Zoeken

Het  Lonkerke –

(naar een Beeldexpress foto maar er waren meer dan 16 lijntjes....dank zij Guido Gezelle)   O Krinklende winklende waterding gij hebt geen kabotseken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink met dotje in ‘t waterke gaan! Gij leeft maar gij roert en beweegt niet snel, al zie ‘k u toch arrem toch been; gij wendt en gij weet uwen weg zo wel, al zie ‘k u twee ooge, geen één. Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn? Verklaar het en zeg het mij, toe! Wat zijt gij toch, blinkende dotje fijn, dat nimmer van lonken zijt moe? Gij kijkt over ’t spegelend water klaar, en ‘t water nog meer en verroert dan of het een gladdige windtje waar, dat stille over ‘t waterke voert. O  lonkerke, lonkerke zegt mij dan, net twintig of zijt gij al meer, en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: wat lonkt en wat kijkt gij zo zeer? Gij kijkt, en ‘t en staat in het water niet, gij lonkt, en ‘t is uit en ‘t is weg; niemand en weet er wat dat bediedt: och, lonkerke, zeg het mij, zeg! Zijn ‘t visselkes daar ge naar kijken moet? Zijn ‘t plantjes daar ge naar kijkt? Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet, of ‘t water, waarin dat gij zijt? Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep, of is ‘et het blauwe gewelf, dat onder en boven u blinkt, zoo diep, of is het u, lonkerke zelf? En t krinklende winklende waterding, met ’t zwarte dotje in ‘t haar, het stelde en het rechtte zijne oorkes flink, en ‘t bleef nog een stondeke maar: Ik kijk," zoo sprak het, “al krinklen af het gene mijn Meester, weleer, mij makend en leerend, te lezen gaf, één lesse, niet min nochte meer; ik kijk, en kunt gij die lesse toch niet lezen, en zijt gij zo bot? Ik kijk , herkijk en lonk er nog, naar Guido Gezelle, mijn God!"

Vic de Bourg
10 1

Melancholia

Wachten op een barst. Breken voor de schade opgemeten.Een celdeling.Bevrijd en in angstzweet bevroren.Fantoompijn. Agorafobie.L'union fait la force. Bloedarmoede. Leeg en belegen.Een uitgewerkte pil. Waar is de calcium.Waar is de nooduitgang.Slapen in jouw afdruk.Melancholia kijken met een glas, dan de hele fles wijn,en 's nachts hetzelfde dromen over Mars,die opgedoken van achter de zon ons met een kopstootreduceert tot de eindeloze slierten van irrelevantiedie we al lang in vaste vorm waren.De vaas breekt, valt in exact dezelfde scherven uiteen als de vorige keer.En de lijm is op.En de winkel is gesloten, nee verhuisd, nee opgedoekt, nee failliet.Elke ochtend een langere rij bij de voedselbedeling.Kansloze kinderen.Kansloze kleinkinderen.Kansloze achterkleinkinderen.Een credo: Wij zijn niet kapot te krijgen.Toch niet van buiten uit.Er kruipen termieten over onze geslachtsdelen.Wij weven twijfels in het zonlicht. Vakmanschap.Kijk ons roepen.Hoor ons denken.Niets is nog van porselein. Gehard als alles is in het vallen.Wij verkopen ons koninkrijk voor een paard.Een taxi die met gierende banden een remspoor achterlaat.Wij zijn elkaars slijmspoor. Wij kotsen replica's van de ander.Wij hebben ons de huid te hard aangespannen.Fluit eens op mijn wang.Onze tongen zijn larven op hun rug geworpen.Gal lekt waar het niet spuiten kan.Dikke zwarte druppels. Als pek.Een aderlating. Een nieuwe mens. Wij zijn veel van elkaar maar spreken af:geen voetnoten, geen biddende valken boven speeltuinen,geen alligators op golfterreinen.We zijn geen wonden, hoogstens gehalveerde hagedissen.We zijn het spartelen verleerd. Ook dat hoort erbij.Het is nu voluit inhaleren,verdampte boodschappen uitblazen in het gezicht.Rooksignalen. Schouderklopjes. Een pillamp in de ogen. Ontkurk de fles. Blaas de illusies eruit.Hier wordt geleefd.Hier scheiden wegen.Hier borrelt iets.

Gert Vanlerberghe
18 1