Zoeken

De Poolse winkel (uit Coronacursiefjes)

                                                                       (zaterdag 2 mei 2020 – 7765 doden in België)   Wat heb ik nodig vandaag? Brood, spuitwater … Ik moet erom lachen. We zitten al negen weken opgesloten en wat heb ik nodig? Brood en water? Dan toch maar een flesje wijn voor mezelf en cola voor zoonlief. Oh ja, en kip! Dan maak ik chicken tandoori morgen. Ik vis een stoffen tas uit de kast, pluk mijn handtas van de tafel en rommel door de inhoud: sleutel, bankkaart, bonuskaart en gsm.  Het zonlicht schijnt door het broebelglas van de voordeur en valt op de verweerde tegels in de gang. Ik blijf even staan met het slot in de rechterhand. Ademen, hou ik mezelf voor. Blijven ademen! Ik trek de voordeur open en stap de wereld in. Ik trek de deur achter mij in het slot en het is alsof ik er vanaf nu helemaal alleen voor sta. Xena Warrior Princess tegen de buitenwereld. In de Driekoningenstraat is het zoals nooit anders over de koppen lopen. Vanaf volgende maandag worden de maatregelen versoepeld, maar het is duidelijk dat veel mensen daar niet op wachten. Ik stap naar de plaatselijke Albert Heijn. Wanneer ik de rij wachtenden zie, draai ik honderdtachtig graden en wandel terug de winkelstraat in.  De Poolse winkel is open. Buiten zit een brede man in bestofte werkbroek en knabbelt op een koek. Ik ga hem voorbij en loer naar binnen.     ‘Proszę wejść!’ De verkoopster wenkt me met een breed gebaar. ‘Kom binnen, kom binnen!’ Ze is heel groot, heeft lang zwart haar en rood gestifte lippen. ‘Zorry, mien niederlandsz,’ ze rolt met haar ogen en maakt een hulpeloos gebaar.    ‘That’s ok,’ probeer ik.  Ik kijk rond en zie niet wat ik zoek.    ‘Excuseer, hebt u spuitwater?’ De vrouw sorteert intussen pakjes sigaretten aan de kassa met haar rug naar de winkeltoog.    ‘Mevrouw?’ Ze draait zich om en tovert haar mooiste lach op haar gezicht.    ‘Huh?’    ‘Sorry, ik zie alleen plat water. Ik zou graag een fles spuitwater hebben.    ‘Cola? U?’    ‘Nee, water alsjeblieft.’ Ik glimlach en wijs op het mineraalwater dat wat verder op de grond staat.    ‘Aaaaah, wody!’ Ze knikt en neemt een fles. Ik schud van nee.    ‘Hebt u misschien ook spuitwater?’ Ze bevriest met de fles water in haar handen en kijkt me aan alsof ik van de maan kom.    ‘Gas?’ probeer ik.    ‘Aaaaah, gazu! woda gazowana! Thies is woda mineralna!’ Ze komt achter de kassa uit en plukt een fles uit een rek.    ‘Woda gazowana!’ roept ze triomfantelijk en ik geloof haar. Ze staat daar met de fles in de ene hand en wijst ernaar met de andere, terwijl de tip van haar rechtervoet sierlijk naar voor wijst. Een reuzin met rood gestifte lippen en een fles water. Het lijkt een reclamespot.  Ik bedank haar zo vriendelijk als ik kan, betaal en loop de winkel uit.    ‘Do zobaczenia,’ zegt de bestofte broek wanneer ik langskom en hij steekt zijn duim op. Ik doe stoer hetzelfde en loop verder.

Kristin Huyghe
7 0

De krantenwinkel (uit Coronacursiefjes)

                                                                 (donderdag 23 april 2020 – 6735 doden in België)   Op het voetpad voor de krantenwinkel is het druk. Buiten staat een reclamebord in plexiglas met de laatste cover van ‘Flair’. Naast een meisje met een brede tandpastasmile staat de tekst ‘hoe vermager je in vijf dagen zonder te diëten’ in grote zwarte letters. Je kan er niet naast kijken. Ik heb een pakje dat moet worden teruggestuurd. Ik heb een accu voor een oude laptop gekocht in de hoop dat ik die terug aan de praat kon krijgen. Nee dus. Gelukkig mag ik het zonder kosten terugzenden.  Met een knal botst een man tegen mij aan.    ‘Seg trut! Zie waar ge loopt,’ roept hij en maakt zich uit de voeten. Verdomme! Die heeft geluk dat hij niet is blijven staan. Ik kook inwendig. Een vrouw met zwart mondmasker staat in het deurgat van de krantenwinkel. Ze sleurt een grote boodschappentrolley mee waarmee ze de ingang van de winkel blokkeert. Over haar schouder, vanop een afstand, zie ik binnen twee mensen staan. Je mag per twee binnen, dus dat zit snor. Eén klant staat aan de winkeltoog, de andere rommelt doorheen de magazines. Ik ga op het voetpad achter haar tegen de etalage staan en wacht mijn beurt af.     ‘Kom maar binnen, schatteke,’ hoor ik een stem van achter de toonbank roepen, waarop de vrouw die ik intussen oneerbiedig Zorro heb gedoopt, in de donkere winkel verdwijnt. Vanuit de tegenovergestelde richting komt een oudere man aan geschuifeld. Hij loopt licht gebogen en zijn haar ligt in de war. Hij grimlacht waarbij zijn bovenste tandenrij naar beneden zakt. Met zijn rechterwijsvinger duwt hij ze terug op hun plaats. Dan maakt hij een zwiepende beweging met zijn hand, richting deur.    ‘Vooruit, ’t is aan u!’    ‘Ik weet het mijnheer, ik wacht mijn beurt af.’ Ik wijs naar het A4tje dat op de deur is geplakt met twee grote stukken gele plakband. ‘2 persoonen tegelijk in de winkel toegestaan’.  Ik sta al een tijdje naar dat papier te staren en heb oprechte spijt dat ik geen zwarte stift bij heb. Een grote vette.    ‘Vooruit, ga maar!’ De man wordt duidelijk ongeduldig en maakt nogmaals dezelfde beweging. Ik denk dat hij mij niet verstaat. Ik draag nochtans geen mondmasker.    ‘Ik wacht even tot er een klant buiten komt, mijnheer.’ Ik glimlach vriendelijk of tenminste, dat probeer ik toch. Het is tenslotte niet zijn schuld dat hij half doof is. Plots schijnt er iets bij hem te dagen en hij grijnst.    ‘Aaaaah! twee man maar, he?’ Hij wijst naar het velletje papier.     ‘Ja mijnheer, twee maar, he.’  Oef, hij heeft het verstaan.    ‘Maar u gaat wel eerst binnen! Voor mij! Want u was eerst!’    ‘Ja! Dat klopt.’     ‘En dan is het aan mij!’ Hij lacht zo hard dat zijn vals gebit uit zijn mond floept.    ‘De volgende,’ hoor ik roepen. 

