Zoeken

Dag vreemdeling

De stoelen stonden reeds op de tafels. Ondanks dat de bar pas binnen een uurtje de laatste pint zou tappen, verried het ongeneigde gelaat van het meisje achter de toog dat ze zich in gedachten al in de armen van haar vriendje nestelde. In één teug liet ik het bodempje Chardonnay door mijn keel glijden en wenkte haar de rekening te brengen. De avond kenmerkte zich door het gebrek aan originaliteit van flirtende mannen op leeftijd die me tussen hun lakens probeerden te praten. Ik gleed met mijn vingertoppen over de weke plek die mijn trouwring na twaalf jaar op mijn ringvinger had achtergelaten, duwde mijn borsten hoger in mijn decolleté en stapte op de hengst af, die me al de hele avond zonder scrupules aanstaarde, maar - in tegenstelling tot de horde geile vijftigers met hun beperkte catalogus aan banale versiertrucs – niet de moed had gevonden om me aan te spreken. ‘Hey.’, zei ik voorzichtig. Zijn blik haakte zich meteen op het bleke kringetje op mijn vinger, dat zich enkele uren geleden openbaarde toen ik mijn trouwring in de wagen achterliet. Ik bedekte mijn hand met het andere. ‘Ben je getrouwd?’, vroeg hij. Zijn directe aanpak maakte hem zo mogelijk nog aantrekkelijker dan daarnet. Het verlangen hem in me te voelen overmeesterde me. ‘Ongelukkig.’, antwoordde ik schuchter. Hij knikte en draaide zich naar me toe. Zijn ogen dwaalden over mijn gelaat. Langzaam daalde zijn blik naar mijn nek, over mijn borsten, die voor de gelegenheid in een push-up waren geperst, naar mijn heup en benen. Hij likte onbewust over zijn volle lippen. Op meer voortekens wilde ik niet wachten. ‘Zoë.’, zei ik en ik bood mijn hand aan, die hij stevig omklemde ter begroeting. Ik bracht mijn lippen naar zijn oor en fluisterde: ‘Kamer 103, twintig minuten.’ Ik draaide hem mijn rug toe en wandelde de bar uit, begeleid door het hypnotiserend gewieg van mijn glooiende heupen. Ik voelde zijn blik als naalden in mijn ontblote rug prikken, terwijl ik sensueel wegwandelde. ‘Aaron.’, riep hij nog. Niet belangrijk, dacht ik.     Aarons hunkerende expressie vergrendelde zich in mijn pistachegroene ogen. Seconden, minuten, uren, ik zou me niet herinneren hoelang we elkaar in de deuropening aanstaarden. Aaron nam zonder iets te zeggen een stap naar voor en streelde met zijn rechterhand een losgekomen koperen lok achter mijn oor. Een begerige kriebel trok als elektriciteit vanuit mijn lies door mijn lichaam. Ik legde mijn handen achter op zijn hoofd en streek zijn donkere haren, waar de eerste zilveren strepen reeds door flitsten, tussen mijn vingers. Ik drukte mijn violet gestifte lippen op de zijne. Zijn tong voelde warm aan en smaakte naar gin-tonic en muntkauwgom. Aaron duwde me tegen de muur en mijn rug krulde zich naar binnen door de koude die me plots bestreek. Ik kneep in zijn gespierde armen en beet zachtjes op zijn lippen, terwijl hij me aan mijn kont van de grond tilde en ik mijn benen rond zijn middel haakte. Mijn pumps bungelden los aan mijn voeten. Ik probeerde me te herinneren wanneer ik de laatste keer zo nat was geweest. In de slaapkamer zette Aaron me voorzichtig weer op de grond. Zijn handen en lippen waren overal tegelijk. Ik plaatste een voet tegen zijn borst en duwde hem op het bed. Zijn jeans en hemd gooide ik naast me neer. Ik liet mijn jurk over mijn schouders zakken, wrong ze over mijn heup. Op blote voeten stapte ik uit het hoopje stof dat nu als een afgeworpen huid op de vloer lag. Naakt ging ik op Aaron zitten, mijn lendenen rakelings langs zijn erectie, die ik zachtjes liefkoosde. Ik masseerde zijn balzak en boog voorover, duwde mijn borstjes in zijn gezicht en liet zijn lippen mijn tepels verkennen. Onze ademhaling stierf weg in de geluiden van onze vurige hartstocht. Ik vergat wie of waar ik was. Aaron draaide me met de intensiteit van een bronstig oerinstinct op mijn rug. Met een uitnodigend gebaar opende ik mijn benen, waartussen de wellust langs mijn dijen weg druppelde. ‘Dag vreemdeling.’, grijnsde ik. Zijn tong vond die speciale plek tussen mijn benen en ik kantelde mijn hoofd ver naar achter, onderworpen aan een bloedstollende passie. Ik groef me diep in de lakens en liet onze bezwete lichamen versmelten in een parallel universum dat enkel voor ons werd geopend. Pas wanneer het ochtendgloren de nacht wegduwde, werd onze zinderende honger vervangen door de stilte na de storm.     ‘Ongelukkig getrouwd?’, vroeg Aaron, wanneer hij de wagen startte. Ik bracht de mascara aan in de spiegel van de zonneklep en glimlachte. ‘Spannend, niet?’ Aaron knikte. Gniffelend schoven we onze trouwringen weer over elkaars vingers. ‘Doen we dit meer?’, vroeg ik. Aaron glunderde enthousiast en reed de auto de parking af. Hij stuurde ons huiswaarts, maar niet vooraleer we goedgeluimd en voldaan de kinderen bij de babysit ophaalden.

