Zoeken

Jukebox voor dromen

“Met wilde regelmaat is het dag en nacht in mij.” Prachtzin uit een dichtbundel van Stijn Vranken. Maar op dit uur (08u14) voel ik me toch vooral heel erg wild ochtend. De vrouw rechts van mij doet dan weer haar best om wild in slaap te vallen. Ik zie (en hoor) haar vingers ongecontroleerd meetikken op Rihanna’s golden oldie ‘Shut up and drive’. Intussen staan we al vijf minuten stil in het station van Gent-Dampoort: shut up conducteur, en laat ons voorttreinen. Ik hoor het refrein dwingend nagalmen.   Ik lijk solidair met de old school Rihannafan aan m’n rechterzijde, maar ik ben soms maar een schijnsocialist. Ik beken: ik hou ervan om een koptelefoon te dragen zonder dat er muziek opligt. Niet omdat ik een show off of gadgetnerd ben: de koptelefoon is een afdankertje van m’n lief. Let’s listen to some music like it’s 1999. Een discman was geloofwaardiger geweest. Ik probeer van de stilte en de passerende Vlaamsche landschappen te genieten, maar de spreekwoordelijke stokjes tussen m’n oogleden houden het niet recht. De dichtbundel die ik lees lijkt de slaap niet te overwinnen. Dus ik gun m’n ogen wat rust en schakel m’n gedachten naar modus unconscious – ik scheur weg in de turquoise oldtimer uit de videoclip van ´Shut up and drive’ en ga cruisen door het achterland van Beervelde. Nog even neemt m’n bewustwijn het over. Note to self: google de videoclip als je opnieuw kunt verbinden met wifi.   De fase voor het inslapen is vaak het heerlijkst. Je beseft niet dat je denkt, dus je denkt wíld. Geen zelfcensuur op dit moment. Tot je wakker schrikt uit je schijnslaap – “Vervoersbewijs alstublieft!”- en je tot je verbazing moet betalen voor je tripje langs Beervelde. What was I thinking? Ja, wát droomde ik nu weer? Damn, de droom is weg, maar het cruisegevoel zindert nog na. (Of is het de trein die eindelijk op snelheid rijdt?) Last note to self: lees in het vervolg geen dichtbundels meer maar Uitvinden voor dummies en ontwerp een registratiemachine van prille dromen. Toch tijd genoeg nu; ik pendel twee uur per dag. Twee uur extra om te doen alsof je naar hippe muziek luistert, in slaap te vallen en te dromen over uitvindingen als jukeboxes voor dromen. Cruisedroom van Gent-Dampoort naar Beervelde in Riri’s car: 2 euro. Put another coin in the jukebox baby!

Flor Naranja
24 1

Superdino's

Een supermarkt. Het lijkt ondertussen een gewoon, alledaags en zelfs saai concept. Dat is althans wat de meeste Westerlingen vermoedelijk zouden antwoorden wanneer je hen zou vragen wat de supermarkt betekent in hun gejaagde leven. Helemaal het tegenovergestelde dus van wat het voorvoegsel van het woord doet vermoeden. Ik moet toegeven dat de gedachte aan overvolle parkings, uitpuilende winkelkarretjes, zeurende kinderen en uitgehongerde bejaarden die zich als een leeuw op de proeverijen storten, mij ook niet bepaald doet warm lopen, maar toch is de supermarkt voor mij een welkome bron van inspiratie. Ten slotte brengen al die kinderen, ouderen, parkings en karretjes steeds weer iets nieuws met zich mee en worden ze stuk voor stuk geconfronteerd met terugkerende eerste-wereld-problemen.   In de afgelopen jaren zijn er in mijn buurt verschillende supermarkten neergestreken en dat tot groot ongenoegen van de gevestigde oude exemplaren. Deze vorm van super-concurrentie mag dan wel nadelig zijn voor de eigenaars van de filialen in kwestie, voor mij betekent elke nieuwe supermarkt een nieuwe wereld van vreemde snuiters, onbekende zielen en mysterieuze verhalen. Een categorie kopers blijft echter onveranderd, alsof ze de tand des tijds heeft doorstaan; en als je de gemiddelde leeftijd van die categorie er even bijhaalt, dan mag je dat best letterlijk nemen. De ervaren supermarktganger weet vast al over wie ik het heb, maar aangezien dit mijn eerste column is, wil ik er graag even langer bij stilstaan en de nieuwelingen onder ons wat meer bijbrengen over wat ik de superdino’s noem. Toegegeven, de naam is misschien wat oneervol voor de bejaarden die elke dag klokslag acht uur klaarstaan aan de deur van de supermarkt, maar mijn frustratie kent ook zijn grenzen. Ik wil jullie in geen geval aansporen om de term in de toekomst publiekelijk te gebruiken, laat staan als roepnaam te hanteren. Wat ik wel wil doen, is voor jullie hieronder kort de kenmerken en karaktertrekken opsommen van deze dino’s, zodat jullie er in de toekomst niet ten prooi aan vallen. Om het simpel en concreet te houden, neem ik jullie mee naar een zaterdagochtend om 8 uur aan de ingang van de lokale supermarkt.   7:45 – De eerste oude karren stromen toe op de parking – voor alle duidelijkheid verwijs ik hier naar de voertuigen en niet de nog antiekere wezens die erin zitten. Uiteraard maken de vroege superdino’s al gretig gebruik van hun strategisch vermogen om de plaatsen die het dichtst bij de ingang zijn gelegen, volledig in te palmen. Vanuit hun kristalheldere autoramen turen ze eerst naar de ingangsdeur en vervolgens naar hun mogelijke concurrenten. Maximum vijf minuten. Dat is de toegestane tijd om nog even voor de strijd losbarst de omgeving in zich op te nemen en eventuele voorzorgsmaatregelen te hanteren.   7:50 – Mariette, Fons, Gerard en Nicole. Zij zijn de gelukkigen die als eerste de twee meter brede draaideur kunnen versperren dankzij hun jarenlang opgespaarde zwembandjes, de veel te wijde driekwartbroeken en – niet te vergeten – het gepersonaliseerde boodschappenkarretje waarmee ze lastige achtervolgers tegen de schenen kunnen rijden en zo makkelijk van zich afschudden op weg naar de producten.   7:55 – Het gebruikelijke gestommel, getrek en geklaag zwelt aan. 8:00 is 8:00, hé! Gelukkig weet ik uit ervaring dat de winkelbedienden geen minuut vroeger zullen openen. Het probleem is natuurlijk dat de horloges van onze dino’s steeds 5 minuten of zelfs meer voor staan; je moest op je oude dag maar eens ergens te laat komen. Waar de ouderen alvast wel opgetogen over zijn, is de grote rode sticker die heel het linkerraam naast de deur beslaat. Vanaf vandaag is er namelijk korting op de gezondheidsproducten. Ideaal dus voor Mariette die haar eindelijk een nieuwe fles intieme reinigingsverzorging kan aanschaffen en Gerard die na vier jaar aan een nieuwe tandenborstel toe is.   7:59 – Er komt schot in de zaak. De lichten springen aan, de geur van vers gebakken brood baant zich een weg door de kieren van de draaideur en de corpulente onthaalbediende komt rustig naar de draaideur gewaggeld met een veel te dikke bos sleutels. De vier oudjes zetten zich schrap.   8:00 – Het moment is daar. De deur komt nog maar knarsend op gang en Nicole zit al in het eerste compartiment. Spijtig voor haar blijft haar winkelwagentje haperen en valt het hele systeem stil. Al die moeite voor niets, want Gerard ziet zijn kans en maakt van de vrijgekomen ruimte gebruik om bij haar te glippen. De onthaalbediende die intussen gewend is geraakt aan het vreemde spektakel, rolt met haar ogen en haalt haar schouders op.   8:02 – Na twee minuten van hun kostbare tijd te hebben verloren, zijn alle superdino’s klaar voor de jacht. Eerst nog voorbij het flapperende deurtje en dan kan de supermarktmarathon beginnen. Eerste halte: de groenten- en fruitafdeling.   8:06 – Gekneusde tomaten, half leeg gevreten druiventrossen, bananen met bruine vlekken en aardbeiendoosjes zonder aardbeien. Dat is de tol na vier minuten van losgeslagen superdino’s, en dan moet de hoofdbuit nog komen.   8:07 – Ondertussen staat Mariette zich te vergapen aan de verrukkelijke chocoladesoezen en de gekarameliseerde vanilletaartjes. Deze onoplettendheid blijft echter niet zonder gevolgen, zeker niet in de broodafdeling die voor onze dino’s de hoeksteen vormt van hun hele eetpatroon. Nicole, Gerard en Fons draaien elk brood twee keer om en na deze tot in de puntjes uitgevoerde broodkeuring gaan ze ervandoor met het beste en op dit vroege uur beperkte aanbod. Bij het zien van de andere vluchtende oudjes barst Mariette uit in een weeklaag. Haar favoriete brood is in  de handen gevallen van haar concurrenten. Dat wordt vanmiddag op de kin kloppen. Gelukkig kan ze nog genieten van de korting op haar intieme reinigingsproduct. Met deze fijne gedachte in het vooruitzicht krabt ze zich ongegeneerd onderaan en stuift ze achter haar lotgenoten die al richting de kassa trekken.   8:08 – Door het vroege uur is er nog maar een kassabediende die volledig klaar is. Zowel Nicole als Fons willen snel hun producten op de lopende band zetten, maar een afkeurende blik van de kassierster richting Fons doet hem even terugdeinzen. Nicole die enkele luttele seconden verloor aan de draaideur, grabbelt gauw in haar winkelmandje en is nu eindelijk echt eerst aan de beurt. Ondertussen heeft Mariette haar fles reinigingsmiddel en kan ze ook Gerard achter zich laten die kennelijk verbaasd is over het aanbod tandenborstels dat in vier jaar tijd ongelofelijk is verruimd.   8:15 – Na een kwartier zit alles erop. De vier superdino’s hebben hun taak volbracht en de ontlading valt duidelijk van hun gezichten af te lezen. Nu hebben ze tenminste nog een hele dag voor zich om hun andere verplichtingen af te werken.

