Zoeken

Hop 'till you drop

‘Jobhoppen’: vele trekken er hun neus voor op, maar ik heb het tot mijn specialiteit verheven. Toegegeven, het ‘hoppen’ gaat als dertiger niet meer zo gezwind als toen ik een twintiger was. Ik neem mij ook steeds vaker voor dat dit écht de laatste keer is geweest dat ik van betrekking ben veranderd.Desalniettemin, heb ik door de jaren heen wel wat tips vergaard over hoe je je eerste dag op nieuw werk het beste overleeft. Bij deze dus, mijn handleiding tot succesvol starten op je job. STAP1: Voorbereiding is allesOntbijten is belangrijk, maar vraagt tijd. Je ontbijtmok, de koffie en het brood zet je dus de avond van tevoren klaar op het aanrecht. Zo verlies je ‘s ochtends geen minuut van je kostbare tijd.Ook je outfit kies je best de avond voordien. Niemand wil te laat komen, maar ook niemand wil een foute indruk maken op dag één door een complete mismatch aan te trekken. Er zou zo maar eens een Jani in je team kunnen zitten. STAP2: Op tijd in bedHet spreekt voor zich dat je goed uitgeslapen op het appel dient te verschijnen. Wallen onder je ogen of een ochtendhumeur zijn uit den boze. Neem je lievelingsprogramma dat net dat tikje te laat begint op en kruip op tijd in je nest. STAP3: Vertrek op tijdStressen onderweg naar je eerste werkdag leidt enkel tot migraine. Vertrek op tijd, zodat je je onderweg niet hoeft te ergeren aan elk rood licht of elke trein die vertraging heeft. STAP4: Muziek doet wonderenEr is geen betere remedie tegen beginners stress dan het meekwelen met populaire meezingers. Gooi al je gène dus overboord en zing schaamteloos mee met Clouseau of Milk Inc. Ben je meer van het ruige type dan kunnen Metallica of Dr. Dre ook soelaas bieden. STAP5: Trek je goede humeur aanFake it ‘till you make it. Ook al ben je met totaal het verkeerde been uit bed gestapt, op jouw eerste werkdag ben jij het zonnetje in huis. Speel even de beste versie van jezelf en lach die tanden bloot. Een vriendelijke blik en een ‘goedemorgen’ doen wonderen.  STAP6: Praten helptTrek je mond open en praat met je collega’s. Zo leer je snel de do’s en don’t binnen een bedrijf. Je medewerkers zullen je ook aangenaam en toegankelijk vinden, wat de werksfeer enkel ten goede kan komen. STAP7: Sla de lunch nooit overEerste werkdagen kunnen erg druk zijn, maar sla nooit je lunchbreak over. Ga mee eten met je collega’s en kruip niet met je boterhammen alleen in een hoekje.In het begin zal je nog niet veel kunnen inbrengen in de tafelgesprekken. Je zal misschien sommige oud-collega’s missen en er kan zelfs een gevoel van eenzaamheid de kop opsteken. Vergeet echter nooit dat dit een fase is. Voor je het weet, praat je mee over weekendplannen en het koffiemachine dat alweer stuk is. STAP8: Blijf jezelfAkkoord: de eerste dagen moet je jezelf soms wat forceren tot vriendelijk gedrag, maar het heeft ook geen zin om je grenzen met de voeten te treden omdat je nieuw bent. Uiteindelijk zal je op lange termijn toch in stresssituaties belanden, waar je ware aard naar boven komt. Blijf dus steeds trouw aan jezelf en wat je gevoel je ingeeft. STAP9: Op tijd naar huisHet menselijk brein kan maar een bepaald aantal informatie verwerken op één dag. Het heeft dus geen enkel nut tot laat ‘s avond nog verder te werken in de hoop dat je de dag nadien al geheel weet waar de klepel hangt in je nieuwe werkomgeving. Ga op tijd naar huis, ontspan en begin dag twee met een fris hoofd.STAP10: Verwacht niet te veelWanneer je je bij thuiskomst de eerste avond een beetje down voelt, dan is dat te begrijpen. Ook het gevoel dat je je nieuwe job nooit zal kunnen en dat je alle namen van je collega’s alweer bent vergeten, is volstrekt normaal. Je bent gewoon moe. Laat het los, want het zal nog een paar weken duren eer je in het nieuwe ritme zit. Eens je weer helemaal mee bent, zal je zoals van ouds weer niet meer te stoppen zijn.

Ans DB
0 0

De 48 Inch Huismus

Zijn ellebogen rusten op de tafel terwijl hij zijn handen in elkaar vouwt. Ik kijk hem onderzoekend aan. Bruine haren en groene ogen. De persoonsbeschrijving die ik via mijn vriendin heb gekregen, klopt wel.Hij is niet meteen mijn type, maar echt een absolute no go is hij ook niet. Beetje gewoontjes misschien. Duf hemd en bruine broek, maar ik heb mezelf voorgenomen om positief te blijven en niet meteen iedere man aan wie ik word voorgesteld met mijn kieskeurige karakter neer te sabelen. Ik ben er al 33, het moet nu wel eens gaan gebeuren, dat tegenkomen van die ware. Daarover moet ik nu ook weer niet te moeilijk gaan doen.‘Ik ben zo wel een beetje wat je noemt een huismus.’ Hij kijkt me aan, bijna alsof hij er trots op is.God neen hé, denk ik, een huismus. Ik glimlach beleefd en drink van mijn drankje.Hij gniffelt zenuwachtig en gaat met zijn hand door zijn vormeloze coupe haar.‘Zo zo, ik las toch dat je zaalvoetbal speelde? Ga je dan nooit eens op stap met je ploegmaten?’ probeer ik.‘Soms tijdens het seizoen, maar dat is nu voorbij dus ligt dat even stil’.‘Dat ligt even stil,’ herhaal ik traag. Deze 38-jarige single man heeft een stilliggend sociaal leven. Vreemd doch intrigerend. Ik drink nog eens van mijn glas frisdrank. ‘Wat doe je dan buiten het seizoen op pakweg een zaterdagavond?’‘Ik hou heel erg veel van film kijken’, zegt hij enthousiast.Eureka, denk ik, een raakvlak en stel hem meteen de vraag die ik altijd aan mijn cinefiele medemens stel: ‘Welke recente film moet ik zeker nog in de bioscoop gaan bekijken?’‘Forrest Gump vind ik wel goed’, antwoordt hij met een uitgestreken gezicht.‘Forrest Gump?’ Ik frons mijn wenkbrauwen.Hij knikt vol overtuiging.‘Die is toch bezwaarlijk recent te noemen,’ zeg ik voorzichtig. ‘Of heb ik een iets gemist en is die film om de één of andere reden weer te bekijken in de bioscoop?’Hij kijkt me betrapt aan. ‘En jij werkt in de media ofzo?’ vraagt hij snel.‘Eh ja’, stamel ik verbaasd door zijn abrupte switch van gespreksonderwerp. ‘Ik verzorg de beeldafwerking van series en films. Het plannen en coördineren van de technische kant van de zaak.’Hij glundert gefascineerd. ‘Ik heb een Samsung 48 inch. 4K, 50 hertz, 11, 4 cm dik. Het ding kan wel geen 3D weergeven. Ik zou liever een 55inch hebben, maar ik weet niet goed of de kleuren daarbij nu effectief beter tot hun recht zouden komen. Wat denk jij als expert?’Ik kuch zenuwachtig en er valt een korte stilte. Tussen de beeldafwerking van tv-series en de mogelijkheden van tv-toestellen ligt er ook voor mij nog een hele wereld aan onbekende techniciteiten. Met een serieuze blik ga ik met mijn vinger langs de rand van mijn glas. ‘Dat denk ik niet,’ zeg ik dan. ‘In België zijn de tv stations nog niet in staat om uit te zenden in die resolutie.’ Ik kijk hem snel aan om te kijken of hij doorheeft dat ik de boel bij elkaar bluf.Hij lijkt mijn uitleg te slikken en knikt instemmend. ‘Goed dat ik daar mijn geld niet aan heb uitgegeven dan.’‘Inderdaad, gelukkig maar’, zeg ik ongemerkt opgelucht. ‘Wil je me even excuseren, ik moet even naar het toilet.’ In de wc steek ik mijn polsen onder koud water en staar naar mezelf in de spiegel: dit is echt de stroefste date die ik ooit onderging. Mocht het kunnen, ik zou stante pede langs het wc-raampje willen ontsnappen. Helaas is er in dit etablissement geen raampje in de wc-ruimtes. Het lot staat vandaag helaas niet aan mijn kant. Ik adem diep in en uit en keer terug naar ons tafeltje.‘Dus geen 3D op jouw televisie?’ glimlach ik gespeeld geïnteresseerd. Nog een uurtje, neem ik mezelf voor, en dan veins ik een dinerafspraak met vriendinnen.Gelukkig schijnt de zon vandaag.