Het Verdwaalde Schaap
24 0

De knikker

Met zongebarste lippen en het prairiestof aangekoekt op zijn voorhoofd wachtte John McBill tot zijn secondanten in positie stonden. Na twee weken rijden waren ze gereed voor de laatste acte. Schuin boven hem, op het dak van de smederij, stak Frankie ‘Fastfinger’ Gruber zijn hand op, de Winchester nonchalant gericht op de ramen en zijkant van de scheefgezakte saloon.    John, rochelde een dikke fluim op zijn zakdoek en poetste zijn US Marshallster blinkend. Om twee uur in de middag, de zon recht boven het hoofd, liep hij rustig en vastberaden, met de zelfverzekerde, licht wijdbeense tred van een geoefend ruiter, naar de klapdeuren. Hij was klaar om de bende van Wild Boy Richardson in te rekenen. Hij pakte zijn Colt, klapte deze open en gaf een draai aan de ronde patroonhouder. Ingespannen luisterde hij naar het soepele raderwerk. Dagelijks schoonmaken en smeren betaalde elke keer uit: zijn handijzer liet hem nooit in de steek. Hij schoof met zijn duim over elke patroon, klikte de houder dicht en spande de haan. Hij ademde diep in en liet de lucht in opperste concentratie langzaam tussen zijn lippen fluiten. Na drie passen in het zand wipte hij met een jeugdige stap over de eerste tree direct op de veranda.   Daar gleed hij uit over een glazen knikker die Benjamin, de jongste zoon van de barbier aan de overkant, die ochtend had laten liggen toen hij thuis moest komen voor de boterham. John brak zijn val door soepel een koprol te maken, helaas botste zijn hand tegen de deurpost en de Colt ging af, een .45 patroon schoot de helft van zijn kaak tegen de onderkant van de pilaren naast de klapdeuren. Om 14.34 verklaarde de snel opgetrommelde dorpsarts (tevens uitbater van de General Store) hem overleden. De barman plensde met emmers water de prut door de spleten in de veranda op het zand, waar Bullie de slagershond verlekkerd de harde stukjes wegsnoepte. De schrijver Ernst van Dealenmaete keek vol ongeloof van zijn scherm naar zijn toetsenbord en weer terug. Waarom rolde dat klotejoch zijn knikker tussen de regels? Hij baalde als een stekker, hij wilde nog niet stoppen. Een glorieuze toekomst had Ernst voor John in gedachten. Deze toekomst hing uitgetekend, met gekleurde verhaallijnen op meerdere A3 vellen, tegen zijn muur geprikt:- John zou namelijk, na een intens vuurgevecht, de bende inrekenen.- Hij zou uitgroeien tot een dappere heroïsche revolverheld.- Hij zou het Wilde Westen veilig houden van gespuis.- Hij zou op goede voet met de Indianen leven en vele wijsheden leren.- Hij zou trouwen met Jeanny, de lelijke maar lieve en breedgeheupte dochter van veeboer Miller, waar hij lang en gelukkig mee zou leven.- Jeanny zou hem elf kinderen schenken waarvan twee de kindertijd niet overleefden, maar de oudste zoon zou in de voetsporen van zijn vader treden.- Zou…. Dit joch verziekte alles. Ernst (tevens schrijver van Lady Lovelove’s Poolboy deel 1 t/m 17) liet de barbier, met de leren riem waar hij zijn scheermessen op aanzette, zijn zoontje die middag zo ongenadig afrossen, dat de verhalenverpester twee weken gedwongen was op een kussentje te zitten en op zijn buik te slapen. Het was een schrale troost en maakte het verliezen van zijn John niet goed. Na iets over de driehonderd woorden was John uitgeavontuurd. Weg alle kloeke en onversaagde achtervolgingen in de succesvolle serie van vele boeken waar Ernst de laatste vier maanden van droomde.   Wat moest hij nu weer verzinnen? Dan maar Lady Lovelove’s Poolboy nummer 18 t/m 21 schrijven. En wat zou zijn uitgever zeggen?

MCH
20 2

Rouw-Rauw

Wanneer je konijn sterft dan kan je hem nog zoveel strelen als je wil. Je legt hem in een doosje, schikt zijn pootjes en zijn oren netjes, aait zijn vacht en doet het doosje dicht. Je graaft een put, legt de doos voorzichtig neer, staat recht en vouwt plechtig je handen. Je denkt nog eens aan je konijntje, ziet hem nog huppelen in het gras. De gedachte aan zijn snuffelend neusje toveren een glimlach op je gezicht. Je bedekt de doos met aarde en plaatst op het bergje zand een paar mooie keien, een houten kruis en strooit wat bloemetjes in het rond. Je schildert de naam van je konijn op het kruis. Af en toe kniel je nog wel eens neer bij het graf en druppen je tranen als regen op het gras. Een andere keer vertel je enthousiast dat je die dag tot in de top van de boom durfde klimmen. Wanneer je opa sterft is alles anders; en toch ook weer hetzelfde. Er is een kist, een put in het zand en er zijn bloemen. Maar je krijgt je opa niet meer te zien en een aai over zijn kale hoofd, of nog eens op zoek gaan in zijn vestzak naar snoep, kan niet meer. In de kerk is het koud, er is rook en het ruikt raar. Iedereen kijkt treurig naar de grond en er is niemand die naar je grap over opa wil luisteren. De glimlach rond je mond sterft snel weg en je maakt je zo klein mogelijk. Straks zal je je konijn nog eens bezoeken en hem vertellen hoe erg je opa mist. Je zet het kruis terug recht en schildert de letters opa erbij. Wanneer je dan in de bomen klimt zal hij je ook kunnen zien en zal je naar hem wuiven.  