Cedric Holemcki
0 0

kunstzin

Ik ben in de verkeerde tijd geboren, zoveel is zeker. Er is vandaag nauwelijks nog plaats voor kunst. Mensen weten niet meer wat kunst is of waar het toe dient.  Wat ze er nog van weten ontlenen ze aan de persona op tv of in de kranten, die zich op dat moment de rol van entertainer toe-eigenen. Al naargelang hoe grappig of excentriek of gewoon ze overkomen, wordt hun status van kunstenaar meer of minder voor waar aangenomen. Maar we hadden het over kunst.Tja, wat IS kunst? Laten we voor het gemak even inzoomen op literatuur, gezien dat toch de branche is waar ik beweer iets van af te weten. Wat is literatuur? De zoektocht naar een goede definitie houdt me al geruime tijd bezig. Hoewel ikzelf duidelijk aanvoel wat wel en wat geen literatuur is, vraagt een vertaling naar woorden om een scherp afgelijnde definitie. Het lijkt een haast onmogelijke opgave. Ik vertrek toch even vanuit mijn gevoel. Wanneer ik literatuur lees, échte literatuur, word ik meegevoerd naar een parallel universum, hetzelfde universum waarin ik me bevind als ik zelf schrijf. En daarmee wil ik niet gezegd hebben dat alles wat ik schrijf literatuur is, zeer zeker niet. Maar goed, het is dus een bepaalde beleving die ik ervaar, en ik realiseer me dat die naar alle waarschijnlijkheid heel persoonlijk is. Vandaar dus de nood aan een definitie, die voor iedereen zou kunnen opgaan.Velen denken overigens dat literatuur gelijk staat aan non-fictie. Laten we alvast bepalen dat dát niet klopt. Er is fictie en non-fictie, en binnen non-fictie bestaan verschillende opdelingen, zoals daar zijn detective, science fiction, fantasy, horror, en dus ook literatuur. Ik zou een hele reeks schrijvers kunnen opnoemen die voor mij meer dan representatief zijn en alle verdere pogingen tot definiëring overbodig zouden maken, maar ik begrijp dat dat nog steeds een te persoonlijke benadering zou zijn. Dus. Literatuur is. Een vorm van non-fictie die niet als doel heeft de lezer te entertainen. Een vorm van non-fictie die een verhaallijn en personages gebruikt om een subtiele, doch duidelijk filosofische boodschap mee te geven: ongeacht afkomst, geslacht, leeftijd, seksuele voorkeuren of deelname aan spannende avonturen zijn we allemaal denkende en voelende wezens, die beseffen dat het leven zowel mooi als lelijk als compleet zinloos is. Dat het leven is wat we ervan maken, met onze gedachten, gevoelens of acties. Dat depressie de natuurlijke staat van zijn is, zolang we niet doelbewust op zoek gaan naar de schoonheid in kleine en grote dingen. Het zoeken naar en ervaren van schoonheid is de kunst. IS kunst. En zo is de cirkel rond. Kunst – het zoeken en vinden van schoonheid – is precies datgene wat we allemaal nodig hebben om meer te doen dan louter over-leven. Kunst is het ware voedsel om te kunnen LEVEN.(Noem me naïef, maar mijns inziens is het antwoord op alle burnouts en andere ratrace-fenomenen van deze slavenmaatschappij, KUNST. En tijd, uiteraard. Maar dat is weer een ander verhaal.)

LL Rigby
8 0

Kalverliefde

'It's good to be important, but it's more important to be nice.' Hij grijnsde en schreef het op een stukje papier neer dat hij uit een schrift had gescheurd. Ik heb nooit echt begrepen wat hij er eigenlijk mee wou vertellen. Hij gaf me het papieren vodje en ik nam met een verliefde blik aan. Hij was mooi: lichtbruin haar en blauwe ogen waarin ik nog steeds zou verdrinken mocht ik ze nu ergens tegenkomen. 'Dat komt uit een liedje van Scooter,' zei hij half betweterig, half lachend. Voor de muziekleken onder jullie: Scooter was een Duitse danceformatie die vooral eind vorige eeuw furore maakte. Zestien jaar waren we allebei, maar hij was ouder, want hij was van januari en ik van mei. Op die leeftijd was een maand een zee van tijd en bijgevolg dacht ik dus dat hij een stuk volwassener was dan ikzelf. In mijn hoofd weerklonk de hele tijd: 'Wat ben je geweldig Bob, jij bent de ware. Laten we trouwen en elkaar nooit meer loslaten.' 
Bob, dat was zijn naam. Genoemd naar Bob Dylan, of dat maakte hij me toch wijs. Ik kende hem al vanaf de lagere school. Ik had hem altijd gezien als een maatje, nooit echt als iemand waar ik verliefd op kon worden. Toen ik als puber hoorde dat hij interesse in mij had, was ik eigenlijk teleurgesteld. Bob had namelijk een klasgenoot met dezelfde naam waar ik al maanden een boon voor had. Toen mijn vriendinnen mij vertelden dat 'Bob' speciaal voor mij naar het jeugdhuis kwam, had ik dus die andere Bob verwacht. Helaas bleek die laatste op blonde meisjes te vallen en kwam ik met mijn lange kastanjebruine haren dus niet meteen in aanmerking. 
Maar goed, ik was zestien en een amoureuze teleurstelling kon ik toen nog mits een waardige vervanger makkelijk verwerken. Ik switchte dus van 'Bob' en begon steeds meer in dit exemplaar zijn buurt rond te hangen. Stel je dit even voor: een scoutsfuif in de parochiezaal van een landelijke gemeente. Aan de ingang af- en aanlopende pubers, de één al wat meer beschonken dan de andere. Ik was in mijn sas, want Bob zou er ook zijn. Vanavond zouden we vast en zeker voor de eerste keer zoenen. Het was al bijna middernacht: de obligatoire slows zouden dadelijk hun intreden maken. Gelukkig maar, want om één uur kwam mijn moeder mij oppikken om naar huis te gaan. Ik ging strategisch in de buurt van Bob staan. Om klokslag twaalf uur draaide de diskjockey de eerste slow. 'Afscheid' van Volumia, een kleffe muzikale misser uit de jaren '90. 'Neen hé' dacht ik bij mezelf, 'moet ik echt aan mijn kleinkinderen gaan vertellen dat ik op deze draak van een lied mijn eerste kus kreeg?' Meer tijd om daarover na te denken kreeg ik niet, want Bob kwam naar me toe en sloot me in zijn sterke armen. Er gingen duizend gedachten door mijn hoofd. Mijn vriendinnen die hun eerste kus reeds achter de rug hadden, hadden mij verteld dat het voelde alsof er een naaktslak in je mond kroop. Mijn angst was dus erg hoog, mijn verwachting erg laag. Het einde van de song naderde en er was nog niets gebeurd. 'Komaan gast!' dacht ik 'Maak er korte metten mee.' Ik weet niet meer hoe we er dan uiteindelijk aan zijn begonnen, maar ineens waren we in volle actie. We zoenden zelfs door tot een stuk in de volgende slow. Het had een mijlpaal moeten zijn in mijn jonge leven. Een romantich moment om nooit te vergeten, maar het enige wat ik de hele tijd kon denken was: 'Ze hadden gelijk: dit voelt als een slak.'   De relatie met Bob heeft welgeteld vier weken geduurd. We zagen elkaar één keer per week, maar echt romantisch ging het er dan niet aan toe. Hij wou om de één of andere rede op een vreemde manier indruk op me maken door overal zijn kritische mening over te geven. Ik snapte niet waar hij naartoe wou daarmee en voelde me al snel te dom voor hem. Achteraf gezien wisten we volgens mij beiden niet waar we mee bezig waren. Bij verliefdheid hoor je je goed te voelen. De enige gevoelens die ik me kan herinneren uit die tijd zijn onzekerheid en onwennigheid. Ik maakte een einde aan onze prille relatie in dezelfde parochiezaal dan waar ze begonnen was, onder het mom dat ik me te jong voelde om me te binden. Ik zei hem dat als het echt 'meant to be’ was, we elkaar wel in een latere fase van ons leven zouden terugvinden. Ik had dat in de 'Joepie' gelezen en dat klonk goed vond ik. Ergens hoopte ik ook vurig dat het écht zo zou lopen, dat we ooit zouden trouwen en elkaar nooit meer zouden loslaten. Helaas is de liefde nooit teruggekeerd. Zo werd Bob dus naast mijn eerste kus en mijn eerste vriendje, ook mijn eerste liefdesverdriet. Dat laatste, heb ik hem helaas nooit meer durven vertellen.    

Ans DB
0 0

BSO-leerling en trots

Er is niets mis mee om ergens niet goed in te zijn. Wel is er iets mis mee om iemand te beoordelen omdat hij iets minder goed kan dan jijzelf, terwijl hij andere dingen hoogstwaarschijnlijk beter kan. Het mag dan een cliché zijn, maar iedereen heeft zijn of haar eigen talent. Een talent dat veel kan inhouden. Een talent dat broodnodig kan blijken te zijn in onze huidige maatschappij en in de onzekere toekomst die voor ons ligt.   Toen ik in mijn derde middelbaar moest overschakelen naar BSO omdat ik de vakken wiskunde en fysica maar niet wist onder de knie te krijgen, schaamde ik mij. Nu schaam ik mij omdat ik mij toen durfde te schamen. Dat ik dezelfde gedachten en vooroordelen koesterde die zovelen bewust of onbewust voor meer praktische opleidingen koesteren. ‘Afzakken’ noemt men het, een woord met een bijzonder negatieve ondertoon. Mijn ouders gingen steevast in tegen deze benaming. Je ‘verandert van richting’, je ‘daalt’ toch niet af?   Mijn jaren in het beroeps-onderwijs bleken achteraf de beste jaren uit mijn middelbare schoolcarrière te zijn geweest. Ik kon doen waar ik me goed bij voelde en me uitleven. Ik had een leuke, gemotiveerde klasgroep. Zo nu en dan kregen we vervelende opmerkingen zoals die ene keer toen een docent tijdens onze theorie-rijles zei dat BSO-studenten gemakkelijker buisden omdat zij ‘minder hard werkten’ of toen een leeftijdsgenoot mij op vakantie gebood de koffie te gaan zetten ‘want daar studeer jij toch voor?’. Leerlingen uit het ASO kregen dan weer de opmerking ‘seuten’ te zijn. Er was met andere woorden een wisselwerking aan straffe beledigingen waaraan docenten duchtig meededen.   Ik heb nooit spijt gehad dat ik van studierichting ben veranderd. De vervelende opmerkingen hebben mij gemotiveerd om verder te studeren, ik begin dit jaar aan mijn master. Weliswaar in de culturele sector, die momenteel jammer genoeg stevig onder vuur ligt. Maar niet iedereen kan grove, denigrerende uitspraken omzetten naar iets positiefs. Mijn hart brak toen een jongen nadat ik hem over mijn studierichting had verteld, antwoordde dat hij ‘gewoon werkte’. Iets als ‘gewoon werken’ bestaat in mijn ogen niet. Chapeau dat je werkt! Geweldig dat je elke morgen opstaat om ervoor te zorgen dat ons land draaiende blijft. In tijden van crisis, wie hebben we meer nodig dan bakkers, verpleegsters/verplegers, slagers en werkmannen/werkvrouwen die ons van beschutte woningen voorzien? Hoe zouden onze steden eruit zien zonder gemeentewerkers, smerig allicht.   We hebben iedereen nodig, niemand is minderwaardig. Poetsvrouw/poetsman, architect, schilder of ingenieur, tout! BUSO, TSO, ASO, BSO of starten met werken op je 16de, zolang je maar doet waar je je goed bij voelt. Onderwijs en werken horen geen competities te zijn, het gaat niet om ‘de beste’ zijn. Laten we voor een keer onze vooroordelen overboord gooien en trots zijn op de ander en (!) op onszelf.

