zelfs voor jou een absolute verrassing was. Met al dat lekkers op de achterbank reed ik de garage uit, het noodweer in. Gelukkig had ik net nieuwe ruitenwissers. Op straat wandelde Joke voorbij, een vriendin van enkele huizen verder die me ooit, op vakantie in Rhodos, haar borsten liet zien (ze was toen zestien, ik veertien en bijgevolg erg onder de indruk). Nu zie ik haar lopen en is ze ongeveer even boeiend als de soepmixer in de tweede lade links onder het keukenaanrecht: af en toe kijk ik er eens naar, zonder meer. Het is niet dat ik meteen soep ga maken: ik heb namelijk al jouw favoriete smoothie. Ze wuift, ik wuif afwezig terug en rijd snel door. Wat kan zij me bommen, ik rijd naar jou toe! Welgeteld tien minuten voordat je in Brussel Centraal de trappen opliep klaarde de hemel uit. De zon straalde met het mooie meisje en ik liep naast haar Frank Deboosere te bedanken voor zijn accurate weersvoorspelling (laten we in het moment blijven: Frank is niet romantisch en je hebt nog slechts 2.675 tekens voor de grote finale). Fast forward. ‘Wil je even je ogen sluiten?’ vroeg ik je op een bankje aan het paviljoen. ‘Wat?’ ‘Gewoon even je ogen sluiten, en ze pas openen wanneer ik het zeg’. ‘Je gaat me toch niet kussen, hé?’ ‘Nee, helemaal niet, ik ga wachten tot je ze sluit, wegwandelen en morgen misschien eens komen kijken of je hier nog zit’. ‘Grapjas,’ zei je. Met gesloten ogen zat je naast me, een tijgerin in het Warandepark, en heel voorzichtig bracht ik het zilveren hangertje om je hals. ‘Het is prachtig,’ zei je en omhelsde me. Vuurwerk, het voelde als Nieuwjaar, maar het was juli. ‘Als ik haar nu kus, verpest ik dan alles?’ dacht ik. En denk ik nog vaak wanneer ik jou zie, met dat zilveren hangertje om je hals. Nog steeds…    5. ‘Nieuwjaar? Zeker dat je niet kerstavond bedoelt?’ vraagt ze veelbetekenend (de hele affaire met de sofa die ik geheel terzijde laat, dat gebeurde onder andere op kerstavond). ‘Nee, lieverd, onze wildvreemde lezer heeft namelijk geen zaken met kerstavond’. ‘Nee, dat is waar, maar Nieuwjaar?’. ‘Herinner je niet meer hoe ons jaar begon? Met vuurwerk, kort na middernacht, en een heleboel mensen en een hyperactieve hond die de straat op liepen. En hoe wij nadien alleen achterbleven, een andere straat in, waar we samen uitkeken op de horizon en lichtjes en elkaar omhelsden? Vuurwerk. Dat is hoe het begon. En weet jij hoe het eindigt? Nooit. We’ll always have Paris. Zoiets gaat nooit voorbij en zelfs als ineens alles anders is zullen jij en ik nooit… Sorry schat, ik maak het weer te moeilijk’. ‘Dat geeft niet,’ zegt ze terwijl ze overeind komt en dwars op mijn schoot gaat zitten, met haar armen om me heen. ‘Het was een mooi verhaal’. ‘Wil je zeggen dat…?’ Ietwat overhaast ontmoet haar glimlach de mijne… het is een fijn weerzien. Onze lippen delen geheimen waar onze tongen over zwijgen, ook al schrijven grote schrijvers autobiografisch. ‘Je hebt nog 1.102 tekens,’ fluistert ze, ‘wat ga je daarmee doen?’ Ik lach – zoveel geluk moet haast ongezond zijn – en zeg haar: ‘Dat, mijn lieve meisje, gaat de wildvreemde lezer niets aan...’