jessy hamvas
2 0

De makelaar en het pronkstuk

“Eindelijk bent u daar. Kom binnen. Dit moet snel beklonken zijn!”Het eerste wat Tony zag toen de massief eiken voordeur opendraaide, waren niet haar ellenlange benen, haar blauwe ogen geaccentueerd door mascara of haar blonde haren die krulden tot haar rijke boezem. Het eerste wat zijn adem benam, waren de kolossale ramen die vanaf een etage lager tot het plafond reikten. Zeker vijftien meter hoog en twintig meter breed. Of beter gezegd: het eerste wat zijn hart deed overslaan was het ononderbroken uitzicht dat die vensters boden op de baai van Alcudia, de witte vissersbootjes en twee megajachten cruisend wat verderop. Deze villa was gebouwd op de flank van een berg. Een flank die zijn geheimen verborg vanaf de straatzijde, maar eenmaal men de voordeur open zwaaide, al zijn pracht majestueus tentoonspreidde. Een meesterwerk van de New Yorkse architect die speciaal voor de bekende eigenaars naar Mallorca overvloog. Dat had hij gelezen in het dossier.   “Sta niet zo te gapen, meneer Coppo, u bent met exclusiviteiten toch bekend?”   Haar stem met een slavisch accent klonk als die van een presidentsvrouw: gereserveerd. Haar man was een vermaard kunstverzamelaar: een dikke pater die van klooster tot nonnenhuis hobbelde om vader en moeder overste van hun iconen af te helpen. Als een dwaas liet hij haar hier, gehuld in een gouden jurk die evenveel been toonde al droeg ze een bikini. Haar hakken tikten op de trap naar de zitruimte. Er kon geen toepasselijker woord bestaan: zitruimte: ruimte om te zitten. Veel ruimte om te verpozen. De witte leren fauteuils vormden een grote U zodat makkelijk tien volwassenen pasten met inachtname van de afstandsregels. Of vijftig in een meer intieme setting. Zou zij hier met vijftig ooit gepartyd hebben? Vijftig vrienden die samen staren naar het uitzicht, nippen van een glas Moët Chandon en knabbelen op gefrituurde kaaskroketjes en vers aangesneden Iberico Bellota?   “Ik geniet van een uitmuntend zicht, mevrouw…”   “Katja,” zei ze terwijl ze staarde naar haar voeten, “Voor heren zoals u, is het Katja.” Ze streelde het leder van de immense zetel en stak een kussen achter haar rug waardoor ze haar tepels dwong naar het plafond te wijzen. Hoewel deze grote open ruimte met glazen zijde meer leek op een koninklijke broeikas dan een woning en het buiten vijfendertig graden was, fonkelde een meterslange gashaard achter de fauteuils vlammen over hen. Toch zweette Tony niet, de airconditioning blies met een noordelijke straalstroom over zijn rug.   “Uw optrekje past perfect bij mijn clientèle. Ik heb alvast een kandidaat die op zoek is naar zo’n pronkstuk,” zei hij terwijl hij diep in haar ogen keek, “Een man die onbevangen beslist en schoonheid kan appreciëren.”   “Schat u ook spontaniteit naar waarde?” vroeg ze en krabde aan het kussen alsof ze de kwaliteit van het italiaanse leder wilde illustreren.   “Professionaliteit is waar ik garant voor sta,” zei hij op de toon van een radiospot, “Coppo & Partners heeft geen ontevreden klanten. Ik ga tot het uiterste.” Een helikopter scheerde over de villa, zakte laag over de Middellandse Zee en stevende recht op het grootste megajacht. “Verse kaviaar en wodka,” mompelde hij, “Decadente Russen!”   “Wat zei u, mijnheer Coppo?” vroeg Katja met een tronie als Edvard Munch’s Schreeuw.   “Dat u niet hoeft te twijfelen,” zei hij terwijl hij zich naast haar vleide en zacht haar hand streelde. Ze geurde opgewonden en hij werd ongeduldig als een wolf die zijn prooi rook en wacht op het beste moment om aan te vallen. “Ik ben uw man voor de job.”   Haar blik rolde van zijn zwarte haren, langs zijn neus, over zijn lippen, naar zijn Rolex. Hij wist hoe laat het was. Ze schudde even met haar hand, waardoor twee gouden kettingen rinkelden als de bel voor Pavlov’s hond. Het water liep hem in de mond.   Ze stond op, flaneerde naar de bar, trok een koelkast open, graaide een fles Dom Pérignon met haar linkerhand en twee champagneglazen met haar rechterhand.   “Komt u het uitzicht in de masterbedroom inspecteren?” vroeg ze zonder het een vraag te laten klinken. Haar tong rolde over haar vuurrode lippen en haar heupen wiegden de trap op.  Tony krabde aan zijn kruis, liet een champagneboer, stak zijn overhemd in zijn broek, merkte dat er twee knopen misten, rook aan zijn vingers en stapte in zijn Porsche Panamera. Het grind van de oprit knetterde rond zijn banden. Het contract was getekend. Driehonderdduizend commissie. En het waterbed in de masterbedroom was goedgekeurd. Een pronkstuk voor de liefhebber met kluiten.

TonyCoppo
33 2

De Steen

‘Moet u niet werken?’ duwde de zorgvuldig gestapelde gedachtestenen van Ernst van Dealenmaete omver, ‘u staart al zeker een uur het raam uit,’ schopten de stenen zo door elkaar dat hij niet meer wist wat in zijn hoofd omging en geërgerd monsterde hij een rossige, gedrongen man van middelbare leeftijd die zijn handen afveegde aan een blauw houthakkersshirt. Tussen de knieën klemde hij een dikke zwarte leren map en deze stak hij, na het afvegen van zijn handen, onder zijn linkerarm.    ‘Ik kwam van het toilet en ik dacht zo, laat ik mezelf introduceren: John Voorduk.’ De toiletganger stak zijn hand uit. ‘Mijn vrienden noemen me Dukkie.’   Ernst negeerde de hand en probeerde zijn gevallen gedachten bij elkaar te sprokkelen en terug te stapelen.   ‘U heeft een hokje met Wifi gehuurd en dan denk ik automatisch: wat zou zo’n degelijk gekleed heer voor werk doen. Wij digital nomads moeten elkaar leren kennen vind u niet?’ ratelde John door, zijn rechterhand doelloos voor zich uitgestoken. ‘Op maandag en woensdag huur ik meestal de eerste kamer bij de receptie.’ De uitgestoken hand zwabberde naar het einde van de gang en verdween daarna in de zak van zijn verschoten spijkerbroek. ‘Dinsdag en vrijdag werk ik vanuit Hotel Emsvaart, kent u dat? Wifi is niet zo goed als hier, maar de koffie is beter én veel interessante mensen.’ Hij knikte tevreden. ‘Het nadeel is dat je aan een tafeltje in de lobby moet werken, voor een meeting moet je apart een zaaltje reserveren.’ Hij keek weer naar Ernst. ‘Ik zie u denken, wat doet deze jongen op donderdag? Dan werkt onze John, Dukkie voor u, lekker thuis: mijn moeder gaat eerst naar volksdansen, dan koffie drinken met haar vriendinnen en ‘s middags de stad in, heb ik de hele dag het huis voor mezelf. Maar u heeft nog helemaal niet verteld wat u doet.’    ‘Ik dacht na,’ zei Ernst, ‘en u stoorde mij.’   ‘Ah, mijnheer is intellectueel.’ John legde de zwarte map op tafel en klopte op een fluoriserend groen logo met in oranje letters “Crea Commerce”. ‘Zelf werk ik in de creatieve sector in combo met commercie. Social Channel Sales en dergelijke. Kan ik voor u ook doen, marketing… én online content genereren… doe ik ook. Hij ritste de map los en vouwde deze open. ‘Voorbeelden zien wat ik voor u kan betekenen?’ Hij bestudeerde Ernst en concludeerde: ‘U heeft een website nodig, of een upgrade van uw bestaande, dat zie ik zo. Uw soort werk heeft een stevige virtuele presence nodig. Wat doet u ook al weer precies voor werk als ik vragen mag?’   ‘Ik ben schrijver.’ Ernst was zijn gedachten kwijt, de laatste stenen verkruimelden in zijn hoofd.   ‘Moet u dan niet typen?’ John wees met typbewegingen van beide handen naar de dichtgeklapte Lenovo model 2014 van Ernst. ‘Dat doen schrijvers toch?’ Hij schoof de laptop naar zich toe. ‘Overigens, zal ik mijn creaties online laten zien? Beter dan op papier vindt u niet?’ Hij klapte de laptop open en vroeg: ‘Wachtwoord?’ Ernst duwde de laptop weer dicht.   ‘Analoog he? Dan had ik u toch goed ingeschat.’ John knikte voldaan. ‘En denker. U schrijft filof…, filosi…, filosofie neem ik aan?’ Hij rommelde in de map en pakte een stapeltje fel gekleurde bladen met fotos, tekst en dikke strepen.    ‘Verhalen.’   ‘Denkt u daar over na? Om een verhaal te maken moet u toch typen?’   ‘Ik construeerde een scène.’   ‘Ah! Een filmschrijver. Dan heeft u helemaal een pakkende website nodig. Voor je “Hollywood” zegt, heb ik een website voor je in elkaar geknutseld. Mag ik je zeggen? We doen tenslotte bijna zaken.’ John spreidde bladen met ontwerpen van websites voor een Opel Manta vereniging, gebreidetruien.eu, een yogaschool, een wiki over modeltreinbanen en een senioren hardrenclub, op tafel uit. ‘Wat aansprekende voorbeelden, speciaal voor degelijke old-school heren.’ Hij roffelde met zijn knokkels op tafel en eindigde met een klap van beide platte handen. ‘Zijn ze gaaf of niet?’   ‘Elk verhaal heeft scenes.’ Ernst zuchtte diep. ‘Het is een afgeronde deelvertelling met een eenheid van plaats en tijd. Met een begin, middendeel en eind.’    ‘Aan wat voor scene dacht je?’   ‘Een schrijver die gestoord wordt en iemand met een steen de hersens wil inslaan.’   ‘Een Crime Story, insane! Hoe loopt het af?’   ‘Wij schrijvers hanteren het adagium: “Show, don’t Tell”. Als u een steen zoekt, show ik het einde.’