Kristin Huyghe
33 0

Dag oma (uit Coronacursiefjes)

                                                                            (Pasen, 12 april 2020 – 3935 doden in België)   Het mini mensje zit op de vensterbank. Hij heeft een kort broekje aan en uit de linker pijp krult de rand van een pamper. In z’n armpjes knelt hij een pluchen konijn en hij blaast een kus van zijn handje.    ‘Dag oma!’ Hij roept het heel luid. Zijn ouders moedigen hem aan.    ‘Laat je konijn eens zien aan oma,’ zegt de moeder.  Het kind duwt het konijn tegen de ruit en laat het met wilde gebaren hardop zoentjes geven.    ‘Kus, kus, oma kusje!’ Hij kirt en lacht uitgelaten. Achter het raam zie ik een grijze dos haar en de reflectie van de avondzon in een brillenglas. Een magere arm zwaait heen en weer in een veel te ruime mouw. De dame legt haar hoofd tegen de ruit en drukt een kus op haar gesloten vingers die ze daarna wegslingert in de richting van het kind. Die gilt opgewekt terug, trekt rare snuiten en laat het konijn nog meer gekke sprongen maken. Hij wipt op en neer op de smalle vensterbank.    ‘Nog even, mama,’ hoor ik de moeder roepen door het glas. ‘Nog even volhouden.’ Ze houdt het kind stevig vast.  Ik blijf staan aan de overkant.  De oude vrouw heeft het moeilijk. Ze wappert met een witte zakdoek, zet haar bril af en droogt haar wangen.    ‘Niet wenen, mama.’ De moeder kijkt vertwijfeld van het kind naar haar man.    ‘Mama,’ zegt hij luid en gebaart een knuffel om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Morgen komen we terug. We komen elke dag. En binnenkort komen we als het weer mag gewoon op bezoek zoals vroeger.’ Ik zie de zilveren haardos over en weer schudden van ja en ik voel het verdriet branden in mijn ziel. Het verdriet van de oma die in haar gevangenis zit en niet meer buiten mag, en dat van haar kinderen die buiten zitten en niet meer binnen mogen. We zijn allemaal gijzelaars, gevangenen van de tijd.    ‘Kusje oma,’ roept het heldere stemmetje van het kind, terwijl hij met zijn lippen een afdruk maakt op de ruit.    ‘Jakkes, bah, schat,’ hoor ik de mama nog zeggen. Het kindje schaterlacht zijn kleine tandjes bloot.  Dan verdwijn ik om de hoek.

Kristin Huyghe
11 0

De jongen van de Aldi (uit Coronacursiefjes)

                                                                            (maandag 6 april 2020 – 2044 doden in België) Het is kwart voor drie. Ik fiets voorbij de Aldi. Oef, niet te veel volk. Ik zet de fiets op slot en ga naar binnen. Een blonde jongen staat klaar met een busje ontsmettingsmiddel. Ik schat hem niet ouder dan drieëntwintig en hij heeft een angstige blik in de ogen.    ‘Ontsmettingsgel, mevrouw?’     ‘Graag en dankjewel!’ Intussen veegt hij met een doekje de handgreep van het winkelkarretje schoon.    ‘Gaat het, jongen?’ Mijn vraag is oprecht. Beelden van mijn eerste jobs spoelen door mijn gedachten. Stel je voor, denk ik.    ‘Het moet wel, hè mevrouw!’ Hij klinkt moedig, maar de ondertoon ontgaat me niet.    ‘Ben je bang?’    ‘Ja, mevrouw.’     ‘Wat een job, he jongen! De ganse dag karren ontsmetten, je moet het maar doen. Respect!’  De jongen kijkt op en zijn ogen twinkelen.    ‘Dank u, mevrouw.’    ‘Ik moet jou bedanken. Ik ken jou niet, maar je doet het toch maar.’ Misschien is het mijn verbeelding, maar de jongen ziet er een beetje vrolijker uit.    Ik rol het karretje voor me uit de winkel binnen. Een man met mondmasker verspert me de weg. Hij heeft zijn kar dwars gezet in het gangpad voor de toonbank met brood en kan blijkbaar niet beslissen wat hij zal meenemen.    ‘Excuseer, mijnheer?’  De man kijkt op. Hij heeft een monowenkbrauw.    ‘Wa?’    ‘Excuseer, ik zou graag voorbijgaan.’ probeer ik.    ‘Godvergodvergodver. Madame is gehaast. Awel, ik ben ook gehaast.’ Het masker maakt vreemde sprongetjes terwijl hij de woorden uitspuwt. Zijn wenkbrauw danst van links naar rechts en blijft ergens halverwege hangen. Hij grijpt de kar met zijn gehandschoende handen beet en draait die bruut een kwartslag.    ‘Denkte dat ge nu door kunt met uw dik gat?’ Ik wiel voorbij en heb tientallen antwoorden in mijn hoofd, maar ik doe het niet. Soms zijn ze het niet waard, meisje, zei mijn moeder vroeger als ik weer in vuur en vlam stond wanneer iemand mij het bloed vanonder de nagels haalde. Totaal negeren heeft meer effect dan op zoiets te antwoorden. Ik kijk even naar boven en bedank mijn moeder voor al haar wijsheid, terwijl ik inwendig kook van woede. Ik laad een paar zaken in de kar die ik de volgende twee dagen echt nodig heb. Ik probeer het te beperken tot het minimum.  Achter mij is er plots een tumult van jewelste.    ‘Godverdomse kutwijf!’ Het echoot tussen de rekken. Ik draai me om. Een vrouw met hoofddoek staat bijna neus aan neus met de man met het mondmasker. Gek hoe ze heel eventjes op elkaar lijken. Daar gaat de social distancing, denk ik en draai me terug om. Het gekibbel, gekijf en geroep stijgt crescendo achter mijn rug. Oef, ik ben er nog goed vanaf gekomen als ik het zo hoor.  Heb ik toiletpapier nodig? Neuh, ik kom wel terug of beter nog, ik vind wel een andere winkel.  Ik betaal aan de kassa. Achter mijn rug hoor ik een glazen pot sneuvelen. En nog één. Weg van hier.  Ik lever mijn kar in bij de lieve jongen en steek mijn duim op. Dat doet hij prompt ook. De buitenlucht is nog nooit zo zuiver geweest. Toch adem ik niet te diep in. Je weet maar nooit.

Kristin Huyghe
7 0

Oma (uit Coronacursiefjes)

                                                    (donderdag 12 maart 2020 – 3 doden in België)      ‘Dag mijnheer.’ Met uitgestrekte hand staat ze krakend op uit haar oude zetel.    ‘Dag oma.’ Hij drukt de hand van de vrouw. De lip van de jongen trilt.     ‘Ik ben het, oma! Matthias.’ De vrouw kijkt hem aan. Een grijze lok valt over haar voorhoofd.     ‘Wie bent u alweer?’ De jongen legt zijn andere hand op haar schouder.    ‘Matthias, oma. De zoon van Werner, uw zoon.’    ‘Ach!’ De ogen van de vrouw lichten op, zoeken die van hem.    ‘Bent u de zoon van Werner?’ Ze heeft zijn hand nog niet losgelaten en grijpt ze nu met beide handen beet. Ze bekijkt hem van kop tot teen. Dan krullen haar mondhoeken omhoog en een zweem van herkenning flitst over haar gezicht.    ‘Natuurlijk! Matthias zeker?’    ‘Ja, oma.’ Hij kust haar zacht op de wang.    ‘Werner is er niet, he?’    ‘Nee, oma. Papa is drie jaar geleden overleden.’ De vrouw slaat een hand voor de mond.    ‘Ach,’ zegt ze ‘Da’s waar. Onze Werner is er niet meer.’ Ze neemt de bril van haar neus, tast in de zak van haar gebreide vest en haalt een katoenen zakdoek boven. Ze dept haar ogen terwijl ze zucht.    ‘Onze Werner toch. Ach, ach!’ De jongen slaat zijn armen rond haar schouders en trekt haar teder tegen zich aan. Ze snikt een beetje tegen zijn borstkas.    ‘Lieve oma toch,’ fluistert hij. Hij streelt haar zijden haar. ‘Ik zie u graag, he!’   Ze maakt zich los uit de omhelzing.    ‘Ik u ook he, jongen. Ik u ook.’ Ze snuit haar neus, steekt de zakdoek weg en zet haar bril recht.    ‘Gaan we naar de foto’s kijken?’ Ze vraagt het met een kinderlijk stemmetje en ze glimlacht.    ‘Graag oma.’ Het fotoritueel is belangrijk voor haar. Ze neemt een fotoalbum uit de lade van de kast en gaat op de rand van het bed zitten.     ‘Kom,’ zegt ze en klopt op de bedsprei naast haar ‘Zet u.’  Even rusten haar handen op het boek dat op haar knieën ligt. Het heeft iets plechtigs. Dan slaat ze het open. Met een benige wijsvinger wijst ze naar een foto.    ‘Kijk,’ zegt ze ‘Dat is Werner, mijn zoon.’ Matthias trekt zijn oma dichter tegen zich aan. Hij voelt haar knokige schouderblad.    ‘Ja, oma, dat is papa.’    ‘En u bent?’    ‘Matthias, oma.’    ‘Juist, jongen.’ Ze duwt haar bril met haar rechterwijsvinger hoog op haar neus, kijkt hem even aan en glimlacht. ‘Matthias, ik ben blij dat je er bent’. Ze bladert langzaam doorheen het fotoalbum en vertelt bedachtzaam honderduit. Hij zit naast haar en luistert geduldig, zijn arm nog steeds rond haar smalle schouders geklemd. Af en toe legt ze haar hoofd tegen zijn borst.    ‘Ach,’ zegt ze dan.     ‘Oma, vanaf morgen mag ik je niet meer komen bezoeken.’ Zijn stem breekt. Hoe kan hij dit uitleggen? Hoe kan hij haar duidelijk maken dat ze hem een tijd niet meer zal zien? Verdomd virus.    ‘Kijk hier, jongen! Kerstmis met Werner. Is dat geen mooie foto? Kijk eens hoe hij lacht! Zie eens hoe gelukkig hij toen was!’ Matthias knikt en drukt een kus in oma’s zilveren haardos.  

