Zoeken

Berichtgeving

Sommige waarheden komen van zodiep dat je ze enkel kunt hoesten.Ver vanuit de bast, de holle put betraliestdoor ribben die bij de minste trilling breken.Dit is geen hart dat gelucht, dit is de ziel uitkotsen,dossiers en blauwdrukken, levenslopen verbondendoor aders en draden, convergerende verhalen.Geef me een lepel en ik schraap de nuance van hetachterste van mijn tong, daar waar smaak zich niet waagt,en katapulteer het in uw verbijsterde gezichten.Zit er nog iets tussen mijn tanden?Heb ik iets van u aan of heb ik mezelfzonet zomaar even averechts gebraakt?Zit mijn façade nu diep in mij verscholen, en kan enkeleen zielenknijper tot bij mijn uiterlijke schijn?Een flinke hoestbui en alweer wat betekenis gelekt.Als klokkenluider reis ik naar het middelpuntvan de waarheid, tot aan de nek in de lava,een strijd tegen draken, met de hoop om af te varenin de bloedsomloop, flarden op pad naar het brein,van een taal die verdwijnt, een schimmenspelvan visies en kanten en water en wijn.De dronken dans relativeert zichzelf te pletterin het aanzien van twijfels die knagen en vreten en bijten,een waarheid met diplomatie besmet, te beleefd en te bedeesdom de straten met kraters te slaan, een wereld die beeftop haar grondvesten, ontdaan van verklaringen, onwetend,in de war, met gewiste hersenlagen, als na een coma.Nee, niets daarvan. De diepgewortelde leugenheeft zich goed ingedekt, tot in het beenmerg verzekerdtegen doofpotten die overkoken, rook waar ook vuur is,complotten die ontpoppen tot feiten. Zot zijn doet geen zeer.Maar nog zo'n hoestbui en je wordt gehospitaliseerd.Dingen zien die er niet zijn, daar hebben ze pilletjes tegen.

Gert Vanlerberghe
0 1

paradijslijk

Moloch huilt nog steeds als titaan zijn onderdanen tanend onder glimmend brons glanzend in vlammendans draagt men zich over aan Moloch zoals die ooit huilde in de straten in de harten in de stegen opgestegen uit rookpluimen bedwelmd en beschonken schenken zij al wat aflaten afhandig maakt   Moloch schreeuwt als voorheen ook voortaan dient hij te worden gediend in de schittering van al wat schijn vertoont hoe niet al wat glimt en wij verder klimmen klauteren verbeten en uit marmer gehouden xanadu in onze levenloze harten het speelt ons parten hoe wij dartelend draven raven nachten gijzelen onze tanden bloot staren   ze sleuren u over straten uw lijf en leed tot in uw ledematen gezonken als afvallige als afgevaardigde van alledaagse sleur van hot naar haar naar hem naar het naar hoe wij allen met onze tanden bloot bloedend op de stoepstenen staan met fakkels in de hand heksenjacht op de verzopen kalveren in gedempte dokken waar de machiavel met schapenvel zijn huid duur zuur opgebroken opengebroken tandeloos radeloos en de longen uit de lucht schreeuwt   we huilen om elkaar schreeuwen onze huiden vol tot we geveld van het eindeloos vervellen neervallen wonden likken met opgeheven hoofd de hemel kussen ongenaakbaar zijn wij de gebarsten goden de halfhelden met nachten in onze ogen dauw op onze geslepen tanden als de ochtend onze ogen doet sluiten wij als nachten vervagen dagenlang tergend dragen wij onze lijven tot de nacht weer in ons ontwaakt wij in lichterlaaie de straten verlichten   huilend om elkaar huiden vol geschreeuwd geveld van dit eindeloos vervagen neergeslagen gezouten wonden met gebogen hoofd sterven ongenaakbaar eindig zijn