Ans DB
1 0

De Heilige Reiziger

Een rustige, luilekkere zondagochtend. Buiten miezert het een beetje, maar ik zit lekker warm binnen en slurp van een zalige kop koffie. Het intense aroma van Arabica en een lekker stuk chocolade, beter kan de laatste dag van de week niet beginnen. God wist wat hij deed toen hij deze dag en Arabica schiep.  Ik ben net voor de vijfde keer de eksters in mijn tuin aan het tellen, wanneer ik word opgeschrikt door mijn telefoon.‘Hallo met Ans.’‘Ja hallo Ans, het is hier met God.’‘God? Als je van de duivel… Euh…Nou ja, ik was net aan je aan het denken.’God kucht en zegt fijntjes: ‘Jaja dat zal wel, je was zeker aan het denken dat het weer lang geleden was dat je bent langs geweest. Waar was je net trouwens tijdens de zondagsmis?’‘Ik euh…’ stamel ik.‘Zeker weer feministisch getinte verhalen aan het neerpennen over je menselijke tegenhanger: de man?’‘Ik? Neen nooit, ik schrijf enkel over de sociologische aspecten van de maatschappij en heel soms over de fauna en flora.’God slaakt een gelukkige zucht: ‘Ha ja, de fauna en de flora, juist. Ik was echt op dreef op dag 5 en 6 van de schepping. Echt fabuleuze dingen gemaakt toen. Top prestatie.’‘Ja echt heel mooi gedaan hoor, God. Dat deed niemand je ooit na’, beaam ik gemeend.‘Goed ter zaken!’ zegt God ineens kordaat, maar dan aarzelt hij even. ‘Nou ja, goed’, gaat hij op een kalmere toon verder. ‘Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik bel je eigenlijk om je een gunst te vragen.’‘Oh’, zeg ik en leun verwonderd achterover in mijn schommelstoel.‘En met welke gunst kan ik U dan van dienst zijn?’‘Wel, je kent toch de Heilige Christoffel?’‘Die met de baard? Patroonheilige van de reizigers toch?’ gok ik in de hoop Gods toorn niet aan te wakkeren.‘Ja die, nu wil die dus zelf ook eens op reis’, zucht God. ‘Ik hoorde dat jij naar Frankrijk ging en ik dacht: Christoffel is dan wel geen God, maar leven als een patroonheilige in Frankrijk, dat kan toch ook lang niet slecht zijn. Zou jij hem niet willen meenemen voor een paar dagen?’Ik draai met mijn ogen, want je moet weten, patroonheiligen zijn geen gewone heiligen. Ze willen steeds vers fruit, volstrekt veganistische maaltijden en als het even kan, elke dag chocolade van Neuhaus.‘Goh God, eigenlijk zit mijn wagen al helemaal vol. Zo een patroonheilige met zo’n mijter en een lang gewaad, dat gaat echt niet meer lukken.’‘Stop toch met liegen!’ buldert God door de hoorn. ‘Ik heb je wel met je ogen zien draaien! Ik ben wel God en God ziet alles! Mocht je nu eens wat meer naar de mis komen, dan zou je dat niet vergeten.’Ik schrik en stoot per ongeluk mijn kopje hete koffie over mijn benen. God straft onmiddellijk, weet je wel. Ik hoor hem gniffelen aan de andere kant van de lijn.‘Verdomme!’ keel ik.‘Hela, jongedame, hier vloekt men niet! Het tweede gebod! Je zou beter wat meer in de Bijbel lezen in plaats van de Humo.’Ik blaas over mijn pijnlijk verbrande benen.‘Bon, dat is dus geregeld: bemin uw naasten zoals uzelf en jij neemt Christoffel mee naar Frankrijk. ’‘Oké, oké’, gehoorzaam ik gedwee.‘Dat is mooi’, zegt God tevreden. ‘Ga dan nu in vrede en neem jezelf misschien ook een nieuw kopje Arabica’.

Ans DB
0 0

Gebaseerd op herkenbare feiten

‘Uw hand in de mijne.’ Het klinkt zo ongelooflijk onnozel normaal. Een evidentie, die zo evident is geworden dat de schoonheid ervan vaak vergeten wordt. De aanraking verloren en de essentie van ‘graag zien’ voorbij. Hij is vertrokken. Na al die maanden, eindelijk met heel zijn hebben en houden mijn hoofd uitgestapt. Ik zou moeten huilen maar ik voel niets.Of neen, ik voel niet niets, maar het voelt niet zoals ik dacht dat het zou voelen. Ik ga niet dood ofzo. Het is eerder een soort teleurstelling, maar dan zo eentje van de ergste soort. Misschien was dood wel minder erg geweest, want dan had ik effectief niets gevoeld. Nu is er enkel een zeurderige leegte. Eén die vreemd genoeg verschrikkelijk vol aanvoelt. Kent ge dat? Dat uw lichaam niets meer wil voelen, maar dat uw hoofd dat niet toelaat? Ge zoekt de uitknop van uw brein, maar die zijn ze bij fabricage vergeten aan te sluiten. Tot dan ineens toch alles donker wordt. En stil. En dan zijn ze daar ineens aan de horizon: die wolken. Het zijn geen kwade, grijze wolken. Neen, ze zijn zacht en roze. Er komt geen regen uit, wel fijne en warme zonnestralen die mijn ziel opwarmen.Een nieuw begin. Nog een beetje wankel op mijn benen, maar ik sta er wel. Er vliegen vogels om mijn hoofd in alle kleuren. In’t begin wilt ik ze wegjagen met al hun storend getjilp. Maar als ik dan begint te luisteren, dan hoor ik ineens dat ze een gevoelig liedje zingen. Een liedje alleen voor mij. Een liedje dat klinkt als het frisse jonge meisje dat ik ooit was. Ik zou zo graag nog eens echt verliefd zijn, in de positieve zin van het woord. Op wie maakt op zich niet uit. Gewoon dat gevoel hebben alsof ik voor de eerste keer de zon zie. Ik kijk er recht in en mijn ogen zijn verblind, maar ik kan er niet mee stoppen. Zo schoon is het. De mooiste verslaving der verslavingen. Mijn benen worden week en ik kan niet meer stappen, terwijl ik in mijn hoofd vlieg. Totaal verloren en toch de weg kennend. Intuïtief op het onbekende doel af.Iemand zijn hand vasthouden, gewoon omdat het kan. Omdat dat niet doen, een gemiste kans zou zijn. Een fout die ik mezelf nooit vergeef als ik er naast zou grijpen. Naast die hand. Ik vind het verschrikkelijk moeilijk om verliefd te zijn. Het is eigenlijk de grootste ramp die mij kan overkomen. Het neemt mijn hele ‘zijn’ over.Onzekerheid wordt een evidentie, zelfzekerheid slechts een vage herinnering.Als ik mezelf niet te dik vind, dan voel ik me zeker wel oninteressant. En als het de twee voorgaande zaken niet zijn, dan is er vast en zeker wel iets anders wat er mis is met mij. Niet goed genoeg, een tweede handsje. Een tweede Ansje. Het is de angst. Het maakt alles kapot en een leven vlak. Angst dat mijn langzaam net opgebouwde ego weer ineen zal stuiken als een kaartenhuis. Angst om op mijn bek te gaan. Mijn gezicht, maar ook mijn zicht te verliezen, verblind door liefde.Angst voor wat gaat komen, voor het onbekende. Xenofobie voor liefde zeg maar. Ze verteert alle positivisme die verliefdheid normaal met zich meebrengt. En dan staat gij daar, totaal overwacht. Onwetend, maar toch wetend. Drie dagen krijgt ge. Drie dagen moogt ge mijn hart vasthouden. Daarna moet ge het teruggeven. Meer dagen kan ik niet zonder, want zonder kan ik niet leven. Zonder kan ik niemand nog graag zien. En eerlijk, wat is een leven zonder graag zien? Wat is een mens zonder een hart om graag te zien?Drie dagen moogt ge er naar kijken en het koesteren.Tenzij ge er goed voor zorgt natuurlijk, dan moogt ge het misschien wat langer vasthouden. Mijn hart.Meer durf ik u voorlopig niet beloven.