Blikschade
1 0

Midnight Express

“Ours is essentially a tragic age, so we refuse to take it tragically”. D.H. Lawrence 1. Central Park, New York, iets na middernacht. Noem het een poëtisch, gotisch of stereotiep begin, het betekent zo veel of zo weinig als u zelf toelaat, maar daar liep ik dus: te midden van drugsdealers en homoseksuelen. Aidsgoeroes... Verwrongen spiegelbeelden van de overdaagse joggers en eekhoorns. Ik was niet op zoek naar hen, miserie – als ik het zoek – vind ik het thuis wel bij D.H. Lawrence, Hugo Claus of Stephen King. De inspiratie voor vannacht was Mona: een knap rijkeluiswicht met lichtbruine haren en een blanke huid. Ongeschonden en ongerept: een prinses zonder stamboom. Enkele jaren geleden kwam ze over de vloer, op het bed en ook ergens in mijn keuken. Het hoorde iets eenmaligs te zijn… maar daar blijft het helaas nooit bij. Ze bewonderde wat ik zei en deed en verwachtte van mij hetzelfde. Ik was danig onder de indruk van haar lichaam, maar dat was niet genoeg: ze had ambitie, ze had trots, ze was een hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt vrouw zou worden. Een sterfelijke Peter Pan: gay, innocent and heartless. ‘Binnen dit en vijf jaar kijk ik uit op Central Park, vanuit mijn villa aan de mooie kant van de stad,’ zei ze vastberaden, terwijl ze vanuit mijn raam het duister inkeek, ongeveer vijfenhalf jaar geleden. Aangezien mijn plannen voor vanavond zich hadden opgeschoven tot later of nooit, besloot ik de doortocht door het park te maken, naar die zogenaamde ‘mooie kant’ aan Central Park, om te zien of ik ze zou aantreffen, achter het raam van die beloofde villa. ’s Nachts zie je de engelen niet. Samen met de zon verdwijnen ze het park uit, dat nadien zelf opgaat in de duisternis. Vreemd is die donkere mantel, die als een wolf door de wereld zwerft, bang voor zowel het echte als het valse vuur. Tast het de wereld aan of af? Blijft alles netjes onder de mantel liggen tot het opnieuw gezien wordt of gebeurt er iets anders? Een konijn wordt een duif in de hoed van een goochelaar, en tegen de volgende show is die duif weer gewoon konijn. Of is er iets veranderd? We weten namelijk niet wat er onder de hoed of het dekschild gaande is. Enkel dat het park nu meer aidsgoeroe dan eekhoorn lijkt te zijn. Ik verkies het zo: menselijk in plaats van goddelijk. Donkerder met iets meer dan nacht. Het is verleidelijk om van het pad af te dwalen: om de hoek, tussen de struiken of onder de brug liggen boeiende verhalen als manna voor het grijpen. Het zou ons echter van de premisse doen afdwalen, het werkelijke doel van dit verhaal: Mona, en haar droomvilla in de sjieke buurt, mijlenver voorbij de zeven huizekes van de Voorstad. Wat ligt er daar op me te wachten? Een naakt peertje, een engel, een lege wikkel of gewoon meer van hetzelfde?    2. Eén grote mistlamp en een verlicht bordje met ‘Desire’ op. Dat is wat je ziet van de tram, lang voordat zijn details duidelijk worden. Een wit dak, rode carrosserie en een flauw-gele afwerking rond de ramen. Datzelfde flauwgeel vormde samen met zilvergrijs en stoelbekledingbordeaux het interieur van de tram. De bestuurder droeg een zwart uniform met gouden knopen, en een rood detail geborduurd op de schouders en mouwen. Op het gouden naamplaatje boven zijn rechterborst stond ‘Charles’ in sereen-zwarte hoofdletters. De tram stopt enkele passen voor mij, de deur schuift open en ik kijk recht in de ogen van het bekende gezicht. ‘Wel, wel, masta, nog steeds onder de levenden?’ zegt hij. Voorlopig wel, Carl, antwoord ik, maar wat is dat nou? Ik dacht dat je enkel Cemeteries deed? ‘Tijden en plaatsen veranderen als orders, maatje, dat was New Orleans en dit is New York, uitbreiden en multitasken, weet-je-wel!’ Goeie ouwe Carl... Ik kende hem van die oude tijden, lang voor Neverland, Avalon en het oude Zuiden. Hij was nog geen haar veranderd. Carl had de looks van Robert Johnson, de stem van Louis Armstrong en de grijns van Jack Nicholson. Uiteindelijk voelt iedereen zich op zijn gemak bij Carl. Hij is mijn favoriete chauffeur – zowel zittend op de tram als dronken op de achterbank van een groene Mercury Coupe – en voor de prijs van één zilveren dollar voert hij je naar waar je ook heen moet. Dus betaal ik de man en vertel hem mijn bestemming: ‘Café Europa’. ‘Café Europa,’ zegt hij en grinnikt, ‘in de buurt van Desire, dat lukt me wel. Ga zitten, ouwe vriend’. Ik neem plaats niet ver achter hem. Helemaal achterin de tram zit een vrouw met een jaren tachtigkapsel – lang, zwaar gekruld, geblondeerd haar – en overdreven make-up. Ze is jonger dan ik, niet onknap en doet haar best om mijn penetrerende blik te negeren. Een man op weg naar Café Europa, dat voorspelt niet veel goeds, moet ze vast denken. Café Europa was ooit een plek zoals de Cotton Club, maar dan gelegen aan de haven van Brooklyn. Onder invloed van de noden van de havenlui transformeerde de bar – na een korte tijd als speakeasy – tot een van Brooklyns beruchtste bordelen. Klanten als ik houden er een vaste loge op na, die qua luxe en uitzicht kan wedijveren met het Plaza Hotel en de Waldorf-Astoria. Een hemelbed, zijde en satijn, verse rozen(blaadjes op een blanke of gebruinde huid) en een fles Dom Perignon gekoeld in een goudkleurige ijsemmer: kant en klaar wanneer je de deur opent is hun motto. De meisjes rekenen er ook niet per uur; ze staan de hele nacht tot je beschikking. Tenminste, indien men leeft volgens de code van de gentleman en diens bankrekening. Zo eenvoudig was het, is het nog steeds, in Café Europa, waar de spiritus mundi vloeit en verdampt als Dionysische wijn uit christelijke bekers. Als het collectief breekt, blijft het individu alleen achter, en wat volgt is een queeste naar gezelschap met slechts één bestemming… Word je nooit eenzaam, Carl, ’s nachts, in het donker? Hij lacht, een hartelijke bulderlach die met hem de hele tram doet schudden, ietwat geforceerd. ‘Masta, ik ben een watman, sociaal vaardig als taxichauffeur en kelner: zolang er pendelaars leven, ben ik nooit eenzaam’. Een vluchtige wenk in de richting van de vrouw. ‘Alle vormen en maten, sommige interessanter dan andere’. De juiste vormen en maten had ze inderdaad. Carl had me daarnet niet laten uit-kijken: een blanke huid, jonger en zachter dan haar gezicht, met een gouden hanger – een slang met robijnen ogen – tussen haar nogal voor de hand liggende borsten. Onder het witte, diep uitgesneden topje zag je haar navel, een strak lederen minirokje dat nauwelijks haar heupen kon bedekken, donkere nylons met hier en daar een ladder en daaronder roze pumps – inderdaad: blond-wit-zwart-roos of andersom. Kleurrijk, zei ik, waarop Carl antwoordde: ‘en onder de gekleurde lichten is ze vast een regenboog’. Hij wist dat ze werkte in Café Europa, nog niet zo lang, maar lang genoeg voor Carl om te weten dat de klanten haar Viola noemden. Shakespeare en bordelen: verbonden tot in de eeuwigheid. Ze was in korte tijd de nieuwe sensatie geworden: haar act was die van de aan lager (haven)wal geraakte Broadwayster. Broadway is net niet Hollywood: hier kan men nog een tiet zien – actrices die te diepe buigingen maken of vervuld raken in de kleedkamers. Plots blijven dan de goede reviews weg, worden de stukken prematuur opgedoekt, de theaters gesloten en de actrices op straat gegooid. Maar niet getreurd: over een klein uurtje opent Café Europa en er is nog een positie... schrap dat: alle posities! Mary-Lou has finally made it to Broadway. De wereld gaat op in showbusiness, and there’s no business like show-business. Interessant, Carl, heel interessant. ‘You betcha,’ antwoordde hij met een knipoog. Wat kan ik zeggen? Carl zat in de juiste branche: door te vissen