Daan Janssens
0 0

in vijf bedrijven

hun ogen tollen gezwollen uit hun uitgeholde kassen - klievend gestaar   als asgrauw diamanten steengruis tussen de pareltranen - als dolken schitteren                                                                         robijnrood geslepen - ijzig wit geblonken                                                                                              in de groeven mensenhuid                                                                             als getatoeëerd - het lichaam guernica                                                                                                                       scar tissue week geworden mens macht verworven beest onwerkelijk weerbaar weerbarstig in ademnood en ochtendstond - hels lawaai gloren aan oorlogsfront - hemels gedonder                                                                                                      schemeren de nachten                                                                                                         als heer en meester                                                                                                              als godenzanger                                                                        hun ogen bloeden - robijnrood gedrenkt                                                                                hun tranen dwalen - in lege straten   hun magen verkrampen gezwollen van zweren en bezwering - de wederopstanding   als zeeuws kobalt ijsgeworden levenslucht tussen de lijken - van verafgoding

Daan Janssens
0 0

Proloog

De cava bijt zich een weg door onze tanden,omarm me, geef me nog zo'n tapenadezoen.Als eerste betreden we de dansvloer,de rest propt zich nog vol met excuses en kippenboutjes,maar ons lijf is al lang van de massa afgekolfd, afgestorven.Ben jij mijn ballerina, dan zal ik jouw dansende derwisj zijn.We wringen schaamte uit onze belegen botten, en de cava baart beloftendie ooit wel ergens in zullen worden gekerfd,in een heilige steen of in onze verdoemde zielen.Als jij stopt met Tinder, dan zal ik niet meer masturberenvoor een foto van Hitler. Fair enough, deze deal.Je maakt me uit voor randdebiel,ik zeg je kan vierkant mijn nazikloten kussen.Je baas gebaart ongeduldig, misschien weet hij weer een grap,of is hij zat genoeg om je een loonopslag voor te schotelen.Hopelijk is die dan pittiger dan zowat alle hapjes en grapjesdie vanavond de revue zijn gepasseerd.Ik heb trek in dat gebrek aan een slipje waar enkel ik,als ingewijde minnaar, weet van heb.Een voorschot op wat komen zal, de knellende ellendein mijn broek voor onbepaalde duur verlengd.Personeelsfeestjes als wachten op het perron,een trein met vertraging, maar eens hij komt,blijkt hij een buitenproportionele lading dynamiet te vervoeren,die niet enkel het station, maar gans het dorp wegvaagt.Achterin een taxidartelen en spartelen,grijpen en begrijpen:het zaad van de passagiers voor ons is nog lang niet opgedroogd.Stoom uit onze oren,een schurkend kruis,smeltende gletsjers,gruyère, stokstaartjes,rake klappen en slechte grappen,de kegelvormige moedervlek op de kont van je baas,en wat met kinderarmoede,en wat als de terreur ook ons op een dag zal treffen,een wilde staccato collage,messcherpe montage,preoccupatie met alles wat niets met jou heeft te maken.Focus.Focus.Focus.Stem je zender af op de bedenking:geen slipje. Géén slipje.Al heel de avond niet.En on repeat.Géén slipje.Al heel de avond niet.En on repeat.Géén slipje.Al heel de avond niet.Een kruisraket in positie gezet.Klaar voor lancering.Geen slipje.Een heldere hemel.Onbelemmerd door de nuance van textieldie tussen jouw graal en mijn queeste kleeft. En begin maar al te krommen.En begin maar al te trillen en te beven.Ik breng de zoden aan jouw dijk,haal je imago door mijn slijk,net als een zwijn met dat gewroet,jij de geul en ik de vloed.De taxi braakt ons uit op straat,een vuurbal stuitert, botst en kaatst.Een wildwaterbaan van aandacht en noodzakelijk kwaad.Want we schaden elkaars reputatiesneller dan we aan het praten geraken.Zie ons hier op de stoep,de goesting bevrijd uit de broek.Klauwen en kaken tot alles in staat,spraakmakend, tot op de tanden gewapend.Bloemen noch kransen noch confetti noch stomende lakensvoor hoe het verder gaat wanneer de voordeur dichtslaat.De sleutel in het slot is de enige vorm van penetratie.Alle cliffhangers en achtervolgingsscènes en ontknopingen en apotheosenzaten al in de proloog; in de feature film valt niets meer te rapen.We gaan slapen.

Gert Vanlerberghe
0 0