Zoeken

Fetish uit een doos

Ik heb een dildo gekocht om de kunst van het masturberen te leren. Op de doos staat LOVEHONEY in dikke roze letters. Ik test hem vanavond voor het eerst. Aan wie ik zal denken weet ik nog niet, waarschijnlijk niet aan mijn man. Batterijen heb ik niet gekocht, dat hoeft naar het schijnt niet bij een dildo. Ik heb even getwijfeld, maar een vibrator leek me toch te fake. Een penis trilt ook niet minuten aan een stuk. Hoogstens enkele seconden misschien. Neen, een penis pulseert in op- en neerwaartse stoten. Daarom is het een penis. Bovendien was de dildo afgeprijsd. Voor 28,95 euro heb ik vanavond voor het eerst in zes weken weer eens goede seks. Als ik de verpakking mag geloven toch. Die valt trouwens wat tegen nu ik thuis ben. Ik had meer tijd moeten nemen daarnet in de winkel. Ik koop niet elke dag een seksspeeltje. Vijf minuten om te kiezen en af te rekenen is niet veel. Het kan ook liggen aan de plaatsvervangende schaamte die mij tijdens mijn aankoop overviel. De man voor mij aan de kassa had een fetish. Dat hij daar stond omdat de toonbank hem opwond, had ik pas door toen de verkoopster mij wenkte en hem vriendelijk verzocht plaats te maken. Hij schuurde nog snel zijn onderbuik tegen de glazen zijkant en verdween vervolgens achter een rek dvd’s vol parafilieën. De twee meiden achter mij die met enkele attributen, zogezegd voor een vrijgezellenparty, stonden te zwaaien maakten het nog gênanter. 'Strapon' en 'Futaner' hoorde ik hen giechelen. Ik was opgelucht toen ik weer buiten stond.   Uit de doos lijkt hij langer. Hij heeft blijkbaar ook een zuignap. Dat betekent dat, als ik hem optimaal wil gebruiken, op zoek moet naar iets om hem tegenaan te kleven. Onze slaapkamer heeft geen gladde ondergrond. De badkamer is geen optie, die is vandaag nog gepoetst. De woonkamer dan maar. Vanavond ben ik toch alleen. Ik spuug zo hard ik kan op de onderkant en plof hem in het midden van de tafel. Hij wiebelt van links naar rechts, maar blijft overeind. Gehurkt schuif ik een 6 inch siliconen dildo zo diep als ik kan in mij. Stel je voor dat mijn man nu binnenkwam. Ik probeer de gedachte te verdringen, alsook die van mijn ongeschoren bikinilijn. Ik plaats mijn handen voor mij uit, krom mijn rug zo ver ik kan. Vervolgens kantel ik mijn bekken en begin op en neer te bewegen. Op de een of andere manier slaag ik erin om pulserende penisbewegingen na te bootsen. Ik voel het aan een opkomend orgasme. Alsof er iets in mijn hoofd knapt duw ik plots mijn knieën tegen elkaar en wacht… In een flits zie ik een man en een toonbank. Ik veer recht en trek de dildo weg. Voor ik het weet sta ik voor het tafelblad. Het harde hout tegen mijn schaambeen windt mij op. De kwast op de rand die ik met mijn gedrup groter lijk te maken,  geiler. Ik doe het zonder nadenken. Duw mijn vagina tegen de hoek, wrijf steeds wilder in op- en neerwaartse bewegingen. Harder, harder, nog, harder, nog, nog, nog… Bij iedere kreun neuk ik de tafel tegen de muur. ‘Ik kom.’ gil ik. … Er liggen scherven op de grond. Ik ruim ze op. Als Filip mij morgen vraagt wat er met onze trouwfoto is gebeurd zeg ik dat hij van de muur viel tijdens het afstoffen. Vrouw-zijn is een kunst die je niet kunt leren. Masturberen daarentegen…