Kristin Huyghe
12 1

Prinses Poezenpoot II

Mama’s maken heel veel fouten, vindt Flo. Het is haar een raadsel waar ze hun mamadiploma behaald hebben. Wie maakt er nu spruitjes voor lunch, en nog wel op een zondag? Met een boos gezicht prikt ze in haar aardappelen. “Op zondag horen we pannenkoeken te eten!” roept ze luid. “Niet zeuren,” zegt mama Anke vanuit de keuken, “je eet morgen op school al pannenkoeken.” Daar fleurt Flo van op. “Echt waar? Waarom?” “Omdat het knutselmiddag is,” zegt mama Stien, “jullie gaan pannenkoeken eten en zeepjes maken.” Ze fronst. “Niet tegelijk, hoop ik.” Sem giechelt. Flo is haar slechte humeur meteen helemaal vergeten. “Joepie, knutselmiddag! Toevallig zijn knutselmiddagen mijn favoriete dagen van de wéreld.” “Maar ze zijn nog leuker als je je spruitjes opeet,” merkt mama op. Flo trekt een gezicht. Nee, de mama’s begrijpen er helemaal niets van. Even later stormt ze de schuur binnen. “Goeiedag allemaal!” roept ze. “Ik ga morgen zeepjes maken!” Kling klang kling kletter! Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit komen meteen tevoorschijn. “Zeepjes? Wij willen ook zeepjes maken!” “Ja,” knikt de Gravin, “het is niet eerlijk dat jij elke dag leuke dingen mag doen op school, Flo. Wij zitten hier maar!” “Kunnen jullie niet naar de poezenschool?” Flo krabt in haar krullen. “De poezenschool! Dat kunnen wij allemaal al.” Prinses Poezenpoot likt verveeld aan haar pootje. “Maar zeepjes maken, dàt kunnen we niet. Dat willen we leren!” De volgende dag wipt Flo ongeduldig heen en weer aan haar schoolbank. Sommen maken, letters schrijven… Niks aan! “Wanneer is het zeepjestijd?” flapt ze eruit. De juf lacht. “Goed, Flo, je hebt gelijk. We beginnen eraan!” Al snel is de hele klas in rep en roer. Drieëntwintig kinderen die zeepjes maken, dat brengt wat chaos met zich mee. Al snel zijn alle tafels bedekt met roze, groene en gele spatten zeepsop. “Doe wel een beetje rustig,” waarschuwt de juf, “ik kan jullie vast horen tot aan de andere kant van de school!” “Ach juf,” zegt Emin, een kleine jongen met grote bruine ogen, “dat geeft toch niet! Dan weet de hele school hoe leuk het hier is!” Flo grijnst. Maar dan ziet ze iets aan het raam. Wat is dat? Het lijkt wel… een poezenpoot! Snel wrikt ze het raam open. Ja hoor: in de struiken voor de school zitten Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit. Ze zien er heel erg trots uit. “Wat doen jullie hier?” vraagt Flo geschrokken. “Dit is geen poezenschool!” “Wij zijn ook een beetje mensenkinderen,” de prinses stopt haar neus in de lucht, “en wij willen zeepjes leren maken!” Flo zucht. Ze kijkt naar de drukte in de klas. Zou het heel erg opvallen als ze de prinses en de gravin naar binnen smokkelt? Flo’s jas ligt onder haar tafeltje. Er zit een grote bobbel onder. De bobbel giechelt en hobbelt zo hard als hij kan. Flo heeft al wel drie keer gevraagd om stil te zijn, maar het helpt niks. Dan ontsnapt er plots een zeepbel aan de bobbel. En nog één. En nog één! Al snel zweven er zoveel zeepbellen door de klas dat de kinderen elkaar niet meer kunnen zien. “Nu zijn we de schuimklas!” gilt Emin, “veel beter dan de eendjesklas!” “Rustig, rustig,” probeert de juf, maar iedereen gilt en spattert erop los. Flo duikt onder haar bank. “Wat doen jullie nu? Heel de klas hangt vol zeepsop!” Prinses Poezenpoot snuift. “Ik kan er toch ook niks aan doen. Er komt de hele tijd zeep op mijn pootje, en die moet ik eraf likken. Daar komen bellen van.” “Stop er maar snel mee,” zegt Flo, maar daar wil de prinses niks van weten. “Poezen hebben geen zeep aan hun pootjes! Weet je wel hoe vies dat smaakt? Ik doe het niet voor mijn plezier, hoor!” De zeepbellen komen nu al bijna tot het plafond. Straks stromen ze de klas uit, de hele school onder! Zelfs juf kijkt nu ongerust in het rond. Zo meteen ontdekt ze de poezen, en dan zit Flo in de problemen! Ze denkt hard na. “Sorry poezen,” zegt ze dan, “dit is geen poezenschool. Kom maar eens terug als we gaan rekenen over visvijvers of blikjes kattenvoer!” Zonder op antwoord te wachten, grabbelt ze haar jas en loopt ermee naar het raam. De poezen zeuren de hele weg, maar Flo kiepert hen zò naar buiten. Al snel lossen de zeepbellen op, en wordt het weer rustig in de klas. “Zo,” juf haalt opgelucht adem, “dan is het nu tijd voor koek en fruit.” “Juf, kijk!” Kleine Emin wijst naar het raam. “Een bellenspoor!” Even later staan drieëntwintig kinderen met hun neus aan het raam geplakt. Allemaal kijken ze verwonderd naar het zeepbellenspoor, dat slingerend wegloopt van de school. Niemand weet hoe het komt, behalve Flo. Die giechelt zich een ongeluk!

