Zoeken

Drie tramverhalen

1.Een groep voetballers stapte op de kusttram. Het was een uitgelaten voetbalbende, allemaal rond de twintig jaar oud. Geen profs, maar voetbalvrienden, die er tijdens hun voetbalkamp aan zee geen Spartaans leven op hadden nagehouden. Dat meende ik toch te kunnen vaststellen, gezien de verhalen die ik hoorde. Heel wat jaren geleden, toen ik zelf nog voetbalde, maakten we op 16-jarige leeftijd met de club een trip naar Duitsland. De combinatie van grote Duitse pinten en voetballen bleek niet zo succesvol. Eén van de jonge voetballers zette zich naast me en viel bijna meteen in slaap. Dezelfde combinatie wellicht. Na een paar haltes stapten ze af. De jongeman naast me lag nog te dutten. Geen enkele van zijn vrienden maakte hem wakker. Ik besloot hem toch maar stilletjes aan te stoten. “Uw maten stappen af hè”. Hij keek beduusd om zich heen. “Wat, oei, en die maken mij niet wakker? Fraai maten zijn dat”, waarna hij recht stond. “Merci hè”, riep hij nog na. We zagen hem nog samen met zijn vrienden naar de plaats van bestemming wandelen. Zijn bal al kunstig de lucht in gooiend. Duidelijk uitgerust voor een nieuwe avond in Oostende.   2. We hadden die dag een tentoonstelling bezocht in Oostende. Nog aan het nakeuvelend over de muurschilderingen die indruk hadden gemaakt, wachtten we op de tram aan het Marie-Joséplein, genoemd naar de dochter van Koning Albert I. Die Marie-José heeft trouwens het één en ander meegemaakt. Ze mocht ooit 33 dagen koningin van Italië zijn en ze had nog een affaire met Mussolini. Maar dat is een ander verhaal. We stonden er niet alleen. Drie wielertoeristen stapten samen met ons op. Hun racefiets ging mee de kuststram op. Bleek dat ze van Brussel naar Koksijde wilden fietsen, maar ze hadden beslist om dat laatste stukje toch maar gemotoriseerd af te leggen. Wegens totaal afgepeigerd. Eenmaal op de tram ging ik op een bank zitten waar nog drie, nu ja, oudere vrouwen zaten. De mevrouw naast me belde even met haar man op het thuisfront en vroeg wie de rit van de Tour gewonnen had. Omdat de verbinding tamelijk slecht was, kon ze haar echtgenoot nogal moeilijk verstaan. En moest ze vrij luid spreken. “Nee, laat maar”, zei ze in dat smakelijk West-Vlaams. “Ik kijk het straks wel op tv. Naar Vive Le Vélo.” Eén van de drie wielertoeristen keek om en glimlachte. Ik kon eenzelfde glimlach niet onderdrukken.   3.  We lazen de krant op de tram. Onze jongste had één katern vast, ik de andere. Tijdens de vakantie gaat de gazet door heel wat handen. Dan hebben we de tijd. De gesprekken die erop volgen zijn wellicht nog interessanter dan de artikels die we net gelezen hebben. Die papieren krant blijft toch altijd interessant. Je kan ze delen, maar je blijft ook gespaard van al de meningen en opmerkingen, die je op social media tegenkomt. Een man naast ons zat niet op een bank, maar op een verhoog waar je eigenlijk niet hoort te zitten. Maar och, veel kwaad kan het niet natuurlijk. Hij keek onze jongste aan. “Mag ik eens iets vragen?”, zei hij. Onze zoon knikte. “Gelooft ge alles wat daar in staat?”, vroeg hij, wijzend naar de krant. “Ik niet hoor”, voegde de man er zelf meteen aan toe. Ik meende nog te zeggen, ‘niet geloven wat hij zegt’, maar onze jongste gaf zelf het perfecte antwoord. “Het meeste toch”, antwoordde hij, lichtjes grijnzend. Ik meende er nog een ‘daar heb je niet van terug’ aan toe te voegen, maar besloot het er maar bij te laten. Soms kan zwijgen ook best slim zijn.  

Rudi Lavreysen
0 0

Dan was het zomer

En dan vertrek je op vakantie. Pas op, het is meer dan 10 jaar geleden. De mannen waren nog klein mannen. Dan heb je eindelijk beslist welke korte en lange broek en welke schoenen je meeneemt, naast degene die je aan hebt want die moet je ook meetellen, en dan zwijg ik nog over de spullen van de mannen die mee op de achterbank moeten. Elk hun koffertje. Het ene koffertje was oranje met Winnie de Poeh op. Toch gek dat je sommige zaken niet vergeet. Dan vertrek je voor een rit van bijna 1000 kilometer. Met de wagen die toch al wat jaren had. “We wagen het er op”, zeiden we als grap, dat weet ik ook nog.   Niet lang nadat je Brussel gepasseerd bent, verdwijnt Studio Brussel van de radio. En dan moet je ook door Parijs. “Op de Périphirique”, hadden ze me gezegd, “wil het wel eens druk zijn”. Tja, het was inderdaad met geen enkele ringweg te vergelijken. Dan is die van Brussel een gewestweg. Dan ben je daar eindelijk door en dan rij je fout. Op die honderd kilometer zal het wellicht ook niet steken. We waren al blij dat Parijs achter ons lag. Later zouden we daar nog wel eens naartoe rijden. Gewoon, naar de lichtstad. Nu lachen we daar een beetje mee. “Weet je nog, toen we hier voor eerst door moesten?”   Dan kom je op de plaats van bestemming en dan verschijn je even in het leven van de mensen ter plaatse. En dan begint de dag met de vraag: “Wat zullen we straks eten?” En dan bezoek je marktjes en doe je eigenlijk niet veel en dan heb je het wel goed. Met dat boek aan het water, maar toch moet er ook wat animatie zijn voor de mannen. En dan denk je stiekem toch ook al aan die terugtocht, waar je een beetje tegenop ziet. Opnieuw 1000 kilometer. Opnieuw die Périphirique. Ondertussen kan je het al foutloos schrijven.   De tijd vliegt, zeker op vakantie, en dan ben je ondertussen opnieuw door Parijs en dan zie je “Bruxelles” terug op een bord verschijnen. Nog eens 350 kilometer en dan kan je Studio Brussel ontvangen. “Dat is toch altijd een beetje thuiskomen”, zeiden we altijd. Maar dan hoor je één van de klein mannen op de achterbank zeggen. “En wanneer gaan we nu naar de zee?” Tja, dan zou je toch. Niet?