Ans DB
0 0

Als het even kon, zou het mogen.

If the greatest thing (we’ll ever 'learn') is to love, and to be loved (in return), there must be a space, a platform, a medium, a dimension where ‘love’ and ‘the greatest thing’ can be defined and take place, independently from the lover or the loved one, in order to avoid a conflict of interest. Evenwicht is dan (“dus”) niet ‘het geluk’, evenwicht is het middel, de tool, het werktuig, de methode.. Als er dan toch een ‘moeten’ aan te pas moet komen, MOET (i) het individu (psychologie, emotie) vrij zijn om lief te hebben (recht) en (ii) onvoorwaardelijk – kansen tot - liefde krijgen ('plicht') van de maatschappij (constructie, ratio) waarin ze opgroeit. (iii) De wisselwerking tussen beide partijen, de ruimte (planeet, mensheid, spirit) waarin deze wisselwerking kan plaatsvinden, moet inclusief zijn, of ze kan (‘zal’) niet zijn. Als al wat ons wordt aangeleerd (taal, geschiedenis, etiquette, leven, denken) (a) anders had kunnen zijn, (b) alomvattend, specifiek en ‘waar’ of ‘legaal’ als ze is, of ‘legitiem’ als ze bevonden wordt, en (c) categoriek dreigt te zijn en een gespecialiseerde vorm aanneemt, dan is het compromis, wordt het conformeren aan "het" grijze (of "het" specifieke) des te moeilijker. Als dit compromis plaatsvindt in (‘door’) de maatschappij, dan komt het individu bedrogen uit, en omgekeerd. Waar zowel de één als de ander zich kan vinden in het statische, het onbeweeglijke, de status quo, het gekende, ligt het risico eveneens in het zodanig beweeglijk zijn dat beiden zich kunnen vergissen of zich verliezen in het vicieuze, het abstracte, het oneindige. Één zijn in onze verschillen is niet verschillen in ("onze") eenheid. Belangrijker nog dan het “zijn” (en de fundamentele elementen die haar kenmerken en bepalen) van soit het individu, soit het collectief, lijkt me die ruimte van interactie, die hersteld dient te worden opdat de geest open kan zijn, het collectief regeneratief, en weerom vice versa. De sleutel tot communicatie, de voorwaarde tot “safe” spaces, de noodzaak van zelfkritiek, en de roep om “vrijheid” in de breedste zin of interpretatie van het woord […] vragen om een ‘concept’ dat (in al haar coherentie en verbondenheid) zowel los van mij als van de rest staat. Investeren in een plaats (abstract en concreet) waar permanente invraagstelling (toegelaten) kan (worden) - zonder ‘schade’ te berokkenen aan het geheel en het ‘zelf’ - is dan ook cruciaal.

Pseudoniem
0 0

Relaas over de superioriteit van het Westen. In de depressiviteit.

Het leven is anders hier. Meer verantwoordelijkheden. Op de lange termijn. Je hebt minder het gevoel van groot nut te zijn omdat je minder snel je problemen overwint. Je krijgt minder vaak resultaten geboekt en je krijgt al even minder schouderklopjes op de weg er naartoe. Je kijkt mensen minder in de ogen en er is zo’n afstand die zelfs op fysiek vlak is waar te nemen, die fameuze beschermende bubbel van privacy, om elke mens. De lach-en op mensen hun gezicht zijn niet echt hier, het is een kopie, van iets wat ze op de televisie geleerd hebben. Ik voel me dom, als ik met hen in conversatie treedt, die mensen. Ik voel me dom, omdat ik niet meer met ratio alleen redeneer. En zelfs die wetenschap die broedt op kennis, feiten en objectiviteitstheorieën in de hiërarchie der dwazen is niet het enige wat scheelt. Er scheelt veel hier, in deze maatschappij, in deze superieure, Westerse, domme, inherent zieke en veeleer arrogante maatschappij. Ik ben zo boos dat ik het niet eerder zag. Ik neem me dat kwalijk. Ik draag een deel van dat arrogante in me, en ik wil het uit mijn lichaam krijgen. Wat wij eten, wat wij inademen, wat wij van stress met ons meedragen, hoe wij elkaar aanspreken, hoe wij eigenlijk geen zak om elkaar geven of hoe we er althans weinig aan doen om dat te veranderen: hoe we weinig als collectief om elkaar kunnen geven. Het is zoveel en in zoveel kleins, het zit in onze gezichtsuitdrukkingen, waarom tonen wij niet? Er is geen licht. Donker is het hier. De straten zijn anders. Grauw, blauw is echt verleden, leven er hier gelukkigen? Ik zie ze nooit, zij, zij die stralen, zij lopen niet op straat. Ze zijn er niet, of ze stralen op een ander. De straatlampen zijn stuk, de universiteiten, zij blinken, maar zij hebben geen karakter, zij schijnen niet. De zwervers op straat spreken zelfs in de wartaal der verloren kuddedieren, maar zij denken, zij zien de wereld voor wat het is, niet ingepakt in die versierde kerktoren met zo’n zilveren schotel die je in slaap sust en valse dromen doet najagen. Ik klaag je aan, Westen. Je hebt het helemaal mis.

Pseudoniem
0 1

Het verschil is ..... ORIGINALITEIT !

Als we op zoek gaan naar verschillen, is het dan niet juist de dingen die "anders" zijn die we er uit halen ? Het nieuwe verschil of het oude verschil blijkt uiteindelijk juist hetzelfde te zijn. Steeds weer wordt er gestreefd naar originaliteit en dat is juist wat iets aantrekkelijk maakt.  Je kan er van houden of het verwerpen.  Je kan bljven vast zitten aan je oude gewoontes, je origine, je veilig voelen door niet uit je cocon te stappen. Maar dan zoek je zelfs geen verschillen of originaliteit. Je houdt er van hoe het is.  Mensen die op zoek gaan naar originaliteit, zoeken naar verschillen. Neem nu onze multi-culturele samenleving. Je kan blijven hangen en zeggen : Ik ben Belg en dat is mijn cultuur en mijn gewoonte en ik stap daar niet vanaf ! Of je kan zeggen : Ik woon tussen verschillende culturen en wil daar iets van opsnuiven. Misschien zelfs iets van leren begrijpen, misschien zelfs iets van leren. Eén van de voorbeelden is het koken. Veel mensen zijn constant op zoek naar nieuwe recepten en vinden dit in de buitenlandse keuken. We hebben bijna de hele wereldkeuken in ons land en dat geeft toch aan dat veel mensen (zelfs onbewust) honger hebben naar nieuwe dingen. Naar het verschil met eigen keuken, naar originaliteit in een andere keuken. En als we de "andere" keuken gaan combineren met eigen keuken, hebben we toch iets origineels gecreëerd ? Uw stoofvlees is lekker, maar het verschil is dat ik in het mijne nu Oosterse specerijen gebruik . En dat maakt mijn recept origineel.  Een verschil wordt ook gecreëerd door evolutie. In het schrijven bijvoorbeeld is het toch normaal dat er steeds weer verschillen komen om de zoveel tijd. Ten eerste is er uiteraard het aspect zoals eerst reeds aangegeven. De mens zoekt naar originaliteit in wat hij creëert. Aldus ook een schrijver. Ten tweede is er de verandering van tijdsgeest. We leven nu eenmaal in een wereld van verandering. Het multi-culturele, nieuwe wetten, emancipatie, technische evolutie, aanpassen van de taal (nieuwe spelling, nieuwe woorden), enz. Er leeft zoveel rondom ons dat we er kunnen blijven bij stil staan of dat we er in meegaan. Natuurlijk beïnvloedt dit alles onze manier van leven, denken, schrijven.  Dit leidt tot het verschil annex diversiteit annex ORIGINALITEIT .