Ruth Govaerts
48 1

Natuurtalent

Laat je niet misleiden. Talent komt niet vanzelf.   De natuurlijke variant insinueert het tegendeel. Trendsettende goeroe's in modebladen verwijzen graag naar dat natuurtalent in ieder van ons, daar voor het grijpen, als je maar genoeg investeert in therapeuten en mindfullnes workshops om het te ontdekken. Ik laat me niet misleiden door die new age zorgmaatschappij en al zeker niet door de borderlinemaatschappij. Zo noemt Dirk De Wachter het fenomeen. Nee, ik laat me niet misleiden. Daarom verkondig ik sinds eind maart aan iedereen die te dichtbij komt dat ik een natuurtalent ben, met groene vingers op de koop toe. Eind maart, de prille start van het zaaiseizoen.   Wat eraan vooraf ging is de echte oorsprong van elk natuurtalent: een ontdekkingsreis in het tuincentrum van Aarschot.  Aarschot, vroeger berucht als onderdeel van de marginale driehoek, sinds 2013 de slimste gemeente. 2013, het jaar dat Michiel Devlieger besloot het talent van Erik Van Looy droog af te koken. Natuurtalent valt niet te vergelijken. Het tuincentrum van Aarschot dus. Zoals ik al zei: een talent moet ergens beginnen.   Efficiënte winkelaar die ik ben, stoof ik de deur binnen recht op mijn doel af. Hoewel de automatische draaideuren daar duidelijk niet op voorzien zijn, en de winkelinrichting al evenmin. Maar goed, ik snelwandelde dus rechtstreeks naar de afdeling goedkope zaaizakjes. Ik ben iemand die weet wat ze wil. Mogelijks nog een talent: weten wie je bent en wat je wil.   Mijn eindbestemming werd aan weerszijden afgebakend door muren met een overvloed aan budgetvriendelijke doorbloeiers die, vanuit zorgvuldig opgezette rijtjes, naar mij lonkten. Zoveel keuze. Maar ik wist me te bedwingen, of toch een beetje. Want ik wist wat ik moest en zou hebben. Mijn moeders grote trots. Haar eeuwige ijsbreker, sterker dan het weer. Bijna verheven tot erfgoed van de familie. Stinkers.  Stinkers, belangrijke elementen voor het bloemenrijk die het natuurlijk talent bezitten om insecten te verjagen, enkel en alleen met hun geur. Stinkers, vaak voorkomend in oude van dagen hun tuin in de vorm van een aangelegd perkje.   Zo verwend als ik ooit was, zal ik nu kost wat kost mijn moeders verkankerde lot voortzetten in de vorm van een perkje. Gekoesterde herinneringen voor het wezenkindje dat achterbleef, enkel en alleen. Een aangelegd perkje, want een mens zou voor minder het leven zijn natuurlijke gang niet meer durven laten gaan.  Nu, ik heb er geen problemen mee om die taak op mij te nemen, om als jongste van vier een lelijk perkje te zaaien, om haar dichtbij te houden. Ik ben goed opgevoed. Telt dat ook als talent? Mijn enige probleem op dat moment was dat ik het stinkende goedje van mijn begeerte niet zag staan. Geen zakje met de naam “stinkers”. Misschien noemt het anders in mooie bloementaal. Veel te veel zakjes. Net lange rijen infusen die geduldig wachten op hun lot om geïnjecteerd te worden.    Het vergde wat mijmeren en dralen vooraleer ik de moed verzameld had om me te mengen in het boeiende gesprek van twee verkopers die stonden te niksen aan de klantenbalie.  ‘Excuseer voor het storen. Ik ben op zoek naar stinkers.’ ‘Wat zegt ge, Madammeke?’ ‘Stinkers. Zo noemt men dat in de volksmond. Het zijn bloemen. Geel met rood of oranje. Typisch in de perkjes van grootmoeders hun voortuin.’ ‘Stinkers!’ Bulderlach.  ‘Ja stinkers.’ Droge kuch.  ‘Afrikaantjes dat zijn stinkers!’ Opnieuw een bulderlach om zichzelf.  Misschien was Aarschot toch niet de beste uitvalsbasis om mijn ontluikend talent te voeden.    Ik ben uiteindelijk thuisgekomen met drie verschillende soorten stinkers: kleine Afrikaantjes, grote Afrikaantjes en Sterafrikaantjes. En zonnebloemen. En twee hangplanten. En zaden van radijsjes, bonen, courgettes, ajuinen, veldsla, tuinkers en pompoenen. En aardappelen. En nog wat mooie bloemen voor binnen. En potgrond. En gras.    De natuur en winkelketens gaan niet goed samen. En nog minder met mijn bankrekening. Gelukkig had ik ecocheques. Dat heeft elk natuurtalent nodig: een investering in de vorm van 250 euro startkapitaal aan ecocheques. En zelfgeoogste ingrediënten voor een paleodieet en wat yogareizen en therapie om dat talent te voeden.   Laat je niet misleiden, talent komt heus niet vanzelf.