Rudi Lavreysen
20 0

Overspel

—“Merel? Wat? Merel, dat meen je niet! Dit kun je me toch niet aandoen?”—“Uh... Johan, hallo. Ik bedoel... ben je nu al thuis? Je had toch die eh—“ —“Nee, die ging niet door. Alex is ziek. Maar verdomme, Merel!”—“Ziek? Wat heeft-ie dan?”—"Wat heeft ie dan? Jezus, Merel! Ik tref je met een andere vent in bed en jij informeert naar Alex?"—"Ja, er schijnt een heel vervelend virus rond te gaan en ik dacht als Alex—“ —"Wat? Je maakte je zorgen dat ik het ook zou hebben?"—"Ja, nou ja. En dan ik ook... en dan misschien ook eh... Wouter... Wouter, Johan. Johan, Wouter."—"Je bent niet wijs, mens! Ga je me nou heel beleefd voorstellen aan die naakte ploert in mijn bed?"—"Johan, ik snap dat je een beetje overstuur bent, maar Wouter hier is geen ploert. Wouter heeft vanmorgen, voordat we… nou ja ‘dit’, wel mooi even onze router helemaal opnieuw geïnstalleerd. Dankzij Wouter hebben we weer internet, Johan”—“Internet? Internet?? Merel, snap je dan écht niet wat dit betekent?”—“Johan, doe even rustig. Je maakt me bang. Ja, ik weet wat dit betekent. Wat wil je dat ik zeg? Dat het niet is wat het lijkt? Het is precies wat het lijkt, Johan, en daar kunnen we heel dramatisch over doen en we kunnen gaan schreeuwen en met dingen gooien, maar zulke mensen zijn wij niet, Johan. En bovendien verandert het daar niet mee. Dus laten we ons als volwassen, goed opgevoede en bovengemiddeld hoog opgeleide mensen gedragen en kijken hoe we vanaf hier verder gaan, OK?… Johan, OK?—“OK, je hebt misschien wel gelijk.”—“Goed zo, dat is beter. Doe nou eerst je jas uit — Wouter, doe jij je broek aan — en zet even koffie of zo, dan kunnen we straks, beneden, rustig bespreken hoe we vanaf hier verder gaan.”—“OK… Wouter, suiker en melk?”—“Johan, ik denk dat het beter is als Wouter naar huis gaat. Wouter, ik denk dat het beter is als wij elkaar even niet meer zien. Volgende week misschien weer, goed?”—“Merel, hebben we echt weer internet?”

Bart Snel
0 0

Volgens plan

Als alles volgens plan gaat, loopt de moordenaar zo dadelijk rustig de trap af, opent de deur van de hal van het appartementencomplex en stapt de koele schemermorgen in. Hij zal in zichzelf gekeerd lijken, maar let bij het oversteken wel op het verkeer. Hij valt niet op in zijn zwarte tenue. Hier in Shanghai zijn veel mensen in zichzelf gekeerd en velen dragen zwart. De bloedresten op het mes dat hij bij zich draagt zal DNA bevatten, maar dat kan zowel naar hem als naar het slachtoffer wijzen. Het zal daarna nog even duren voor het lijk wordt gevonden. In een stad met zo veel mensen wordt niet iedereen gelijk gemist. Nadat de stank de buren te veel is geworden, zal er een onderzoek worden gestart en dat zal al snel vast komen te zitten. De stoffelijke resten behoren immers toe aan iemand die nog leeft.Mijn naam is Shi Bin Rui, en wel hierom. Ik ben de derde zoon van een eeneiige tweeling. Dat is mij tenminste altijd verteld, maar hetzelfde werd mijn broers voorgehouden. Onze ouders konden ons vanaf het begin niet uit elkaar houden. Ze hebben ons alle drie gehouden. Dat is bijzonder, en ze namen daarbij een groot risico. We mochten ons uiteraard nooit tegelijk in het openbaar vertonen. In een land waar ouders niet meer dan twee kinderen mogen hebben, zijn drielingen niet populair.Ik denk dat wij instinctief altijd hebben geweten wie de laatste was en dus geen recht op leven had. Nu doet het er niet meer toe. De verdeling van de erfenis zal rechtmatig verlopen. Er wordt aangebeld. Voor de deur staat mijn broer. Precies op tijd.