MCH
22 1

Stilte die in beweging komt

Oververhit plof ik neer op een rotsblok. Terwijl ik een paar slokken water drink, screenen mijn ogen de langgerekte Andes. Ik bewonder de capriolen van de koeien en hun kalfjes in de schaduw van de fiere bergtoppen en heuvels. In de verte hoor ik de uitgelaten stemmen van de kinderen uit het dorp. Ik geef ze in gedachten een naam. Mijn soepele vingers wrijven over mijn reisschrift.   Tussen twee boomstammen in de vallei bengelt een veelkleurige figuur in papier-maché aan een touw. Zestien door de zon getaande benen bewegen in slow motion, draf of galop. De voeten zijn gevlucht uit hun nauw aansluitende sokken. Ricardo, Pedro, Fernando en Rafael giechelen in koor. Rosa, Gabriela, Juana en Luz trappelen van ongeduld. Hun zwarte haren zijn gevlochten of gebonden in een paardenstaart met een feestelijke strik. Om beurt worden ze geblinddoekt. Juana, la chica del cumpleaños, mag de spits afbijten. “No veo nada,” roept ze opgewonden. “Uno, dos, tres, cuatro, cinco, seis, siete, ocho, nueve, diez.” Na de verplichte draaiingen slaan ze erop los met een knuppel. “Alhi?” “Venga chica!” “A la derecha, a la derecha”. “Da la vuelta, da la vuelta.” “Alhi, alhi.”   Wanneer het hoofd na de vijfde poging eraf zwiept, gaat de marteling verder tot ook één arm eraan moet geloven. Het gebergte slokt het triomfantelijk gejuich op. Een harige man beweegt het touw omhoog en omlaag terwijl zijn borstkas gedwee het ritme volgt.   Na een fatale klap van de stevig gebouwde Pedro belandt de verminkte figuur met een plof op het gras. Handen grijpen naar de stortvloed van snoepjes en cadeautjes. “Quiero mas dulce,” krijst Gabriela. Een groot deel van Superman wordt hevig platgedrukt. Zijn kop dient als speelbal en één van zijn benen laat zich oostwaarts meevoeren met de rivierstroming.   Ze eten snel de lekkernijen op en gaan dan over tot het volgende spelletje. Met veel show proberen ze een bontgekleurde sombrero zo ver mogelijk weg te werpen. Per meter verdienen ze een punt. Fernando verzamelt als eerste acht punten. Hij krijgt een kroon en bepaalt wat ze verder spelen.   De Sombrero-koning laat zijn vrienden even sudderen en geeft dan duidelijke instructies. Met veel gejoel plaatsen ze zeven plooistoelen naast elkaar, afwisselend met de rugleuning naar voren en naar achteren gekeerd. Hierrond wordt gedanst en meegezongen op uitbundige Mariachi-muziek die uit enorme luidsprekers schalt. Telkens wanneer de muziek abrupt stopt, lachen de overblijvers voluit en neemt de afvaller met tegenzin een stoel weg. Uiteindelijk wint het feestvarken Juana maar het is de koning die opnieuw het volgend spel mag kiezen.   Fernando kiest ervoor om te dribbelen en te drijven. De meisjes hebben hier wel zin in, behalve Juana. Ze begint te jammeren en loopt weg.   Mijn ogen, oren en noterende vingers hongeren naar meer, maar ik heb nog een lange tocht voor de boeg. Ik gooi mijn spullen in mijn rugzak en vervolg mijn weg naar vrijheid. Onderweg bedenk ik een meer nobele variant van de klassieke stoelendans, waarbij aan het einde van de rit Juana en haar vrienden samen op één stoel overeind proberen te blijven.   Mijn gedachten reizen terug naar de lievelingsspelletjes uit mijn jeugd: verstoppertje, zakdoekje leggen, schipper mag ik overvaren, touwtje springen, hinkelen. Zoals de Amerikaanse journalist Ron Olson schreef, “My childhood may be over, but that doesn’t mean playtime is”.