Sascha Beernaert
40 0

Hart van Kleuren

Een indrukwekkende bliksemschicht schroeide door de nacht. De hemelverscheurende donder liet de wolkenkrabbers van de metropolis schudden op hun grondvesten. Alles was plotseling gekomen; de donder, de flits die de hemel in vlammen leek te zetten. De regenstorm volgde snel. Honderden dikke druppels stortten uit de hemel en spatten op de asfaltweg open. Op de stoep stond een man. Hij heette Enoch. Enoch was geen normale man. Hij droeg abnormale kleding in allerlei kleuren met op zijn gele haren een gouden hoed. Ondanks de regen lachte hij en zijn grasgroene ogen lachten mee. Hij was het enige lichtpuntje in deze duistere wereld. Een kleurrijke vuurtoren in een oceaan van zwarte paraplu’s, pakken en gebouwen. Enoch richtte zijn vinger naar de hemel, vragend om aandacht. Maar niemand keek. Hij bolde allebei zijn handen en legde ze op elkaar. Niemand zag hoe een bol van kleuren tussen zijn handen groeide, toen hij ze weer van elkaar scheidde. De bol gaf een warm licht af en straalde over de zwarte oceaan. Maar niemand zag het. Toch lachte de man en toen hij zijn hoofd naar de hemel boog, lachte hij hardop in de stortregen. De kleurenbol straalde als vuur tussen zijn handen. Hij hijgde en met iedere hijg blies hij een dampend wolkje de koude wereld in. De bollen waren puur, gecreëerd uit de energie uit zijn hart. Hij pijnigde hem in zijn borst en vermoeide hem met iedere dag dat hij dit deed. Maar toch bleef hij het doen. Mensen in zwarte kleding liepen voorbij. Ze hadden allemaal één hand om de stok van hun paraplu geklemd. Ieders gezicht was naar de grauwe stoeptegels gericht. Enoch zuchtte. De bol nam in licht af. Toen verloor het kleur. De zwarte bol vermengde met de zwarte omgeving. Hij liet zijn armen zakken en de bol vervaagde. Het rinkelende geluid van munten die neervielen, liet hem opschrikken. Een vrouw had een handjevol munten in zijn bakje gegooid. De regen stroomde van haar paraplu. Haar grote ogen hadden een neonblauwe kleur die leken op te lichten in de donkere nacht. Een glimlach sierde haar gezicht. Enoch lachte naar haar en bedankte haar. Daarna liep ze glimlachend weg en Enoch staarde haar na.   De volgende avond had hij opnieuw kleurenbollen met licht laten verschijnen. De vrouw was weer gekomen, had weer naar hem geglimlacht en had ook haar naam verteld; Catherine. De volgende avond werd de straat opnieuw verlicht door zijn bollen. Catherine gaf elke avond weer geld, altijd met een glimlach die haar gezicht sierde. Iedere avond zag hij haar weer, goed of slecht weer. Op een avond bleef ze langer staan kijken dan de andere keren. Enoch creëerde de mooiste bol die hij kon creëeren en overhandigde het aan Catherine. Door de vreselijke pijn begonnen de tranen achter zijn ogen te prikken. Enoch dwong de tranen weg. De pijn bleef branden, maar het was het waard om te zien hoe Catherine de kleurenbol in haar handen nam. Ze bedankte hem en schonk hem de warmste glimlach die ze hem ooit had gegeven. Daarna was ze weggelopen…   ...en niet meer teruggekeerd. Iedere avond creëerde hij weer zijn kleurenbollen, maar niemand zag de schoonheid ervan. Niemand nam de moeite. Dagen werden weken, weken werden maanden en maanden werden jaren. Enoch bleef hopen dat Catherine zou wederkeren, zodat hij haar nog een bol kon schenken. ‘s Nachts lag hij dan huilend in bed, zijn gezicht in het kussen gedrukt.   