Zoeken

Etwas Herzhaftes ...

Mijn volgende stop op mijn vakantie terugreis wordt Zweibrücken of all places in het Rijnland-Palts. Wat in mijn geboortestreek de ‘Zwarte Beek’ genoemd wordt, heet hier simpelweg de ‘Schwarzbach’. Toen ik jaren geleden een Duitse nachbarin had was ik verwonderd hoeveel Nederlandse woorden verstaanbaar blijken als je er een Duitse draai aan geeft. Behalve toen Helga ooit zei “Damit komm ich schon klar”, kreeg ik het even moeilijk om uit te leggen hoezeer die uitdrukking op mijn lachspieren werkte. In een kaffeehaus bestel ik een koffie. Aan een tafeltje zitten twee koppels van net over middelbare leeftijd uitbundig mee te zingen met Vico Torriani op de lokale radiozender : “In einer kleinen Konditorei, da saßen wir zwei bei Kuchen und Tee. Du sprachst kein Wort, kein einziges Wort und wusstest sofort dass ich dich versteh…“  Het wordt mij te uitbundig en luid en ik zoek heil op het aanpalend ruime terras. Iets verder van mij zitten twee exemplaren van de plaatselijke jeugd, nu ja plaatselijk. Hij kan zijn Arische roots niet verloochenen: groot, blonde haardos en blauwe ogen. Zij is een Zuiders type met halflange golvende ravenzwarte haren, een lichtbruine huid en donkere ogen.Er worden geen woorden uitgewisseld, maar dat lijkt om heel andere redenen dan in het liedje. Zij kijken ieder verbeten een andere kant op.  Binnen wordt op de Rundfunk een andere plaat opgelegd en op de achtergrond weerklinkt nu ‘Love hurts’.  Op dat ogenblik bemerk ik de elektriciteitskast op het plein met de graffiti ‘The Love, the Pain’. Toeval bestaat.Zijn lederen vest, smaakvolle merkkledij en dure schoenen verraden een gegoede afkomst. Een schril contrast met haar ietwat kitscherige grote ronde oorbellen en bonte, zwierige kledij.  Ze doet mij denken aan de Gitanes, die elk jaar op bedevaart trekken naar Saintes-maries-de-la-mer. Ze heeft ook iets van die wilde paarden in de Camarguestreek, want plots staat ze bruusk op en loopt op haar knalgele hoge hakken het etablissement binnen. De jongeman schudt het hoofd en verdiept zich in zijn iPhone.   Even later komt de Spaanse furie terug naar buiten. Ze blijft recht staan met beide handen op het terrastafeltje en kijkt haar tafelgenoot strak in de ogen: “Nein, Jurgen, kein Perro, niemals!”Hij heeft duidelijk iets opgezocht en toont haar nu iets op zijn telefoon: “Sieh nur, wie lieb er hier ist.” Zij blijkt niet te vermurwen: “Jurgen, ich habe dich und das ist genug. Ich will kein Hund!” “Bitte, Viola”, Jurgen doet teken om naast hem te komen zitten. Hij wil haar blijkbaar nog meer foto’s tonen op zijn gsm.Viola houdt voet bij stuk, ritst haar handtasje van de tafel en snelt weg. Als ze voorbij mijn tafel komt hoor ik hoe ze luid in zichzelf praat: “¿Un perro?de ninguna manera!”Dus toch Spaans, denk ik. Duidelijk verslagen zit Jurgen aan het tafeltje waarop zijn iPhone ligt. Met zijn rechterhand lijkt hij het scherm te aaien. Even overweeg ik om hem een drankje aan te bieden, iets stevigs.