Anke Vandoolaeghe
16 1

Prinses Poezenpoot I

Het is koud in Flo’s tuin. Heel koud. Bibberkoud! Zelfs met een muts en een sjaal rilt ze nog. Mama zei nog: je kan beter binnen blijven, Flo. Je vriest nog vast aan de grond. Flo hoopt maar dat het een grapje is. Ze heeft geen zin om vast te vriezen. Stel je voor! Dan moet ze in mama Stiens moestuin staan, en wachten tot die haar komt plukken in de lente. Nee hoor! Ze stapt zo snel ze kan naar de schuur. In de schuur is altijd avontuur. Daar wonen Flo’s beste vrienden! De poort kraakt en piept. Flo moet hard duwen, maar ze kan het wel. Eerst is er niet veel te zien. Het is donker en er ligt heel veel rommel. In de hoek staan twee ronde vuilnisbakken. “Ik ben het!” roept Flo. Klang kling kletter, het deksel van de eerste vuilnisbak klettert op de grond. “Ik heb eten mee!” Kling klang kletter, het deksel van de tweede vuilnisbak valt ook. Er komt een meisje uit de eerste vuilnisbak geklauterd. “Hehe,” zegt ze, “dat werd tijd. Ik dacht al dat je niet meer kwam!” “Niet zeuren hoor.” Flo zet een brooddoos op tafel. “Ik heb boterhammen met choco voor jullie!” “Boterhammen met choco?” Een tweede gezicht schiet omhoog uit de andere vuilnisbak. “Jammie, ik houd van boterhammen met choco!” Het meisje uit de tweede vuilnisbak ziet er een beetje gek uit. Ze heeft lang haar, donkere ogen en... een poezensnuit!  Flo schrikt er niet meer van. Ze kent Gravin Gromsnuit al lang. Het eerste meisje trekt een vies gezicht. “Bah, choco! Ik wil geen choco!” Lenig springt ze uit haar vuilnisbak. Je ziet niet meteen dat ze er anders uitziet: ze heeft een gewone snoet, twee benen, één arm... en één poezenpoot. Flo zucht. Prinses Poezenpoot heeft weer een van haar poezenbuien. Dan wil ze nooit eten wat Flo haar brengt. “Ik kan toch geen stukje vis voor jullie bakken. Dan weten de mama’s meteen dat jullie hier wonen. Dan gaan ze zeuren over kattenhaar op mijn trui, of poezenplas op mijn schoenen.” Gravin Gromsnuit trekt haar neus op. “Poezenplas op je schoenen! Niet van ons, hoor! Wij zijn nette poezen!” Flo smakt met haar lippen. “Oké, geen vis dan. Ik wil... een boterham met salami! Een lekker vleesje, jammie.” “Er is geen vlees in huis,” protesteert Flo, “enkel soms een stukje kip of vis. Zeker geen salami.” Prinses Poezenpoot haalt haar schouders op. Met haar poot tikt ze tegen de brooddoos. Die klettert op de grond. “Dan niet. Dan eten we maar niks.” “Tot we verhongeren,” jammert Gravin Gromsnuit, “heel zielig hier in de koude schuur...” Ze rilt, en er rolt een traan uit haar oog. Hij blijft hangen in haar snuit. Flo is een beetje boos. De koude schuur? Ze heeft speciaal de beste dekentjes uit de sofa gehaald voor haar vriendinnen! En gisteren heeft ze hen haar wanten nog gebracht. Toen mama Anke dat ontdekte, was er een heel gezeur. “Nu moeten we alwéér nieuwe wanten voor je kopen, Flo,” had ze gezegd, “dat is al je derde paar deze winter!” Alsof Flo er aan kan doen dat haar wanten steeds kwijt gaan. Ze vinden het vast gewoon niet leuk om een hele dag aan de kapstok te hangen op school. Flo zou ook op avontuur gaan als zìj dat moest doen. Prinses Poezenpoot geeft Gravin Gromsnuit een duw. “Je moet niet zo zielig doen. Flo vindt het helemaal niet erg dat wij hier verhongeren. Dat zie je toch zo?” “Oké, oké,” zegt Flo snel, “ik zal wel salami voor jullie halen.” “Joepie!” De poezen springen rondjes door de schuur. De prinses likt tevreden aan haar poezenpoot, en de gravin geeft Flo een kopje. “Ga nu maar meteen,” zegt ze, “dan kunnen we daarna een kamp bouwen in de tuin.”   “Ha, Flo,” zegt mama Stien als Flo uit de tuin komt, “voeten vegen hoor! Je laarsjes hangen vol modder.” Flo zegt niks. Ze hoort het maar half. Haar hoofd zit vol met het plannetje dat ze bedacht heeft: een boterhamplannetje voor de gravin en de prinses. Ze hoopt maar dat het haar lukt! “Heb je fijn gespeeld?” Mama Stien geeft Flo een aai over haar bol. “Weer een kamp gebouwd?” “Mag ik met Sem naar de winkel?” vraagt Flo. “Naar de winkel?” Mama Stien denkt er even over na. “Weet je de weg?” “Ja hoor! Aan de kerk naar links.” Flo hupst op en neer. Hopelijk mag het! “Goed dan.” Mama Stien neemt haar tas. “Hier heb je een beetje geld. Ga je broer maar halen.” “Joepie!” Flo huppelt de trap op. “Seeeeeem! We gaan naar de winkel!”

Anke Vandoolaeghe
11 1

Onder de boom, met een sigaretje

Ernst van Dealemaete, schrijver van "Lady Lovelove’s Poolboy" en vele andere succesvolle romantische pockets, spreidde een zeiltje over een steen. Midden op de heide, onder een dikke eik, de enige boom in de omtrek, pauzeerde hij. De thuis gedraaide sigaret stak hij rustig aan. Hij plaatste zijn achterste op het zeiltje en leunde tegen de stam. Door zijn oogharen zag hij de lichtpaarse gloed van duizenden bloemetjes.   ‘En ja hoor,’ klonk een slank geluidje. ‘Daar hebben we d’r weer een.’ Ernst keek rond. In een automatisch gebaar pakte hij zijn leesbril uit het borstzakje van zijn overhemd. Een klein groen vlaggetje wapperde naast zijn voeten. Hij draaide voorzichtig op zijn knieën en drukte zijn neus zo dicht mogelijk bij het vlaggetje. De leesbril vergrootte het vlaggetje tot een muts. En die muts wiebelde op het hoofd van een knokige kabouter. De kabouter trok aan zijn pijp, nam deze uit zijn mond en prikte in de neus van Ernst.    ‘Met wie heb ik de eer?’ vroeg Ernst.   ‘Slabelaar,’ zei de kabouter. ‘Kleuntje Slabelaar.’ Hij snoof de sigarettengeur op. ‘Lijkt wel geroosterde rabarber.’ Hij maakte een duwend gebaar in de lucht. ‘Kan je effe naar achteren? Je staat in mijn Aura.’   ‘Sorry.’ Ernst duwde zich omhoog. ‘Ik ben Ernst.’   ‘Je bent ernstig?’ vroeg Kleuntje. ‘Wat scheelt eraan jong?’   ‘Ik héét Ernst.’   De kabouter schokte van het lachen. ‘Jullie langnekken hebben maffe namen.’ Hij wees op de eik. ‘Trek in een bakkie flabbers? Vers gezet.’   Tussen de boomwortels, oplopend tot ongeveer een centimeter of vijftien boven de grond, was een uitsparing. De gladde en felrode rand stak scherp af tegen de ribbelige en grijzig-mossige stam.   Ernst bukte tot bij de uitsparing en mat met zijn blik of hij zou passen. Zachte muziek zweefde naar buiten: gitaar? pizzicato viool? harp? Duidelijk was het niet, het klonk prachtig.   ‘Dat wordt krap,’ zei Ernst.    Hij was verbaasd. Niet over de kabouter of de klanken uit de boom. Dat was het juist. Hij was verbaasd dat hij daar niet verbaasd over was. Die dubbele-loop gedachte maakte hem duizelig. Of de duizeligheid kwam doordat hij voorovergebogen stond, dat kon ook.   ‘Wacht even,’ zei de kabouter, hij duwde zich langs de dikke neus van Ernst en verdween in de stam. ‘Kom maar!’ klonk het gedempt.   Ernst stak zijn hoofd tot aan zijn nek naar binnen. Kleine handjes pakten zijn oren en een soort haak prikte aan de binnenkant van zijn neusgaten.   ‘Kwa, vloe, bisch!’ riep Kleuntje.   Ernst werd aan oren en neus de eik ingetrokken en botste tegen een zachte wand. Hij richtte zich op. Ernst zat in een schemerdonkere zaal verlicht door honderden kaarsen. Trommels en fluiten vulden de muziek aan. Het swingde als een tiet. De zachte wand bleek een hangend tapijt met daarop dansende kabouters rond een kampvuur. De zaal was groter dan de boomomtrek. Ook dit verbaasde Ernst niet, wat hem weer verbaasde. Het duizelde. Op meerdere plekken hingen tapijten met kleurige afbeeldingen.   ‘Mooi?’ vroeg een dun stemmetje. Ernst zag een kaboutervrouwtje met een platte rode muts. ‘In de winter knopen we tapijten, als je er een wilt hebben geef je een gil.’ Ze wenkte en Ernst kroop achter haar aan. ‘Ik ben Maasch, aangenaam kennis te maken. Kleuntje heeft je flabbers beloofd, hoor ik.’   ‘Lekker,’ zei Ernst die geen idee had wat flabbers zou kunnen zijn, hij had vertrouwen in zijn nieuwe vrienden.   Maasch riep naar een groepje kabouters: ‘Hebben we een bokkel?’ Ze wees op Ernst. ‘Die langnek wil flabbers, een normaal formaat nups lijkt te klein.’   Een lachend gepiep steeg op. Twee kabouters keerden een bak, iets kleiner dan de hand van Ernst, een lucht van wasmiddel en stijfsel steeg op uit het dampende wegstromende water. Met een doek poetste een dik kaboutertje met een blauwe jurk de binnenkant van de bak tot deze glom. ‘Flam!’ riep Maasch. ‘Hebben we voldoende?’   ‘Meer dan genoeg,’ zei het dikke kaboutertje. Ze stak haar duim op en een lange rij kabouters liep langs Ernst naar de bak. De kabouters hadden in elke hand een kan met dampende vloeistof. Deze kannen waren niet groter dan een vingerhoed maar voor de kabouters was het flink sjouwen geblazen. Ernst rook munt, kamille, lavendel en chocolade. Dit aroma kwam niet gemixt bij Ernst binnen, het leek alsof de afzonderlijke geuren als in een carrousel een-voor-een zijn neus bereikten, ronddolden en weer wegzweefden om plaats te maken voor de volgende.   De bak vulde zich tot de helft en Flam hief haar armen zei: ‘Genoeg, anders hebben we zelf niets.’ Ze wenkte Ernst. ‘Kijk uit met je lompe klauwen, je voorganger beukte dat ding omver.’   Hij pakte met duim en wijsvinger de bak (beter gezegd het bakje) en nipte aan de drank. Het smaakte zoals het rook en groenblauwe kleuren draaiden om hem heen, even zweefde hij boven een lagune in de tropen. Hij smakte zijn lippen en zei: ‘Wow.’   ‘“Wow”, zegt ie,’ Flam keek vriendelijk lachend rond. ‘Horen jullie dat? “Wow”.’   ‘Ik heb het gehoord, Flam,’ zei Kleuntje. ‘Je hebt jezelf overtroffen.’   Van alle kanten renden kabouters naar Ernst. Hun wapperende mutsen maakte van de ruimte een veelkleurig golvend mozaïek. Ze stopten Ernst vettige grijze brokjes toe. Een handvol van het spul kneedde Ernst tot een bolletje en nam een hap. ‘Wow,’ zei hij weer en hij likte het laatste restje vocht uit de bak. ‘Wow.’   Kleuntje keek trots naar zijn grote kameraad. ‘Blijf lekker zitten, Ernst,’ zei hij.   ‘Is hij verdrietig?’ vroeg Miesch.   ‘Zo heet die knul,’ antwoordde Kleuntje.   ‘Arm jong,’ zei Miesch. Ze klopte moederlijk op zijn enkel. ‘Neem het er goed van.’  Ernst keek rond, het schemerde. De donkerpaarse heide mixte door witte mist. Tijd om naar huis te gaan. Hij schoot de uitgedoofde sigaret weg en stond op.    Je had zo van die dagen waarbij alles op zijn plaats viel en van die plaatsen waarbij alles klopte.   Dit was zo’n dag en dit was zo’n plaats.