Bart Snel
0 0

Zondagmorgen, Buitenveldert

—“Goedemorgen meneer”
 —“Uh… goedemorgen. Wat kan ik voor u eh..?” 
—“Bent u bekend met het werk van de Kerk van Johannes de Koper?”
 —“Oh, Jehova’s. Sorry, ik ben niet geïnteresseerd. Goede—”
 —“Nee, geen Jehova’s meneer, alhoewel we die ook vertegenwoordigen. Nee, wij zijn veel meer dan dat.”
 —“Ja, maar weet u, ik heb niks met het geloof, dus eh… laat maar.”
 —“U hoeft niet gelovig te zijn, meneer, dat is het mooie. Ik ben hier niet om u te bekeren, ik kom u twaalfhonderd euro lichter maken.” 
—“WAT! U bent niet goed wijs!” 
—“Ja, nu heb ik uw aandacht hè? Alles draait om geld meneer, en zeker bij de Kerk van Johannes de Koper. En daarom mag ik u — alleen vandaag — een uniek aanbod doen. Mag ik u vragen meneer, wat gebeurt er als u doodgaat?”
 —“Eh… niets?” 
—“Precies. En is dat niet erg weinig? En wat betaalt u daarvoor? Alles bij elkaar? Kist, koffie, cake, en zo?”
 —“Tja, dat zou ik zo niet kunnen zeggen, maar—“
 —“Wat het ook is, het is teveel, meneer, u krijgt er immers niets voor terug, toch? De Kerk van Johannes de Koper biedt u éénmalig een leven na de dood, op maat! En dat voor maar twaalfhonderd euro.”
 —“Twaalfhonderd euro is wel heel veel geld!”
 —“Het is veel geld, maar daar krijgt u dan ook wel héél veel voor terug.”
 —“Hmmm, zoals?” 
—“Onze belangrijkste toegevoegde waarde is natuurlijk een gegarandeerde plaatsing in het hiernamaals van uw keuze, ongeacht uw zonden.”
 —“O?”
 —“Ja, de Kerk van Johannes de Koper is erkend door, en werkt samen met alle grote wereldreligies.”
 —“Oh, oké, en verder?” 
—“Afhankelijk van uw basis-levensovertuiging hebben we allerlei leuke extra's. Voor boeddhisten hebben we bijvoorbeeld een volautomatische wasstraat voor bevlekte karma’s. Neigt u naar het katholieke, dan kunt u deelnemen aan gratis weekendtrips naar weeshuizen, waar alles onder de pet blijft. Bent u joods dan kunnen we u een mooie korting aanbieden op reizen naar Jeruzalem inclusief klaagmuur én gratis rechtshulp bij elke aangifte die u doet wegens antisemitisme van mensen die een ander mening hebben dan u. Voor hindoe—“
 —“Ik ben van huis uit gereformeerd.”
 —“Ach, dat is sneu.”
 —“Niets?”
 —“Nee, onze organisatie heeft nog niets kunnen bedenken waar we gereformeerden blij mee kunnen maken. Ja, vrede op aarde, maar dat druist tegen alle andere godsdiensten in, dus dat hebben we er niet doorgekregen.”
 —“Jammer.”
 —“Wat ik wel voor u kan regelen is dat u, eenmaal de pijp uit, wordt geregistreerd als moslim. U hoeft er zelf helemaal niets voor te doen, maar u krijgt dan als het zover is, dezelfde extra's als de meest fanatieke jihadist.”
 —“U bedoelt… Ja? Meent u dat?”
 —“Geen probleem. U bent dan wel ietsje duurder uit, totaal tweeduizend euro, maar als u die nu niet heeft kunt u gebruik maken van onze aantrekkelijke financieringsregeling; twaalf maandelijkse termijnen van tweehonderd euro, met een contante aanbetaling van driehonderd.”
 —“Nou, dat lijkt me wel wat. Toch? Ik bedoel, maagden en alles? Niet?”
 —“Een uitstekende keuze, meneer! Ik raad u wel aan iets meer op uw gezondheid te letten, zodat u nog enigszins fit bent als u dood gaat. Dan heeft u er nog veel meer plezier van.”
 —“O, ja, da’s wel een goeie —“
 —“En ik moet u waarschuwen, als u ten tijde van uw overlijden een betalingsachterstand heeft, komt u uiteraard in de hel.”
 —“Ja, nee, dat snap ik. Dat is niet meer dan redelijk. Ik voel er wel wat voor hoor. Wacht, ik zal even mijn portemonnee pakken voor die aanbetaling. Hè, ik heb er echt zin in. Momentje hoor.”

Bart Snel
0 0

Countdown

Mijn einde is aanstaande. Binnen nu en pakweg twee minuten ben ik er geweest; dood. Vergeten misschien nog niet, maar dat zal snel volgen. 
Kijk ik ernaar uit? Nee. 
Is het eerlijk? Nee. 
 Maak ik me er druk om? 
 Nee.   Ik ben de protagonist in dit verhaal, en als je dat eenmaal doorhebt, weet je dat je je hebt te schikken naar de grillen van je schepper; wat in de meeste gevallen een schrijver is. Niet de meest stabiele types. Hoe dan ook: je weet waar je aan begint. Ik zou u graag willen vertellen over mijn leven. Hoe ik zonder vader, met een illegale, aan cocaïne verslaafde Cubaanse moeder opgroeide in de sloppenwijken van Miami. Hoe ik met een 'voetbalbeurs' op de universiteit van Florida terecht kwam. Geen Ivy League, maar toch; ik kwam in kringen die anders onbereikbaar waren. Ik studeerde geschiedenis en politicologie, liep stage in brandhaarden als Libanon en Pakistan. Ben gegijzeld geweest, met de dood bedreigd en erger.   Ik werd diplomaat in Jerusalem, ontmoette een prachtige joodse vrouw, we trouwden, kregen kinderen, Benjamin Fidel en Rachel Rosalita; Benji en Rosa. Ik zou u graag over hen vertellen, maar er is geen tijd. Niet mijn schuld. Shoot the messenger.   Ik was speciaal adviseur van de president, tot hij besloot dat mijn moraal niet de zijne was. Ik schreef boeken over diplomatiek leiderschap, zogenaamde *New York Times bestsellers*, maar bespaar u de moeite, u zult ze niet vinden bij Amazon; het was fictie, net als ik. Hoewel wat ik schreef over Bush sr. wel degelijk waar was.   Het is uw gemis, dat ik u er niet meer over kan vertellen. Ik zit er niet mee. Echt niet. Eén tip nog, voor lotgenoten. Er ís leven in dit leven. Tussen de regels. Neem er de tijd voor.