Bjorn Vermeulen
23 0

Herfst

    De tuin ligt er herfstig bij. Op een paar bladeren na is de Hibiscus nog slechts een bos dorre takken. Slechts in mijn herinnering is ze de met roze en paars getooide bloemenpracht die deze zomer onze tuin sierde.   Ook Muis is onder de indruk van de herfst. De hoop bladeren die bijeen is gewaaid in de border biedt haar alle gelegenheid zich lekker uit te leven.   Als ik met de bezem het straatje schoon veeg is ze niet te houden en ieder opfladderend blad bespringt ze als een mogelijke prooi. Ze buitelt met een verdorde Hibiscus bloem over de grond en houdt het gevangen door er met twee pootjes op te staan. Ineens ontdekt ze dat er meer is. Ze laat de bloem voor wat het is en stort zich vol overgave op de veger die ik klaar heb gelegd om het tuinafval op het bijbehorende blik te stofferen. Dat het blik niet van blik maar van plastic is deert niemand. Ook Muis stoort zich er niet aan. Onbevreesd gaat ze er de strijd mee aan in de stellige overtuiging het te kunnen winnen. Haar nageltjes krijgen geen vat op de kunststof steel en als ze haar tandjes in de borstel zet weet ze niet goed wat ze ermee aan moet. Deze prooi lijkt nog even iets te hoog gegrepen dus laat ze het voor wat het is: een rode plastic veger.   Als een wervelwind stormt ze door de tuin. Achter haar waaien blaadjes op die neerdwarrelen als sneeuwvlokjes. Wanneer ze met een haarspeldbocht weer dezelfde weg terugneemt springt ze naar ieder uit de lucht vallend blaadje dat ze zojuist zelf heeft doen laten opwaaien.   Dit spel zou eeuwig kunnen blijven duren en het schouwspel is zeker amusant te noemen. Alleen al om dit vermaak zet ik af en toe de deur naar de tuin op een kier en als ze de vrijheid heeft gevonden kijk ik haar na vanachter het raam. De overhangende tak van de braam vormt voor haar een uitdaging. Als ze ernaar springt lijkt het alsof ze het heeft voorzien op een niet meer door de late najaarszon gerijpte vrucht. Ze mist de braam en verliest haar aandacht door een blad dat van de boom in de tuin van de buurman haar kant opdwarrelt.   Als ik haar roep is ze in geen tijd binnen. Het kitten speelkwartier is voorbij en Muis verkiest een warme slaapplek om weer op krachten te komen. In Hummer heeft ze gevonden wat ze zocht. Een kameraad die over haar waakt en zijn warmte met haar deelt als ze in dromenland is. Een stoere vriend waarbij ze zich geborgen weet en een bink om mee gezien te willen worden. Is het geen plaatje?

Opa Koe
0 0

Herfst

    De tuin ligt er herfstig bij. Op een paar bladeren na is de Hibiscus nog slechts een bos dorre takken. Slechts in mijn herinnering is ze de met roze en paars getooide bloemenpracht die deze zomer onze tuin sierde.   Ook Muis is onder de indruk van de herfst. De hoop bladeren die bijeen is gewaaid in de border biedt haar alle gelegenheid zich lekker uit te leven.   Als ik met de bezem het straatje schoon veeg is ze niet te houden en ieder opfladderend blad bespringt ze als een mogelijke prooi. Ze buitelt met een verdorde Hibiscus bloem over de grond en houdt het gevangen door er met twee pootjes op te staan. Ineens ontdekt ze dat er meer is. Ze laat de bloem voor wat het is en stort zich vol overgave op de veger die ik klaar heb gelegd om het tuinafval op het bijbehorende blik te stofferen. Dat het blik niet van blik maar van plastic is deert niemand. Ook Muis stoort zich er niet aan. Onbevreesd gaat ze er de strijd mee aan in de stellige overtuiging het te kunnen winnen. Haar nageltjes krijgen geen vat op de kunststof steel en als ze haar tandjes in de borstel zet weet ze niet goed wat ze ermee aan moet. Deze prooi lijkt nog even iets te hoog gegrepen dus laat ze het voor wat het is: een rode plastic veger.   Als een wervelwind stormt ze door de tuin. Achter haar waaien blaadjes op die neerdwarrelen als sneeuwvlokjes. Wanneer ze met een haarspeldbocht weer dezelfde weg terugneemt springt ze naar ieder uit de lucht vallend blaadje dat ze zojuist zelf heeft doen laten opwaaien.   Dit spel zou eeuwig kunnen blijven duren en het schouwspel is zeker amusant te noemen. Alleen al om dit vermaak zet ik af en toe de deur naar de tuin op een kier en als ze de vrijheid heeft gevonden kijk ik haar na vanachter het raam. De overhangende tak van de braam vormt voor haar een uitdaging. Als ze ernaar springt lijkt het alsof ze het heeft voorzien op een niet meer door de late najaarszon gerijpte vrucht. Ze mist de braam en verliest haar aandacht door een blad dat van de boom in de tuin van de buurman haar kant opdwarrelt.   Als ik haar roep is ze in geen tijd binnen. Het kitten speelkwartier is voorbij en Muis verkiest een warme slaapplek om weer op krachten te komen. In Hummer heeft ze gevonden wat ze zocht. Een kameraad die over haar waakt en zijn warmte met haar deelt als ze in dromenland is. Een stoere vriend waarbij ze zich geborgen weet en een bink om mee gezien te willen worden. Is het geen plaatje?

Opa Koe
0 0

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

Wij zijn samen onderweg, Hallelujah!