MCH
25 2

De antwoordput

“Ik heb een vriend die in de put zit.” Zo zou je een gesprek kunnen beginnen wanneer je zelf iemand om raad wilt vragen. Of je hebt echt een kennis die in de penarie zit en die je wilt helpen. In elk geval: je zoekt iemand op die het beter weet dan jij en vertelt dan een verhaal over die kennis (of over jezelf). En degene die je hebt opgezocht komt met oplossingen, allemaal goedbedoeld, en meestal gepareerd met een “ja, maar”. Een situatie die de meesten wel zullen herkennen. Voor Johan zouden de zaken anders hebben gelegen. Om te beginnen wist Johan niet of hij wel vrienden had. Er waren vast wel mensen die het terloops over hem hadden als “mijn vriend Johan”, maar dan moest er eerst een onderwerp ter sprake komen dat Johan speciaal maakte. In een gesprek worden vrienden nu eenmaal vooral genoemd om de spreker een plaats te geven. Wie rijker bedeeld is met bewonderenswaardige eigenschappen krijgt eerder de status van vriend, de minder opvallenden blijven kennissen.Johan had niets wat hem speciaal maakte, en bracht het meestal niet verder dan “een kennis”. Hij had gewoon zijn hele leven gedaan waar hij goed in was: feiten verzamelen waar niemand op zat te wachten, en die neerschrijven in publicaties waar ook niemand op zat te wachten.  Als Johan vóór zijn pensioen gestorven was dan zou hij waarschijnlijk best tevreden met zijn leven zijn geweest. Maar hij bereikte de pensioengerechtigde leeftijd en kreeg niet langer opdrachten voor het verzamelen van nutteloze feiten en het schrijven van even nutteloze publicaties. Om de dagen te vullen ging hij op eigen houtje feiten verzamelen en hij deed dat zoals hij zijn werk altijd had gedaan: vol overgave. Binnen de kortste keren had hij dossiers vol informatie over ambtsdragers, besmettelijke ziekten,  chemische bestrijdingsmiddelen, en zo het hele alfabet door tot en met ijskappen en zwarte gaten aan toe. En elke keer als hij weer een dossier had doorgespit wilde hij niets liever dan wat hij had gevonden in een publicatie verwerken. Alleen zat niemand meer op Johan’s werk te wachten. Er waren geen opdrachtgevers en collega’s meer die geld konden verdienen met wat hij gevonden had, en geen geld betekent geen interesse. Een tijdlang vond Johan vertroosting in het cliché van wandelaars en fietsers: “het gaat niet om de bestemming, maar om de reis ernaartoe”. Hij onderzocht dingen uit nieuwsgierigheid, zo hield hij zichzelf voor, en hij schreef ze op omdat het uiteenzetten van zaken hem plezier verschafte. Maar diep van binnen wist hij wel beter. Het ging wel degelijk om de bestemming, een leuke reis is hoogstens de helft van je vakantie . Hij had dingen gevonden die nuttig konden zijn voor de wereld, moest die wereld dat dan niet weten? Zodat tenminste een paar mensen wisten wie Johan was, en wat hij gevonden had? Net als vroeger zijn opdrachtgevers en de enkele collega’s met wie hij had samengewerkt? Maar zo zat de wereld niet in elkaar. Niemand kende Johan, en Johan kende niemand. Hij deelde zijn bevindingen met kennissen, stuurde zijn publicaties naar kranten en zelfs kamerleden. Maar de kamerleden namen niet eens de moeite om te antwoorden, de kranten stuurden steeds lulliger afwijsbriefjes en toen helemaal niets meer, en ook de reacties van zijn kennissen werden steeds lauwer. Op het laatst leek het wel of ze hem helemaal niet hoorden als hij weer eens enthousiast over een recent stokpaardje begon. Daardoor raakte Johan gaandeweg steeds dieper in de put. Toen hij nog optimistisch was over zijn nieuwgevonden levensvervulling had hij alles wat hij had geschreven op het internet gezet, zodat hij daar altijd naar kon verwijzen. Maar toen niemand interesse had gehad was daar de klad in gekomen. Hij betrapte er zich er steeds vaker op dat hij geen zin had iets uit te zoeken, laat staan daar ook nog een publicatie aan te wijden. Dan zat hij lusteloos voor zich uit te staren, of zwierf door de omgeving zonder er iets van te zien.  Zo ook op de dag dat hij bij de waterput belandde. Op het nieuws en in de krant was weer gerept van talloze problemen en bedreigingen. Johan was afgehaakt. Hij was tot de slotsom gekomen dat problemen niet bestonden: ze werden alleen zo genoemd om kijk- en oplagecijfers op te krikken of mensen geld uit de zak te kloppen via, heffingen, bijdragen of wat dan ook. Een mens had geen hoger doel dan ervoor te zorgen dat alles bij het oude bleef, desnoods tot op het moment dat de aarde een ontvolkte planeet zou zijn waarop ruïnes en hopen plastic naar het verleden verwezen. Misschien met nog wat rudimentair leven, dat koolzuurgas kon ademen en zich met afval kon voeden, en een paar biljoen jaar mocht doorvegeteren tot het moment dat een exploderende zon de planeet tot een magmabal zou reduceren. Niemand zat intussen te wachten op de bevindingen van ene Johan. Hij was afgeschreven, een soort naslagwerk waar niemand meer in keek en dat net zo goed bij het oud papier kon worden gezet. Door zijn gesomber had hij de oude waterput niet eens opgemerkt. Ooit was het de watervoorziening van een nu eveneens volledig vervallen villa geweest. Een kale vijgenstruik drong zich ernaast omhoog, De halfopen ijzeren deksel lag onwrikbaar vast. Toen Johan de put zag, liep hij eropaf en keek in de diepte. Hij riep zijn eigen naam, maar er schalde geen “Johan” terug, alleen stilte. Zelfs daar krijg ik geen antwoord, dacht hij. Ik kan net zo goed in die put gaan zitten en als iemand dan iets naar beneden roept roep ik terug hoeveel megaton koolzuur er de afgelopen week is uitgestoten of zo. Onwillekeurig grinnikte hij. Kan ik nog furore mee maken, dacht hij, als ik er een bordje “Antwoordput” bij zet. Misschien een project van maken, met een YouTubekanaal of zo… Toen hij zich omdraaide om terug naar huis te gaan was zijn stemming een stuk opgeklaard. Over een paar biljoen jaar maakt het toch niet uit of iemand mij heeft gehoord of niet, dacht hij. Dus waarom nu wel? Ik kan altijd nog in de put gaan zitten…