Bart Snel
0 0

Dansen

Jarig zijn in de zomer. Op zich verschilt het niet veel van een verjaardag in de winter. Alleen ga je dan minder snel buiten zitten om te feesten. Op een vroege zomeravond heeft tante Frieda ons uitgenodigd voor haar verjaardagsfeest. Ze wordt 69 jaar. Vol ongeduld zit ze in haar tuin te wachten tot we opduiken. Ik heb mijn mopje thuis al voorbereid: “Dag Frieda, ge zit al op hete kolen zie ik.” We wisten immers dat ze voor een barbecue gezorgd had. Ondanks de getelefoneerde grap wordt er toch mee gelachen. Ze gaan van heel jong naar redelijk tot echt oud, de mensen rond de tafel. De kleinkinderen spelen het spek en de satés vliegensvlug naar binnen en wapenen zich meteen met een aantal waterpistolen. De oudere generatie moet er aan geloven. De barbecue wordt bijna geblust. Na enkele terechtwijzingen verhuizen de kinderen met hun wapens voldoende ver van de feesttafel.   Al snel komt die ene verjaardagszin op tafel liggen. “Och, een jaar is niks”, zegt de jarige. Er bestaat geen verjaardagsfeest waarbij die vijf woorden niet uitgesproken worden. Het hoort erbij zoals de cadeautjes en de barbecue in de zomer. Meestel gevolgd door “ja, zeg dat wel, het vliegt voorbij”. Deze keer volgt er een andere zin op. “Nee, twintig jaar is niks”. Het is nonkel Roger die het zegt. “Ik herinner me nog, toen wij klein waren”, gaat hij verder, “dat mensen van 80 jaar stokoud waren. Wij vonden die alleszins stokoud. Dat waren echt heel oude mensen. Nu ben ik zelf bijna zo oud. Het is niet te geloven”. Er is iets van natuurlijk. Je ziet jezelf nooit zo oud als je bent. In je hoofd zit nog die dertigjarige, die volop kan dansen. Zo is ook het bij nonkel Roger. Op zijn 75e heeft hij een hartaanval gehad. Hij is er goed doorgekomen, maar hij loopt er ontzettend verkrampt bij. Alsof hij tijdens die hartaanval alles wou vasthouden zoals het was. Niets willen loslaten. Zoals dat dansen, zijn passie bij uitstek. Ik heb hem altijd gezien met nette witte schoenen. Meteen klaar om een dansje te placeren. “Nee, dat dansen gaat nu niet meer”, zegt hij. “Ik ga nu wel elke week petanquen. Dat lukt nog. Daar laat ik de ballen maar wat dansen.” Het is wellicht de mooiste zin van het verjaardagsfeest. Maar dat zeg ik hem niet. Hij weet het trouwens zelf. Zijn verkrampte lach bewijst het.