De twee mannen in mijn leven zijn Titus en Adam. Er is ook nog een derde man, maar die wenst anoniem te blijven. Moeder leest mee. Titus is de stille man die alles doet wat je als vrouw verlangt. Met zijn verlegen glimlach laat hij zich elke keer weer optillen tot de plek waar ik het wil. Hij houdt het hoofd met lachende, ondeugende , zelfs ietwat loensende ogen altijd wat schuin. Hij flirt schaamteloos en jawel, daar hou ik wel van, seizoen na seizoen… Sleur wordt zwaar overschat. Titus gaat ook wijdbeens wandelen met zijn vette rana ribibunda aan de leiband, dicht bij zijn voet, maar dat deert mij niet. Titus zou complexen kunnen hebben over afmetingen, maar ik vind het goed zo. Ik ben discreet. En dan is er Adam. Adam kwam pas twee weken geleden voor jaren in mijn leven, hoop ik, maar ik kan al maanden niet over hem zwijgen. Vanaf het eerste moment dat onze blikken elkaar kruisten, was het red alert voor mijn gelukcentrum. .Ik ben dan ook vol blinde vlekken voor hem en dat is goed zo. Adam is vinnig, brutaal en sexy en weet verdomd goed dat hij gewoon onweerstaanbaar is. Hij praat bijna onhoorbaar bij hoog toerental en daar hou ik wel van. Ik kan inderdaad hier en nu verklaren zonder gêne dat door Adam ik mij weer vrouw voel. Het schriele dametje is weg. Mijn benen zijn eindeloze verlengstukken geworden van mijn al even aantrekkelijk bovenlijf. Ik ben die vrouw die in slow motion u voorbij wandelt op 14 cm hoge hakken in goudkleurige sandalen, naar u even mijn koele, gespeelde ongeïnteresseerd blik werp terwijl ik heel expressief aan mijn al even voluptueuze lippen lik en mijn lange, karamelkleurige krullen laat dansen op mijn schouders. Dat is wat Adam met mij doet. Wie mij beter kent, weet dat ik niet vies ben van een experimentje hier en daar. Wie mij beter kent, weet ook dat ik lijd aan een ernstige vorm van mannenanalfabetisme, ergens tussen stadium III en IV. Een ernstige overdrijving? Spreek mij tegen. Stelling: hoogste graad van mannenanalfabetisme. Gegeven: het einde van de avond na een meer dan een geslaagd etentje in ons lievelingsrestaurant. Het begin van iets beloftevols. De eerste donderslag , de eerste slingerende bliksemschicht en de donkergrijze lucht kondigen zich dreigend aan. Het zal stormen op alle fronten. Man vraagt : “Heb je een paraplu bij?”. Bewijs: Het duurt 45 seconden voor ik een antwoord kan en durf verzinnen en verwoorden op de vraag van de avond. Mijn hersenen scannen koortsachtig de mannenbetekenis van het woord paraplu. Bedoelt hij dat hij mij nu beschermend in zijn armen zal nemen? En indien ja, hoe drapeer ik mijn armen rond zijn nek zonder een neusbreuk te veroorzaken? Of wil hij nagaan of ik een vrouw ben die in alle omstandigheden zoals MacGyver voor hem op de motorkap spring en ducttape, een Zwitsers zakmes en het vork van het dessert in de jarretelles van mijn beste ondergoed verstopt heb samen met een paraplu?  En wil hij zo nagaan of hij eindelijk de vrouw van zijn leven gevonden heeft: een subtiele combinatie van Angela Merkel en Lara Croft? Wil hij zo verifiëren of ik een paraplu kan openen in één dodelijk efficiënte beweging zonder mijn imaginaire 75D in zijn gezicht te proppen? Of wil hij ontdekken of ik wel de betekenis van het woord paraplu ken? Al die mogelijke antwoorden moet ik overlopen gedurende 45 seconden. Ondertussen staan wij beiden in de plenzende regen. Onze auto is verdwenen in een diepe modderpoel. En dan ontdek ik aan zijn verbeten lip dat hij waarschijnlijk paraplu paraplu bedoelt .  Besluit: stelling bewezen. Ik ben, denk ik, er terecht trots op dat ik bij elke professor met een nerveuze tic de stelling van Pythagoras op meer dan 250 manieren kan bewijzen aan het bord. Ze vloeien uit mijn krijtje. Hypothenusa, parallellenpostulaat, triangulatie galmen door de ruimte in een ware melodie. Mijn bord staat vol. Het hoogtepunt is er. Mijn professor hapt naar adem. In diezelfde mate weet ik alles over mannen. Ik bestudeerde het in een boek. Als mijn professor mij even later op een topografische opmeting zegt dat ik nu zijwaarts moet invluchten met mijn jalons, de loodlijnen moet neerlaten en de cirkelbogen moet uitzetten, blijf ik stokstijf staan. Het flipperkastgevoel is er weer in alle hevigheid. Mijn bluetooth vindt nooit zijn apparaat. Dat is het patroon in mijn mannenanalfabetisme. Het is dus tijd voor een nieuw experiment. Wij doen dat dus met zijn drieën: Titus, Adam en ik. De derde man doet niet mee. Moeder leest mee. Eerst neem ik Titus liefdevol op. Zijn witte baard raakt mijn oor even aan, maar het kietelt niet. Hij klemt zijn rode lantaarn in zijn linkerhandje, maar dat doet hem niet kirren van plezier. Hij glimlacht alleen maar. Wij gaan naar de oprit. Daar staat Adam al te wachten: trots, rood, uitgestrekt, in volle glorie. Vrees niet, Titus, ik gesp je stevig vast. Adam laat het gewillig toe. Ik neem plaats.   Wij hebben elkaar eindelijk gevonden: de ongeduldige, de lieve en de passionele zijn samen. Alle knopjes lichten rood op. Op de achtergrond zingt Finley Quay, It’s Great When We’Re Together . Het zwarte canvasdakje schuift open. De blauwwitte wolken rijden mee. Ik neem de eerste afslag op de snelweg. Wind beroert ons zachtjes. Het toerental stijgt. Hier zijn wij dan met ons drie samen en alles kan gebeuren. Stop het dagdromen. Stop de tijd. Titus, mijn tuinkabouter van regenbestendig plastiek, grijnst naar het keukenraam. Mijn splinternieuwe Opel Adam 1.4, 64kW Easytronic Open Air, ‘Red 'n' Roll briljant’ met ‘I’ll be Black’ dak straalt op de oprit in de weerspiegeling van het raam. Waarom toch kan de liefde niet zo simpel zijn als cruisen in een Opel Adam met een vastgeklikte plastieken tuinkabouter aan je zij ?

Anne-Marie De Clercq
130 0

Olifantengenen

Ik denk dat ik niet mag klagen over de genen die ik geërfd heb. Geen enge ziektes in de familie, geen rare afwijkingen, toch geen zichtbare in ieder geval. Iedereen in mijn familie ziet er voor hun leeftijd heel geconserveerd uit. Nu bestaat mijn naaste familie maar uit 6 personen dus misschien is dit niet echt een referentie.   Zo hebben mijn neefjes een zwarte vader waardoor zij gezegend zijn met de knappe mengeling van koffie met een beetje melk. Als kind beweerde ik stellig dat ik mijn snel bruinende kleur te danken had aan mijn neefjes. We hadden in die tijd, op de basisschool, nog niets geleerd over erfelijkheid. We leerden toen het verschil tussen een eik en een es, we  moesten in het park dan blaadjes zoeken en die tussen telefoonboeken drogen. Ik vraag me af hoe ze dit nu doen, blaadjes drogen. Als mama haar favoriete passage uit “50 tinten grijs” wil doornemen, kan ze wel eens voor een verrassing komen te staan. Het kind heeft dan misschien niet alle juiste blaadjes gevonden maar op vlak van seksuele voorlichting met een vleugje sm, heeft het kind toch iets nuttigs geleerd.   Ondanks die goede genen heb ik ook een paar mindere kantjes geërfd. Mijn eerste grijze haar ontdekte  ik toen ik 20 werd. Die werd prompt uitgetrokken. Toen werd het wat bizar en de volgende 5 jaar heb ik een grijze bles ontwikkeld. Die kon ik niet meer uittrekken want een kale plek midden op mijn hoofd, dat was nog "bizarder". Het zou nog jaren duren vooraleer ik aan het kleuren ging want ik was best wel trots op die grijze bles die niemand anders had!   Verder hebben mijn genen af en toe toch wel voor frustraties gezorgd, zeker in mijn pubertijd. Ik, bruin krullend haar (nu grijs dus), “zwaardere botten”, nogal rare wipneus en ongewenst haargroei dat typisch is aan brunettes versus mijn zus, 5 cm groter, 10 kilo magerder, sluik lang blond haar, zelfde neus maar minder prominent aanwezig. Iemand die zelf een vuilniszak kan laten doorgaan als de nieuwste modetrend. Die ogenschijnlijk alles kan eten wat ze wil. Ik kom ze wel eens tegen in een winkel, op een groot reclamebord. Iemand die haar broek maat 38 aan jou geeft omdat die van haar kont afzakt. Ik verkondigde luidkeels dat ik heus wel in een 38 geraak (wat ook zo is, echt waar! Meestal…) maar zij heeft toevallig die merken gekocht die net te klein zijn. Het is ook het type broek met wijde pijpen die haar fantastisch staan maar die mij het uitzicht geven van formaatje olifant. Nu pas na al die jaren heb ik dat allemaal kunnen loslaten, ik heb tenminste grotere borsten…

Dana's plakboek
0 0

De kok met k-o-k

Het Vriendje is kok, niet van beroep maar wel van opleiding. Het Vriendje is wel een blijvertje, toch zolang hij zo blijft koken.   Ik ben daar eens goed over nagedacht en ik ben tot de conclusie gekomen dat je als vrouw geen betere man kan hebben dan eentje die graag en goed kookt. Koken is namelijk iets dat iedere dag terugkeert in het huishouden. Je bent toch meteen een uurtje per dag bezig aan dat koken, een uurtje waarin je iets anders kan doen.  Een boek lezen, met de hond gaan wandelen, je benen ontharen, allemaal dringende zaken. En tegen dat je klaar bent schuif je je voetjes onder tafel.   Een man dat handig is en wel raad weet met de klusjes, is ook zeker makkelijk maar op uiteindelijk zijn de meeste klusjes wel gedaan en wat moet je hem dan laten doen? Uiteraard moet de man ook nog aan de klusjes willen beginnen. Uit ervaring en verhalen van andere lotgenoten hoor ik al te vaak dat hun man weliswaar handig is maar dat je even geduld moet hebben tegen dat hij er aan begint. Een maandje of 6 is zo het gemiddelde. Maar koken… wel een man heeft ook honger, de meeste altijd, dus alleen al uit eigen belang begint hij  dan maar te koken en wij vrouwen genieten daarvan mee. Zolang hij niet te veel desserts maakt en een halve kilo boter gebruikt voor een stukje vis uiteraard. Je moet hem voor je eigen gezondheid wel nog een beetje opleiden en sturen maar daar weten we wel raad mee. Je moet ze tenslotte ook leren dat hun sokken in de wasmand horen en niet ernaast. Het zal later aan de weegschaal te merken zijn of de opleiding al dan niet gelukt is. En ook aan de kledingstukken naast je wasmand.   Een man vinden die én goed kookt, dat ook iedere dag wilt doen én dan nog handig is, en die klusjes ook nog eens meteen immédiatement klaart én bij voorkeur ook nog zijn sokken in de wasmand doet. Nou ik zal maar stoppen want ik kom bijna niet meer bij van het lachen.   Dus ik ben zeer tevreden met het Vriendje die goed kookt en wiens sokken bijna altijd de wasmand bereiken. Ik zal die vijs dan wel in de muur draaien. Mijn vijskunsten overtreffen ruim mijn kookkunsten. I rest my case.