Jessica
3 1

Ooit heb ik iets goeds gedaan

“Clowns verbergen een groot verdriet”, zei hij, toen ik hem vertelde dat zijn humor, niettemin wel een beetje flauw, de dingen lichter toonde. Voor complimenten was hij op zijn hoede. Ik weet het niet. Voor mij zit een man die ik niet nader definiëren kan en ik vraag mij niet langer af of dit wel nodig is. Analyseren tot ik er blauw van word, onze zinnen opnieuw en opnieuw afspelen in mijn hoofd, woord voor woord met klank, intonatie en aanblik, neen, dat is zelfs voor mij geen keuze meer. “Je kan dus nog altijd zo dramatisch zijn”, zegt een dierbare vriend meewarig als ik hem een parafrasering geef van mijn gevoelens voor de onbereikbare man. Potsierlijk moet het zijn als je aan het tafeltje naast ons mijn emotioneel gebrabbel moet aanhoren .“Ik heb het je toch al eerder gezegd? Karma. Dat is het. Je karma. Bad karma is haunting you”, voegt hij er zingend treiterend aan toe.  “Maar ik ben toch een goed mens?” Zuster Gemma moest het horen.  “Vroeger niet. ” Een lange stilte volgt. Net dit heb ik niet nodig. Ik kan mijn imperfecties beschrijven al ware ik de monnik, de voorziener van miniaturen, zo precies, de tijd van geen belang. Helaas, zij volgen mij overal. Zij zijn een aapje op mijn schouder met bovendien een rinkelende oorbel aan zijn voet. Altijd daar, gedoemd niet te vergeten. “I’ll be back”, zeg ik dramatisch. Ik duikel uit het restaurant, struikel over mijn voeten, zoals het past bij deze scène. Ik zie in mijn rug mijn vriend het hoofd meewarig schudden.  Een plan heb ik niet. Wat verlang ik ernaar mijn neus eens diep te kunnen snuiten in een stoffen zakdoek. Al wie ik ooit heb pijn gedaan, liggen nu als struikrovers te wachten in de bosjes op mijn weg, dus ik moet van wanten weten. Als ik straks een snerpende pijn voel aan mijn strottenhoofd moet ik bovendien op zoek naar mijn voodoopop: ongetwijfeld een miezerig wit poppetje met pluizige haarplukjes en dubbele kin. Hoe gelukkig ben ik later die avond als ik mijn garagepoort naar beneden zie schuiven en ik ongeschonden de dag doorkwam. De volgende morgen piept de zon door de gordijnen en ik zie dit als een nieuwe kans. Op weg dus naar de fietsenmaker. Mijn fiets is krom, vol spinnenwebben, de banden plat. Ik laat hem vrolijk achter. “Het kan wel tien dagen duren”, zegt de fietsenman, “je bent geen vaste klant.” “Dat is niet erg”, lach ik de man opgewekt toe. Hij kijkt verbaasd. Dat had hij niet verwacht. “Je moet mij toch begrijpen, de fiets komt niet van ons”, herhaalt hij alsof ik het niet begrepen heb. “Dat is toch maar normaal?, zeg ik, “onmiddellijke service, dat verdien ik niet.” Ik wuif nog uitgelaten en vertrek dan weer te voet. Op weg naar huis priemt de zon in mijn rug. De straten van het dorp zijn leeg. Hier en daar zie ik mensen voorzichtig piepen naar de straat van achter het huis naar die voetganger op dat middaguur. Ik roep “jep” en “hey” naar alles wat beweegt. Zo ben ik snel weer thuis. Een hele morgen was ik al Maria uit de Sound of Music. De lieftalligheid droop van mijn bezwete T-shirt en ik verdien een frisse pint. Een middag in de supermarkt. Drie vloeken willen mij ontsnappen als een auto mij coupeert en ik nog net mijn karretje en mezelf kan redden. Ik geef geen kik en schrijd als een vorstin de winkel in, boodschappenlijstje in krullende letters op een net blaadje volledig horizontaal geklemd op het voorziene plekje van het karretje. Nu vooral gezicht niet laten zakken. De karretjes staan overal in de nauwe gangen. Geen mensenzee die openbreekt als ik voorbij wil gaan. Een koppel staat te twijfelen aan de wijn en blokkeert al gelijk de vlotte stroom. Rosé of wit blijkt de issue van hun relatie te zijn. Ik wacht geduldig aan de rechterkant tussen de flessen rode wijn. Voorlopig is er nog geen winnaar. De rij wordt langer achter mij. Er wordt getoeterd in de file en het koppel verlaat de gang zonder rosé of wit. Een slaak van opluchting zou nu gepast zijn of misschien wat ergernis, maar ik lach begrijpend naar het twijfelende koppel. Dat wordt een hele rit discussie. Wat zou ik graag wat flessen rood in hun karretje zetten, stiekem en ongemerkt, en dan gniffelend hun snerpende dialoog aanschouwen voor de ogen van een verveelde kassierster. Gelukkig bedenk ik mij nog net op tijd en ik hergroepeer mijn alles-innemende en begripvolle grondpatroon. “Veel plezier vanavond!”, glimlach ik spontaan naar het gezinnetje met wel tien soorten nootjes en chips argeloos gestapeld in hun karretje. “De melk staat in gang vier”, zeg ik als de schooljuf op een maandagmorgen aan het twijfelende dametje. Zij probeert haar gekrabbel te ontcijferen maar ik heb het al lang gezien. “Zet de verwarming aan!”, roep ik doorheen de koelafdeling. Een grap met een baard en absoluut niet grappig. Mijn levensreis naar mijn goede karma is in het eerste station en alles gaat naar wens. “Het leven is in deining en wij dobberen gewoon maar rond”, zegt een man die uit het niets aan mijn auto verschijnt met een karretje vol waspoeder van het huismerk. Zijn helblauwe, doorschijnende ogen staren naar een punt ver weg van mij. Hij herhaalt de zin, steeds opnieuw, zonder intonatie en zonder communicatiedoel. “A mind wants to forget but a heart will always remember”, antwoord ik in een stilte op de parking tussen gillende kinderen, haastige moeders en vaders, krassende wieltjes op de hobbelige asfalt. De man reageert niet en blijft staan aan zijn karretje dicht bij het mijne. Ik zeg het steeds luider “A mind wants to forget but a heart will always remember”. De klep van de koffer staat open en mijn gevuld karretje leunt tegen mijn arm. De man verdwijnt, een afscheid was er niet. A mind wants to forget but a heart will always remember…Wat doet die zin toch in mijn hoofd? De hele weg naar huis laat het mij niet los. Een week later zit ik weer tegenover mijn dierbare vriend. “Ik zat er wel wat mee”, zegt hij, “ik heb de hele week aan jou moeten denken.” “Als er weer een lijst gaat volgen met al mijn fouten, dan ben ik hier weg,” verdedig ik mijzelf met bange hoge toon. “Het was een grap, verontschuldigt hij zich, maar ik besefte al gauw dat jij de hele week hierover zou piekeren.“ “Vond je mij vroeger echt zo slecht?”, vraag ik nu opgelucht. “Je was niet slecht, maar je maakte een aantal, voor mij toen onbegrijpelijke keuzes”, verklaart hij zich eindelijk nader. Na al die jaren. Nooit eerder hebben wij hierover gepraat. “Ik begrijp nu wel waarom je deed wat je deed en ik neem je niets kwalijk”, vervolledigt hij en ik voel de opluchting doorheen mijn hele lichaam. “Waarom koos je niet voor mij?”, durf ik na al die jaren vragen. “Besef je hoe verlaten ik mij voelde?” Net dat ene ogenschijnlijk banale feit is de kern geweest van al mijn acties en het heeft mijn leven moeizaam vorm gegeven, met pijn, dat voornamelijk, maar gelukkig met nimmer stoppende, ongedurige levensdrang en altijd met een randje geïdealiseerde zekerheid over hoe goed het had kunnen zijn. “Ik weet het niet”, schokschoudert hij. “Mijn hele leven lang ben ik op zoek naar uitvergrote emoties die mijn leven doen stormen. Wij hadden het even, maar het was niet goed genoeg.” “Daarmee kan ik leven”, geef ik vastberaden toe, na onze tijd samen als in een versneld screenshot te zien passeren. “Dat is ook de reden waarom wij hier na al die tijd zo samen kunnen zitten”, zegt hij na een noodzakelijke stilte. “Wij hadden het altijd goed met mekaar voor. Wij wisten dat het fout zat ook al spraken wij het niet uit, maar wij konden geen oplossing verzinnen en dat is niemands fout. Hiermee moeten wij nu beiden leven.” De rest van de avond doet ons deugd. Het gaat over koetjes en kalfjes. “Maar waarom toch doet die zin: A mind wants to forget but a heart will always remember. mij zoveel?” Waarom raakt het die ongenezen plek in mijn hart?”, vraag ik opeens, zonder overgang en zonder enige terughoudendheid. “Ach, je hoorde het, half slapend, in een Amerikaanse televisiefilm, je weet wel, die kleffe films waar altijd alles goed komt en die zin is gewoon blijven hangen”. Ik kan niet loslaten, toen niet en nu niet. “Ik zal dit moment en deze avond nooit vergeten”, zeg ik en ik wijs naar mijn hart. “Vul mijn glas en doe mij lachen, “ zegt hij.

Anne-Marie De Clercq
0 0

Flamenco, por favor!

“Je grenzen opzoeken, dat raad ik je aan,” zei Serge, mijn loopbaanbegeleider uit het Oostvlaamse Lovendegem. “Stap uit je comfortzone.” Met zijn handen opengesperd op de armleuningen van de fauteuil, priemden zijn ogen recht de mijne in. Ondertussen borst en Bourgondische mansbuik vooruit. “Ga es naar de sauna,” (zot!) en “Neem es het vliegtuig naar Spanje en loop daar twee dagen alleen rond”.   Twee dagen? Twee landen verderop? In 2011 deed ik drie weken India voor een cursus. De laatste twee dagen in Mumbai heb ik met veel plezier in mijn eentje de weg gevraagd, logies gezocht, bedelaars afgewimpeld, afgedongen op Indische koopwaar en in het holst van de nacht een wilde taxirit beleefd. Hoezo grenzen verleggen?   Dus, de sauna. Maar dat is een ander verhaal, beste lezer. “Dat is een hans ander verhaal”, zou de Serge zeggen.   Whatsappt een vriendin mij eerder van't jaar: “Seg Esmé, hebt gij goesting om mee te gaan naar Barcelona ? Ah nee, dat interesseert u nie zeker, het Zuiden.” Nee inderdaad. Macho’s, droge sossissen, en siesta in de zon tot het reetzweet langs uw benen in uw sletsen drupt. No me gusta. In een ver verleden ging ik Engels-Spaans studeren. Algauw bleek ik geen klik te krijgen met de taal van de tapas en tortillas. Het volgend jaar koos ik voor een andere studie. De basis was gelegd. Spanje en ik, wij zouden nooit vriendjes worden.   Kanttekening: Mijn schoonmoeder-sinds-vijftien jaar is lichtelijk geobsedeerd door el sur. Haar zus is getrouwd met een Spanjaard en woont al meer dan 40 jaar in Barcelona. Mijn schoonzus danst al jaren Flamenco. Ze heeft haar lief, de broer van mijn man, leren kennen tijdens de Spaanse les. Die schoonbroer is van opleiding vertaler Engels en… SPAANS!   En dan, een citytrip naar Barcelona in mei. Met een vriendin op vakantie, een kamer delen. Vijf volle dagen met iemand anders dan mijn echtgenoot. In een land waar ik evenveel affiniteit mee had als een stier met een stierenvechter. Grensoverschrijdend genoeg voor een introverte hoogsensitieveling?   Bueno, ik kan vertellen over het mooie weer, de uitstekende locatie van onze B&B, de sympathieke gastvrouw, de liters sangría, heerlijke veggie paella, goddelijke churros con chocolate, etcetera etcetera. Maar ik wil het hebben over de ervaring die er met kop en schouders bovenuit stak. De ervaring die mijn weerstand tegen “alles Spaans” met de grond gelijk maakte.   Flamenco, por favor!   Dankzij een plaatselijke kennis van mijn reisbuddy kreeg ik de kans om zaterdagavond mee te gaan naar een flamenco-optreden. “Zoek maar es op”, zei Emmanuelle de avond voordien bij een sangría tussen de locals. “De show heet Fla.Co.Men. Ik heb nog een ticket op overschot.” Oorspronkelijk wilde ik op zaterdag de gratis museum night meepikken. Let wel, ook buiten mijn comfortzone! Maar als het lot mij onverwacht een ander plan voor de voeten gooit, wil het universum me iets duidelijk maken. Ikke mee, nada opgezocht, want flamenco, dat is toch hevig opgemaakte dames in zwierige rokken, met boze gezichten, stampvoetend en castagnettend in het rond, no?   No! Of toch niet uitsluitend. Het is ook Israel Galván, een vernieuwend flamencodanser, een man. Uit Sevilla, stad der Flamenco. En ik met een ticket voor op de eerste rij, pal in ‘t midden. Het begon vreemd. ‘t Is te zeggen, hij bracht kort enkele typetjes naar voor. Ondanks mijn weinige kennis Spaans, begreep ik dat hij zo de draak stak met de traditionele en behoudsgezinde flamencobeweging. Oh, een rebel? Mmmm…  Stap voor stap kwam de show op gang. Aye caramba, que espectáculo!   Ik begon te snappen waarom mijn compagnie vond dat je flamenco vanop de eerste rij moet beleven. Met momenten dreef het zweet voorbij in de lucht. Gestamp in mijn maag. Geklap in mijn hoofd. Opzwepende muziek met doordringende zang. Geen houden aan, in mijn hart ontvlamde la pasión. Israel Galván haalde me uit mijn hoofd en deed me VOELEN, met de tranen brandend achter mijn ogen. Niet van tristesse, maar van pure heerlijke emotie binnenin. Sta me ook wat drama toe, na al het drama op het podium: Als nadien een bus mij had overreden, was ik perfect gelukkig gestorven!   Awel Serge, wat zeght he daar van?