Vic de Bourg
6 0

Heerser van de peristaltiek

Ooit duwde ik me tijdens La Festa di Sant Agata door de Catanese straten. Ik was toen bewust aanwezig, dat wel, maar dat het dit, ginds o zo belangrijke, feest was, wist ik op dat moment niet. Zo kwam het dat ik me in een massa bevond, waardoor ik nu steevast smalend reageer wanneer men een groep mensen een massa noemt: ‘Ge weet niet waarover ge spreekt! Tien man of wat?’Zowat alle Siciliaanse lichaamsdelen, en wat ze kunnen dragen, werkten mijn bewegingen tegen en dwongen me mee te doen met hun ritueel. Alle Catanesi, jong en oud wierpen, huilend met witte zakdoeken, kusgebaren naar hun beschermheilige die op een immense, vergulde troon zat. Enkele tientallen mannen in witte pijen torsten het gevaarte voet voor voet door de stad. Wie goede oren had, kon de ruggenwervels van de mannen horen knarsen en kraken. Niemand hoorde dat. Rond de troon, nog steeds op het gevaarte, liepen andere witte mannen. Zij deelden kaarsen uit of namen er in ontvangst. Dat kaarsenverkeer heb ik nooit kunnen ontcijferen. De dag nadien had ik de processie alleen kunnen afwerken door het gele kaarsvet op de donkere straatstenen te volgen. Ik deed het niet.Intussen schoof ik een halve meter op. Ik voelde me dat taai stuk vlees dat ik als kind toch maar mijn slokdarm in moest jagen. Door de samenwerking aan kring- en lengtespieren hebben de stukken zich al die jaren peristaltisch naar beneden kunnen werken. In Catanië waren de inwoners de kringspieren en was ik de enige lengtespier die alles uit de kast haalde om toch maar vooruit te geraken. Ik wilde weg, een rustige straat inslaan en een museum bezoeken. Wie wil er nu cultuur opdoen door er middenin te staan? Het lukte. Ik bleek sterker dan zij die bescherming zochten bij een corpulente dame op een troon, die slechts één keer per jaar uit haar kathedraal kwam. Ze zouden míj moeten vereren, verdomme, heerser van de peristaltiek. We zouden kunnen afspreken dat ik jaarlijks twee keer door hun straten wandel. Of zet me maar op de troon van de witte mannen, het zal hun ruggen en schouders goed doen.

de amechtige specht
41 0

Afscheid van de vlinder

Op een mooie lentemorgen in mei, zat de vlinder op de tak van de berkenboom. “Dag vlinder!”, zei de eekhoorn. “Wat ben jij er al vroeg, vandaag!” “Ja,”, zei de vlinder, “dat komt omdat ik wegga vandaag.” Met grote ogen keek de eekhoorn de vlinder aan. “Hoezo, weg?” De vlinder sprong wat dichterbij. “Ja, weg! Is dat zo vreemd misschien?” De eekhoorn dacht na, hij was nog nooit weg geweest. Misschien was het inderdaad niet zo vreemd. “Maar, waar is weg dan?”, vroeg hij. De vlinder dacht even na. “Weg, dat is voor iedereen op een andere plek. Voor een ooievaar is weg veel verder dan voor een kleine mus. Maar weg is altijd verder dan thuis.” De eekhoorn keek de vlinder aan en dacht na. Waar zou weg voor hem zijn? Misschien aan de andere kant van het grote berkenbos? Of nog veel verder, over de heuvel, achter de horizon of daar waar de zon ondergaat? De eekhoorn begreep wel dat hij de vlinder dan niet meer zo vaak zou zien! “En waarom ga je dan weg?”, vroeg hij. “Enkele dagen geleden, was ik nog een rups,”, zei de vlinder. “Toen ik nog een rups was, kon ik enkel kruipen zo ver ik kon. Nu heb ik vleugels en kan ik vliegen zover als ik wil! Niets houdt me nog tegen om mijn vleugels uit te spreiden en weg te vliegen. Het is tijd voor mij om een andere richting uit te vliegen!” “Maar ga ik je dan nog eens zien?”, vroeg de eekhoorn en hij keek de vlinder met grote ogen aan. Hij dacht aan al die keren dat ze samen waren. De eekhoorn en de vlinder konden uren samen doorbrengen, zonder zich te vervelen of ruzie te maken. De ene dag keken ze samen naar de zonsondergang of aten ze samen nootjes en blaadjes. “Weggaan is niet voor altijd,”, zei de vlinder.  “Want weggaan is geen afscheid. Als je weggaat, kan je altijd nog eens terugkomen. Als je weggaat, zal je altijd ergens vertrekken. Maar waar ik vertrek, bij jou, weet ik, dat ik altijd welkom zal zijn.” En zo zaten ze samen, in stilte, en keken naar de zon die boven de toppen van de berkenbomen uitkwam en het hele bos vulde met een schitterend wit licht.