Rudi Lavreysen
20 1

François

Hij houdt zijn rechterschoen in de lucht en inspecteert hem grondig. Het glanzende zwarte leer steekt af tegen zijn knoestige, met ouderdomsvlekken bezaaide vuist. Aan de hiel is het leer ondertussen niet meer dan een dun lapje, maar François weigert zijn trots in te ruilen voor een nieuw paar. Hij heeft de schoenen veertig jaar geleden speciaal op maat laten maken, passend bij zijn huwelijkskostuum. Nu draagt hij ze alleen op zondag, wanneer zijn kleinzoon op bezoek komt. Hij staat op, draait zijn doosje schoensmeer dicht, wikkelt het in zijn vod en bergt het op in het metalen ladekastje. t er even door. Hij kent dit moment.e gekregen omdat ze de vloer van de gangen te glad vond, maar daar zwijgt hij over. Nog een half uur wachten. Zijn kamergenoot ligt op bed een leger bij elkaar te snurken. Al jaren vraagt François om oordoppen op maat voor ’s nachts, maar dat soort doppen kost veel geld en men kan dat niet voor iedere bewoner doen. Paula heeft wel een speciaal looprekje gekregen omdat ze de vloer van de gangen te glad vond, maar daar zwijgt hij over. François weet intussen dat het leven zo werkt. Vroeger, in het achtste regiment, sliep hij ook naast een ongelooflijke snurker. Zijn maten waren vaak bang dat de vijand hun schuilplaats op een mooie nacht zouden ontdekken, maar François niet. Hij wist dat een nachtelijke inval te voor de hand liggend zou geweest zijn. Niets in het leven komt zomaar wanneer je erop wacht. Zoals die oordoppen. François strijkt een laatste keer met de palm van zijn hand over de neus van zijn rechterschoen, neemt de plastieken schoenlepel uit de kast en wringt zijn voeten in de schoenen. Vandaag komt hij echt Hij doet iets met computers, dat is nu de toekomst naar het schijnt. Hij heeft een tijd in Amerika gezeten maar is daar verliefd geworden op een Vlaamse die er op vakantie was. Binnen een paar maanden krijgt François zijn eerste achterkleinkind. De vrouw van Jan heeft hij nog nooit gezien en hij weet niet of het een jongen of een meisje wordt. Half twee. Hij is een half uur te laat. Zijn schoenen knellen intussen zo hard dat zijn beide benen al tot aan de knie tintelen. Niet toegeven, geen zwakte laten zien. Bijna vijftig jaar geleden heeft dat motto zijn leven gered, toen hij zonder verpinken twaalf kilometer met een kogelgat in zijn dij naar de dichtstbijzijnde legerpost aflegde. Het was de dag voor de bevrijding geweest, ze hadden net gelukzalig van een kop echte chicorei zitten slurpen die ze hadden gekregen van een boer. François kwam er met een kogel in zijn dijbeen vanaf, en met een spatje hersenen van de snurkende kadet op de neus van zijn rechterschoen. Sindsdien poetst hij zijn schoenen dagelijks. François zucht, duwt zich uit zijn stoel en schuifelt naar het toilet aan het eind van de gang. Niet dat hij echt moet, maar het is het enige dat hij hier nog om handen heeft. Zijn schoenen maken een onaangenaam gekraak op de blinkende beige vinylvloer. Twee nachten geleden was François ’s nachts wakker geschoten en had hij plots begrepen dat het leven zinloos is. Dat hij gewoon zit te wachten tot het voorbij is. De tijd is een smerig ding. Eerst laat ie je jarenlang ploeteren om je uiteindelijk te laten zien dat je het helemaal bij het verkeerde einde hebt. Neem nu Marleen. Na de oorlog heeft hij zijn leven gegeven om haar liefde terug te vinden. Zijn Marleen. Zijn vrouw. Het mooiste meisje van het dorp. Terwijl hij in de loopgraven werd beschoten door de vijand, was zij een vrouw geworden. Zijn tijd was blijven stilstaan, de hare was dubbel zo snel vooruit gegaan. Ze kregen na de oorlog nog vijf kinderen samen, maar hij was haar vanbinnen kwijt. En hij zou haar nooit meer terugvinden, hoe erg hij ook zijn best deed. François hijst zich recht van de pot en probeert zo goed en zo kwaad mogelijk zijn billen af te vegen, terwijl hij met zijn rechterhand tegen de koude muurtegels recht boven de metalen handgreep leunt. Hij heeft gewoon op de koude pot gezeten, dus echt vegen hoeft hij eigenlijk niet. Hij doet het toch, om soepel te blijven. De verpleging heeft hem al zo vaak gezegd dat hij moet bellen als hij moet gaan, maar hij wil geen jonge handen aan zijn olifantenvel. Hij wil niet aangeraakt worden door jonge veulens wiens tijd even bevriest tijdens de shift van acht uur die ze hier in het oudmannekeshuis komen draaien. Zeker in Bloemenveld is ‘tijd’ een verwrongen begrip. De bewoners worden er stuk voor stuk door ingehaald. Laat hen maar lijsten opstellen van dingen die ze nog willen meemaken. Achterkleinkinderen die nog geboren moeten worden. Memoires die nog gepubliceerd moeten worden. François is slimmer dan dat. Hij weet dat niets in het leven komt zoals je het verwacht.

Annelies Leysen
0 0

De onschuld zelve

Elk jaar werd één kind uitverkoren om een reis naar de zon te maken.  Vorig jaar was het Indaia’s buurmeisje.  Ze had het zo naar haar zin dat ze nog steeds niet terug was.  ‘Kom op Indaia, borstel je haren, ze moeten glanzen als goud.’  Mama legde een borstel op tafel.   ‘Mama, waarom heb je rode ogen?  Het lijkt alsof je gehuild hebt, is er iets?’   Mama kneep haar ogen toe.  ‘Nee, meisje, ik heb last van mijn hooikoorts, maak je maar geen zorgen.  Het wordt een fantastische dag.  Ik ga alvast de bloemen halen.’  Mama sloeg de deur toe voor Indaia nog iets kon zeggen.  Het was zo leuk de uitverkorene te zijn.  Indaia’s vriendinnetjes waren jaloers omdat zij nu zou weten wat de volwassenen tijdens de zonnewende deden.  Ze had een prachtige witte jurk mogen kiezen.  En nog belangrijker: ze kon gaan reizen en de wereld ontdekken!  Als ze helemaal uitgereisd was, zou ze terugkomen met honderden verhalen om aan haar vriendinnen te vertellen.   ‘Indaia, kom, het is tijd.  Zet de bloemenkrans op je hoofd en doe je witte jurk aan.  Mama frunnikte aan Indaia’s haar en bekeek haar vanop een afstandje.  ‘Je bent zo mooi, een echte fee.’   En weer had ze last van haar hooikoorts, haar ogen traanden en er liep snot uit haar neus.  Ze rende weg om een zakdoek te nemen. Samen liepen ze de voordeur uit, plechtig, zoals het moest.  Naar het feest.  Een grote stenen altaar was op het dorpsplein gezet.  Hier en daar zag Indaia mensen huilen: haar moeder en vader, de buurvrouw.  Ze beklom de treden naar het altaar, vol verwachting voor wat komen zou.  Iedereen hield zijn adem in.  Indaia, de onschuld zelve.