Esmé Lemmens
79 0

Remember Toots

Hoe fier ben ik, dat ik het je, haast twintig jaar geleden, zelf heb mogen en durven vertellen. Het verhaaltje van mijn schoongrootmoeder.    Jij was te gast op de stand van een luxemerk op het autosalon te Brussel. Toen ik met een vriend langs de andere kant van het afscheidingstouw voorbij wandelde, zagen en begroetten wij je.  Je was de eenvoud zelve en in plaats van op ons neer te kijken, zoals  vele andere grootheden zouden doen, groette je hartelijk terug en wenkte ons.  De securityman wist ook wie je was en liet ons tegen zijn zin op jouw wenken door.   Jouw warme handdruk, je eeuwige “smile”, het glas dat wij samen dronken – het is een herinnering om te  blijven koesteren.  En jouw muziek natuurlijk.    Toen vertelde ik je de “story” van mijn bejaarde “grand mother in law”.  Zij keek maar naar één TV kanaal maar telkens  ze je zag,  vond ze er maar niks aan.  Zo een oude man die op een speelgoedharmonica muziek maakte.   Je kon er hartelijk om lachen want je wist beter dan wie ook dat dit kleine instrument jou wereldberoemd had gemaakt.   Van dat beroemd zijn hield je niet en “you could not care less”, dat je geadeld werd lachtte je weg met  “je suis le Baron des Marolles”.  Of het de grootste muzikanten ter wereld waren of de ketjes uit jouw geliefde Brussel, het waren allemaal “copains” en “best friends”.   Vele bewonderaars zullen vandaag een traan wegpinken en denken aan een of andere attentie die ze van jou mochten ontvangen of simpelweg wegdromen bij de heerlijke muziek die je aan vele generaties hebt cadeau gedaan.   Merci, Toots, ge waart nen toffe pee en wij zaain gielegans geperturbeet en van os melk moar we zaage en hoerdege  a zuuu geire !   

Vic de Bourg
22 0

voodoo

Guido Belcanto zong ooit iets over botsauto’s…het melodietje zoemt door mijn hoofd wanneer ik mijn persoonlijke verkeersagressie-climax bereikt heb. Wat zou ik soms wensen dat ik in een botsauto zat, en die dikke mercedes rammen die mij net voorbijscheurde tegen 90 per uur, net op het stuk waar de snelheidsbeperking overgaat van 70 naar 50. De bestuurder gooide mij in de vlucht een verwijtende blik toe, als was ik een crimineel die al het verkeer tegenhield. (Naar alle evidentie is het waanzin om hem echt te rammen met mijn 15 jaar oud mazda’tje dat ik elke dag op mijn knieën dank dat het mij nog naar mijn werk en terug wil brengen.) Als ik om de volgende bocht moet afremmen omdat het licht op rood staat en ik mr bigshot met zijn vette bak al aan het licht zie staan, laait mijn botsauto-goesting weer hevig op. Wat heeft hij nu meer bereikt dan zijn versnellingen naar de haaien te rijden, mogelijk bijna drie ongelukken te veroorzaken en ei-zo-na geflitst te worden? Nu staan we hier naast mekaar voor het rode licht te wachten. Time is money, maar hem heeft het tot hiertoe niet veel opgebracht. Mijn bloed kookt en op dit punt is de neiging heel groot om mijn agressie non-verbaal tot uiting te brengen, je weet wel, die geweldige middelvinger, het zou toch zo opluchten… Maar verstandig als ik ben, blijf ik braaf voor me uitkijken (god sta me bij, ik zou een moord begaan bij het zien van de zelfvoldane uitdrukking op zijn gezicht (‘Ik sta dan wel voor het rode licht, maar ik heb toch nog altijd een vette mercedes van drie miljoen hèhè….aaargh!’)). Het licht springt inmiddels op groen en het vergt elk greintje zelfbeheersing in mijn vezels om niet als een gek op te trekken en mijn autootje daarmee de das om te doen. Meneer slaat linksaf, en ik kan het niet nalaten om hem in de spiegel na te kijken met een venijnige blik in mijn ogen. Zie ik hem toch niet stoppen voor een voetganger zeker, een knappe kortgerokte jongedame, die wil oversteken op een plaats waar niet eens een zebrapad is, ze glimlacht uitgebreid naar de galante man in zijn vette mercedes. Oh my god. Door al dat spiegelkijken ben ik zelf niet met mijn ogen op de baan, en mis op een haar de spiegel van een slecht geparkeerde auto aan mijn rechterkant. Snel zwenk ik wat naar links, puur reflex. Oef. Vijf kilometer verder is er een politiecontrole. Een agent beduidt me dat ik opzij moet gaan staan. Ik heb niet gedronken, ik reed niet te snel, gewoon routinecontrole. Niks aan de hand. Een andere agent stapt op mijn auto toe en ik laat het raampje zakken. “Gordelcontrole mevrouw. Mijn collega heeft u net nog uw gordel zien vastmaken. U weet dat het verplicht is de gordel te dragen?” Uh, huh? Ik draag mijn gordel altijd, en vandaag was geen uitzondering. “Excuseer mijnheer, maar ik had mijn gordel wel degelijk aan…” probeer ik nog. “Mevrouw,… Mijn collega heeft gezien dat u uw gordel aandeed. Daarom heeft hij u laten stoppen. Ik zal u moeten beboeten.” Ik ben sprakeloos, mijn botswoede slaat nu om in een uitzinnige razernij, die helaas geen enkele uitlaat vindt, het is immers zijn woord tegen het mijne. En gelijk of niet, ik heb te maken met een agent, en iedereen weet dat agenten uitzinnig woedende mensen nog eens extra op de bon zwieren voor smaad. Dus ik zwijg. Lijkbleek geef ik de agent mijn papieren, we wisselen verder geen woord meer. Als ik later thuiskom, nog steeds in onbegrip en zinderend van woede, laat ik mijn frustratie de vrije loop op de zitting van de sofa. Ik beeld me in dat het kussen Mr Mercedes is, dan weer de agent, dan weer Mr Mercedes, enz… Ik sla zo hard ik kan en probeer op telepathische voodoowijze beide misbaksels op zijn minst een paar ferme blauwe plekken te bezorgen. Verkeersagressie is geen lachertje.

LL Rigby
0 0

Als ik eens...

Als ik eens...  als ik ooit... of had ik maar...   Vaak begint terugblikken op wat voorbij is of vooruitkijken naar wat nog moet komen met deze gedachten maar ze leiden ons af van waarover het zou moeten gaan nl vandaag, nu, het moment.  Toch betrap ik me er ook af en toe op dat ik tijdens nachtelijke hersenwandelingen afdwaal en de geschiedenis wil herschrijven of dat ik onrealistische veel te ambitieuze toekomstscenario's opmaak. Op een van mijn nachtelijke mijmeringen ging ik 20 jaar terug en zocht ik een antwoord op de vraag die je me stelde tijdens onze laatste ontmoeting.  Waarom? Ik weet nog dat ik toen overtuigd "ik weet het niet": antwoordde.  Dat was een eerlijk antwoord.  Maar met dat stompzinnig, eerlijk antwoord schoot je niks op en die 4 woorden maakten je boos, machteloos en verdrietig. Ik heb je nadien nooit meer gezien of gehoord.  Geen woord, geen briefje tussen de ruitenwissers.  Geen "toevallige botsingen" op de meest onwaarschijnlijke plekken. Geen telefoontje.  Geen niets.... 10 jaar wel of net toch weer niet hadden jou en mij geen goed gedaan en hadden je wellicht gedwongen tot een beslissende keuze.  Een keuze die vast noodzakelijk was om mij uit je vezels en vanonder je vel te krijgen.  Keuzes die ik niet kon maken. Ik ben blijven worstelen met je laatste vraag. Waarom? Waarom niets?  Wij soulmates for life.  Gelijkgestemde, stapelzotte, hopeloos verliefde zielen voor elkaar bestemd tot het einde der tijden? Ik wist het niet .... Vandaag 20 jaar later weet ik het wel maar vraag ik me af of een antwoord er nog wel toe doet.  Laat je een herstelde achilleshiel niet best ongeroerd of zou je er alnog mee gebaat zijn een antwoord te krijgen? Zouden we dan...? En dan bedenk ik me dat afdwalen in mijn gedachten me maar afleiden van waar het moet over gaan en dat is vandaag, nu, het moment. De geschiedenis is geschreven en verandert niet meer tenzij in slechte amerikaanse jaren 80-films. Maar als ik morgen de lotto win.... of als ik in pensioen ben...of als ik morgen toevallig tegen je aan bots op een braderij...  dan...   dan misschien?   <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" width="300" height="150" data-extension-version="0.5.0.161" data-supports-flavor-configuration="true" data-install-updates-user-configuration="true"></object> <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" data-install-updates-user-configuration="true" data-supports-flavor-configuration="true" data-extension-version="0.5.0.161"></object>