IngridB
133 1

De val

De hitte schoof twee ongemakkelijke ligstoelen de schaduw in en duwde ons bruusk achterover. We lieten begaan, bliezen de laatste autolucht onze lijven uit en waren het eens; voor ons lag een landschap dat we lang niet meer hadden gezien. Ik zag het voor het laatst op een schilderij van Pieter Bruegel de Oude dat ooit de achtergrond was op mijn computer: de zon stond hoog en bleekte het meer onder het hemelsblauw zodat een verlaten rotseiland onafwendbaar leek voor het schip met bolle zeilen. Ik besefte dat enkel dat laatste ontbrak toen Sofia besloot de sleutel van ons logement op te halen bij de eigenares. De vakantie kon voor haar niet snel genoeg starten. Ze is altijd ondernemender geweest dan ik, zij had deze trip uitgestippeld, ik keurde goed. We zaten hoog. Het pad naar het water slingerde tussen rotsen en olijfbomen naar beneden en het kostte ons minstens een halfuur voor we onze schoenen in de hand konden nemen. Naast het bruisende water, voeten soms diep in het zand, hervatten we het gesprek van eerder die dag toen we ons vakantiedorp naderden. Hoe zou ons leven er hebben uitgezien, moesten wij hier zijn opgegroeid? Zouden we meeroesten met de straatlantaarns van het Place de Victor Hugo? Of zouden we vleugels aanbinden en vluchten naar de stad verderop? Thuis hadden we ons die vraag nooit hoeven stellen omdat we in een kleine stad woonden. Het was tevens een dorp waar we rust en activiteit vonden zonder moeite te doen; wilden we avontuur dan maakten we het laat op café en fietsten we op de tast weer naar huis, wilden we rust was het bos altijd nabij of maakten we het minder laat op café. Waar je ook gaat, stad of dorp, roest je niet overal? Misschien is het louter een kwestie te kiezen hoe je dat doet; snel of traag, weelderig of gematigd, intens of oppervlakkig. Als je al de keuze hebt. Sofia vertelde me dat de eigenares best aardig was, al had ze verbaasd gereageerd op de vraag wat er voor jongvolwassenen zoal te doen was in de buurt. Ik wist dat Sofia de bewoners van het dorp bedoelde en dat ze antwoorden zocht op onze vragen: Wat houdt de jongeren hier? Komen ze na hun studies terug naar huis of blijven ze in de stad? De vrouw had drie tellen voor zich uit gestaard voor ze antwoordde: ‘Bevalt het u hier dan niet?’ Het aangelegde strand maakte snel plaats voor een welig kronkelend rotspad dat almaar op en af ging, twijfelend tussen water en lucht. Enkele meter hogerop bewerkte een boer zijn grond. De man droeg een strohoed met brede rand, zweet parelde op zijn verweerde onderrug. Nadat hij ons opmerkte snoof hij ander vocht weer naar binnen en richtte zich gehaast terug op zijn werk. Mijn onzekere maar oprechte knik ging volledig naar zijn achterste, Sofia merkte dit op en gniffelde.  Wat verderop besloten we terug te keren en waren we opgelucht toen we opnieuw wegzakten in het mulle zand aan de rand van het kleine strand. Óns strand, want deze strook behoorde tot het domein van het hoger gelegen vakantiehuis dat tien dagen het onze zou zijn. Ik keek nog even achterom toen Sofia het halfuur bergop aanvatte. De zon was op haar beurt aan de terugweg begonnen en zou binnen enkele uren het water raken. Een visarend plooide zijn vleugels en bad voor zijn val.      