Er was een avond dat de pijn te hevig was geweest. Hij hoestte van de pijn, een droge en verscheurende hoest. Bloed galde omhoog wanneer hij hoestte. De volgende ochtend werd hij wakker, zijn kussen bevlekt met bruin, opgedroogd bloed. Deze ochtend ging hij naar het ziekenhuis. De dokter onderzocht hem en onderzocht zijn hart. Zijn hart was een rode massa. Gepijnigd. Bloedend. Gebroken. Met een gebroken hart keerde Enoch weer terug naar zijn thuis.   Diezelfde avond wandelde hij over straat. De zware regen stroomde over zijn paraplu en de grauwe tegels waren donker van de nattigheid. Plots botste hij tegen iemand op. Hij keek op van de tegels en zag Catherine. De pijn in zijn gebroken hart leek weg te kwijnen, maar ze herkende hem niet. Ze stonden tegenover elkaar alsof ze vreemdelingen voor elkaar waren. Opnieuw creëerde Enoch een kleurenbol. Hij voelde de pijn onder zijn ribben schroeien en hij was er zeker van dat zijn hart nog meer zou breken. Maar toch bleef hij het doen. De kleuren waren prachtig, het licht warm en behaaglijk. Maar de pijn in hem brandde. Zijn benen wankelden en hoestend - gekweld - stortte hij ten aard. Het heldere bloed vloeide dik langs zijn mondhoeken. Hij wilde de bol aan haar geven, maar toen hij opkeek, zag hij dat ze verdwenen was. Tranen prikten achter zijn ogen, terwijl hij probeerde ze niet te laten gaan. De bol verduisterde en al het kleur en licht droop eruit. De mensen met zwarte paraplu’s en kleding passeerden hem - gezichtloos en zijn bestaan ontkennend. Zelfs toen hij zijn stervende adem uitblies zag niemand hem en niemand nam ook daarvoor de moeite. Moeizaam liet hij zich op zijn rug rollen. De regen stortte naast hem op de stoep en besprenkelde zijn blekende gezicht. Hij staarde naar de oneindige hemel, maar al snel werd deze bedekt door de zwarte paraplu’s. Enoch merkte niet dat zijn ogen dichtvielen, want alles was zwart.   Toen plots voelde hij een liefelijke warmte. Door zijn gesloten oogleden nam hij een licht waar - zwak, maar het moedigde hem aan zijn ogen te openen. Twee gele ogen ontmoetten de zijne. Hij zag enkel haar gezicht - een bezorgde uitdrukking. Hij keek opzij. Tussen haar handen zag hij een kleurenbol, de bron van het aanmoedigende licht. Zijn mondhoeken trokken hoopvol omhoog. Hij fluisterde iets, maar het was bijna onhoorbaar door de regenval. Ze keek vragend, en fluisterde iets terug. Met het laatste beetje kracht dat hij nog bezat, tilde Enoch zijn handen omhoog, naar haar. Een laatste uitstrekking - krachteloos en verslagen. Tussen zijn handen ontstond een kleurenbol. Het licht dat eruit straalde was feller en warmer dan elke andere bol die hij ooit in zijn leven had gecreëerd. De kleuren waren mooier dan ooit. Het laatste beetje energie dat nog in het hart van Enoch restte, werd opgebruikt voor de creatie van deze bol. Zijn hart verbrijzelde in honderden scherven. Het begon als een dof gevoel, maar al snel volgde een scherpe steek, alsof iemand hem stak met een lange dolk. Zijn handen trilden toen hij zijn bol met die van haar liet samensmelten. Kleuren die voorbij de fantasie van mensen traden, ontstonden in de samengesmolten bollen.   Een fluistering, nu langer.   Enoch verloste zijn allerlaatste adem. Het wolkje dampte de wereld in. En vervaagde.   ‘Ik heb niets meer.’ ‘Waarom niet?’ ‘Ik heb alles aan de verkeerde gegeven.’