Fatiha Berrazi
24 1

Ei-beer

Voortgestuwd door een frisse lentebries kuier ik door de smeedijzeren toegangspoort van het park. De gladde bast van de zilverlinden aan de ingang lijkt gelukkig weinig hinder te ondervinden van de grote voorjaarsdroogte, die nu al anderhalve maand duurt. Voorbij het eerste stenen brugje sla ik linksaf, het slingerpad volgend richting Spiegelvijver. Ik merk dat een vrijpostige kruisspin zich ongevraagd nestelt als medereiziger tussen de pagina’s van mijn krant, maar laat betijen.Het park, in die typische Engelse landschapsstijl, ademt nog steeds de sfeer uit die teruggrijpt naar een voorbije eeuw. Terwijl de schaduw van de bomen me afschermt van de vroege lentezon, geniet ik van haar mengelmoes aan geuren, kleuren en geluiden, nu nog onverstoord door menselijk getater. Aangekomen bij de vijver zoek ik mijn vaste plekje op. De witte esdoorn bedekt het stenen bankje onder zijn kruin met zijn typische groenachtige bloemen, die haast een welkomsdekentje lijken te vormen voor de vermoeide wandelaar. Met lichte ergernis stel ik echter vast dat vandaag de helft van mijn plekje reeds is ingenomen door een tenger ogend meisje, gekleed in een lila jurkje – te koud voor de tijd van het jaar én uur van de dag – met iets wat lijkt op een teddybeer met grootheidswaanzin. Het flink uit de kluiten gewassen exemplaar rust op de schoot van het kind, de snuit richting vijver, alsof ze samen een jury vormen voor een naderende troep knobbelzwanen.Met een beleefd knikje richting kind én beer (waarom eigenlijk?) plof ik me neer aan het andere uiteinde van de bank. Het meisje lijkt me te negeren, de blik ferm gefixeerd op het water. Gerustgesteld begin ik te lezen. ‘Waarom leest u die oude krant?’De plotse vraagt sleurt me uit mijn leestrance. Ik kijk opzij en zie dat het kind met vragende ogen naar de voorpagina van het dagblad staart. Ik schat haar niet veel ouder dan acht – misschien negen? – jaar.Een priemende wijsvinger springt tot leven en volgt het traject van haar blik richting datum op de voorpagina. ‘Ziet u, maandag 12 april was eergisteren.’ Haar toon verraadt een zekere trots, omdat het kleine mensenkind iets waargenomen heeft wat het grote vast moet ontgaan zijn.Mijn ergernis wegslikkend sluit ik mijn krant en bekijk zelf de datum – alsof haar opmerking geheel nieuwe info betreft.‘Inderdaad, dat heb je goed opgemerkt jongedame, dit is inderdaad een ouder exemplaar.’‘Leest u altijd oude kranten?’ Mijn half geforceerde vriendelijkheid lijkt ze niet te hebben opgemerkt – of ze negeert het.Even denk ik na over mijn antwoord en besluit gewoon de waarheid te vertellen.‘In een tijdperk waar onze zintuigen overspoeld worden via alle mogelijke toestellen en kanalen met het “hier en nu”, gebruik ik de krant om wat bij te leren over “daar en toen”.’Alhoewel het antwoord helemaal niet op maat is van een kind, knikt ze toch begripvol.‘Mijn mama leert ook veel bij via haar Ei-foon. Kijk, daar loopt ze.’ De vinger verandert van richting en nu pas ik merk ik het schepsel op dat, gevangen tussen water en schaduw, in de verte rondjes lijkt te draaien.‘Nou, ze lijkt druk in gesprek.' Dat is geen leugen. Zelfs vanop deze afstand zie ik de linkerarm druk gesticuleren, alsof ze de vier windrichtingen tegelijkertijd wil zegenen.‘Ze is aan het bel-bekvechten met Stefaan, haar vriendje.’ Ze spreekt zijn naam uit alsof het iets vies betrof dat die ochtend ongevraagd tussen haar boterham was beland. ‘Ze maken veel ruzie én dan bellen ze soms urenlang én dan wacht ik meestal urenlang.’ Die laatste opmerking rolt er droogjes uit. ‘Heb je geen broertjes of zusjes om mee te praten of spelen?’‘Nee … nou, ik heb wel Ei-beer natuurlijk.’ Bij het maken van die opmerking draait ze het hoofd van de beer mijn richting uit, alsof het een formele introductie betreft. Nu pas merk ik het gekende appeltjes-logo, gedrukt op het zilvergrijze voorhoofd, met daaronder in fijne tekst "iBear Pro Max".‘Ei-beer kan zingen, praten, dansen en nog veel meer! Alleen … vandaag niet want zijn batterijtjes zijn plat.’ Haar onderlip vertoont een lichte trilling.Even staar ik nog naar een krantenkop over een vastgelopen cargoschip dat allang weer ergens op de Middellandse Zee ronddobbert, vouw de krant netjes op en draai me in de richting van kind én beer.‘Nu, zingen of dansen kan ik helaas niet, maar als je het goed vindt, wil ik best nog wel even verder met je praten. Ik heet Geert. Wat is jouw naam?’‘Elizabeth, maar iedereen noemt me Elisa,’ zegt ze guitig, terwijl onder - én bovenlip zich omhoog krullen tot een verrukkelijke glimlach.