de amechtige specht
31 1

Weerborstel

Nu weet ik het zeker. Die ogen zijn de mijne, de manier waarop hij zijn brilletje schoonveegt aan zijn trui en weer opzet ook. Maandag had ik nog getwijfeld toen ik iets voor vieren de school passeerde en hij mijn pad kruiste. Het was alsof ik recht in de ogen van mijn tienjarige zelf keek. Ik wou zeker zijn. De kans leek me te klein. Dinsdag lummelde ik op hetzelfde tijdstip rond op dezelfde plaats. De jongen sleepte een donkerblauwe sporttas achter zich aan, zijn rugzak bengelde over één schouder. Zijn haar was niet blond als het mijne, maar vormde wel dezelfde gekke kuif achterop zijn kruin. Een weerborstel, zoals mijn moeder het vroeger noemde. Zonder me aan te kijken wandelde hij langs me heen, bleef even staan voor een achtergebleven colablikje, trapte er dan toch niet tegen en sloeg rechtsaf. Vanmiddag volg ik hem dat straatje in, tot bij hem thuis. Meer dan honderd meter moet hij niet in zijn eentje afleggen vanaf de schoolpoort. Hij heeft een eigen sleutel en gaat op de tippen van zijn tenen staan om de voordeur van het rijtjeshuis te openen. Een paar keer loop ik terug naar de straat waar de school ligt en weer naar het huis. Ik wil weten hoe de moeder eruitziet, en of er een vader is. Tien jaar, zolang is het zeker al geleden. Ik weet niet meer hoe vaak ik in dat kleine kamertje vertoefd heb en hoelang er telkens tussen twee bezoekjes zat. Ik herinner me vooral de frisse geur van de matrasbeschermer op het bed, de gordijnen die altijd dichtgeschoven waren en de opwinding wanneer de roodharige verpleegster me achterliet met het potje in mijn hand, de deur achter me sloot en het bordje met ‘BEZET’ omsloeg. Ik had er wat voor over. Voor elke donatie mocht ik vijf dagen geen zaadlozing hebben. De onkostenvergoeding was de moeite niet waard. En toch evenaarde niets die opwinding. De boekjes in de kamer waren elke keer dezelfde, maar op de televisie was telkens iets nieuws te zien. Geen gebabbel, enkel lijven die over elkaar heen glijden. Ik zonk weg in de matras en ging aan de slag. Zoveel jaar later voel ik die rilling weer.  Tegen valavond heb ik geluk. Een slanke vrouw met dezelfde kastanjebruine lokken als de jongen komt naar buiten. Ze steekt haar haren op in een dot terwijl het jongetje zich in rubberen laarsjes wurmt. De moeder draagt stevige stapschoenen. Ze trekt de voordeur achter zich dicht en legt haar hand op het hoofd van de jongen. Samen verdwijnen ze in de richting van het bosje aan het eind van de straat. Wanneer ze terugkomen, heeft het kind zijn handen vol met bladeren. Bruin, geel, rood, oranje.  Ik moet vindingrijk uit de hoek komen. ‘Hallo, is mijn pakje toevallig hier bezorgd?’ vraag ik meteen wanneer de deur openzwaait en ik recht in die koffiebruine ogen staar. Ik zwaai met een papiertje dat ik onderin mijn jaszak heb gevonden. Wat daarop staat weet ik niet eens. ‘Ik kreeg zo’n briefje in de bus dat het bij de buren was afgegeven, maar ik heb geen idee bij wie dan.’‘Oei, hier is bij mijn weten niks toegekomen,’ hoor ik de vrouw zeggen terwijl de jongen achter haar komt piepen. Ik zwaai naar hem. ‘Dag grote jongen!’ Verschrikt duikt hij weg in de woonkamer. ‘Hoe heet hij?’ vraag ik zonder de moeder aan te kijken. ‘Oscar,’ antwoordt ze voor ik alweer verder leuter. ‘Hij heeft het haar van z’n mama. Maar die felblauwe kijkers, die moet hij toch ergens anders vandaan hebben.’ De vrouw veegt haar handen af aan haar okergele jurk. ‘Sorry, we moeten nog ergens naartoe. Uw pakje is hier niet toegekomen, het spijt me.’ Donderdag haalt ze haar zoontje op aan de schoolpoort. Ze draagt dezelfde jurk als gisteren met daarover een bordeaux jasje. Tussen de andere ouders, die allemaal in het grijs of donkerblauw gekleed zijn, herken ik haar meteen vanop mijn plaats aan de overkant van de straat. Ik doe alsof ik aan het telefoneren ben en hou hen intussen in de gaten tot ze uit het zicht verdwijnen. Een halve meter voor haar uit holt het jongetje naar huis. Ik vraag me af of ik ook voor de naam Oscar zou gekozen hebben als het kind echt van mij was geweest.  Ik moet eruitzien als een buurtbewoner. Soms kijk ik niets eens op wanneer ik hen passeer op straat, druk mijn sleutels zoekend in mijn jaszakken of bellend zonder iemand aan de andere kant van de lijn. Dan merk ik hen op het laatste moment toch op en zwaai hartelijk. Ik moet weten of zij alleen is of een suffe echtgenoot heeft, zo’n kalende met een bierbuik die de hele dag voor televisie hangt. ’s Ochtends zijn de gordijnen open en kan ik binnenkijken in huis, als ik traag genoeg voorbijwandel en op het juiste moment mijn hoofd draai. Oscar is een boekje aan het lezen, zijn mama staat boterhammen te smeren aan de eettafel. Geen papa te bekennen. Ik verschuil me om de hoek van de straat en wacht tot moeder en zoon naar buiten komen en naar school wandelen. Mijn neus heeft hij niet, wel mijn oorlellen. Hij slentert met zijn handen achter zijn rug, de blik op de grond gericht, net zoals ik zo vaak op die leeftijd. Ik beeld me in dat hij plots begint te groeien tot hij zo groot is als ik en me recht in de ogen kijkt, of dat ik op straat plots omringd ben door honderden Oscars die uit alle deuren naar buiten stromen.  Woensdagmiddag volg ik Oscar opnieuw tot hij thuis naar binnen glipt. Voor de gevel staat een fiets die ik nog niet heb gezien. De voordeur zwaait open, een vrouw komt naar buiten en plaatst de fiets in de hal. Het is niet de moeder. Deze heeft rode krullen. Ik ga op het huis af en bel aan. Wanneer ik de groene ogen van de vrouw zie, weet ik het meteen. Ik ruik weer de matrasbeschermer, hoor het bordje met ‘BEZET’ omslaan, zie de video’s op het televisiescherm waarvan de klank is uitgeschakeld. ‘Hallo ik vroeg me af of u een goed doel zou willen steunen misschien,’ krijg ik er nog net uit. Even zegt de vrouw niets. ‘Ik ben verpleegster, ik steun elke dag een goed doel,’ hoor ik haar dan antwoorden. ‘Het spijt me, we hebben niet zoveel geld over om weg te schenken.’Dan glijdt haar blik naar mijn ogen. ‘Maar ik ken u toch ergens van?’ vraagt ze. Ik frons mijn wenkbrauwen en staar naar de stoep. ‘Is dat zo?’‘Ben jij ooit patiënt geweest bij mij?’‘Ik heb nog nooit in het ziekenhuis gelegen. Toch niet sinds mijn geboorte.’ Ik probeer weg te lopen maar blijf op mijn plaats staan. Nu steekt ze haar wijsvinger naar me uit. ‘Vroeger, toen ik nog in het fertiliteitscentrum werkte. Daar kwam jij toch?’ Ze lacht haar tanden bloot. ‘Da’s meer dan tien jaar geleden.’De deur die de woonkamer van de hal scheidt zwaait langzaam open. Oscar en zijn mama komen de hal binnen. Ik kijk naar de jongen met het brilletje en de weerborstel, de vrouw met de kastanjebruine haren, de andere vrouw met de vuurrode krullen.  ‘Dan ga ik maar eens naar het volgende huis. Misschien heb ik daar meer geluk,’ stotter ik. ‘Tot… tot ziens.’Ik draai me om en wacht tot de deur achter me dichtslaat, maar het blijft stil in de straat.