Aaron de Bruijn
0 0
Tip

Twee sterren

“Niemand wil ons helpen,” zei de man in de rolstoel. “U bent onze laatste hoop.”   Wat leek hij jong om in een rolstoel te zitten. Hooguit vijfendertig. En ook de vrouw die bij hem was, had iets wat me van mijn stuk bracht, iets wat niet klopte. Misschien waren het haar glanzende, blonde haren, die niet bij haar grauwe huid en doffe ogen pasten, of was het iets wat ik in haar blik ontwaarde, iets wat ik niet kon thuisbrengen. Tussen hen in zat het meisje. Ze was erg jong, een kleutertje nog. Haar voetjes zweefden hoog boven de grond, maar ze wiebelde niet met haar benen. Wat je van een klein meisje op een hoge stoel toch zou verwachten. Ze zaten met zijn drieën in de voor het overige lege wachtkamer.   “We weten dat het een ongewoon verzoek is, maar we hebben er heel lang en goed over nagedacht,” zei de vrouw. Ze hield de hand van het meisje stevig in de hare geklemd.  “Ziet u, wij komen voor onze dochter. Het is haar eigen idee.” Ik keek geschrokken naar het muizenmeisje op die grote-mensenstoel. “Ze is niet bang,” voegde de man er snel aan toe. “Hoe oud is jullie dochter?” vroeg ik. “Vier en een half.”   Ik herinner me nog haarscherp de dag waarop ik mijn eerste tattoo zette, in het schuurtje achterin de tuin van mijn grootouders. Een naald, ontsmettingsalcohol, een pak watten, een doosje lucifers en een flesje Oost-Indische inkt, meer had ik niet nodig. Ik tatoeëerde een spinnetje op mijn linkerelleboog, dat later geïncorporeerd werd in de jungle-tekening die van mijn schouder tot mijn pols vloeit. Een tijger, paradijsvogels, een krijsende aap, lianen. Maar dat spinnetje zit nog steeds op zijn plaats.   “Het spijt me,” zei ik, “maar ik tatoeëer geen kinderen,” en liep naar de deur om die open te houden voor de man in de rolstoel. Buiten passeerden de auto´s over de grijze kinderkopjes. Er hing regen in de lucht.   De vrouw liet voorzichtig de hand van het meisje los en ging rechtstaan. “Wacht even voor u een beslissing neemt,” zei ze. “Laat ons het eerst uitleggen. Het enige wat ze wil, zijn twee sterren op haar arm. Twee kleine sterretjes, meer niet.” “Waarom wil jij twee sterren op je arm?” vroeg ik aan het meisje, maar het kind bleef kaarsrecht op haar stoel zitten en fixeerde haar blik op de poster van een zeemeermin die boven de balie hing.   De man verliet nu ook zijn plaats en draaide zijn rolstoel naar mij toe. Ik merkte nu pas dat hij daarvoor niet aan de wielen moest draaien, maar dat hij een elektrische rolstoel had, die hij via een klein staafje met twee vingers kon besturen.   “Ik ben drie jaar geleden met ALS gediagnosticeerd,” zei hij. “De laatste tijd gaat het snel bergaf. En mijn vrouw...” Hij keek haar aan als om toestemming te vragen. Ze knikte. “Bij mijn vrouw is onlangs kanker vastgesteld. Een zeer kwaadaardige.” Plots begreep ik wat er anders was aan die vrouw. Ze droeg een pruik. “We weten niet hoeveel tijd we nog hebben,” ging de man verder. “Maar wat ik wel weet is dat mijn dochter twee sterren op haar arm wil. Kunt u ons daar alstublieft bij helpen.” Die laatste woorden waren geformuleerd als een vraag, maar de diepe vermoeidheid in zijn stem liet zijn intonatie te snel zakken om ze nog als vraag te laten klinken.     Langzaam draaide ik mijn blik van de vader naar de moeder. En behalve het geheim van haar haren, begreep ik nu ook wat er in haar ogen verborgen lag. Het was verdriet. Maar ik had het niet herkend omdat het een soort verdriet was dat ik zelf nooit gekend had. Een duizend keer dieper soort verdriet.   Mijn God. Wat moet je met zo´n situatie.   Ik hurkte neer voor het meisje, en haalde diep adem terwijl ik een vraag probeerde te kiezen uit alle vragen die door mijn hoofd schoten. “Je beseft toch dat een tatoeage voor altijd is?” vroeg ik uiteindelijk.   Ze keek me strak aan met grijze wolvenogen. “Dat weet ik,” zei ze. “Daarom wil ik het juist.”      

Kathleen Verbiest
233 10

Wie zegt dat het voorbij is?