bobcom
7 0

De laatste brief

Morgen wordt ze 18 jaar en mag ze weer een brief openen. Een stem uit het verleden die haar toespreekt, maar waar ze de klankkleur en intonatie al lang van is vergeten. De pijn is er nog. Niet meer zo scherp al voorheen, maar dof en drukkend. Een zwaarte op de achtergrond, die haar op onverwachte momenten nog kan overvallen als een cycloon die haar omverblaast en ontredderd en alleen achterlaat. Hoe kan iets tegelijk zo zwaar en leeg zijn? Er is een stuk dat weg is en nooit meer terugkomt. Het was haar basis, haar ijkpunt, haar evenwicht. Het gaf haar kracht en vertrouwen om de wereld aan te gaan. Zonder voelt ze zich verloren. Ze neemt de schoendoos met brieven en opent het deksel. Bovenop de stapel ligt de laatste brief. Deze keer een mooie crèmekleurige enveloppe van stevig papier. Ze ruikt eraan en probeert tevergeefs de geuren terug te vinden die bij de schrijver horen. Ze ruikt niets, enkel de geur van papier en oud karton. Boos gooit ze de doos door de kamer. De brief blijft achter in haar hand. Zou ze hem al openen?  Niemand die haar tegen kan houden en binnen een paar uur is ze toch officieel volwassen. Dan mag ze doen en laten wat ze wil. Ze wil haar eigen weg gaan en haar eigen beslissingen nemen. Slordig scheurt ze de enveloppe open, haalt de brief eruit en strijkt de kreukels plat. Liefste Theresa, Wanneer je dit leest, ben ik er al een tijdje niet meer. Deze brief hoort bij het beginpunt van een nieuwe periode en bij het afscheid nemen van je tienertijd. Op het moment dat ik dit schrijf, speelt de film van je leven zich voor mijn ogen af. Ik zie je als baby’tje in mijn armen liggen en kan je mondje nog rond mijn tepel voelen. Je hapte altijd wild in het rond tot je me beet had en dronk dan gulzig, met grote teugen alsof je leven ervan afhing.  Je vloog mijn leven binnen als een wervelwind. Je wilde alles meemaken, altijd de oren gespitst om niets te missen, je voelsprieten alert op al wat gebeurde. De kleinste verandering had je gezien en wanneer ik mijn haar had geknipt werd je boos omdat ik niet meer dezelfde was. Je vroeg me de oren van mijn hoofd. Elke vraag moest ook een antwoord krijgen. Op driejarige leeftijd vroeg je al wanneer tante Paula nu zou sterven. Want als je oud bent, ga je dood. Dat had je al snel door. Had ik je toen moeten verwittigen dat niet enkel oude mensen sterven? Ontelbare knuffels heb ik gekregen en heb je ook genomen. Je had het nodig om regelmatig ‘bij te tanken’, zo noemden we dat. Ook als ik er geen zin in had, omdat ik boos op je was. Op dat moment had je die omhelzing nog meer nodig dan anders, om er zeker van te zijn dat het nog ‘ok ‘ was tussen ons. Ik was je veilige haven, je vertrouwenspersoon, je wereld om naar terug te keren. Op een dag gebeurde het ondenkbare. Het werd al snel duidelijk dat ik er niet meer lang voor je zou kunnen zijn. Mijn wereld stortte in, maar ik moest recht blijven staan. Hoe kon ik je nog alles meegeven wat je nodig had, voordat het te laat was? Theresa, je bent nu geen kind meer. Een brief als deze hoort een allerlaatste wijze raad te brengen, maar er schiet me niet zoveel te binnen, enkel dit: ‘Ga je eigen weg. Drink het leven met volle teugen, gulzig en zonder twijfel. Neem je eigen beslissingen, ga ervoor en kijk niet om.’ Een traan rolt langs haar wangen en valt als een parel op het papier. Het duurt even voor het papier hem heeft opgezogen. Een kleine donkere vlek blijft achter. Net zoals in haar hart ook een donkere vlek achterblijft. Ze overdenkt wat haar moeder nog meer heeft nagelaten. Het zijn niet enkel de woorden die belangrijk zijn. Het is ook een geborgenheid die ze nog steeds meedraagt, na al die ontelbare omhelzingen. Met haar ogen dicht voelt ze de stevige armen rond zich heen die haar verwarmen en bij elkaar houden. Een glimlach verschijnt op haar gezicht. Terugdenken aan wat was, maakt niet enkel verdrietig. Het prikkelt haar fantasie, het doet haar dromen en geeft haar ook de kracht om door te gaan. “Bedankt mama, maak je geen zorgen. Ik kan het leven weer een beetje beter aan.”  