Felix Sandon
15 0

De kleine van ‘t café

Pa is vaak van huis, maar niet vaak genoeg. Elke keer als hij thuiskomt, zit ons ma direct vol. En als hij daarmee klaar is, begint hij te zuipen en slaat hij op alles en iedereen die hij tegenkomt. Behalve op de klanten, dat mag niet van ons ma.     Ons ma zegt dat een echte cafémadam al haar klanten onder tafel moet kunnen drinken. Als ze zwanger is, drinkt ze geen druppel minder. De kleine kan er beter al aan wennen, zegt ze dan. Ze is echt een heel goede cafémadam. Door al dat zuipen zijn er vier kinderen doodgeboren en dat was met ons Leslie beter ook gebeurd. Debiel, achterlijk, te stom om te helpen donderen of ooit haar eigen geld te verdienen. Ze zal altijd een blok aan ons been zijn en ze is te lelijk om een hoer te zijn. Geen mens die daar geld voor geeft. Zelfs in het café is er niemand die eens wilt.     Bij mij heeft mijn moeder juist genoeg gezopen: ik ben te slim voor een gesticht en te dom voor een goeie job. De vuilkar zou ik willen doen, maar daar nemen ze geen Vandoorens aan, nadat onze Davy de opzichter een paar tanden uit zijn muil heeft geklopt. In het containerpark heeft onze Michaël een van de andere werkgasten zijn neus gebroken. Bij de groendienst kwam onze Dennis toe met zijn thermos vol whisky. Dat ging, totdat hij met de camionette in de gracht is gesukkeld. De garagist heeft ruzie met onze pa en alle cafés zijn concurrentie. In de schone magazijnen willen ze enkel ‘deftig’ volk en voor proper werk op een bureau moet ik een diploma kunnen voorleggen. Veel werk is er niet voor iemand met mijn naam en mijn karakter. Het is ofwel kadavers ophalen voor de Rendac ofwel nachtwerk.     Ik had gezien in de streekkrant dat ze iemand zochten in het klein Delhaizeke om voor nachtwaker te spelen. Ze hebben daar blijkbaar schrik dat er ’s nachts iemand de champieter en de kaviaar gaat komen pikken. Slechte uren, een contract van mijn voeten en stevig onderbetaald. Maar veel keus heb ik niet, om niet te zeggen geen. Maar kom, onderbetaald is ook betaald. Een uniform voor de nachtwaker hebben ze niet, dus moet ik daar mijn eigen triestige schoenen lopen verslijten.     Vanavond om elf uur moet ik klaarstaan om een godganse nacht mijn tijd te verdoen in die klotewinkel. Om zeven uur ’s morgens komt de chef. Hij kan zien dat hij mijn pré bij heeft of ik sla op zijn bakkes.