jan pultau
0 0

Wat een geluk - ik erger me weer dood aan alles en iedereen

Welk een genoeglijke uurtjes heb ik tot nu toe al beleefd aan de biografie van Geert van Oorschot. Er zit vaart in, er passeert een hele reeks dode schrijvers/dichters/redacteurs/recensenten de revue waarvan je denkt: allemaal aanzetten tot wederom waarschijnlijk wonderlijke biografieën - het is gespekt met zo mag ik verhopen waarheidskundige details (dat is welzeker, auteur/biograaf Arjen Fortuin tekent hier voor een titanenwerk) en vooral ook: er wordt - althans in deze fase van het boek, zo ongeveer middenin - kwistig rondgestrooid met citaten van de uitgever zelve uit brieven en telegrammen allerhande (het telegram! ik hing gisteren anderhalf uur aan de lijn van een ouderwetse telefoon - ik kan alleen maar hopen dat deze beeldcultuur-jeugd dat genoegen op een dag ook nog eens mag smaken). Het is een boek zonder maren die zich opwerpen, twijfels of ongerijmdheden die zich in het riet zouden verbergen. Het is bovenal een inspirerend boek.   Maar kom, voor zij die graag 'maren': de biograaf maakt door het belichten van bepaalde fasen en contacten (en soms expliciete terzijdes) natuurlijk een keuze: als hij daarbij patronen ontwaart (Van Oorschot als ruziemaker, als op de kleintjes lettende commerçant, als ... ) dan zou je weleens kunnen durven denken: echt? echt? Selecteren is ook propageren - maar zoals gezegd: ik neem aan dat deze keuzes niet uit de lucht komen vallen / al ontbreekt er dan ook wat vergelijkingsmateriaal (hoe zat dat bij andere uitgevers? hoe was die hun relatie met hun poulains, dichters, schrijvers?) Maar dat is maar een kleine maar, geen bezwaar om ongestoord te kunnen genieten van dit boek - mooi uitgegeven bovendien, al zou ik weleens willen weten op welk papier het nu is gedrukt.   Het fijne aan dit boek - althans, zoals ik het nu ervaar - is niet hoe Geert van Oorschot tot leven wordt geroepen - al zijn de citaten zoals gezegd wel een cadeautje van over het graf, ze geven inzage in temperament en strategie van een man die hoewel gedreven toch ook blijkbaar regelmatig redelijk 'stoemelings' succes oogstte. Het is eerder hoe er ook iets van zijn geest in de lezer lijkt te varen. Passie, gedrevenheid, voortvarendheid, durf. Maar ook: ergernis. En zodoende kan ik alleen maar met de grootste vreugde constateren dat ook ik opnieuw mijn ergernis terug heb. Ik erger me weer dood aan alles en iedereen, niet het minst aan mezelf. En welk een prachtcadeau is dat! Want door praktische modaliteiten en welwillende liefdesomstandigheden leek ik de laatste maanden wel meer dood dan levend. Maar dank god - of Fortuin of Van Oorschot - dus voor dit boek. Want is het niet bij een bijkanse regelmaat van ongeveer elke pagina dat ik denk: het verleden is springlevend, hoezeer toch zijn bedenkingen, oprispingen en kanttekeningen over macht en onmacht van literatuur van alle tijden.   Hoe Van Oorschot halsstarrig probeert een goed tijdschrift uit te geven (geniaal toch, zo'n satelliet rond een uitgeverij om te wegen op het publieke debat - vandaag reiken de ambities niet verder dan de omzet en het aankopen van wat kutkunst). Zo'n Hermans die verzucht dat het tijdschrift in kwestie geen aandacht heeft voor de actuele literaire ontwikkelingen (wat zouden die ontwikkelingen van vandaag dan wel mogen wezen, vraag ik me af). Hoe de uitgever zich ergert aan slappe literaire kost en lamlendige positioneringen ... Ik leef op bij zoveel voortvarendheid, bezieling, energie. Het is een misprijzen dat bij Van Oorschot altijd gepaard gaat met de hoop op beterschap.   En zo dwaal ik tijdens het lezen af in mijn eigen geestesbibliotheek van ongerijmdheden. Bekijk die dorheid die ons tegenwoordig overspoelt - zo van die gesubsidieerde 'wat nemen we onszelf toch ernstig' literaire magazines waar je met de beste wil van de wereld geen leven in kan schoppen. Zo van die in de publieke ruimte oprijzende figuren die je eigenlijk gewoon in een pennenzak kan steken: ze hebben dezelfde goede opleiding gehad, ze lezen dezelfde boeken, ze gaan naar dezelfde conferenties, en ze vertellen dezelfde lauwe prut - zelfs hun vertelstramienen zijn aan elkaar ontleend. Zo van die columnisten die zich druk maken over het kapitalisme in een kapitalistisch medium - op hun bananenschillen stormen ze de berg af - maar zeg hun niet dat het richting ravijn is. Het is een zichzelf repeterende draaikolk die me alleen nog maar doet kokhalzen. En terwijl ik bijna stik in mijn ergernis, voel ik me zo ook weer wat vrijuit ademen. Een politiek geworteld magazine met literaire bijdragen! Waarom zou het ook vandaag niet kunnen? Ik zie bijvoorbeeld vrucht in een communisme light (Van Oorschot draait zich om in zijn graf): kapitalistische uitwassen behoeven correcties, en daarmee val je heus niet het hele systeem aan. Armoede, overbevolking en hoge huurprijzen: het zijn serieuze onderwerpen die licht kunnen gebracht worden. Het zijn onderwerpen die door de schrijvers van vandaag vakkundig vermeden worden, omdat ze er gewoon geen weet van hebben, niet willen doorgaan voor een zeur (iedereen weet/kent het al) of zich vooral politiek neutraal willen positioneren. Kortom: het zijn onderwerpen die voor het rapen liggen, ze wachten alleen nog op de juiste schrijver(s).

Guy Bourgeois
25 0

Olifantjes

Gisteren was ik op bezoek bij een nicht van mij, bij wie ik nog niet eerder geweest was. We willen een familiereünie organiseren en dus nodigde zij me uit bij haar thuis om dat voor te bereiden. Ik parkeerde mijn auto voor een ruim, rood huis dat op een sobere manier verbouwd is, met grote ramen. De binnenmuren zijn gesloopt, de open keuken vormt één geheel met de leefruimte en een kind kan er makkelijk op zijn loopfietsje doorheen crossen. Een huis naar mijn smaak. Rommel lag er nergens en veel decoratieve afleiding was er ook niet, op één bijzonderheid na. Tegen de leemkleurige wand stond een glazen kast vol olifantjes. Meer dan honderd beestjes in alle mogelijke kleuren, materialen, houdingen; geen twee dezelfde. Het deed me aan mijn vader denken. Mijn vader was een milde verzamelaar. Wat mijn moeder in een vuilzak stopte, haalde hij er stiekem weer uit. Ik heb zijn liefde voor spulletjes en prulletjes niet geërfd, maar wel iets anders. Een verzameling eendjes. Meegebracht uit het buitenland, gekregen voor zijn verjaardag, gekocht op een rommelmarkt. Na zijn dood was niemand kandidaat-overnemer, ook mijn moeder niet. En dus zijn ze bij mij beland, in een doos in de kelder. Tot nu. Door een vreemd samengaan van toeval en inspiratie, heb ik de eendjes bevrijd – althans een deel ervan – en er het logo van gemaakt voor mijn eigen schrijfbedrijf. Moest ik zonder ouders op de wereld zijn gekomen, had ik nooit gekozen voor de eend als mascotte. Ik heb het nochtans voor vogels. Mijn behangpapier huisvest kolibries, ik lok kwikstaartjes en winterkoninkjes met mezenballen naar mijn tuin en mijn totemdier is de adelaar. Vogels in combinatie met lucht inspireren mij meer dan hun broeders in het water. Ik ben een denker, misschien ligt het daaraan. Mijn geest voelt zich thuis in het hemelrijk van ideeën en mogelijkheden. Ooit zei mijn werkgever mij dat ik van een andere planeet leek te komen, maar hij riep mij wel altijd bij zich om te brainstormen en gedachten op een rijtje te zetten. Ik was een ware denkmachine voor hem. Zo buitenaards was ik dan toch ook niet, als ik bruikbaar was op de werkvloer. Mijn vader was anders. Hij haalde honden en pony’s in huis. Stippelde op zondagochtend een fitnessparcours uit voor de hele buurt. Floreerde achter de straatbarbecue. Ik heb me daar weinig mee bezig gehouden, ik zat met mijn hoofd in de boeken of in de wolken. Ver van hem alleszins. Maar kijk, tijd overbrugt alle kloven. De persoon die mij verwekt heeft, heeft sporen getrokken en voor de zekerheid heeft hij dat niet alleen genetisch of virtueel gedaan. Hij heeft iets tastbaars nagelaten, een collectie watervogels. Waarmee ik een eigen creatie heb gemaakt: een symbool voor mijn talige bezigheden. En waardoor verzamelingen, olifantjes of eendjes of wat dan ook, voor mij een deur openen naar een schatkamer vol verhalen. Soms wordt de cirkel na een lange onderbreking weer rond.

Johanna-Tara
0 0

Terreur en schelpjes

Ze waren met het derde leerjaar een week op Musicaklassen, en mijn jongste dochter was mee. Volgens haar grote zus een week om nooit te vergeten: een prachtig domein in Neerpelt met park en riviertje waar ze hun energie kwijt kunnen in het muziekbos en de speeltuin, afgewisseld met toneel, muziek en lekker eten. Weinig slaap na de eerste nachten en veel gegiechel horen er ook bij en naar vrijdag toe; de beginnende heimwee en de troostende woorden van een juf.   We hebben samen haar valies ingepakt en haar zus heeft hier en daar een briefje verstopt. Na het afscheid op maandagochtend vertrekt de bus en zijn we benieuwd of ze tijd zal vinden om ons een briefje terug te schrijven (of het te druk zal hebben met plezier maken. We hopen het laatste.) De volgende ochtend al vinden we het veel te stil aan tafel.   Toen ik in de lagere school zat gingen we geen week weg, laat staan twee dagen. Onze kinderen zijn tegenwoordig flexibel, en sommigen gaan al van het eerste leerjaar een week op kamp in de zomervakantie. Al dan niet met een beetje overtuigingskracht van de Chiroleiding en ouders; want ze is nog maar acht, wel sterk, maar ook gevoelig.   Vorige zondag nog, was er een daguitstap met de Chiro naar Technopolis in Mechelen. ’s Morgens met de trein vertrekken, ‘s avonds om vijf uur terug. Weer een rugzakje gepakt; ‘Alles bij? Koek? Water?’   Plots, als uit het niets kijkt ze me aan en zegt: ‘Mama, ik wil niet met de trein naar Technopolis, want ik ben bang. Bang dat er bommen komen.’ En ze weent een beetje. Ik sta even perplex, en ook opa, zus en papa die vlakbij staan. Ik kniel bij haar neer en sla in mijn achterhoofd bladzijde één van de handleiding open die ze ons net na de aanslagen in Brussel hebben aangereikt via de media: ‘Breng je angst niet over op kinderen, ga een vraag niet uit de weg.’   Ik zeg dat het normaal is dat ze daar ongerust over is en verzeker haar dat de Chiroleidsters zo’n uitstap niet zouden plannen als het niet veilig zou zijn. En dat er politie en soldaten zijn die overal voor ons een oogje in het zeil houden, zodat wij gewone dingen kunnen doen zoals op stap gaan. En dat de kans héél klein is dat zoiets nog eens gebeurt. Ik hoor mezelf; de woorden die uit m’n mond komen en weet niet of het voldoende is. Ik zeg:’ …én ik heb voor jou een geluksbrenger,’ waarna ik op goed geluk mijn rommeldoosje neem waar witte schelpjes in zitten. ‘Het moet iets uit de natuur zijn, iets dat jij zelf kiest, een schelp zou perfect zijn.’   Ik wil haar niet dwingen om te gaan, zeg ik bij mezelf, maar ze neemt een schelp voor haar en voor zus (want die gaat ook) en steekt het na een korte keuring in haar zak. ‘Die brengt je geluk, dat zal je zien.’ En ik haast me erna om te zeggen dat als ze de schelp verliest, dat niet erg is, maar betekent dat ze de geluksbrenger niet meer nodig heeft -je weet maar nooit-.   Ze zegt: ‘Oké,’ en ik veeg haar tranen weg. En zie: ze gaat weer verder met de orde van de dag. De schat. Ze heeft onbezorgd van de dag genoten en over de schelp wordt niets meer gezegd die avond. Ik praat nog met een vriendin over het voorval en ook zij zegt dat ze soms twijfelt om haar kinderen zomaar op daguitstap te laten vertrekken. Stel dat je je kind laat gaan nadat je het overtuigd hebt en er gebeurt toch iets… Gelukkig nemen we de draad en onze agenda’s weer op in de overtuiging dat we ons niet mogen laten remmen door te grote angsten en wat-als-ramp-scenario’s.   Toch was ik verrast toen ik gisteren haar briefje las dat kwam met de post vanuit Neerpelt.   ‘dag Mama en papa, de eerste dag ging al goed! En die geluksbrenger helpt echt (die schelp) en ik mis jullie echt.’  J.   Het houdt je toch bezig, de gemoedsrust van je kind. En blij dat een schelp helpt tegen angst voor terreur.