jessy hamvas
8 1

Alucinatio

Toen hij zijn ogen opende, merkte Hayden Davidson direct op dat zijn gsm hevig stond te trillen. Konden ze hem nu niet verdomme met rust laten? Met enige moeite belandden zijn twee voeten op de krakende houten vloer naast zijn bed. Hij trok een T-shirt aan en nam het triltoestel in zijn hand. ‘Hayden! Eindelijk man, probeerde je al heel de tijd te bellen. Hey uhm… ik vroeg me af of je zin had om eens mee te gaan met de vriendengroep vandaag. We zouden allemaal graag hebben dat je eens meekomt, weet je, ‘t is al zo lang geleden.’ Hayden zuchtte, maar iets in hem vond het ook wel leuk dat ze aan hem dachten. Als het aan hem lag, zou hij gewoon heel de dag in bed hebben gelegen, maar natuurlijk waren er altijd saboteurs… Saboteurs zoals… ‘Arthur, ik heb nog wat dingen te doen vandaag en ik weet eerlijk gezegd niet of-‘ ‘Onzin! We spreken af aan mijn huis. Ik verwacht dat je daar staat binnen een halfuur.’ Toegelegd. Ze lieten hem verdomme geen keuze en dat zorgde voor een glimlach op Haydens gezicht. Z’n haar richtte nog naar alle windrichtingen wanneer hij aanbelde aan Arthur’s huis. Hij zag hoe een schim steeds dichter kwam door de wazigheid van de glazen deur. Een monster kwam op hem af. Een zwart monster met een brede grijns en lange gele tanden die met bloed waren bedekt, dat was het. Zijn lange nagels raakten de deurknop aan terwijl het stille gekras van zijn nagels die het glas aanraakten te horen was. De deur kraakte. Haydens hart bonsde en zijn ogen hadden nog geen één keer geknipperd. En toen ging de deur open. Een vreemd gelach galmde door zijn oren. ‘Aahn Hayden! Ik wist wel dat je zou komen! Wat sta je daar zo te staan als een paal in het water? Kom binnen!’ De hele vriendengroep zat rond de keukentafel. Er was Thomas More (niet te verwarren met de filosoof), Frederick Stevens die bijna altijd tijdens dit soort ontmoetingen de hele koekendoos leeg zat te vreten en dan natuurlijk ook nog Arthur Tumbler. Hij was meestal de organisator van dit soort onderonsjes. Het was geen grote vriendengroep, maar het verwonderde Hayden eigenlijk al dat hij zoveel vrienden had. ‘Ik en Fred hebben al wat ideeën uitgewisseld en we zouden dit graag willen delen met jullie maar dan moeten we zeker zijn dat wel… Dit binnen dit groepje blijft zeg maar. Begrijpen jullie?’ Thomas knikte en vertelde dat ze hem honderd procent konden vertrouwen. En dan gebeurde wat er te verwachten viel: Arthur, Thomas en Fred keken allemaal Haydens kant op. ‘Ik ben de stilste van de groep, verwachten jullie echt dat ik iets ga zeggen?’ Arthur keek hem bedachtzaam aan en Hayden wist wat er in dat hoofdje van hem werd gezegd. De stilste zijn meestal de gevaarlijkste. Maar als hij hem niet vertrouwde, waarom hadden ze hem dan uitgenodigd? ‘Kom op, Arthur! We kennen Hayden toch? Hij is geen klikspaan.’ Arthur leek in gedachten te verzinken. Hij wist Hayden wonen. Als die stille vriend van hem hier iets durfde uit te spoken dan wijst hij hem te vinden. Hayden wist dat toch? Ja, hij wist dat. ‘Je hebt gelijk. We kunnen beginnen.’ Hun laarzen knarsten door de takken die verpletterd werden. De bladeren rond hen waaiden luidruchtig in de wind en hier en daar kon je tussen de bomen ogen naar hen zien gluren. Elk hadden ze een zaklamp in hun handen, die schaduwen projecteerden en licht schonken op weglopende mieren of zwaaiende droge sprieten gras. ‘Dit is het.’ Arthur’s zaklamp richtte op de hut voor hen die omringd was door de vele bomen en schepsels van de nacht. ‘Dus jij beweert dat er in die hut een koffer zit, volgepropt met geld? Komaan, dat zijn het soort dingen die een dronken zatlap niet gelooft. Ik snap nog altijd ook niet waarom je hierop in bent gegaan…’ ‘Hayden, luister eens goed oké? Jij mag dan misschien niet geloven in het feit dat er bakken met geld in dat krot zit, maar weet je waar ik wél niet in geloof? God. En jij wel. Dus is er dan zo’n groot verschil? Of je het nu wil geloven of niet kan me niet schelen, want stel dat er straks wél geld in een koffer zit dan zijn we verdomme rijk. Dus vertel me, Hayden, is dat niet het proberen waard? Het is precies zo met die hemel en hel van je. Jij hoopt dat als je doodgaat ook een koffer met geld krijgt, toch? Je hoopt het, je gelooft het! Dus wat is dan het verschil met deze situatie, hé? Alles dat wij doen is gebaseerd op geloof. Ik geloofde dat je aan niemand zou vertellen over die koffer-’ ‘Dat komt omdat het verdomme uit de duim gezogen is-‘ ‘NEE, ik vertrouw je. We gaan straks dat huis in en dan pas zullen we zien wie er gelijk heeft. Maar ik weet gewoon dat ik geloof.’ Thomas en Fred keken elkaar wat verward aan. Dat er zo’n vreemde discussie over geloof uit deze situatie was gekomen, verwonderde hen. Maar ja… Arthur en Hayden waren altijd anders geweest. Ze stapten binnen in het huis en werden verwelkomd door talloze gangen die bijna eindeloos elke kant op leken te gaan. Aan de muren hing hier en daar een schilderij of foto, waarvan het glas vrijwel overal gebarsten was. Onbewust splitsten ze zich op en verkenden ze het huis. Hayden liep de ene kamer binnen, om dan weer in de andere uit te komen. Dan stapte hij in een gang, waarvan hij vermoedde dat het naar de ingang leidde, maar belandde hij in een nieuw deel van het huis tot hij niet meer wist waar hij zich bevond en er enkel vier muren hem bedreigend aankeken. Hij riep maar er kwam geen antwoord. Niet van Arthur, Thomas of Fred. Niets. Uit hopeloosheid zette hij zich neer in de kamer waar hij zich bevond. Terwijl hij zich probeerde te herinneren welke weg hij had genomen bij het binnengaan, spitsten zijn oren zich als van een hert die voetstappen hoort. En dat was ook het geval: hij hoorde voetstappen. Waren het wel écht voetstappen? Het klonk onregelmatig, alsof het van iemand was waarvan zijn ene voet de andere kant op richtte. ‘Hallo? Arthur? Fred? Thomas?’ Nog steeds geen antwoord. Haydens hart begon sneller te bonzen. In een reflex nam hij een van de vele glasscherven die rondgestrooid waren op de grond. De voetstappen kwamen dichterbij. Deze keer hoorde hij een vreemd gorgelend geluid die hem deed realiseren dat wat er nu op hem af kwam allesbehalve een mens was. Zijn rechterhand kneep zo hard in het stuk glas dat het begon te bloeden. Het schepsel kwam tevoorschijn en stond in het portier van de kamer. Dat was niet Arthur, Thomas of Fred. Nee, het was een monster. De ogen van het schepsel puilden bijna op de grond en uit zijn oogkassen stroomde een gelig pus die zijn hoekige kaken bedekte en zorgde voor de vreselijkste stank die Hayden ooit had moeten verduren. Uit zijn scheve mond drupte een rood drek. Hij zag maar één oplossing: aanvallen. Dit beest moest dood, hij had geen keuze. Hayden rende op het beest af, terwijl hij de adrenaline door zijn lijf voelde vloeien als een kind op een glijbaan. De eerste glassteek had het beest tegengehouden, het had zelfs geprobeerd het wapen uit Haydens hand te grijpen. Maar daar zou hij spijt van krijgen. Hayden schoot zijn knie in het monster. Zijn linkerhand greep de kin en knalde hem in één beweging op de grond zodat hij nu met zijn volledige lijf dominant controle had over het beest. En nu was het tijd om de ellende te beëindigen. Het stuk glas belandde meermaals in het hoofd van het beest tot Hayden zeker was dat het niet meer bewoog. Het stuk glas viel op de grond naast hem en geschokt keek hij naar zijn handen die bedekt waren met bloed. Op dat moment realiseerde hij dat Arthur’s levenloze lichaam voor hem lag.