GVN
0 0

Het zinloze schrijven

Ik scheur een nieuw blad uit mijn notitieblok, schroef de dop van mijn vulpen los en laat zijn scherpe punt baden in de blauwe inkt. De vloeibare woorden, die lichtjes schitteren als sterren onder het licht van mijn bureaulamp, trekken zich langzaam maar zeker in hun betekenis, opdat ze nooit meer zouden worden vergeten. Vereeuwigde gedachten die ruiken naar natte inkt en snijden als papier. Het knetterende haardvuur houdt me warm terwijl ik schrijf. De houtblokken barsten open als koude lippen in een strenge winter. De vlammen likken naarstig aan het verharde glas van de kachel en versieren mijn ogen die mee de dans aangaan en zachtjes fonkelen.Een heerlijke warmte die onbeschrijfbaar diep binnendringt. Ik sluit mijn ogen en heel even hoor ik haar stem doorheen het gekraak van openbarstend hout. Verdwijnend in mijn gedachten, om nooit meer terug te komen, schrijf ik rustig verder over haar. Haar lach verschijnt in de vlammen van het haardvuur, en ik hoop slechts een fractie te kunnen neerpennen van de zwoele warmte die alomtegenwoordig is. Ze lacht nog eens en kust me. Verloren in een kluwen van zachte woorden probeer ik haar tot leven te wekken. Maar de inkt van mijn vulpen droogt langzaam op tot ik slechts krassen achterlaat op het papier, en niemand die het ooit zal begrijpen. Diepbedroefd laat ik haar verder bestaan in de onbeschrijfbare warmte van het zachte vuur. Mijn gedachten dwalen af naar toen onze ogen elkaar kruisten, en ik grijp naar een nieuwe pen. De inkt loopt er stroperig uit en glanst op mijn blad als het kabbelende water bij een zonsondergang. Terwijl ik me onderdompel in haar donkerbruine ogen, stroomt de inkt van mijn pen uit in een wilde rivier van woorden waarin ik mijn houvast verlies. Ik geef me over aan haar blik die me laat afdalen in diepten waar ik nog nooit iets voor iemand heb gevoeld. Verdronken in haar ogen open ik de mijne terug en zie ik hoe de houtblokken zijn gekrompen tot slechts enkele hete kolen. Met mijn pen in de hand staar ik naar het maagdelijke witte blad, afwachtend op de juiste woorden."Ik zie je echt graag" en meer kan ik haar spijtig genoeg niet zeggen, laat staan schrijven.  

Bruno De Waele
5 0

Terminaal

“Frank is terminaal,” zei Sonja tegen Gisèle die net haar nieuwe vakantievilla in Spanje aankondigde met zwembad, vijf slaapkamers en plaats voor een butler én een Thaïs dienstmeisje. Gisèle was een slanke, lange, rimpelige, oude pannelat die straffer kon opscheppen dan Donald Trump.  “Een cappuutje en misschien een tostietje met glaasje wit bij de Pain Quotidien.” Waarom had Sonja ingestemd? Gisèles onderonsjes waren monologen waar haar grootsprekende bek nooit op pauze stond. Het ergerde Sonja zo dat ze de drie woorden eruit smeet als een hulpkreet, een ultieme poging om Gisèles woordenstroom te stoppen.    “Frank?” vroeg Gisèle en ze nipte van haar cappuccino, “Terminaal?”    Tijdens het tuinfeest vorige zomer wilde Frank rattenvergif in de groenteburger van Gisèle stoppen. Of salpeterzuur in haar glas rosé. “Moet je opletten of Gisèle nog zo een grote waffel trekt,” zei hij. Sonja glimlachte om de gedachte, dat hij het eigenlijk had moeten doen.    “Wat lach je?” vroeg Giséle, eerder als bevel dan als vraag.  Sonja trok haar lippen in een streep. “OMG! Jullie komen snel op bezoek naar Spanje. Anders ziet hij het nooit. Klimt hij nog trappen? We hebben een bejaardenkamer op het gelijkvloers, de butler vliegt zolang naar het rommelhok.”    Sonja staarde naar de enge draak die zich haar vriendin noemde. Trok ze werkelijk meteen de aandacht naar haar klotevilla? Gunde ze haar niet even haar verhaal? Wat moest ze erger verzinnen? Frank was niet terminaal, of toch niet meer dan anderen. “Uiteindelijk zijn we allemaal terminaal,” mompelde Sonja.    “Je doet een moord voor de Dorada a la plancha in de Fan Farronear en op de oprit maakt een straatschilder Van Goghs. Die moét een portret maken van Frank, kan je later op je schouw zetten als herdenking,” zei Gisèle. Ze roerde in haar koffietas en liet bij elke vervolmaakte cirkel even het porselein rinkelen. Ze leek niet verbaasd te horen dat Franks laatste dagen geteld waren.     “Neem je snel een nieuwe?” vroeg ze zonder te wachten op een antwoord, “Ik vraag me dat vaak af: Als Jacques sterft, zou ik snel een nieuwe in huis nemen? Jij zit al een tijdje in de meno hé? Een nieuwe man? Ik denk dat ik een jonkie neem, mijn mossel lust er nog van en aan het nieuwe huis in Spanje zal er een zeilboot liggen. Een stoere schipper misschien. Met een kriebelbaard, dat is genieten.”    Sonja zuchtte en stond op: “Ik moet naar de plee.”    “Schat, alweer?” zei Gisèle, “In de dagkliniek repareren ze dat in een uurtje. Ik heb dat niet nodig, maar zou er niet over twijfelen. Niet handig, aandrang krijgen, als je mosseltje net naar adem hapt en klingelt op een boot. En maak het meteen wat strakker, daar houden jonge mosselvissers van.” Gisèle wees met haar magere vingers naar de plekken die gelift konden worden.    Sonja schudde haar hoofd en bedacht zich dat ze onmogelijk zichzelf kon doorspoelen. Straks nog even afzien en Gisèles gedraaf aanhoren, haar uitnodigen voor een tuinfeest volgend weekend, een dringend telefoongesprek faken, excuseren dat ze weg moet en Frank in de Brico rattenvergif en salpeterzuur doen kopen.   -- TIP VAN DE WEEK -- Tony Coppo tipt deze week 'Terminaal' van Tony Coppo.  "De tekst nodigde mij uit om meer te lezen van de auteur. Ik vroeg me af: Is 'Terminaal’ een toevalstreffer of spetteren zijn andere teksten ook van het scherm in beeld en gelaagdheid? Ja hoor, ze zijn heel goed. De bijpassende foto's maken de tekst veel sterker. Bij 'Terminaal' gebruikt Tony Coppo een slechte foto, wat ik jammer vind.Mijn tip: Proza en fotografie gaan hand in hand. Blijf dit consequent doen en kom aub met een bundel (tekst én foto's). Ik ben alvast fan! Ik werk in de maritieme sector aan de middellandse zee en ik weet dat heel wat cliënten op leeftijd, maar kwiek en hupsig troost en hoop kunnen halen uit de teksten van Tony Coppo."