Dana's plakboek
0 0

mars en venus

Cliché: Mannen zijn sociaal, altijd omringd door makkers waarmee ze praten over vrouwen en auto’s. Toch is een man blijkbaar ook een solitair wezen. Het misstaat immers niet wanneer een man zich een hele avond op zijn eentje aan de toog nestelt met een biertje als enige gezelschap. Een vrouw daarentegen… Ik doe de test en ga alleen op café. Ik spot een man evenzeer alleen en duidelijk bereid om de avond ook alleen te eindigen. Of zo lijkt het althans. Is hij in werkelijkheid ‘op zoek’, en is die solitaire aanblik een pose? Het moet gezegd dat wij ons als vrouwen die pose niet kunnen veroorloven, hij (de pose) zou steevast geïnterpreteerd worden als zielig of wanhopig. De man in kwestie blijkt timide, doch enigszins in de stemming voor een bescheiden gesprek, wellicht omdat dat beter staat dan gewoon alleen zijn – hoewel. Het bescheiden gesprek verloopt moeizaam maar zeker en de nodige koetjes en kalfjes tieren welig. Ik heb absoluut geen zin om nu al naar huis te gaan, anders zou ik misschien toch vriendelijk bedanken voor al dit goedkope en oppervlakkige gezwets. We mekkeren en kabbelen gezapig verder over een aantal biertjes en ettelijke sigaretten (die verdomde houding weer!) en terwijl ik me suf pieker over een interessant onderwerp, komt plots de spreekwoordelijke aap uit de mouw. Mijn gesprekspartner is er in geslaagd het gesprek in de richting van zijn relatie te sturen. Hij heeft ruzie met zijn vriendin. Zijn vriendin is jaloers. Onnodig en belachelijk. Meneer is ook wel wat aan de jaloerse kant, geeft hij mompelend toe, maar haar gedrag is toch echt onvergeeflijk. “Dus dan maar besloten om je te komen bezatten,” vraag ik op wat hopelijk een ironische toon is. Nee, nee, schudt het hoofd van mijn gezel heftig en verongelijkt. “Niet echt.” Een trieste blik volgt. Een korte stilte. En dan, als een waterval, komt heel het verhaal van de ongelukkige liefde in geuren en kleuren over me heen, en ik merk dat zijn tong niet meer gecoördineerd de lettergrepen vindt om zijn frustratie en ongenoegen te uiten. “Ach, het is overal wel wat,” zeg ik uiteindelijk, in de hoop de conversatie een andere wending te kunnen geven. Maar ik merk dat de bal doel mist en dat mijn proefkonijn geen oren heeft naar de opmerking, naar wat dan ook. Ik dien duidelijk enkel als klankbord en het glas Duvel aan zijn lippen zorgt daarbij voor een perfecte akoestiek. Door de alcoholnevels heen onderscheidt mijn vriend opeens een bekende van hem aan de andere kant van het café. Hij verontschuldigt zich met de woorden, “die man is als een broer voor mij,” verlaat vervolgens zijn barkruk en stapt op de man af. Dankbaar terug alleen te zijn met mijn eigen gedachten staar ik onwillekeurig naar het gesprek tussen beide ‘broers’. Van wat ik ervan kan opmaken, is het een vrij eenzijdig gesprek, met mijn mannetje in de hoofdrol. Veel begrijpende hoofdknikjes en een schouderklopje van Broer. Wat later zie ik ze samen grapjes maken en lachen. Mijn vriend werpt mij af en toe een schampere blik toe waarin ik enige vorm van medelijden meen te onderscheiden. Ach, mannen onder elkaar. Dat kan een vrouw toch niet begrijpen. (Maar het staat ieder vrij een poging te doen.) Mijn laatste solitair glas van die avond leeg ik met de gedachte dat een man alleen aan de bar niet minder zielig is dan een vrouw, integendeel. Maar het café, en meer bepaald de zones aan en rond de bar, is toch nog immer mannelijk territorium, en wij vrouwen kunnen slechts trachten om er ons met de elleboog tussen te wriemelen. Ik blijf alvast proberen…

LL Rigby
0 0

PRINCIPES

Ik was een principiële man. Sterker nog, ik wou altijd mijn principes naar voor schuiven om...... . Ja, waarom eigenlijk ? Is een principe geen manier om jezelf te verantwoorden voor je daden? ik handelde uit 'mijn principe'. Een mooi voorbeeld als excuus, maar verder verklaart het niets naar andere mensen, die misschien ook andere principes hebben.  Mijn ervaring leert dat het leven je leidt, en niet altijd je gezonde verstand. Het is meestal niet : life sucks ! Het is niet het leven dat je slecht behandelt, maar mensen. Natuurlijk zijn er de uitzonderingen, als gezondheid en accidenten, maar het leven zelf wordt toch wel bepaald door opvoeding en hoe je zelf met mensen handelt en de mensen met u. Als je steeds handelt volgens jouw principes of deze die je meegekregen hebt bij je opvoeding, kan je soms wel eens zwaar tegen de muur lopen. Ok, je leert uit je ervaringen maar dan moet je er zelf ook wel iets aan doen. Verklaar heel duidelijk waarom je iets niet wilt doen of juist wel doet en je zal kunnen rekenen op veel meer begrip en respekt van je medemens.  Het is niet mijn bedoeling om hier een handboek te gaan schrijven over hoe je moet omgaan met principes, want ik ben geen hooggeleerde of ervaringsexpert, maar ik wou gewoon even neerschrijven wat ik ervaar en meemaak. Ik ben GEEN pricipiële man meer en voel me veel beter door te genieten van de dingen des levens die me spontaan aangeboden worden of waarvoor ik zelf gewerkt heb door mijn principes te laten varen.  Let op, ik bedoel hier niet mee dat ik het slechte pad opgegaan ben, maar ik kan nu wel verklaren waarom ik handel. Niet uit mijn principe, maar omdat het wettelijk in orde is of omdat mijn geloof het mij toestaat. Dit zijn de twee pilaren waarop ik mij verantwoordelijksheidwijze kan steunen, en weet je....het werkt. Het is niet nodig om jezelf nog eens 'wetten' te gaan opleggen als deze reeds gemaakt zijn voor jou volgens het wetboek.  Dus : Bye bye principes. Leve het leven !!!!