  'Ik hoorde onlangs iets treffends op de radio, over kinderen hebben.’ zegt mijn vader. Hij trekt zijn jas uit en hangt die over de rug van de keukenstoel. Mijn jongste kruipt de keuken in en trekt als vanouds de besteklade open.  ‘Vertel eens’, mompel ik en pluk mijn peuter weg van de keukenkastjes. ‘Koffie?’ ‘Ja graag. Ze hadden het over hoe je je kinderen doodgraag ziet. Je kan ze niet missen. Ze zijn zo'n wezenlijk deel van je leven, dat ze bijna een deel van jezelf zijn.' 'Mmmm',  ik hijs mijn jongste met één arm op mijn heup en probeer met de andere hand koffie te zetten. ‘En?’ 'Maar minstens éénmaal per dag',  gaat mijn vader verder met opgeheven wijsvinger. 'Minstens éénmaal per dag wil je ze in de hoogste boom zetten die je kan vinden. Al is het maar voor even.' Vanaf mijn heup graait de jongste naar de koffiekopjes. Voorzichtig laat ik haar op de grond zakken en lach door het protest heen. 'Of achter het behang.' ‘Eigenlijk zouden kinderen geleverd moeten worden met een uit-knopje. Om ze midden in een brulconcert gewoon even uit te schakelen.’ Met onfeilbare timing start mijn eigen exemplaar het schoolvoorbeeld van een driftbui.  ‘Een mute-knop is ook goed.’ Mijn ogen dwalen over het aanrecht op zoek naar een fopspeen.  ‘Neen, echt gewoon uit. Of een fastforward-knop om de driftbui door te spoelen. Ik heb er meer dan genoeg uitgezeten.’   Hij kijkt naar zijn jengelende kleinkind aan mijn been.  ‘Was ik dan zo erg?’ Ik zie een bestofte fopspeen liggen achter het kruidenrekje.  ‘Och zwijg.  Jij kon echt het bloed vanonder mijn nagels halen. Zeuren om dit of dat. Koppig je eigen ding doen. Selectief doof zijn als het je goed uitkwam.’  'Blij dat dat voorbij is?' Ik prop het tutje in de brullende mond ter hoogte van mijn kuiten.  ‘Maar lieve schat, wie zegt dat die tijd voorbij is?'

KiM
17 1

Waterlanders

Hij leefde nog. Ik kon het zien aan zijn kieuwen.Om een of andere reden was hij gestopt met zwemmen. Moe of ziek of zomaar. Hij kon niet verder. Ze haalde hem uit het water en hield hem voor me uit.“Je mag hem niet aaien met je droge handen.”  zei ze. Doe ik niet. Hij zou me toch niet vertrouwd hebben. Vissen doen dat niet. Zij maken het zichzelf nooit zo moeilijk. Ze legde hem in onze emmer, half gevuld met water, en zo snel we konden fietsten we klotsend naar het kleine vijvertje aan het eind van de wijk. Het water zag er daar properder uit dan hier. Er dreef in ieder geval minder huisvuil rond. Ik moest de emmer dragen en ik deed dat met plezier. Toen we aankwamen aan het vijvertje was hij dood. Ik kon het zien aan zijn kieuwen. Hoe sterft een vis? Zou hij zich zijn leven herinneren? Wat zou hij voelen? Misschien wist hij dat hij doodging. Misschien net niet. Ik liet mijn fiets vallen in het gras en mezelf zakken op de grond. Was het mijn schuld dat hij is doodgegaan? Dit heb ik niet gewild. Daar kwamen de waterlanders.   Zouden wij met graagtevallenals dwarrelendzonder onszelf pijn te doenmaar met steedsdiezelfde bestemming Onderaandaar waar zwaartehaar verlangen legthaar wilhaar doelen sprekennoch zwijgenertoe doet   Ze kwam voor me staan. Ik weet niet meer hoe ze me troostte maar ze deed het. Misschien zei ze zelfs helemaal niets, maar het deed wel iets met mij, alsof ik zelf een vis was die van het vuile in het propere water terechtkwam. En of ik leefde. Dat kon je zien aan mijn kieuwen. Sowieso, dat wist ik wel zeker!