Joke Thiry
0 0

Verlossende kus

Ik houd m’n wapen vast in mijn rechterhand, de verbrande hand. Dit deed ik altijd want elke keer dat ik de trekker overhaal voel ik de pijn. De terugslag zorgt telkens voor een brandend gevoel, alsof ik mijn hand letterlijk in de vlammen van het schot steek. Dit deed ik zodat ik tegen mezelf kon zeggen dat ik ook moet lijden voor elk leven dat ik neem. Deze keer is het anders, nu is mijn wapen gericht op de persoon die mij tot dit alles in staat heeft gebracht. Mijn grote liefde, die ene vrouw die zoveel impact heeft op mijn gemoedstoestand dat ze allesbepalend is. Toen ik haar leerde kennen was het meteen duidelijk dat ik alles zou doen voor haar. Voor mij was het allemaal echt, voor haar een spelletje.   Ze zit voor me op haar knieën. Veel te rustig voor de situatie. Ik daarentegen sta met bibberende benen en een trillende hand bijna te huilen van woede. Ja dit is een natte woede, een kwaadheid die ervoor zorgt dat je niet meer bij je zinnen bent. Je kunt aan alles aan mij zien dat dit niet is wat ik gewild had. Om op deze manier mijn leven te leiden. Ik heb het nooit gewild om voor één persoon zoveel misdaden te plegen, zoveel mensen de dood in te jagen en op deze manier mijn mentale gezondheid helemaal kwijt te spelen. In mijn traan weerspiegelen de vlammen van de psychiatrische instelling die ook weer door mijn toedoen helemaal vernietigd is. Net als alles wat ik had opgebouwd, heb ik ook dit naar de grond gewerkt om bij haar te kunnen zijn. Maar nu ben ik dichter bij haar dan ooit. Ik weet dat het beter is om de trekker over te halen, dan is het allemaal voorbij. Dan is zij uit mijn leven en hoef ik haar nooit meer te zien. Niet dat ik nog te lang te gaan heb hierna. Als de sirenes mij eindelijk bereiken, knallen ze me waarschijnlijk ter plekke overhoop.   Mijn vinger gaat nu écht naar de trekker. Ik ben er niet klaar voor, ik kan het niet. Mijn arm zakt en zij staat recht. Ze ziet het, ze ziet alles zoals ze dat altijd al heeft gedaan. Ze bespeelt me weer en veegt de traan van mijn  wang. Ze komt rustig dichterbij en laat haar rechterhand langzaam langs m’n wang naar mijn nek gaan. Met mijn linkerhand trek ik haar bekken tegen me aan. In een moment van absolute rust plaats ik m’n pistool tegen haar buik en op datzelfde moment kust ze me. De eerste kus die ik kreeg en meteen ook de laatste. Want dankzij die kus kon ik eindelijk schieten.