Harlinde Bormans
42 2
Tip

De nachttrein

Het was onze eerste reis, ver van huis en zonder ouders. Maanden hadden we ernaar uitgekeken om met de hele klas te gaan skiën in Zwitserland. Niemand was er al geweest, niemand had ooit een skilat van dichtbij gezien en het idee dat we met de nachttrein zouden gaan maakte het allemaal nog avontuurlijker.     Op de dag van vertrek wuifden we opgewonden onze ouders uit, klaar voor een week onafscheidelijk samen zijn. De hele klas hing goed aan elkaar, maar wij twee waren de hartsvriendinnen die maar niet uitgepraat raakten tegen elkaar.     Wij deelden een slaapcoupé en na wat in mijn herinnering wel uren vol onschuldig meisjesgeklets lijken, vielen we in slaap. Ik op de bovenste bedplank, jij onderaan. We waren jong, hadden nog nooit gevaar van dichtbij gezien en we voelden ons beschermd door onze hechte vriendschap. Daarom vergaten we de deur op slot te doen en veranderde die nacht jou voorgoed.     Een man komt binnen in onze coupé en legt zich zomaar op de onderste vrije bedbank, enkele meters bij jou vandaan. Hij ruikt naar iets dat ik niet ken. Ik ben verstijfd van angst. Plots ziet de man dat hij niet alleen is. Hij kruipt bij jou. Ik zie niet wat hij doet, ik durf niet te bewegen en niet te denken aan wat er vlak onder mij gebeurt. Na enkele minuten zucht de man. Ik hoor geritsel van een riem en dan valt het licht van de gang een paar seconden binnen. De man sluit de deur en laat ons weer alleen. Niemand beweegt. Ik hoor je huilen en ik doe alsof ik slaap.     ’s Ochtends vroeg ik of je goed geslapen had. Ik was opgelucht toen je ja zei. Ik wilde niet weten wat er was gebeurd. Ik dacht dat je het zou kunnen vergeten, als niemand erover sprak. Dat was niet zo.

Harlinde Bormans
224 4

Iets onnozels met pompoenen

Als Grote Gele Eend haar bek opentrekt, spannen de rimpels van de vijver strak, spitsen de spitsmuizen de oren en staakt Lacherige Langpoot het lachen.    ‘De oplossing,’ zei Grote Gele Eend, ‘voor jullie kwakkelende verkoop, is vannacht tot mij gekomen.’ Kleine Kiet, de slimste kikker van de plas, tuurde kwijlend naar Grote Gele Eend. Dat Kleine Kiet op Grote Gele Eend zinde, wist iedereen en vandaag stonden zijn begerige ogen nog begeriger. ‘Wie van jullie uilskuikens ooit op het idee kwam, weten jullie vast zelf niet meer,’ ging ze verder. ‘Feit is dat er een berg maffe hoedjes en bezemstelen schimmelen onder de oude eik. Geen sufferd vindt jullie webshop, behalve die van Azerty, en zelfs die retourneerden hun pakket!’ Ze trapte, om haar woorden extra kracht bij te zetten, op een eikel die in de vijver plonsde.    ‘Dát weten we,’ sjirpte Kleine Kiet, ‘En dat moet je er niet opnieuw inwrijven. Ga je poseren met onze brol en pleuren we die foto’s online?’ Kleine Kiet trok zijn roodstreepbroekje recht. ‘Dat zou wel marcheren: Grote Gele Eend op Onlyfans, vijftien euro voor een exclusieve stream uit jouw douche.’ Lacherige Langpoot brulde zijn lach. ‘Tip van de dag, gegarandeerd!’    Grote Gele Eend schudde haar kont alsof ze zo Kleine Kiets vuilbekkerij van zich wilde schokken.     ‘Hou je kop, schuine kikker,’ kakelde Sjors Spikkelbeen, de dikste kip van de plas, ‘straks wil ze haar oplossing niet meer vertellen, en kan ik muggen blijven zuigen. Ik wil een rollende webshop, dan kunnen we kreeft eten in de Seychellen, of bungeespringen op Kreta, of, als ie echt lekker loopt, naar Disneyland in Orlando.’    ‘Disneyland,’ kwaakten de kikkers wild. ‘Bibberen in The Haunted Mansion!’    ‘Kreeft,’ mijmerde Kleine Kiet, ‘met champagne!’    ‘Jullie moeten het natuurlijk goed marketen,’ zei Grote Gele Eend, ‘niks verkoopt zichzelf. Goede backlinking, een beetje SEO, Adwords, Facebook pixels, de hele chickenbak...’ Ze strekte haar hals wat hoger, glom haar snavel en kuchte tweemaal. ‘De oplossing...’ zei ze, ’is geniaal eenvoudig.’    ‘Kom op,’ zei Kleine Kiet, ‘je speelt ermee.’    ‘Je maakt witte cijfertjes,’ zei Grote Gele Eend. ‘Nul Zes Acht bijvoorbeeld, die plak je op een groene jumpsuit, of een rode. Meer niet. En je tekent een witte cirkel, vierkant of driehoek op een zwarte schermhelm. Uitverkocht voor je halloweenfestijn kan zeggen.’    'Halloweenfestijn?’ vroeg Kleine Kiet.    ‘Iets onnozels,’ zei Grote Gele Eend, ‘met pompoenen.’ 