Jürgen NaKielski
29 0
Tip

Lost in the Alps

Snow fell over the dark, night time Alps. The stars, that are always more beautiful the higher you go, were blocked by winter clouds. The man stood guard along the ridges of one mountaintop. It served as an outpost, from where he could see the enemy’s trenches. The snow had halted the war, or at least the great offensives. Nothing would happen tonight, the man thought, but he could not hope it would remain so for the rest of the war. The dying of men was a discomforting pleasure to some, the man thought. And it seemed they would not give up their bloody addiction any time soon. As the wind blew up snowy dust, the man closed his eyes almost completely. It was cold, but the soldier was at ease. There was a silence at the outpost, and to a soldier’s ear, silence was the most beautiful noise. No shots that silenced the golden eagle soaring over the mighty snow peaks. No cannons that overwhelmed the crushing thunder of distant avalanches. After standing in the cold for two hours, his guard duty was over. He returned to his little shelter. To ordinary people, the shelter was just a hole in the ground. But to the soldier’s eyes, it was home, and the trenches that covered the south side of the Alps had become a neighbourhood of fighting men. When the man crawled into his small home, he lit the gasoline lamp and sat down at the improvised desk. It was time to write to Anna. She lived in the brown gold Tuscan sea of farmland. He had written her countless letters, and when he read her answers, there seemed to be no distance between the cold Alps and the fertile Tuscan soil. He took his pencil. It was sharpened carefully, and was now a small witness to his words of love. His letters to Anna always started with the same words. “My little olive orchard”. They had met in an orchard with spring blossoms. It was, as he told her numerous times, the symbol of Italy. “I hope you are doing well, and that the war hasn’t touched our small village.” He knew the war wasn’t fought in Tuscany, otherwise he wouldn’t be on top of the Alps. But what do you write in times of war? “The snow has halted the fighting, but it won’t last. When the winter landscape melts away, the hearts of war loving men grow cold. And we are left with the warm barrels of our rifles, but the icy feeling of killing fellow men.” “I don’t know when I will see you again. But when I do, our hands will no longer be separated. There will be no sigh of wind between our chests, or floods of dark thoughts between our minds.” “How I need you Anna. Out here, on these forgotten mountains, it feels like I’m touched by the cold of the moon. I don’t know what people in the backcountry really know about us. It feels like we are in the middle of the ocean, with the coastline far away. Nobody to see, and nobody to help us.” “How is it Anna, that sometimes a heart can be surrounded by barbed wire? Isn’t it terrible sight to see my body so divided by trenches.? They say it’s our duty. That we fight for a greater cause. But when great men say that the faith of humankind rests upon the barrel of a gun, you know there’s something wrong.” He sat back for a while. How can a man just sit there and do it all again the next day? He felt like he was touched by the cold of the moon. Standing up, he grabbed a blanket from his bed and hung it over him. The gasoline lamp flickered through the small room. He missed her. He sat back down, and started writing again. “I don’t know how we are led to sail away on this darkened moonlight. Tell me what it is Anna, that keeps me from you? I can no longer see or hear without you, I need you. Away from these frozen mountains that steel the love of so many doubtful men.” “Let me be, back in your Tuscan hands. Can’t they see I want the warm soil back under my cold soles? For you I would fly off this mountain… But forget it Anna. This war has no place for hope. I only know that when I sleep, I feel your touch and smell your hair. And even though it’s not much, it’s a slice of life that feeds my hunger. I will see you again, either during these lonely nights, or in warm Tuscan days.” He stopped writing, stood up, and dressed himself up. Then he left his little house, moved up to the outpost and stood on top of the trenches. He only saw the white landscape and Austrian lines. He spread his arms and yelled “if I die, the silent whispering words of love have lost all their power”.