TonyCoppo
46 2

Plastic drugs

“Komt daar weer een nozem buiten,” zei Marcel tegen zijn vrouw die opgeblazen het laatste cijfer in haar soduko invulde en voor de vierde keer vandaag een papiertje demonstratief afscheurde en het opgeloste raadseltje in de lucht zwaaide al was het een winnend loterijbiljet. Hij wees door het raam naar de voordeur van het huis aan de andere kant van de straat. Twee weken geleden loste een vrachtwagen daar eindeloze rijen dozen. Na drie dagen zonder dat de nieuwe overbuur zich liet zien, begon het: een altijddurend komen en gaan van psychiatrische sans-papiers. “Verslaafde maffioso's“ noemde zijn vrouw ze. Ze vermoedde dat de kersverse overbuur handelt in hasj, wiet, XTC en crystal meth, maar Marcel wist het niet zeker: Een uur binnen blijven om dan met een smile en een grote plastic zak weg te wandelen? Een veel te grote zak voor drugs.     “Moet je zien,” zei hij, “Nog éne.” De politie nam zijn vrouw niet meer serieus nadat ze voor de tiende keer paniekerig belde en smeekte om die bende op te rollen. De smerissen beweerden dat ze spoken zag vliegen. Verontwaardigd schold Marcel ze uit voor achterlijke gladiolen, sneuneuzen en onbekwame drollenvangers. Wilden ze hèm oppakken in plaats van die drugsdealer! Hij moest beloven hen niet meer te contacteren.     “Ik moet ’t weten!” Hij kon zijn curiositeit niet meer de baas.     Hij trok zijn vuilste broek, oudste jas en stoffigste schoenen aan alsof hij een dakloze is. “Zo val je niet op bij dat gespuis,” zei zijn vrouw. “Om zes uur eten we, hè!”     Met stevige tred stak hij de straat over. Het regende en het was al duister want de novembernacht zou weldra vallen. Hij sloop rond het grote raam en probeerde binnen te gluren maar zwarte gordijnen beletten alle inkijk. Deze bende was uitstekend georganiseerd en op hun privacy gesteld! Even aarzelde hij wanneer zijn vinger naar de deurbel reikte. Hij ademde diep in en versteende wanneer de bel rinkelde als een ijskreemkar.     “Kom binnen, vriend.” Sterke handen drukten de zijne en sleurden hem binnen. De voordeur knalde dicht in het slot. Hij kon niet meer terug? Help. Wit licht van TL lampen verblindden hem en deden zijn ogen knipperen. Vijf gekleurde plastic tafeltjes met telkens vier krukjes: rode, gele, paarse en oranje. Aan één van de tafeltjes zaten vier vreemdelingen voorovergebogen rond een aardewerken vaas die razendsnel tolde en hun handen met bruine drek besmeurde. In hun bedwelming keken ze zelfs niet naar hem op.     “Doe je jas uit, kies een stoeltje, ik kom zo met mijn karretje.” De grote buurman met tatoeages en dreadlocks glimlachte vals. Marcel beefde maar trok zijn jas uit en ging zitten. Wat een linke boel was dit? De witte muren van dit lab waren besmeurd met posters van zebra’s die vechten met een hyena, walvissen die springen uit de zee en beren die zalm graaien in een rivier. Een foto van een meerkat knipoogde en zei ‘Stay calm and do the thing”. Was dit hun leuze? Marcel was niet kalm en wilde ‘the thing’ niet doen. Nooit raakte hij drugs aan! Was dit het zenuwcentrum van hun kartel? In de films hingen er minder tierlantijntjes en droegen de bazen geen smerige bundels vervilt haar. Een chill pianodeuntje speelde door luidsprekers ingewerkt in het plafond maar het leek niet op zijn plaats. Geniale afleidingsmanoeuvres. Hij mocht ze niet onderschatten!     De buurman rolde een ijzeren karretje naar Marcels tafeltje. Het ding glom en deed Marcel denken aan zijn zeventigste verjaardag. Zijn vrouw trakteerde op een veel te chique diner in de Comme Chez Soi. Daar bolden ze zo kaas naar hun tafel - drie minuscule sneetjes aan vijfenveertig euro! - furieus had hij ze naar de ober zijn hoofd gesmeten. Maar dit karretje geurde niet naar kaas. Rook hij wasco?     “Wil je kleuren, tekenen of boetseren?” vroeg de buurman. Dit was codetaal. Kleuren is LSD? Boetseren hasj? Op het karretje lagen kleurboekjes van K3, leesboekjes van Alice in Wonderland en tientallen barbiepoppen in een houten kist. Eén was onthoofd. Gebruikten ze dit om te trippen? Gaapten ze hiernaar om hun roes te versterken? Zijn vrouw had gelijk: de buurman runt een schunnig drugskot!     “Ik wil niets,” fluisterde Marcel angstig met een schorre stem, “En ik heb geen geld.” Gelukkig lag zijn portefeuille thuis. Deze criminele gang wilde hem zeker bestelen. Naast zijn tafel stond een rek met potten klei, dozen stiften, flessen white-spirit en glazen bokalen vol glitters in felle kleuren. Wat een lef! De ingrediënten zomaar uitstallen? “Zie je wel, ze kochten de politie om,” mompelde hij, “Waarom negeerden die anders mijn waarschuwingen?” Eén van de vreemdelingen keek om en staarde achterdochtig met bloeddoorlopen ogen naar Marcel, die rood kleurde en hoopte dat hij niet ontmaskerd werd.     “Meneer Marcel, relax. Ik stel voor dat u begint met een mooie tekening. Dat ontspant.”     De drugsbaas schoof over het tafeltje een groot vel papier met lijntekeningen van een olifant die parmantig water spuit met zijn slurf en zette een doos kleurpotloden en een schaar voor de neus van Marcel. Was dit een test? Wilden ze dat hij coke versneed met een papierschaar? “Psychotherapeutisch centrum De Sleutel” prijkte in gedrukte letters bovenaan het blad. “Hoe verzinnen ze het?” siste Marcel, “Een creatieve dekmantel voor hun drugshandel!”     “Hier is alvast een plastic zak,” zei een assistent in witte laboratoriumjas, “Kan je straks je kunstwerkjes mee naar je kamertje nemen en aan je vrouwtje tonen.”     “Ik ben succesvol geïnfiltreerd,” dacht Marcel terwijl hij naarstig de poten van de olifant grijs kleurde, “Ooit rol ik dit netwerk op.”