met mijn betekenaars sloeg hij geregeld de juiste betekenis aan de haak. Aangezien we samen al vele watertjes hadden doorzwommen, gaf ik ze hem geregeld in bruikleen. Mijn giften gaven hem de impressie van weten, een dorre schets wetenschap herleidt tot moleculen terwijl het heelal streeft naar entropie – en jij dacht wellicht naar diversiteit. Men is dus beter af – of tenminste pragmatischer – als zaaier dan visser. Waarom dan nog vissen? Om gezellig eens te kunnen ronddobberen in een vochtige poel van verderf, al dan niet om uiteindelijk kopje onder te gaan in die grote, mondiale Styx. Wie ben ik om dat verlangen te onderdrukken? Mijn goede vriend Carl zou het wel begrijpen, dus wond ik er niet te veel doekjes om. Ik denk dat ik met haar eens een praatje ga slaan. ‘Ha-ha, masta! Ik zou het zelf doen indien mijn kont de bestuurderszit niet ingedraaid was. Zo is het, Carl! We zijn allemaal vissende vissers, zei ik tegen hem en wierp mijn hengel uit naar de achterbank.    3. Ga jij ook naar het plezierkwartier, vroeg ik aan de jonge vrouw met het Kim Wildekapsel. Ze knipperde met haar ogen en schudde wat onwennig het hoofd, zoals we allemaal wel neigen te doen indien we plots uit de lucht vallen. Vooraan hoorde ik Carl lachen om mijn vrijpostigheid. ‘Het plezierkwartier?’, herhaalde ze. Ja, je weet wel, ze noemen het ‘Vieux Carré’, dat vierkanten plein net voorbij Columbia Street waar de straatartiesten jurken, de bedlegerigen nooit snurken en de bezoekers zich laten ont... kurkdroge humor, beste lezer, ik laat het verder voor wat het is. Het plein met sierlijk fluorescente namen als Tarantula Arms, Love-Lace, Vertical Whorehouse en – uiteraard, als klap op de vuurpijl – Café Europa. Een flits van herkenning schitterde op haar gezicht. ‘Café Europa,’ zei ze, ‘zeg dat dan meteen’. Ze wierp me een ondeugende blik met dubbellaag coating toe en zei: ‘Dan blijf je toch hangen tot na mijn optreden, cowboy? Misschien staat Viola het toe dat je haar een drankje betaald – of twee, hangt af van je stamina’. Flap-flap, artificieel gewimper, alsof dat het doet – ja, natuurlijk. Beste lezer, nogmaals sorry voor de korte onderbreking maar ik wil even zeggen dat het niet noodzakelijk is om me op mijn woord te nemen: ga het gerust zelf na, maar volgens mij is er iets ernstig mis met vrouwen die over zichzelf in de derde persoon spreken. Ik herinner me nog hoe ik na die uiting haar nogmaals van kop tot teen onderzocht, en niet echt een bezwaar kon verzinnen om procrastinatie en abstinentie in te ruilen voor fornicatie – de tijd van monniken, religie en annalen ligt achter ons. En zelfs Orsino hoor ik geen commentaar leveren over het al dan niet neuken van zijn manwijf, wijfman of welk soort vaartuig Shakespeare ook voor ogen had. Ik lachte en vertelde haar dat het voor mij een genoegen zou zijn om de ‘belle of the ball’ te entertainen. Aan haar pretenties te oordelen was ze een vrij populaire attractie. Dat is goed mogelijk: het was eeuwen geleden dat ik in de sporen van Carls tramlijn had getreden. Wie weet hoe het er in Café Europa tegenwoordig aan toe gaat. Maar waarom ontkende ze dat ze tot Vieux Carré behoorde? Alsof het tegenwoordig nog een schande is! Ze zijn beter dan psychiaters… Deze vlinders die naast de nacht hun nectar delen met mannen wiens vrouwen zich godinnen voelen, een Tantalusillusie die jammer genoeg waanzinnig is. Is het niet zo dat de man die zich koning voelt – zoals Huey Long ooit zei – zich hier nooit zou vertonen? Al dat huidige, domme feminisme – het is immers weinig zinvol – waar vrouwen mannen tot schandknaapjes reduceren omdat er ooit een paar klootzakken – ween-ween – eens gemeen tegen hen waren. ‘Meester, hij heeft me gepest…’ Dat komt omdat hij een klootzak is, en hij het niet alleen voor jou, maar voor iedere goeie lobbes die ooit durft werkelijk van je te