Zoeken

De stad

1. Hij wandelde en zag de tuinen – de druppels water vielen op zijn hoofd – er waren nergens mensen in de straten, de lucht was donker en hij was alleen.   Toen hij een kind was zag hij achter alle vensters het bewegen van gordijn en altijd was hij bang dat uit zo’n raam een vuist zou opgestoken worden.   Maar nu hij groot was zag hij dat uit al die lege vensters niet gekeken werd en wilde hij niets liever dan dat men uit zo’n raam zou roepen, schelden, iets.   Dat ze hem zagen.   Er was niemand in de lege straten. Hij wist niet meer wat hij hier deed. Zijn voeten liepen naar de plaatsen waar hij nooit eerder was geweest. Vooral als kind.   Vooral als kind.   Het duister was als een beschermend laken, maar kil – de nachten die hij doorbracht zonder deken (hij voelde nog de kou) tegen een boom geleund omdat hij   niet meer durfde: dat ene huis tussen de vele binnengaan uit angst dat het zijn huis niet was (en dat was vroeger). Nu wist hij zeker dat het zijn huis niet was.   Dus als een droom liep hij nu door de blinde straten al bleef de regen vallen.   2. Hij wist dat hij zijn gras moest maaien in de voortuin en ooit het onkruid moest verdelgen dat al voor de ramen groeide. Misschien was het te laat.   Want aan de voorkant van het huis viel toch geen licht naar binnen en niemand keek ooit naar zijn tuin dus niemand zou het zien als hij er planten –   Hij was alleen.   Soms dacht hij nog dat hij de wereld haatte met al zijn schimmen en zijn smalle straten. Maar dan besefte hij dat hij zelfs dat niet kon. Niet meer.   Een bos, hoe zag een bos eruit?   De ochtend zou als licht zijn, en niet het opentrekken van gordijnen, de zon zou in zijn moeë ogen priemen hij zou niet zelf de ochtend moeten maken.   Teleurstelling van mist achter het raam.   3. Misschien moest hij zijn bed niet meer verlaten de blinden laten waar ze altijd waren het duister van de nacht en van de dag was toch gelijk voor hem.   Hij zou de dagen niet meer tellen.   Als hij na jaren buiten kwam, zou iemand hem dan kennen? Wie haalde hem nog ooit uit deze tuin vol onkruid waarin je niet meer kon verdwalen   waarin geen rozen bloeiden om doorheen te hakken. Zou iemand ooit zijn stoep –   Wie keek er nog naar hem vanuit de warmgedampte ruiten van de andere huizen?   Wie nam hem mee?

jépé
0 0

kunstelend plooien wat dialoog wil

niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na. iets, in de zin, tegenstelling met, niets. nee, simpel, ben ik, maar niet wanneer, nee,maar niet waarom, ben ik, moeilijk doe ik ooktoch ben ik, zo, gewoon, als. als bakstenen, nog verpakt, in plastic, dat ook nog,emotieloos, gekunsteld, toch ondoordacht, want soms regent het op hen, op me, en dan wekt daar, meestal binnen afzienbare afstand van een wekker, emotie, maar meestal dan, in de zin van, afzienbaar enkel toepasselijk, toepasbaar, of zegbaar over een periode, die dan ook nog niet lang dient te zijn, laten we de afstand betrekkelijk noemen, overbrugbaar op zijn minst mits, mits. hopelijk. als bakstenen dus, bakstenen, bakstenen die van geen huis weten, geven, geen thuis, welk woord dan ook heilig mag wezen, weet van houden niet wat aan te vangen met hem, dat is, ik, mij, mezelf, ziet u stiekem genot hier kent geen methode, geen reden tot verbergen, want mijn knedende handen die die bakstenen, tweemaal die, die bakstenen met liefde de oven instuwen, duwen en iets stapelen, om de bouw, het overzicht, uitzicht ervan, dan, aan een ander over te laten, het zou bijna durven zeggen, als een schilderij, leest u mij af, gebruik uw vinger om mij te volgen, en de vervalser, weet, weet ik, weet u, weet het altijd beter, is van een doorzicht, een inzicht voorzien, dat van handen een gebaar maakt, dat hem niet toebehoort, maar wel de ogen die zijn werk aanschouwen. slagen, dat willen, dat kan ik niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na.

IT
0 0