Simon Sileghem
30 0

Evangelina telt de vliegen

  Proloog   Karel Van Miert is op een dag uit een appelboom gevallen. Doodgevallen, als een vlieg die halverwege stierf (zoals ze het wilde), ergens in de lucht.   Het gebeurde op een rare dag met witte ochtendzon, zoutnevel hing over de schorre, purper was de ondergang en pepperspray is met vier p’s, prevelde de wijkagent die de rouwstoet begeleidde naar de put.   In de oven lagen de broodjes nog. Vergeten, het zelfverzonnen doel, hoe het voelde. Ik hunkerde. Naar de smaak van lippen.     Intermezzo   Evangelina, aan het strand, op nog zo'n zonnige zomerse dag rijdt er een vrachtwagen over een dijk vol met kindertranen, weggevlogen ballonnen en de chauffeur lost diepgevroren kroketten, bonen, prinsessen liggen te bruinen.   Er is een casino. Straks treedt hij op. Willy. Claes. Met zijn natte piano en hij speelde zonder twijfel ook een deuntje op die begrafenis, briljante noten, zwart en niet eens wars. Een helikopter vloog over, duikelde en veel verder regende het, bommen. Leeggezogen werden de wolken, hoop stierf met de mensen.   Daarom. Hoe dan ook. Hou vast. Val vooral niet. Blijf. Onschuldige boter smeren. De haren zitten goed, oogbollen en centen rollen, zoetweg leidt de bekoring.     Epiloog   En toch, leef ik nog, werd het de dag van mijn leven. In Oostende verzamelde ik, schelpen, vond ik zand, het eerste dozijn zoenen met Evangelina, starend naar (het waren er dertien) starre vliegen. Doodgeklopt.         uit de reeks  'Waanhoop'  

Bernd Vanderbilt
0 0

allemaal sam

Sam bloedt. De rode vlek op de witte stof is afkomstig van de wijsvinger. Sam bijt op de nagels, vaak zonder het te beseffen. Het is een tic, een verslaving. Een vlucht. De frustraties van alledag wegen op Sam, niet de frustraties zoals de afbetaling van het huis, de auto, het ophalen van de kinderen, wel de meer verfijnde frustraties; Sam bijt op de nagels bij het denken aan het overaanbod in de consumptiemaatschappij, bij het tobben over het wat wel en niet gezegd, over het goed of fout van de impulsieve neigingen van de mens, over assertiviteit of gelatenheid. Sam tobt over de puinhoop aan cassettes en lege doosjes op de passagierszetel die toch eens moet georganiseerd worden. Vervolgens vraagt Sam zich af waarom eigenlijk. Doet het ertoe? Vindt Sam dat het ertoe doet? En zoja, is dat dan de Sam die Sam verlangt te zijn of de Sam die de universele conventionaliteit weerspiegelt die zegt dat cassettes in hun respectievelijke doosjes moeten zitten, en liefst mooi weggeborgen in een doos? Heeft de echte Sam hier allemaal geen lak aan? Sam zuigt op de bloedende wijsvinger. Sam denkt terug aan wat Bie gisteren zei – jij neemt jezelf veel te serieus, Sam. Sam fronst en zet de auto in eerste, het licht springt net op groen. De stem in het hoofd zegt dat Sam zich net niet genoeg au serieux neemt en daarom alles in twijfel trekt. Leven is de zwaarste taak ooit. De stem in het hoofd laat niet leven maar laat Sam geleefd worden. Geleefd, beleefd. Beleefd zijn, nog zo’n moeilijke taak. Hoewel dat eigenlijk gemakkelijker is dan grof zijn, rebel zijn, spugen op alles. Dát zou Sam wel willen, maar daarvoor moet eerst de stem in het hoofd worden uitgeschakeld. Een rebel hoeft die stem niet eens uit te schakelen, want een rebel heeft nooit een stem in het hoofd gehoord. Het is hopeloos. Sommigen dansen, maken muziek, schilderen, sporten en vinden daar de toegang tot het bedieningspaneel voor de stem in het hoofd. Sam denkt vaak dat schrijven een goede oplossing zou zijn. De stem woorden laten spreken tegen het papier, in plaats van wartaal te verkondigen in het hoofd (en liefst in spiraalvorm). Maar het bemiddelen tussen stem en papier blijkt een dubbel zware taak voor Sam. Soms, soms lukt het even, dan is de trance er, waardoor Sam een rechtstreeks kanaal is tussen het papier en de stem, zonder te moeten bemiddelen, wikken of wegen. Sam remt bruusk wanneer een jongeman onverwacht de straat over rent op vijf meter van het zebrapad, bij rood licht. Sam voelt woede opkomen, maar is al snel verward over de oorsprong van de woede. Woede vanwege de overtreding? Vanwege het gevaar? Vanwege het feit dat het weer een onverantwoorde jonge vreemdeling was? Of vanwege de schuldgevoelens over deze laatste gedachte? Misschien was Sam zelf wel onoplettend? Misschien was het niet eens een vreemdeling? Misschien had Sam gisteren een gelijkaardige situatie veroorzaakt als fietser? Sam beseft dat er teveel woede en kritiek broedt in het lichaam. Weer rood licht. Weer nagelbijten, aan de andere kant nu. Het bloeden is gestopt. Jezelf graag zien is een makkie. Maar breekt onherroepelijk zuur op. Sam kijkt vaak in de spiegel en denkt – ik zie je graag, Sam. Soms kan die zelfliefde zo intens zijn dat Sam op alles en iedereen zelfverzekerd toe stapt. Dat is het uiteindelijke doel van de zelfliefde. Dan gebeurt onvermijdelijk het volgende: Sam merkt dat niet iedereen Sam zo fantastisch vindt als Sam zelf, en dan wordt Sam boos. Om te kunnen liefhebben moet je eerst jezelf liefhebben, de stem in het hoofd schreeuwt Sam de woorden toe in een oneindige loop. Wanneer Sam het punt bereikt van de absolute zekerheid over de eigen grootsheid en schoonheid, kan in de eerste plaats slechts woede een gevolg geven aan de wanhoop jegens zij die deze kwaliteiten niet erkennen. Vervolgens breekt de twijfel los – hebben zij gelijk? Heeft Sam gelijk? Dan laat Sam de spiegel weken links liggen en wentelt zichzelf in onzekerheid en vervolgens de zekerheid dat Sam allerminst fantastisch is. De straatlantaarns knipperen wakker, de avond valt. Sam draait de steeg in en parkeert de auto. Ziet bij het uitstappen een verplaatsbaar parkeerbord staan. Zucht. Niet parkeren morgen tussen 6.00u en 18.00u. Sam stapt de auto weer in en begint gedachteloos de rit rond de blok. De eenrichtingsstraten wijzen de weg, de route loopt in acht-vorm. Na vier rondjes zonder enig succes grinnikt Sam bij zichzelf: als er ergens één of andere satellietsysteem de auto zou registreren, wil Sam het gezicht wel eens zien van de operator die op het scherm de auto oneindig achten ziet rijden…