Katelijn Van Hove
0 0

Daily Mile 3

Dit weekend liep ik niet, maar deden we een boswandeling met de familie. Volgens de Fitbit van opa (Fitbit, The Next Generation of Activity Tracker!)  hebben we elk ongeveer tweeduizend calorieën verbrand. Het compenseerde op zijn minst de twee croissants bij het ontbijt. Wandelen in groep is anders dan alleen. Als ik de mijl loop, is dat bijvoorbeeld zonder muziek. Dan mag mijn brein even van de leiband. Ik laat haar los, waarna ze de eerstvolgende mijl vanop het hoogste punt van mijn lichaam even mag doen waar zij zin in heeft.   De wandel-zoektocht van zaterdag is werken: ze start in miezerige regen en eindigt met een stortbui. Ik hou me bezig met de mensen rondom mij, want dat is wat je doet als je wandelt in groep. Ik  grap en zing voor de jongste (lagere school-) generatie en prijs hun doorzettingsvermogen als ze na kilometer vier doornat en uitgezocht zijn, maar toch volhouden. Ik deel mijn rozijnenkoeken uit aan iemand met een te laag suikergehalte terwijl ik mijn hoofd breek op een vraagstuk (iets met getallen ontbinden in factoren). Tegelijkertijd vervloek ik mezelf omdat ik zo dom was om de stapschoenen in de kast te laten staan en de kinderen in hun nieuwe witte sneakers op pad te sturen in de sompige Ardennen. Maar, eerlijk? Ik heb van de wandeling genoten.   De mijl die ik vandaag loop, thuis, is nog steeds afzien. Mijn spieren protesteren, vooral de quadriceps boven mijn linkerknie en echt lichtvoetig ben ik niet. Desondanks keek ik afgelopen weekend in het bos wandelend uit naar vandaag. Buiten de conditie die ik hoop op te bouwen, heeft het lopen me vorige keer geïnspireerd om te schrijven (en het vooruitzicht op minder heen en weer zwaaiend loshangende delen –zie vorige mijl- helpt natuurlijk ook).   Echt spannend was mijn tocht niet. Wel heb ik twee vliegjes gegeten uit de zwerm boven het hobbelige voetpad net na de Duivelsdam. En het lukte me om niet te struikelen. Ik ontweek een tiental bruine naaktslakken die mijn pad kruisten (of kruiste ik hún pad, en hoe snel gaan die beesten eigenlijk, weet iemand dat?) en zag een kadaver van een vogel, zijn lijf half vergaan.   In de straat die door de wijk liep, kwam een jonge, mannelijke loper mijn richting uit (een exemplaar uit categorie één). Ik haalde mijn brein even uit zijn dagdroom en vroeg haar wat ik moest doen. Moet ik knikken? Moet ik ‘dag’ zeggen? Snel! Geen oplossing voor deze kwisvraag. Dus knikte ik vriendelijk toen hij me op twee meter passeerde. Maar hij negeerde me, net als de slakken deden, dus dat hebben we dan ook weer geleerd. Misschien zwaaide mijn hoofd nog steeds te hard heen en weer. Of las hij toevallig mijn blog en ergert hij zich aan het gewauwel dat ik aan zijn heilige sport koppel. En aan de te verwaarlozen afstand die ik ‘loop’. Een mijl, laat ons eerlijk zijn…   Maar kom, het geeft een mens eens wat stof tot praten, en ik verander nu eenmaal graag  van gewoonte. En wie weet waar het ons nog brengt.

Katelijn Van Hove
0 0

Daily Mile 2

Vandaag was het een moeilijke mijl. Ik besef dat lopen fysica is, een vak waar ik in het middelbaar ooit herexamen voor had. Ik herinner me nog de formule: F = M . A  (als ze die vragen op een kwis kop ik ze binnen). Kracht is Massa maal Versnelling. Fysica dus: massa, snelheid, neerwaartse en opwaartse kracht, noem maar op. Alles moet op fysiek vlak ineen vloeien en op elkaar worden afgestemd. En daar is bij mij lang nog geen sprake van. Het klinkt allemaal cool, maar mijn enige versnelling is net vóór het bruggetje, waar de weg even bergaf gaat.   Ik raakte al bij straat twee niet meer vooruit en voelde mijn bil- en kuitspieren vechten om mijn lichaam in voorwaartse richting te houden. Dam. Dam. Dam. Ik wist zeker dat ik op de zandweg putten met schoenmaat éénenveertig achterliet en ik vroeg me af waar ik in godsnaam mee bezig was. Het lopen voelde onnatuurlijk aan en halverwege de Duivelsdam leek het alsof iemand mijn keel dicht kneep en werd ik een beetje licht in mijn hoofd. Wat een afgang. Ik besluit er geen martel-mijl van te maken en ik sta mezelf toe een paar meter te stappen. Misschien zitten de glaasjes cava van deze middag er voor iets tussen. Maar, geen excuses, vooruit is de weg en ik hoop dat ik binnen een twintigtal mijl als een hippe hinde loop en hongerig naar meer en sneller snak. Doorgaan dus. Dam. Dam. Dam.   Ik passeerde de grote boom die over de wegel hangt. Ik tel even: het is ongeveer vierentwintig jaar geleden dat ik er met vriendinnen onder heb gestaan. Vierentwintig jaar geleden dat ik hier in het dorp het middelbaar verliet. De school is afgebroken, er staan appartementen nu en tijdens mijn loop passeer ik minstens twee huizen van oud leerkrachten. Dat was nog eens een tijd. De beste schooljaren, vind ik, voor mij. De lagere en middelbare school.   Ik liep de voorlaatste straat in en een tractor passeerde mij. Traag, net als ik.  De komende honderd meter ademde ik zijn stinkende CO2 binnen. Ik overwoog om een andere straat in te slaan maar bedacht me. Wat doen lopers in een stad? Daar rijdt het vol auto’s en sta je om de haverklap voor een rood licht waar auto’s stationair draaien. Loop je dan ’s morgens, voor de spits, of maakt dat geen verschil?   Je hebt hier veel weekendlopers. Meestal zijn het vrouwen. En je kan ze makkelijk opdelen in twee categorieën. De eerste categorie zijn de slanke lopers. Ze zijn in topconditie en meestal volledig uitgerust met smartphone om de arm en oortjes, aerodynamisch broekje in flitskleurtje en short met band en drinkflesje. Dan heb je nog de tweede categorie (waar ik toe hoor): de nijlpaarden die log en met oververhitte rode kop stampend en naar de grond kijkend komen aanlopen met een lijf dat (nog) niet in de loopkleren past. De dam-dam-dam-categorie. Ik zie trouwens nooit mannen in die tweede categorie. Die zijn slimmer óf ze zijn ijdel en verkiezen het om geen mannelijke nijlpaardversie te zijn.   Ach ja, ‘het is wat het is’ denk ik dan. De ‘M’ zal wel kantelen (de Massa, weet je nog). Dat hoop ik toch, want ik voelde ze meedeinden, overtollig, op interessante plekken. De eerste massa (in tweevoud) hangt ergens onder mijn rug weet ik nu: op en neer gaat mijn achterwerk. Het lijkt alsof het los hangt. De tweede massa (mijn buik) zou normaal gezien het meest moeten meebewegen maar was stevig en veilig ingesnoerd in mijn loopbroek en de derde massa (ook tweevoud) hing onder mijn bovenarmen en ging ook mee op het ritme. Ik zou mezelf wel eens willen zien lopen (of toch maar niet, misschien stop ik ogenblikkelijk).   Misschien onbelangrijk maar; ik vroeg me af of mijn hoofd zo heen en weer hoort te zwaaien. Het viel me op dat tijdens het lopen mijn hele gezichtsveld heen en weer beweegt. Hebben alle lopers dat? Auto’s die op opritten geparkeerd staan zwaaien naar me toe (en gelukkig weer naar hun plaats), de straat en huizen hetzelfde, telkens als ik het één voor het ander been neerzet. Zou er een ideale loophouding zijn? Zoals Tom Cruise in de film Mission: Impossible. Als hij ‘rent voor zijn leven’ (of dat van iemand anders) zie je zijn borst en hoofd in een strakke, rechte lijn vooruit bewegen, razendsnel, terwijl zijn benen en armen het pompwerk doen. Tak. Tak. Tak. Blaadjes waaien ondertussen op. Ik vraag me af of hij daar op getraind heeft. Bij mij waaien blaadjes niet op. Als ik zo morgen probeer te lopen zie ik er gegarandeerd uit als een idioot. Of misschien gaan mensen van achter hun gordijnen elkaar aanstoten en zeggen: ‘Kijk, zij daar loopt als Tom Cruise in de film Mission: Impossible.’ ‘Goed gezien jongen, zo hoort het ook: hoofd en borst onbeweeglijk, armen en benen moeten pompen, pompen, pompen.’ Dam. Dam. Dam. Ik heb nog een lange weg te gaan. Zucht.   Na mijn vorige mijl had ik een slechte nacht. Ik raakte maar niet in slaap, en om half vier stond ik op om de dingen uit mijn hoofd te typen. Ondanks mijn slechte F=M . A, had mijn mijl door het dorp toch meer bij me losgemaakt dan enkel mijn spieren (die al een jaar bezig waren aan hun winterslaap). Herinneringen die diep in mijn geheugen gestockeerd waren, verdrongen zich één voor één. Ze horen bij de straten en huizen die ik gepasseerd was, ze waren er ontstaan. En herinneringen verdwijnen bij mij niet  vanzelf, ik moet ze één voor één toelaten, ze erkennen en op de een of andere manier terug proberen vermalen tot pulp. Dus pen ik ze neer, of zet de computer aan, zoals gisterennacht.   En zo werd die mijl die ik liep, een extra mijl in mijn hoofd.