houden het inmiddels verpest heeft. Er is alsnog een niet onbelangrijke nuance bij deze redenering: het is de vrouw die de klootzak zijn macht geeft, zich nadien godin waant en met dit gedrag zelfs de mediaan-metaforische goeie lobbes de optie Vieux Carré doet overwegen. Vieux Carré is het Olympos voor eenzame, onverzadigde zielen. De prinsenplaats in Tartaros. Hell ain’t a bad place to be – tenminste, vanuit dit gemakzuchtige standpunt. En zolang mannen nood hebben aan hun portie nectar of ambrozijn om denkbaar goden te zijn, there’s no business like show-business! Wat ik hiermee bedoel ligt volkomen in het midden. Tussen jou en mij, lezer en schrijver, acteur tot acteur, in een ver-ziende plaats waar het tijdsconcept deels is opgeheven. You know someone said that life’s a stage and each must play a part…Viola speelt vergane Broadwayglorie op de podia van het plezierkwartier, ik de opportunistische avonturier met geld en tijd zat. Het stond in de sterren geschreven, zij en ik, achter de coulissen in Café Europa. Carl zou ons er wel brengen… Vieux Carré… Een hemel-bed lacht ons toe als een kolderkat. We raken er wel op tijd voor je act, meid, zei ik, en trok haar vervolgens wat dichter tegen me aan. Mijn vingers gleden over haar linkerborst en streken langs haar navel. Ze keek me aan met wijd-groene ogen, haar blik bevatte een mysterieuze, vreemd bekende ondertoon die ik niet kon plaatsen – een toets in het aroma die mystiek versmolten raakt met een vergeten herinnering. Herinneren is proeven, en proeven wakkert de honger aan. Het valse vuur, vanuit de diepte duikt het op uit het wrak. Het roept ons, vertroebelt de geest als spiritus sancti zonder ooit onze lusten te beantwoorden. In perpetuum. ‘Stop’, ze weerhield mijn hand om dieper te gaan en zei: ‘Niet zo vrijpostig, meneer, laten we vannacht vooral gentleman blijven’.    4. Vannacht in deze kamer draagt ze niets dan lakens en maanlicht. Mijn lakens in mijn bed aan mijn raam dat uitkijkt op het park en de stad. De engelen houden de wacht op het balkon, maar dat ziet ze niet: vanuit de penthouse torent ze uit boven Manhattan. Van hier kan je de Bethesdafontein niet zien, hoezeer zij en de engelen er ook naar uitkijken. ‘Over het uitzicht heb je niet gelogen, maar dit is nog niet de mooie kant van Central Park,’ zei ze. Mona, een kritisch, hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt... weg is. Half in een roes droom ik naast haar en laat ik haar zeggen wat ze wil. In haar omhelzing ben ik ongenaakbaar naakt, onkwetsbaar. Een beeld van god is slechts half-god en half-tastbaar – één zijde van een zilveren dollar op zoek naar de andere. ‘Wat een stad,’ zegt ze, met fonkelende ogen als bij de eerste keer, ‘het is alsof je neerkijkt op de sterren’. Second to right, and straight on till morning, vertel ik haar. Maar dat begrijpt ze niet, zoals ik niet begreep waarom ze me toen plots naar zich toetrok, met haar hand doorheen mijn haar ging en met het topje van haar neus langs de mijne gleed. Ik keek haar vragend aan. Waarom loopt ze niet weg als ik zo dicht in de buurt kom? Misschien denkt ze niet langer aan morgen en denk ik morgen niet meer aan haar. Aan de gedachte dat ze me na de ochtend verlaat, dat ze vroeg of laat haar lichaam van het mijne ontdoet, en terug in haar kleren gaat verdwijnen. In tegenstelling tot engelen en goden ben ik nog niet van marmer of steen… ‘Kom hier, jij’, fluistert ze. Was this fair paper, this most goodly book, made to write…? De nacht valt met mij, achter het raam waaruit je Central Park kan zien, en met wat verbeelding boven de hemel uitzweeft. Maar we kijken niet meer, ik heb haar en zij… leunt voorover en kust me. Ooit, heel even, heeft zij met haar lippen… en ik geloof dat ik toen de rest deed. Toen geloofde ik… niet Mona, maar ik, dat zij het was. Alleen… ik niet.

Blikschade
0 0