LL Rigby
0 1
Tip

In de tuin

—“Aad! Joehoe, Aad!”—“Hier!” —“O, je zit in de schaduw.”—“Ja, het is lekker koel hier. Waar kom jij vandaan?”—“Ik ben een stukje gaan lopen. Gewoon een beetje de omgeving verkennen. Het is mooi hier, hè?”—“Ja, heel mooi. Ben je naar de rivier geweest?”—“De wat?”—“Het water.”—“Ja, ik heb eerst een heel eind langs de oever gelopen, en ik kwam bij een plek waar het water opeens een eind naar beneden viel”—“Een waterval.”—“Heet dat zo?”—“Nu wel.”—“O, oké. Anyway daar kon ik dus over het water lopen. Ja, over stenen die in het water lagen hoor, haha, nee, stel je voor!”—“Nog mensen gezien?”—“Laat me nou even vertellen.”—“Jij hebt altijd zoveel woorden nodig.”—“Nee, ik heb geen mensen gezien. Volgens mij zijn we echt alleen hier. Wel veel van die eh…, die zo zonder benen over de grond kronkelen?”—“Slangen?”—“Precies, slangen. “—“Zeiden ze nog iets?”—“Nee, deze keer niet. En wat heb jij eigenlijk allemaal gedaan?”—“Niet veel. Woordspelletjes. Een beetje in het gras gelegen.”—“Hoe hou je het uit? Ik zou sterven van verveling!”—“Ik geniet juist zo van die rust.”—“Aad, weet je wat ik zou willen?”—“Ja, dat weet ik, Eef, daar hebben we het al over gehad, maar je weet dat dat niet mag. Daar was hij echt heel duidelijk over.”—“Ja, maar ik zat te denken. Als ik er nou een lekkere taart van bak, denk je dat het dan wel mag?”

Bart Snel
20 1