Sander Maertens
0 0

Zotte kuren en diepe ernst

Een amusante glimlach verscheen op haar gelaat toen ze hem binnen zag komen in het studentencafé waar toen nog naar hartenlust binnen gerookt mocht worden. Zijn pruik stond scheef en zijn lange vrouwenkleed was vurig rood. Hij zette zijn bril wat rechter en trok zijn kleed goed voor hij zich neerplofte op de barkruk en een frisse pint bestelde. Het gezelschap waarin ze vertoefde leek aan kleur en helderheid in te boeten nu deze verschijning aan de toog had plaats genomen. Ze dronk snel het laatste bodempje van haar glas rode wijn leeg om in de buurt van de verklede man een nieuw glas te kunnen bestellen. Hoewel hij verre van mooi was, intrigeerde hij haar. Zijn nonchalance en grappige manier van doen wekten haar nieuwsgierigheid en deden een bruisend verlangen in haar opwellen. Ze verontschuldigde zich bij haar vrienden en liep langzaam in de richting van de mysterieuze onbekende.   Ze ging naast hem aan de toog staan tussen twee barkrukken in. Voor ze de aandacht van de barman probeerde te trekken om haar bestelling door te geven, wendde ze zich naar de jongeman naast haar. ‘Uw pruik staat scheef. Zal ik ze terug wat rechter zetten?’ Geprikkeld en geamuseerd keek hij haar aan. ‘Graag.’ zei hij en hij genoot van de manier waarop deze jongedame ongegeneerd en met opperste concentratie de asblonde pruik die hij uit de verkleedkoffer van zijn oma had opgedist, weer op haar plaats schoof.   ‘Vandaag is mijn naam Georgette by the way. Wie ben jij?’ voegde hij eraan toe. Even aarzelde Emma. Zou ze hem naar zijn naam-van-alle-andere-dagen-dan-vandaag vragen of zou ze het spelletje een tijdje meespelen? Ze koos de tweede optie. ‘Mijn naam is Emma. Dat kleedje staat u beeldig, Georgette. Het accentueert uw bierbuik en platte boezem zo mooi.’ Ze probeerde het zo oprecht mogelijk te laten klinken en haar lachspieren onder controle te houden. ‘Ja, ik weet het’, zei Georgette die zijn stem voor de gelegenheid wat hoger deed uitvallen, ‘ik heb dat compliment vandaag al een paar keer gekregen.’ En hij knipperde op zeer verleidelijke wijze met zijn donkere ogen die achter twee brilglazen verscholen zaten. Op beider gezichten verscheen een glimlach van verstandhouding, een glimlach van speelsheid en ondeugendheid, een glimlach van herkenning.   ‘Wat drinkt de mooie dame?’ vroeg de verklede jongeman. ‘Rode wijn graag. Zijt gij hier trouwens helemaal alleen, bevallige dame?’ antwoordde Emma. ‘Ja, ik kom rechtsreeks van een verkleedfeestje van de scouts’, viel Georgette nu uit zijn rol. ‘Het thema was diva’s en glamourkings. Een aantal van mijn vrienden konden het plots niet laten om me af en toe in mijn achterwerk te knijpen,’ zei hij, gespeeld verbouwereerd. ‘Tja, ik voel die drang ook, Georgette, als ik u in uw sexy rode jurkje zie.’ Emma liet deze woorden gepaard gaan met een op- en neergaande beweging van haar wenkbrauwen en een overdreven smachtende blik. Haar nieuwe vriend deed op vrouwelijke wijze alsof hij lichtjes geshockeerd was door haar opmerking.   In het lange smalle café waar in de late uurtjes vooraan soms gedanst werd, werd de stemming ondertussen wat meer uitgelaten en het gepraat luidruchtiger. De nicht van Emma en hun gemeenschappelijke vrienden probeerden tevergeefs Emma’s blik te vangen om haar terug in hun richting te lokken. Vanuit haar ooghoeken zag Emma hen soms zwaaien en wenkende gebaren maken, maar ze deed net alsof ze het niet zag.   ‘Maar nu serieus’, zei Emma. ‘Wat is eigenlijk jouw echte naam?’ Thijs nam de pruik van zijn hoofd waardoor zijn kort warrig donker kapsel tevoorschijn kwam. ‘Mijn echte naam is Thijs.’ zei hij en hij keek haar doordringend aan wat haar tegelijkertijd een oncomfortabel en een opgewonden gevoel gaf. Even staarde ze zwijgend terug. Thijs zei: ‘Aangezien ik de zin van het bestaan nog steeds niet ontdekt heb, maar er wel naar op zoek ben, dood ik mijn tijd dan maar met mij te verkleden. Misschien draait het leven wel gewoon daarom: u amuseren.’ ‘Ja, misschien wel’, zei Emma en ze hield haar glas in de lucht om op deze conclusie te proosten. Het oogcontact gaf haar een warm gevoel. ‘Ik heb ooit eens ergens gelezen dat de zin van het leven de zin óm te leven is. Maar vraag me niet wie het geschreven heeft want dat weet ik niet.’ ‘Ja, daar zit iets in’, antwoordde Thijs. ‘En als dat waar is, waarom in godsnaam ontnemen sommige leerkrachten de kinderen dan de zin om te leven? Zeg nu eens eerlijk, iedereen heeft toch een verhaal over een leerkracht die hem of haar het leven zuur heeft gemaakt.’ Je zag aan zijn gezicht dat hij zich de woede op die ene leraar nog steeds gemakkelijk voor de geest kon halen. ‘Wel, dat klopt, maar sommige leerkrachten hebben zo’n aanstekelijk enthousiasme dat zij je juist zin doen krijgen om op ontdekkingstocht te gaan, om bij te leren,… Ze zijn helaas zeldzamer dan die waar jij het over hebt, maar ze zijn er gelukkig toch ook…’ Thijs knikte ter bevestiging en zweeg toen, was even in gedachten verzonken. Haar ogen zochten de zijne en vonden die.   In zijn ogen zag ze een diepte weerspiegeld die ze maar zelden tegenkwam. In zijn ogen ontmoette ze een gelijkgestemde die de dingen niet zomaar voor waar aannam maar in vraag stelde, die er niet van hield aan de oppervlakte te blijven en over koetjes en kalfjes te praten, iemand waarvan ze vermoedde dat hij samen met haar de mysteries van het leven wilde verkennen, iemand met wie ze uren aan een stuk wou filosoferen. Het was een diepte die ze niet terugvond in haar gezin van afkomst, maar waarnaar ze al haar hele leven verlangde. Het was een diepte die ze enkel tegenkwam in de boeken die ze las maar te zelden in het echte leven. Bij haar thuis gingen de gesprekken enkel over de keuze van gerechten, de combineerbaarheid van kleren, over televisieprogramma’s, over de onhebbelijkheden van anderen maar nooit over de dingen die er echt toe deden.    ‘Is het een hobby van u om verkleed als vrouw door het leven te gaan?’ vroeg Emma. ‘Wel, ik moet zeggen dat het wel prettig voelt om deze rode stof rond mijn lichaam te voelen. Maar ik verkies toch een vrouwenlichaam tegen het mijne.’ Even sloeg Emma’s fantasie op hol en lag ze naakt naast hem onder de donkere sterrenhemel op een dekentje in het gras na een wild avontuur van zuchten, kreunen en genot. Maar al snel herpakte ze zich. Ze kende deze jongeman niet, wist niet eens of hij al dan niet vrijgezel was. Die vraag zou ze hem vanavond onder geen beding stellen want ze wilde de betovering niet verbreken. Om de beladen stilte een halt toe te roepen, ging Thijs verder: ‘Ik ben eigenlijk heel moe en kwam hier gewoon nog een pintje drinken voor ik mijn bed in zou kruipen.’ Hij kon de teleurstelling van haar gezicht aflezen en stiekem hoopte hij dat ze hem zou smeken om te blijven. Het was kinderachtig van hem, dat wist hij, maar hij kon het niet laten. ‘Ik ga onder de wol kruipen. Het was zeer aangenaam om u te leren kennen, Emma. Misschien treffen we elkaar hier nog wel eens een keer.’ Emma stond met haar mond vol tanden. ‘Oh wat jammer’, stamelde ze. ‘Ik vond het net zo gezellig. Maar als uw bed u roept, dan moet je maar gaan hé. Al had ik het wel fijn gevonden om nog wat te praten en dan misschien nog wat te dansen..’   Thijs die al lang overtuigd was en voor wie op tijd gaan slapen al lang geen optie meer was, wou het onderste uit de kan halen door nu nog niet toe te geven, door nog even de plichtsbewuste te spelen die prat ging op een goede nachtrust. ‘Het spijt me, Emma. Mijn ogen vallen bijna dicht van de vaak. Mag ik uw hand kussen, lieve dame?’ en hij nam haar hand in de zijne en bracht die naar zijn lippen. Ze trok haar hand weg en sprak hem heel kordaat aan. ‘Blijf’, zei ze op bijna gebiedende toon. ‘Drink nog één pint met mij. En ga dan slapen. Oké?’ smeekte Emma toen. Thijs deed net of hij aarzelde, of hij met één voet binnen en met de andere reeds buiten stond. Hij keek naar de klok die boven de deur prijkte, liet zijn hoofd en schouders heen en weer gaan om zijn geveinsde twijfel wat extra gewicht te geven, keek Emma onderzoekend aan. En pas toen haar blik steeds smekender werd, ze haar hoofd lichtjes schuin hield en één vinger omhoog hield, ging hij duidelijk merkbaar door de knieën. ‘Oké, nog één pintje dan.’ ‘Goed, ik trakteer’, zei Emma die haar enthousiasme niet onder stoelen of banken kon steken.