Nova
10 0

Aambeiance

Toen ze hun pak friet met een pint naar binnen hadden gespeeld in de keuken van hun studentenkot, begaven derdejaarsstudenten Geneeskunde Hendrik Janssens, Karel De Petter en Steven Walckiers zich de trap op naar het kot van Hendrik dat op de tweede verdieping lag. “Scheelt er iets, Hendrik?,” vroeg Steven toen ze bijna boven waren. “Je loopt precies wat vreemd?” “Dat leg ik je zo meteen wel uit, als we op mijn kot zijn,” antwoordde Hendrik. Nu zag Karel, die die dag net jarig was, ook dat zijn jeugdvriend moeite leek te hebben bij het trappenlopen. Hij begon zich lichtjes zorgen te maken. Op Hendriks kamer aangekomen, gingen Karel en Steven op bed zitten, terwijl Hendrik behoedzaam plaats ging nemen in zijn gemakkelijke lederen bureaustoel. Een licht gekreun ontsnapte hem, toen hij zich in de stoel liet zakken. “Zeg nu eens, amigo, waar heb je last van?,” vroeg Karel. “Is het je knie misschien? Of je enkel? Je rug?” Karel kroop meteen in de huid van arts, een attitude die hij zich al vanaf het eerste jaar aan de universiteit had aangemeten en die hij maar wat graag ook thuis aannam, zeker als zijn ouders of grootmoeder met een pijntje zaten. Het vervulde hem met zichtbare trots en bracht een zekere sérieux over hem. “Niets van dat alles, collega,” zuchtte Hendrik. “Een probleem van heel andere aard.” Steven had ondertussen gezien dat het gezicht van zijn kameraad telkens in een grimas trok wanneer hij zich verschoof op zijn stoel. “Ben je misschien op je zitvlak gevallen?,” vroeg hij aan Hendrik. “Niet gevallen, maar wel last van mijn kont,” gaf Hendrik toe. “Ik vrees dat ik last heb van hemorroïden…” “Ai, amigootje, dat klinkt niet goed,” sprak de jarige met bezorgde blik. “Dan moet je er toch al langer mee zitten, neem ik aan? Professor Debuyst zei in een van zijn colleges vorig academiejaar dat hemorroïden – Karel weigerde “aambeien” in de mond te nemen – normaal gezien best meevallen qua last. Ben je nooit een zalfje op basis van zinksulfaat of met lidocaïne gaan halen bij de apotheek? Of meer vezelrijk voedsel beginnen eten en wat vaker gaan sporten?” “Heb ik allemaal geprobeerd, Karel, wees gerust, maar ik vrees dat de aandoening toen al te ver gevorderd was.” Hendrik sloeg zijn ogen neer en zuchtte diep. “Mocht je dat willen, kunnen wij anders wel eens een kijkje nemen? Misschien valt het allemaal wel mee en is scleroseren of een heelkundige ingreep helemaal niet nodig?,” stelde Steven voor, terwijl hij in Karels ogen naar instemming zocht. “Uiteraard geen probleem,” sprak Karel, “we kennen mekaar al zo lang en hebben samen al andere watertjes doorzwommen.” Hendrik aarzelde even, keek zijn vrienden aan en stond toen voorzichtig op uit zijn stoel. “Beloof me dat dit tussen ons blijft…” “Als arts zullen we vaak genoeg konten en penissen zien,” knipoogde Steven. Toen draaide Hendrik zich met zijn rug naar zijn vrienden, knoopte zijn broek los en liet hem op zijn enkels vallen. Vervolgens deed hij hetzelfde met zijn boxershort. “Probeer anders even op je knieën op je bureaustoel te gaan zitten, Hendrik,” zei Karel, “dat zal het onderzoek vergemakkelijken.” Hendrik deed zoals gevraagd en boog voorover. Ondertussen had Steven Hendriks bureaulamp dichterbij geschoven en het licht zo goed mogelijk op de kont van zijn kameraad gericht. Karel en Steven keken vanop de bedrand naar Hendrik, die zachtjes kreunde. Steven trok Hendrik voorzichtig aan diens voeten, waardoor hij in de bureaustoel dichter tot bij het bed rolde. Steven nam eerst een vluchtig kijkje, gromde even onderzoekend en duwde toen lichtjes tegen Hendriks voeten, in de richting van Karel, zodat die een beter zicht kreeg op het zitvlak van zijn jeugdvriend. Karel boog zich voorover, hield zijn hoofd wat schuin en sprak: “Amigo, op het eerste gezicht, zie ik niet meteen iets dat op hemorroïden lijkt?” “Huh? Hoe bedoel je?,” vroeg Hendrik. “Wel, ik zie nergens iets rond je aars dat op een bloemkooltje of een druifje gelijkt. Ik stel me dus de vraag of dat wel het probleem is…” “Zie je niets anders?,” vroeg Hendrik over zijn schouder. “Er moet daar beneden toch iets zijn dat die last veroorzaakt?” Karel ging nog wat dichter kijken, tot hij bijna met zijn neus in de bilspleet van zijn kameraad zat. “Schijn je alsjeblieft nog wat bij met de bureaulamp, Steven?” Opeens slaakte Karel een gesmoord kreetje van verbazing: “Hemeltje, wat is dat?” “Wat bedoel je?,” sprak Hendrik geschrokken. “Wat heb je gezien?” “Er zit precies iets dat blinkt of zo in je anus, amigo…” “Wacht even,” onderbrak Hendrik hem, “best even achteruitgaan. Ik moet dringend een wind laten.” “Best niet te hard duwen,” raadde Steven hem aan, terwijl hij zijn gezicht afwendde. “Sorry, mannen, die kon ik niet langer tegenhouden,” verontschuldigde Hendrik zich bij zijn vrienden. “No worries, maatje,” zeiden de twee anderen bijna gelijktijdig. “Maar goed,” zei Hendrik, “wat zie je daar vanonder blinken?” Karel boog zich opnieuw voorover en streek voorzichtig met zijn vinger over de aarsholte van Hendrik. “Zoals ik dus zei: er zit precies iets blinkend vast in je kont.” “Kan je het eruit halen?,” vroeg Hendrik. “Ik kan dat proberen, maar dat kan pijnlijk worden, vrees ik. Heb je hier misschien wat glijmiddel of vaseline liggen en steriele handschoentjes?” “Rechterschuif in de kast naast het boekenrek,” kreunde Hendrik en hij wees in de richting van een witte commode. Steven stond op en gaf Karel vervolgens het nodige materiaal dat hij in de schuif vond. “Goed, hier gaan we dan. Geef meteen teken of roep iets als je pijn zou hebben.” Hendrik reageerde knikkend. Karel bracht genoeg glijmiddel aan rond de aars van Hendrik en op zijn gehandschoende vingers en begon toen zachtjes het vreemde voorwerp los te peuteren. Aanvankelijk gaf het ding niet mee, maar na wat wringen, slaagde Karel erin zijn vingertop vast te haken aan iets. “Gaat het nog?” Hendrik zei niets, maar begon verbazend genoeg zachtjes te neuriën. “Hendrik, wat zit je nu te neuriën, man?,” vroeg Karel verbaasd. “Laat hem,” zei Steven, “je haalt best gewoon zo snel mogelijk dat ding eruit.” Karel trok nu zachtjes het voorwerp millimeter per millimeter naar buiten. Hendrik begon ondertussen luider te neuriën. Toen Karel uiteindelijk het ding uit Hendriks aarsholte had gekregen, viel zijn mond open van verbazing… “Happy birthday to you… happy birthday to you… happy birthday, amigo… happy birthday, to you,” zongen Hendrik en Steven, terwijl ze glimlachend naar Karel keken. “Mannen… een Rolex? Ik ben sprakeloos…” “Een kleine moeite voor een grote vriend,” knipoogde Hendrik die ondertussen uit de bureaustoel geklommen was en Karel vriendschappelijk op de schouder klopte. “En nu gaan we een pint pakken op jouw verjaardag, amigo! Jij houdt wel het uur in het oog, hoop ik?” Hendrik en Steven barstten uit in lachen, terwijl Karel, oprecht onder de indruk van het dure geschenk, de Rolex rond zijn rechterpols bevestigde. “Kom, amigo’s, op naar de markt, op naar het gerstenat!,” zei Karel. “Maar euh, Hendrik?” “Ja?” “Best wel je broek weer optrekken, want je staat hier nog steeds met je pieleman voor mijn neus.” “Best wel,” lachte Hendrik, “best wel.” Toen gingen ze de studentenkamer van Hendrik uit en maakten plezier tot een gat in de nacht.

Lennart Stein
51 0