Bjorn Vermeulen
2 0

Mile quotidienne #5

Het lopen gaat goed. Al ben ik eerder een zwemmer dan een loper, ik wil dit echt blijven doen. Mijn bilspier en pezen houden het goed vol, per slot van rekening hebben we eind augustus weer volleybaltraining en ik wil deze keer voorbereid zijn. Het lopen is ook goed voor mijn lachspieren: ik heb iets met beesten. Gisteren nog schrok ik van een wegspringende pad. De droge bladeren waarin hij terechtkwam maakten zo’n hard geluid dat ik een meter opzij sprong. Hij schrok even erg van mij als ik van hem.   Ik loop het liefst ’s avonds, als het rustig en koel is. Zorgeloos in open hemel onder de sterren. Ik trakteer mezelf op een extra stuk en loop verder de berg op, geprikkeld door een pijl richting ‘Mairie’. Dat had ik beter niet gedaan. Het pleintje bij het gemeentehuis is verlaten, de Mairie is niet verlicht en er begint een hond luid te blaffen, waarschijnlijk gealarmeerd door mijn ge-dam-dam. Ik hoop dat hij achter een hek zit.   Of het in mijn verbeelding is, weet ik niet. Maar plots klinkt het geblaf luider. Steeds dichterbij. Wat als die hond op me afstormt? Ik hoor de burgemeester 'le Maire' al zeggen: ’Garde le Mairie avec ta vie, mon chien!’ Ik keer om en plots ren ik (met het luider wordend geblaf in mijn rug) als Ethan Hunt in ‘Mission: Impossible’. Lijf gespannen, hoofd en romp op één lijn, armen en benen pompend. Weg is de dam-dam, enkel pok-pok-pok! Rennen voor je leven is toch nog iets anders dan joggen. (Bij deze heb ik het verschil gevoeld tussen deze twee varianten van lopen.) Opgelucht loop ik de laatste straat uit en ik krijg de slappe lach. Absurd. Het zou een scène uit een film van Stephen King kunnen zijn. Of een nieuw blogitem: gebeten door dolle hond.   Achter ons kampeert een Frans gezin. Ze hebben vier kinderen. De mama is van Aziatische afkomst en heeft de kinderen haar genen duidelijk doorgegeven. Ze hebben allemaal dezelfde mooie, schuinstaande ogen en zwart glanzend haar. ‘Chapeau’ denk ik, want met vier kinderen heb je je handen vol. De jongste is hooguit twee en de oudste zes, dus ik verwacht wel wat kabaal en gekijf. Maar het is rustig. Noch de ouders, noch de kinderen verheffen hun stem. Toch niet overdag.   Aangezien onze tenten op vier meter van elkaar staan, horen we de twee jongste meisjes zingen, babbelen en lachen tot middernacht. Ze houden elkaar wakker en de ouders grijpen niet in. De eerste nacht op een vreemde plek is voor de meeste kleine kinderen een reden om niet te willen slapen, meermaals uit bed te komen of te wenen om aandacht. Maar de zusjes hebben plezier en na de derde nacht slapen ze tijdig als Aziatische roosjes. Deze ouders hebben geen avond-ritueelstress.   Als ik terugdenk aan mijn kinderen in hun peuterperiode was ik naast alle leuke dingen ook veel met opvoeden bezig. Straffen, belonen, vasthouden aan regels (soms eens een uitzondering maken) en ga maar door. Dieren gaan op jacht met hun ouders, en door te kijken, leren ze. Dat is bij mensen anders. Foutje van de natuur? Waarom kunnen kinderen niet enkel door te kijken, leren? Dat zou het de ouders toch veel makkelijker maken? Het zou veel kibbelende ouders verlichten. Erger nog, de verantwoordelijkheid die bij ons ligt is enorm. Stel dat je je kinderen niet opvoedt. Geen regels, geen: ‘dit mag niet, daarom en daarom’ tot in den treure. Hoe eindigen ze dan? Als criminelen? Kweek je zo terroristen met compleet foute waarden en normen? Dat moet haast wel.   Na de berichten over de doden in Nice kijken mijn man en ik naar de sterren. Het is lang geleden, zegt hij, dat ik nog eens naar sterren keek. Misschien troost iemand nu in Nice zijn kind door te zeggen dat hun broertje of zusje nu een sterretje is. In diezelfde sterrenhemel, waar wij ook naar kijken, zijn er sinds veertien juli vierentachtig sterren bijgekomen. Mijn keel nijpt toe, vooral als ik denk aan de kinderen. Wat erg en zinloos.   De volgende dagen geniet ik des te meer van ons samenzijn. Geen volleybal, geen turnkring, geen toneelrepetities. Geen werk, school of vergadering. Geen gras afrijden, vuilnis buitenzetten op vastgelegde dagen, geen strakke tijdschema’s voor eten omdat iedereen om een bepaald (verschillend) uur ergens moet zijn en weer afgehaald, niets van dat.   Wij hebben elkaar, en ik zou met niemand willen ruilen.      

Katelijn Van Hove
0 0

Daily Mile # 6

Daily Mile # 6 Als zelfstandige logopediste werk ik vooral thuis. Dat is makkelijk, eigen baas zijn, maar soms ook verdomd eenzaam. Ik heb de neiging om te gaan piekeren. Mijn gedachten boren zich in iets vast en kunnen vervolgens uren een eigen leven leiden.   Gelukkig heb ik een druk sociaal leven. Familie en vriendinnen zijn de druivensuiker voor mijn geest. Ook het lopen geeft me tussendoor een mentale kick. De endorfine die vrijkomt, een gelukshormoon, zorgt daar blijkbaar voor. De kick komt na het lopen, en ook al doen mijn benen al wat meer routinematig hun werk, het blijft een bijter.   Nog een bijter, is de massa die zich ‘buik’ noemt. En die zit er al een tijdje. Al enkele jaren om precies te zijn, alsof het verdorie autonoom beslissingsrecht heeft. Het leidt een eigen leven, afhankelijk van variabelen die ik blijkbaar te weinig in de hand heb. En ik kan geen reden bedenken waarom mijn buikmassa zou verminderen, enkel en alleen door het lopen. Toegegeven: elk pontje komt door ’t mondje. En in onze familie heerst een Bourgondische eetcultuur. Als ik goed gezind ben, eet ik. Als iets me tegenzit, eet ik ook. Spijtig voor de kilo’s, maar niets liever dan een slechte dag weg eten met drie borden pasta bolognèse. Chips in huis: moet op. Frieten besteld op zondag? Eten tot de laatste kruimel. Ook de standaard drie stukken vlees, liefst met veel mayonaise en mammoetsaus. Soms, als ik begin aan de restjes van de kinderen moet mijn man me doen stoppen met eten. Vreselijk eigenlijk. Of eerder ‘vleselijk’.   In de vakantie lag hier een boek van Kris Verburgh: Veroudering vertragen-Het langer jong-plan. Het boek gaat over de rol van voeding in het versnellen (of vertragen) van veroudering. Er in lezen zet je aan het denken. Wit brood komt hier sindsdien niet meer binnen en de havermout maakte zijn intrede. Dat vet rond je organen is voor niets goed. Dus ondanks het feit dat ik graag eet, let ik regelmatig op elk pontje dat ik in mijn mondje steek. Maar toch is dat niet genoeg.   Als mijn dochter haar buik intrekt, kan je bijna een halve voetbal kwijt onder haar ribben. Oké, mijn dochter van elf is buikgewijs geen referentie. Maar als ik mijn buik intrek, zie je nauwelijks het verschil. Alleen als je heel goed oplet, en dan zie je ook dat die gewonnen centimeter gewoon even met haar ellebogen duwt en er aan de zijkant gewoon even bijkomt. Wat kan ik doen om die buik iets normaler te krijgen? Ik ga op zoek, met mijn vriend Google. Het levert een bemoedigende quote op: ‘iedereen heeft een six-pack, alleen zie je die niet altijd zitten’. Voor mijn gemoedsrust neem ik deze stelling voor waar: ik heb een six pack, ergens dan toch, alleen moet ik hem terug tevoorschijn toveren. Hoop doet leven.   Dus ga ik verder op zoek. Deze vond ik een leuke: buikspieren-oefeningen.nl. Krijg Die Ultieme Platte Buik staat er in hoofdletters. Gekoppeld: een schema met afwisselende oefeningen om verveling te voorkomen (ideaal), mét link naar YouTube waar Amerikaanse drill-instructors de oefeningen voordoen, moeiteloos, zoals jij en ik de was kunnen sorteren, huiswerk overhoren en de kookpot op het vuur in het oog houden tegelijk.   Ze lijken haalbaar. Dus doe ik dagelijks na het lopen de crunches, puls ups, knee raises, V-ups ‘tot je het voelt branden’. Auch. En ook al doen de namen van de oefeningen me denken aan snacks en frisdranken, ik ben benieuwd. Of ik er ook nog tijd voor zal vinden als het schooljaar loopt, zullen we zien. Tegen september aan zie je meer en meer lopers. Die lopers uit de eerste categorie, waar ik nog niet toe behoor. Je kent ze: de sporters die voor aanvang van het nieuwe voetbal- of sportseizoen willen voorbereid zijn. Ooit ging ik zelf een maand spinnen, in augustus, als voorbereiding. Zwetend in een zaal op een fiets naar het draaiende achterwerk van je voorganger kijken, een fictieve berg oprijdend met loeiharde muziek (vond ik leuk, by the way). Maar het had effect, want op de eerste volleybalwedstrijd had ik meer sprongkracht en kon er al een extra telefoonboek tussen de grond en mijn voeten. Dus er is nog hoop, zeg ik altijd.   Dat lopen een goedkoop alternatief is dan bijvoorbeeld spinnen in een fitnesscentrum, staat vast. Maar ik besef dat ik er aan ben voor de moeite. Een van mijn druivensuiker-vriendinnen Inge, die ook de illustraties doet op deze blog (en marathons loopt), stak vermanend haar vinger op toen ze hoorde over lopen met volleybalschoenen. ‘Niet doen, Katelijn. Zeker niet met jouw heup en rug.’   Nu moet je weten dat ik een jaar niet kon sporten omdat mijn heup besliste om even uit de kom te gaan tijdens een training. Gelukkig sprong hij er vanzelf weer terug in, de heup, maar de daarbij horende spierscheur en peesverrekkingen waren geen lachertje, dat kan ik je vertellen. De echo, een jaar na datum, gaf gelukkig groen licht om weer veilig te sporten. Alles bleek terug in orde (waarvoor dank aan mijn kinesiste) en ik sprong vorige maand een gat in de lucht.   Maar ik wil het lot niet tarten, dus plan ik volgende week de aankoop van loopschoenen in mijn agenda, hopend dat de schoenen me de beloofde veerkracht zullen schenken en het ge-dam-dam zo weer wat vermindert.   Eerst nog wat genieten van de hete septemberdagen.      

