Zoeken

Hoerarij (deel1)

Hoeveel $ (bij de hoer)     Hij houdt hem hoog Zij houdt hem laag (met de rug op het bed zij op hem) Het bordeel als intieme plek   Zij kent hem van vroegere bezoekjes (een vijftig eurobiljet in de hand) Hij consumeert haar alsof elke keer de eerste is (het bosje schaam op de achtergrond)   Bij bed en erectie houdt hij zijn kinderlijke naïviteit staande Geveinsde tirade volgens haar (zij houdt hem laag)   Moederlijk gespreid tussen armen en benen   Als niet gelogen uit een kindermond spreekt hij de waarheid: “Jij bent een hoer” “A?” (zij) (hij): “Rij!” Zij berijdt hem (van paardenmetafoor tot op zijn hondjes) Hij neemt intussen het kussen waar (een doek van zwart satijn) Ontneemt haar de lust met zijn blik Zij ondergaat het machtsspel Verliest haar decorum voor maar even Torenluw staat hij op wacht Doorheen kantelen speurt hij de horizont af Sensueel doch zonder dralen haar intiem toilet Verademing der geslachten Ze lachen (hij en zij) Om lust die was Om afstandelijkheid en paardenmetafoor Om aan- en uitgekleed Om woorden zonder betekenis Om verdronken en weggespoelde zwemmers Om vijf minuten tijd Hij nijpt op bepaalde hoogten (in hoven zonder bloemen) Zij laat het toe voor een biljet extra Helder water besprenkelt haar tuintje Bloemlezing voor de volgende pluk: “Il fait moche aujourd’hui” Hij vertrekt (sleutels portefeuille gsm) Wolken achter glasgordijnen Een kus (nat op beide wangen) Regendruppelsurogaat voor onbeschermd vleselijk contact Schuldig aan wandelen op het troitoir: Hij Onschuldig aan vrouw-zijn: Zij

Sascha Beernaert
73 0

versgetijden

I.  ontredderd afgestompt ongekend dagelijks rumoer raast ergens nergens heen ik voel onmenselijk veel immense gevoelens immens veel im-mens Im Mensch Glauben Sie?   nee excuseer ik geloof niet en wij kopen niet aan de deur   maar ondertussen sta ik al jaren te pacht te pas en te onpas weeldig tierend tussen al dat volk die tirade aan stemmen waarvan er geen een geen enkel lijkt te wankelen rotsvast en onverbiddelijk slaan ze mij te niet de kleine profeet een nietige Ezra die in dit barre land zoekt naar zijn verlies vervlogen rijkdom allegaar.   ik zou u kunnen kussen, liefste lotgenoot al waar het dan dat ik u zou verdoemen tot een eeuwigheid in mijn armen   omarmd met al mijn mankracht ontmanteld in al mijn armoede   II.  ‘t zijn de kinderen van de desertie zonen en dochters van een april reeds vervlogen de grond is dor hun ogen tranen puur stoffelijk overschot de resten van hun onschuld in materie hun moeders voelen zich niet langer gehecht machinaal verwijderd ergens tussen nageboorte en nageslacht losgerukt van identiteit   men zou u maar al te graag definiëren u willen neerpennen gelijk ik nu doe ongeacht mijn intenties is mijn inkt niets niets meer of niets minder dan een ijdel wapen   kijk, ik zou u dragen als goddelijke profeten u doen neerdalen jef jef jef mijn Hindenburg uw Al-Djoedie en een onvergeeflijk einde aan al uw zonden als bannelingen als godvergeten volk   maar gepreek en gepalaver later strijkt ge nog steeds neer in goten en koterijen als beesten beesten gestrand aan de voeten van de rattenkoning als een gepolijste troon een troon met doornen, gelakt met uw kristallen tranen     III. gebarsten mannen staan met versplinterde tanden in bloederige rijen aan stukken gereten en paraat   hun klapperende gebit scheurt hun kaken aan flarden hun handen beven ratelende knoken als een slangendans vervellen hun sidderende lichamen versteend tussen de jaren barsten zij in tranen uit rollen over rauwe kaken en kussen zilte lippen de comateuze streling van hun bevroren huid   en mijn gedoornde armen als een christuskroon getooid in bloed rood bloed omdat het zo zeldzaam is omarmen lijven versleten geruïneerde restanten van waarheid en vervlogen leugens die als vleugels te pletter storten in het zilt     IV.   Ezra – Azra’il gevederd herrezen uit de tandeloze zee doods zolang er gegil te horen is uit de golven als dolle hellehonden de striemen van hun riemen grafzerken in het vlees vurige tongen vlammen hun gal geladen klanken als ijzeren engelen donderen zij verwoesten zij hunkeren zij huilen zij net als gij en ik   want ook wij zijn niet opgewassen tegen de wassende zee

Daan Janssens
0 0