Winter
Weet je nog die dag:hoe de sneeuw– ijskoud –aan onze wanten kleefde?
Hoe we in de verte tuurdennaar de rook, die kringelend een kerstkrans vormde.Je handen om mijn borst geklemdals een vacht tegen de gure wind.
Er was een hut, het dak bepakt met sneeuw.De ijspegels echoden een kristallen melodie,druppels bevroren klank tinteldenals de toppen van mijn vingers.
Met je adem blies je wolkjesdie naar glühwein en intimiteit geurden.Onder ons dekte de mist goedmoedighet witte landschap toe.
Aan de hemel brandden lichtjes, een fata morgana van kaarsen in een denneboom.Het begon opnieuw te sneeuwen,dwarrelende sterren smolten op de palmvan mijn uitgestoken hand - mijn wantdoelloos aan het touwtje bungelend.Ik proefde met mijn tongeen vonkje ijskoude winter.
Het kraakte tussen mijn tanden, net als de vorst toen die nacht de ramen bevroren.En ik dicht tegen je aangekropenluisterde of ik sleebelletjes hoorde.
De Kerstman zong:“Ho ho ho.”We lachtten uitbundig, rode wangenrond een volgedekte tafel. Ons samen-zijn het kostbaarste cadeau.