Katelijn Van Hove
30 0

Mile quotidienne # 4

Of ik al wat heb opgebouwd? Of het al wat minder ‘dam-dam’ voelt als ik loop? Geen idee, want de komende dagen loop ik mijn mijl in het Frans, in de streek van de Dordogne. Hoge temperaturen, weggetjes met hellingen, Frans brood, kaas en vette worst zorgen samen met de pain au chocolat voor te veel variabelen om het ‘al iets vlotter’ te mogen noemen. Het voelt als opnieuw beginnen. Maar ik ben blij dat ik toch mijn looptenue heb ingepakt. De enige constante is de afstand; een (dikke) mijl.   Ik kampeer al zo lang ik me herinner. Als kind leerden strandvriendjes me de eerste woordjes Frans. La mer, le sable, le soleil (het klinkt als een liedje). Ik liep een maand op blote voeten, sliep zo goed als in de open lucht en kwam zo bruin terug dat mijn moeder me nauwelijks herkende, mijn haar als zongebleekt stro.   Wagenziekte. Zonder uitzondering zag ik geregeld mijn maag- en galinhoud passeren. En ook nu, als de bochtjes beginnen, staat mijn man zijn plaats aan het stuur af om achterin te gaan zitten terwijl mijn oudste dochter en ik vooraan onze misselijkheid proberen te verdrijven. Groen tot achter onze oren, maag in de keel. Gelukkig ben ik praktisch ingesteld en doen de diepvrieszakjes met ziplock (als één van de twee het plotseling niet meer kan houden) wat ze beloven. Waterdicht en geurloos bewaren ze hun inhoud  aan mijn voeten tot aan het volgende benzinestation.   Verder heb ik geen klagen. Want van mijn allergie heb ik hier geen last, ondanks het feit dat hier grassen en huismijt ook welig tieren. Het zal met het ontbreken van fijn stof te maken hebben. Je zal zien; de dag dat ik thuis ben begint mijn neus terug te lopen. Het enige wat nu nog niet loopt zijn mijn benen. Dus, actie.   Het is niet de eerste keer dat we in deze streek kamperen. Maar het zijn wel de enige twee weken met ons vieren samen. ’s Morgens doen we meestal rustig aan. Na de middag rijden we naar een stadje waar we meestal ook iets eten, zoals nu. Bij het terugkeren is het bijna donker maar de pasta en de sterke Franse koffie dwingen me nog een loopje te doen.   Wat een verschil met de natte junimaand. Na een warme dag geniet ik al lopend van de koelte die uit de bossen komt en voel ik de warmte die de steenweg afgeeft. Er is nog geen sprake van een hittegolf, maar die is voorspeld. Er hangt parfum in de lucht, warm en dik. De ene geur gaat over in de andere en niets wat ik ruik is van mensen afkomstig. Als ik bij de grote weg kom en moet keren, sta ik stil en hoor ik enkel krekels en het riviertje. Klassiek, maar de perfecte loopomstandigheden.   Het feit dat het te donker is om goed te zien, maakt het lopen makkelijker. Of de helling nu licht bergop gaat of bergaf weten mijn zintuigen niet, dus ik stamp maar verder. De afgereden graanvelden naast me lichten op in het maanlicht, maar onder de bomen is het aardedonker op de weg, alsof het middernacht is. Er is een stuk dat stijl naar boven klimt. Een bijter, en ik loop op mijn tenen maar weet niet of dat zo hoort. Moet ik mijn voet afrollen, naar voren of naar achter leunen? De buik- en neusademhaling die ik gewend ben, werkt niet tijdens het lopen. Dan toch maar die hoge ademhaling? En diep, of kort en snel? Misschien moet ik wat opzoekwerk doen over looptechniek.   Dat wordt een klusje voor thuis.   Eerst genieten.  Check.      

Katelijn Van Hove
2 0

Oude mannen

Ik aanvaard een compliment enkel zonder schroom wanneer het uit de mond van een man boven de zeventig komt. Ik hou van de bijna- vaderlijke manier waarop de bejaarde zijn oppervlakkige opmerking vakkundig in respectvolle woorden verpakt. Alleen het fonkelen van zijn door cataract aangetaste ogen verraden naweeën van de lust die op zijn twintigste door zijn lijf woelde. De gedachte overvalt me wanneer ik met de uitbater van mijn garage keuvel. De oude man heeft tal van en zonen verwekt die de zaak overnemen maar hij sloft toch nog eens graag door zijn imperium van autobanden en benzinegeur. Tussen zijn werkend nageslacht, voorzien van typisch garage-blauwe overallen en tribal tatoeages, kletsen we over de oorlog en hoe de tijd intussen te snel gaat voor hem. Hij is 84, zegt hij, maar de eerste honderd zijn de moeilijkste. Hij knipoogt en ik lach.   Ik denk aan die keer met de man van tachtig. We raken aan de praat op straat, hij nodigt me uit op restaurant en zo geschiedt. Hij haakt zijn arm lachend in de mijne en troont me als een duur geschoten kermisprijs mee  door het etablissement. Zijn hoffelijkheid wisselt soepel af met schunnige opmerkingen en knipoogjes. De man is een meester- verleider. Hij heeft dan ook al 80 jaar ervaring.In de zak die hij bij zich draagt zitten de pantoffels en een vuile pyjama van zijn vrouw. Haar ogen staan vaag en ze kent hem enkel uit beleefdheid. Toch bezoekt hij elke dag. Hij vertelt het me met de rauwe eerlijkheid die alleen oude mensen in zich hebben. Dat soort oud dat de mens wekelijks de balans van zijn omgeving doet opmaken: wie welke dodelijke kwaal heeft, wie het leven opgaf. Dat soort oude mens dat eindelijk groeipijn leert aanvaarden, om dat het ongemak van krimpen. De garagist buigt zich naar me toe om me iets toe te fluisteren. Zijn muffe adem kruipt in mijn neus. Zou het het nestelen van de dood in zijn binnenste zijn dat ik ruik, vraag ik me af. En als dat zo is, hoe zou het dan zijn om met hem te slapen. Om zijn vuur te voelen wanneer ik zijn doven ruik. Deze jonge man in zijn oude huls, die leven spreekt maar dood uitademt: ik zuig zijn verhalen gretig op. Ik hang aan zijn lippen. Er is weinig waar ik meer plezier uit haal dan gedetailleerde bejaardenverhalen. Tenzij misschien een compliment.

Amarylis
0 1