Katelijn Van Hove
0 0

Daily Mile 1

Vandaag loop ik mijn eerste mijl. Er hangt regen in de lucht en de temperatuur is aangenaam en zacht. Het is half juni en windstil, maar boven drijven grijze regenwolken onder witte slierten die de helderblauwe lucht proberen te beschermen. Af en toe is de zon te zien. Als ze er is geniet ik van haar warmte en de vitaminen die ik zo binnenkrijg. Het is vrijdag (het magische woord vrijdag!) en ik heb de dag voor mij alleen.  Wassen, poetsen, rommel opruimen, administratie doen en mijn Daily Mile lopen.   In een lagere school in Schotland lopen kinderen een ‘Daily Mile’, elke voormiddag, als ze wat onrustig worden. De buitenlucht en de beweging verbetert hun aandacht, geeft betere schoolresultaten en er is minder overgewicht. Sinds kort is het ook overgewaaid naar Nederland en België (Tia Hellebout is zelfs meter van het project). Als kinderen dat kunnen, dan ik zeker. Geen gedoe meer met ‘Start to run’, iets wat ik vol overtuiging begon, maar niet volhield. Want een mijl, één komma zes kilometer, net genoeg voor een blokje om, duurt niet lang. Ik stop wanneer ik zin heb, of als mijn linker beenspier het vraagt, en wie weet kan ik hem na een tijdje ook hardlopen. Elke dag een korte, hevige sprint op je fiets of hard rennen doet wonderen voor je lichaam zeggen ze.   Ik loop zeven straten, zes eigenlijk, want één ervan is een verhard pad, een doorsteek langs een veld en dan een stuk langs de lange, bakstenen muur van het kerkhof waar kruisen bovenuit steken. Er staat een grote boom, en een herinnering springt op. De boom stond er al toen ik in de middelbare school zat, en er elke dag voorbij fietste (of er soms stopte om met vriendinnen rond te hangen) alleen is hij groter nu. Hij staat aan de rand van het maïsveld, naast de beek en hangt met zware takken vol bladeren over het verharde wegje, zodat hij al het licht wegneemt en je van ver niet goed kan zien hoe het pad erachter verder gaat. Het verharde weggetje sprak vroeger tot de verbeelding, want iedereen noemden het ‘de Duivelsdam’. Nergens hangt een bordje en ik heb me altijd afgevraagd wie die naam verzonnen heeft of waar hij vandaan kwam.   Ik kom mensen tegen op de fiets of telefonerend in hun auto’s, loop langs bouwwerven en over nieuwe of hobbelige voetpaden. Ook het appartement waar ik woonde en het huurhuisje van mijn vriend aan de overkant. Dit is mijn dorp. Bij de vers gesnoeide taxushaag komt geur mijn neus binnen, scherp, zoet en ook bitter. Proef het zelfs op het midden van mijn tong. Dit is waar ik het voor doe. Ik weet dat de geur uit mijn neus gaat en ik probeer de drie woorden te onthouden. Scherp, zoet en bitter. Scherp, zoet en bitter. Als een mantra.   Thuis stretch ik even (voor de vorm). Moet het nu wel of niet, stretchen? Ik besluit dat het geen kwaad kan en doe aansluitend mijn oefeningen voor de kiné. Dan snel met een glas water achter mijn computer.   ‘Elke dag een velleke. Het is zo simpel als wat ,’ zei één van de schrijfbuddy’s vorige week. En woorden komen niet vanzelf, maar de mijl heeft mijn hoofd open gezet.   Hoe tevreden kan je zijn met een simpele mijl…

Katelijn Van Hove
0 0

Krijgt ge uw tijd kapot?

  Mijn moeder aan de telefoon. Met ineens, na wat koetjes en kalfjes, die vraag: ”Krijgt ge uw tijd kapot”. Ik moet lachen en schrikken tegelijk. Haar woorden klinken nogal ruw, de functie van figuurlijk taalgebruik is uitgeschakeld. De intentie achter die uitspraak is echter loepzuiver. Ergens in haar gammele hoofd weet ze dat de zomervakantie begonnen is. En dat dat niet mijn favoriete periode in het jaar is. Te lang. Te leeg. Te saai.   Een half jaar geleden heeft mijn moeder een val van een buitentrap overleefd. Ze heeft aan de poort van de dood gestaan, maar ze is teruggekomen. Misschien om mij op de een of andere manier duidelijk te maken dat ik wel tot haar ben doorgedrongen. Dat ze haar eigen vlees en bloed veel beter kent dan ik besef. Dat er vele manieren van luisteren bestaan. Dat laatste bedenk ik er nu bij. Het is niet omdat ik mijn verhaal niet verteld kreeg, dat ze het niet gehoord heeft.   Haar leven lang was mijn moeder een taalridder. Vlijmscherp met woorden. Dat lag aan haar liefde voor taal, maar ook aan haar karakter. Ze sneed alle fijngevoeligheid eraf. Wit is wit en juist is juist.   Ze is dus uit een diepe coma weergekeerd. Het onverstaanbare brabbelen is terug praten geworden. Al is het met een hoek af. Ze zegt cabaret, terwijl ze cafetaria bedoelt. Maar als ze mij out of the blue vraagt of ik mijn tijd kapot krijg, begrijp ik haar heel goed. Zou die coma haar minder moederlijke eigenschappen hebben achtergehouden?                

Johanna-Tara
0 0

contractbreuk

Contractbreuk.     Bij deze geef ik mijn opdracht terug. Nee, ik wil geen mens meer zijn, onmenselijk gewoon. Loop hier op aarde wat rond om de boel te verkloten. Kapot, alles moet kapot. Ik kan het niet meer aan om ‘s ochtends in de spiegel te kijken en te weten dat ik bij deze levensvorm hoor. Destructieve malloten. Ik kap ermee, het is genoeg geweest. Hier zijn mijn kleren, mijn huis, mijn kat, de hele zooi je mag het hebben. Contractbreuk zeg je? Steek dat maar waar de zon niet schijnt. Ah nee kan ik dat niet maken? Wat ga je doen dan? Ik heb helemaal niks te verliezen, ik kom wel terug als vlieg of zo, lekker wat rondzoemen en wat aan hondenkak snuffelen. Comfortabel ja dat is het zeker dat mens zijn lekker elkaar het leven zuur maken, macht verzamelen, consumeeeeeeren en als kers op de taart elkaar de kop afhakken. Oh noem je dat een hogere levensvorm? Laat me niet lachen man. Wij mensen zijn het slijk der aarde, de zuurstof niet waard die we verbruiken. We kweken als zotten een leger om de aarde, ons huis waar we mogen verblijven, zo rap mogelijk om zeep te helpen. Is dat wat je in gedachte had toen je ons bedacht? Ik zet daar een stel op twee benen neer met een grote kop waar veel brein in past en zij zullen het wel regelen daar beneden. Fout gedacht man, ja natuurlijk ben ook jij niet onfeilbaar, fouten maken is menselijk. Maar daar sta jij toch boven? Dat is een van de redenen dat alles hier naar de verdoemenis gaat. Kom naar beneden als je durft en aanschouw de ramp die je veroorzaakt hebt. Nee ik hoef geen dank voor bewezen diensten, laat me gewoon gaan.   (C) tekst/beeld hanneke van de kerkhof

Miss Blue Sky.
0 0

de stad stroomt over

Een vriendin van me was onlangs op bezoek. Een vriendin uit een ver verleden, uit de verre stille kempen. Ergens halverwege de avond merkte ze op dat ze zelf nooit in een stad zou willen wonen. Of zou ‘hoeven’ te wonen, verduidelijkte ze. Een stad is namelijk constant in beweging, heeft zoveel te bieden, er heersen zoveel stromingen, dat enkel wie op zoek is naar nieuwe dingen er iets aan heeft. Zijzelf was niet bepaald op zoek naar nieuwe dingen. Haar leven was vol en perfect genoeg zoals het was. Het zette me aan het denken. Is het zo dat mensen die in een stad wonen een absolute en onverwoestbare nood hebben aan verandering? Zijn ze misschien onrustiger? Natuurlijk is het zo dat in de stad het aanbod van ideeën en tendensen overweldigend is. Van mode tot cultuur en kunst, ze slaan er je mee om de oren. En overal waar je komt waait een andere wind. Het geweldige is dat al die winden tegelijk waaien en dat je er kan uitpikken wat je boeit en de rest laat je aan je voorbijgaan. Dan stel ik me ook de vraag of zonder die constante beweging het leven saai zou zijn. Alleszins is het in deze tijden en in onze stad het ‘niet op zoek zijn’ bijna iets uncool, ondenkbaar. De stad aan de stroom stroomt over van innovatie, ‘anders-zijn’ is misschien wel het subtiele levensdoel van de stad en haar inwoners. Nieuwe concepten in kunst, vintage kleding, multiculturele evenementen. Het is altijd wat anders. En dat is naar alle waarschijnlijkheid de reden waarom mensen in een stad willen wonen. Maar ik denk dat die drang naar verandering zwaar overschat wordt, want uiteindelijk is het niet meer dan een zoektocht naar datgene waar we ons goed bij voelen, waar we bij kunnen thuiskomen. In die zin zijn we niet op zoek naar verandering, maar naar standvastigheid. We zoeken in al die beweging gewoon naar een plaats waar we ons kunnen stilhouden. En als we die plaats gevonden hebben, nemen we het pakketje vernieuwingen en stromingen die we ons eigen gemaakt hebben op de rug… en verhuizen we naar de kempen!  

LL Rigby
0 0