Aline S
0 1

Eerste tinderdate in een gezellig café II

- 'Is er leven na de dood?' - 'Best mogelijk. Echt weten doe ik dat niet. Ik leef namelijk nog.' - 'Je lijkt nochtans een beetje dood.' - 'Echt?' - 'Ja. Zo bleek en mager. En je hoofd is een schedel zonder huid of haar. En je draagt een zwarte mantel met zwarte kap. En je hebt een gigantische zeis in je hand.' - 'En jij bent een mooi meisje.' - 'Dank je. Ben je er zeker van dat je niet Pietje De Dood bent?' - 'Mevrouw, u beledigt me. Mijn profiel zei duidelijk 'Henri de Beauvoir'. En daar blijf ik bij.' - 'Maar je hebt zonet de arm van de ober aangeraakt om iets te bestellen en nu ligt die man hier dood op de grond.' - 'Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.' - 'Ken je God dan?' - 'Ja. Nee. Maakt niet uit. Je hebt mooie ogen.' - 'En jij lege oogkassen. Kijk... Henri... Ik weet niet of dit wel zal lukken... Ik voel me niet echt op mijn gemak bij je.' - 'Heb je me al ukelele horen spelen? Ik heb al prijzen gewonnen met mijn ukelelespel. De jury zei dat mijn ukelelespel angstige diertjes op hun gemak stelt.' - 'Ik weet het niet, Henri...'   Henri haalt toch zijn ukelele boven en speelt een deuntje.   - 'Henri! Verrukkelijk! Ik voel me zo op mijn gemak na je ukelelespel!' - 'Zei ik het niet?' - 'Kun je nog andere instrumenten bespelen?' - 'Nee. Ik heb me bekwaamd in één.' - 'Je stelt me teleur, Henri.' - 'Wat?' - 'Slechts één instrument? Je stelt me teleur, Henri. Ik had je nooit naar rechts mogen swipen.'   Twee uur later komt de politie het café binnen. Iedereen is dood, behalve een huilende, vastgebonden vrouw met op haar borst een briefje gespeld: 'Dit is mijn schuld.'   Nergens is er een ukelele te bespeuren.

Michaël Verest
34 0

Gemiste kansen

Dag L.,   Het is vandaag een week geleden. Dat is belachelijk weinig, maar als je 10.000 kilometers van elkaar verwijderd bent lijkt het langer geleden. Tijd en ruimte versterken elkaar. Ik heb er last mee. Last om terug te zijn. Last van de gemiste kansen. Last van mijn hoofd en dankzij jou ook last van mijn lijf. Het gevoel dat sowieso opsteekt na een reis van drie maanden en de terugkeer naar de realiteit wordt nu dus nog versterkt door mijn lijf en mijn hoofd die steeds opnieuw aan jouw aanraking denken. Je armen rond mijn schouders, je lippen op mijn rug. En de vraag wat er gebeurt was als we onze kans niet grandioos gemist hadden. Slechts een passionele kus of een misschien een gedeelde nacht op een verlaten strand? En wat daarna? Was je gewoon verdwenen in de nacht. Hadden we aarzelend een gesprek proberen voeren dat ons enkel zou doen beseffen hebben dat we eigenlijk niks met elkaar gemeen hadden behalve platte lust. Of hadden we gezwegen en gewoon genoten van een moment van samen zijn zonder verder na te denken. Had ik gehoopt dat we contact zouden houden en dat je een excuus zou worden om terug te keren. Of verzin ik er weer te veel bij en was het voor jou niet meer dan wat het uiteindelijk was: een scharrel op het einde van het seizoen zonder moeilijke vragen want je kwam de volgende dag toch niet terug. Ik heb er meer last mee dan zou mogen op basis van het kwartiertje dat we hoop en al gepraat hebben en de nog geen vijf minuten die we aan elkaars lijf hebben gezeten. Tijd en afstand versterken elkaar, maar lust en heimwee dus ook. V.  

Juffrouw Vee
0 0