TonyCoppo
26 2

Ballerino & Bolero

In 1963 trek ik op mijn zestiende de wijde wereld in en koop een enkel bootticket van Buenos Aires naar Europa. In Brussel maak ik al snel vrienden. Enkele onder hen zijn figuranten in het ‘Ballet van de XXe eeuw’. Mijn eerste auditie is een flop, hoe kan het ook anders, ik heb niets met dit soort dansen, maar ik bijt door. Eindelijk mag ik meedoen, achteraan in het balletcorps leef ik mij uit op Mexicaanse volksmuziek. Ik bloei helemaal open in deze groep met wel vijfentwintig verschillende nationaliteiten. De ene danser is al knapper dan de andere en de meisjes mogen er ook zijn. Ik zie dat de balletmeester mij meer en meer in het oog houdt en krijg steeds intensievere balletlessen. “Jorge, jij bent er klaar voor. Je danst  met Bortoluzzi.”“Maar, meester, Paolo is een sterdanser. Ik kan niet tippen aan wat hij al bereikt heeft.”“Geen paniek, ik vraag je niet om op je tippen te dansen, maar we gaan er aan werken. Ik heb een groots spektakel bedacht op de muziek van de negende symfonie van Ludwig van Beethoven en jullie krijgen daarin hoofdrollen. Naast dansers zijn er tientallen figuranten en een live orkest met koor. Jullie gaan schitteren.”“Paolo, alsjeblief, zeg aan maestro Béjart dat ik dit niet aankan. Hij kan mij evengoed tussen de figuranten zetten. Ik ga toch ook niet in het koor meezingen of in het orkest spelen? Dit gaat mijn petje te boven.”“Jorge, toen Maurice mij in Milaan vroeg om zijn troep te vervoegen was ik een amateurdanser. Kijk waar ik nu sta, vertrouw erop, jij kan het.” Aan de barre lukt het steeds beter maar zodra ik thuis kom begint het beven, de gewrichtspijn, het letten op het eten om niet telkens over te geven. Dit gaat mij nooit lukken. Ik ben zwaarder dan Paolo, ik moet vermageren. Waar haalt hij zijn kracht vandaan?  Straks moet ik hem boven mijn hoofd tillen. Ik word gek, maar Maurice helpt mij er bovenop en weet als geen ander hoe mijn logge lijf in elkaar zit. Hij laat mij dingen doen die ik onmogelijk waande. Ik sluit mijn dagboek waaruit ik  heb voorgelezen aan een journalist van een dansmagazine.“Hebt u nog een scoop voor mij, mijnheer Donn?”“Ik besterf het nu al. Maurice wil mij op mijn tweeëndertigste als eerste mannelijke solodanser de Bolero laten opvoeren.”

Vic de Bourg
12 0