TonyCoppo
82 3

De missie van Sint Amandus

“O, heilige AmaanHelp mij de drank te laten staan” Een ongebruikelijk verzoek aan de schutspatroon van de kasteleins. Doorgaans zijn kroeguitbaters hun eigen beste klanten. Een rappe peiling wijst uit dat de smeekbede uit het Noord-Franse Coucy komt: een oord dat ik ken, zo’n duizend jaar geleden heeft een devote volgelinge zich daar aan mijn reliekschrijn vastgeketend. Ze beweerde dat ze dankzij mijn voorspraak weer kon lopen. Ik heb het laten begaan, we waren tenslotte op een fundraising tour omdat een van mijn kloosters was afgebrand. Maar goed, “that was then and this is now”. Ik besluit voor een poosje het eeuwige met het tijdelijke te verwisselen en een bezoek te brengen aan mijn supplicant. Een bezoekje aan de Cloud om me te informeren hoe ik mij anno 2021 moet uitdossen levert een schat aan informatie op. Zoveel mogelijkheden om iemand te zijn! Ik kies na enig aarzelen voor een mainstream uiterlijk: ik word een donkerblonde dertiger met  halflang haar, gladgeschoren en een ietwat gezette lichaamsbouw. Ik had natuurlijk kunnen kiezen voor een vrouwelijk uiterlijk, een donkere huidskleur of een affiniteit met mijn eigen geslacht, maar dat zou mijn missie wellicht wat lastiger gemaakt hebben. Niks vooroordeel: ik heb vrouwen, kleurlingen en gays onder mijn beste vrienden, maar dat geldt niet voor alle bewoners van de eenentwintigste eeuw.  En met een beetje overgewicht hoef je niet meteen met Jan en Alleman te wedijveren. Bij mijn persona past een donkerblauwe Citroen Cactus, waarmee ik me zonder veel moeite vertrouwd maak. Omdat het leven in deze nieuwe tijd een stapel paperassen en documenten vereist, voeg ik ook een allespas aan mijn uitrusting toe. Dat is een document dat alles is wat de houder het wil laten zijn. Van paspoort tot rijbewijs, van diploma tot covidverklaring. Is natuurlijk niet voor iedereen weggelegd, maar voor Ons Van Boven een onmisbaar uitrustingsstuk. Ongemerkt materialiseer ik met mijn autootje op de stille buitenweg naar  Coucy; ik rijd het plaatsje binnen en parkeer mijn Citroen bij Hotel Bellevue, annex Restaurant La Pomme D’Or. Terwijl ik nog achter het stuur van mijn autootje zit te bedenken hoe ik mijn missie aan zal pakken – want het is inmiddels een missie geworden – komt er een droefgeestig ogende man het hotel uitgesloft. Hij neemt mij en mijn auto op, aarzelt even en komt vervolgens mijn richting uit. Ik laat het raampje zakken en groet hem vriendelijk. Hij vraagt:”Bent u van plan hier te overnachten? Want op deze plaats mogen alleen auto’s van hotelgasten staan, en dan nog slechts voor het in- en uitladen van bagage.” Hij lijkt de veertig enigszins voorbij, een melancholisch gezicht met twee bleekblauwe ronde ogen die permanente verbazing uitdrukken. Dit zou zomaar de man kunnen zijn die mij heeft aangeroepen. Zijn adem riekt weliswaar niet naar drank, maar hij heeft verder wel de nodige kenmerken van de professionele innemer. Bleke huid, slappe wangen, lippen die gemaakt lijken om zich om een borrel heen te stulpen, de forse neus aan de rode kant. Zijn kostuum oogt flets: het zwart niet diepzwart, het witte overhemd meer off-white, het vlinderdasje bij zijn boord laat de vleugeltjes hangen. Ik zeg hem dat ik inderdaad in het hotel wil overnachten, en in het restaurant dineren. Of hij een kamer en een tafel voor mij heeft? Het lijkt of de professie het even overneemt van de depressie: een glimlach, een vonkje interesse in de ogen. Hij opent het portier en zegt: “Natuurlijk, mijnheer hartelijk welkom. Uw bagage?” Ik zeg dat ik dat kleine koffertje zo wel pak, en volg hem, het hotel in. Mijn allespas vervult beurtelings de rol van paspoort, covidreisbewijs en creditcard, en ik krijg de sleutel van kamer 9. Nadat ik mijn auto op de cour heb gestald loop ik de brede eiken trap op naar mijn kamer. Die is klein, heeft uitzicht op het plein voor het hotel en ruikt naar groene zeep met een vleugje chloor. Douche, apart toilet, een krap bemeten “grand lit” met aan weerskanten een nachtkastje en een tafeltje met een fauteuiltje, alles in pretentieloos eiken uit de streek. Een Franse hotelkamer zoals er tienduizenden zijn. Tijd voor een nadere verkenning. Ik loop de trap af en vind mijn herbergier in het restaurant. Hij leunt op het buffer, in zijn rechterhand een glas – absinth, aan de kleur te zien. Ik vraag of hij mij een Duvel wil brengen en ga aan een tafeltje zitten. Als hij mijn bestelling neerzet, vraag ik of er veel te doen is. “Behalve u één gast, meneer. Helaas”. Ik wil weten of dat helaas de gast betreft, en ik zie zijn gezicht betrekken. “Moeilijkheden?” vraag ik, in een poging meer aan de weet te komen. Hij aarzelt, trekt dan een stoel bij en gaat zitten. “Ach, ik kan het u wel vertellen. Over een paar maandjes is het toch afgelopen.” Ik zwijg, wachtend tot hij verder gaat. “Weet u, ik ben de laatste van het hotel. Léon de Belfort. Ik run het samen met mijn Victorine, die de keuken doet. En gisteravond, bij het diner wilde de gast haar spreken. Ik dacht dat hij haar een compliment wilde maken – haar gebraden reebout is voortreffelijk – maar hij deed haar een voorstel voor hem te komen werken. Naar het schijnt runt hij een grote hotelketen. Hij hield haar een poosje aan de praat, en na het eten vroeg hij mij om een aperitief met hem te drinken. Na een halve fles Calvados vroeg hij mij om Victorines contract te ontbinden, en na nog een halve fles stelde hij voor erom te kaarten. Hij haalde een spel kaarten uit zijn zak, en aan het eind van de avond had ik alleen nog het hotel. Mijn Victorine zou met hem mee gaan, en het restaurant kan ik sluiten. Hij is nu met haar onderweg, laat haar zijn een van zijn luxehotels zien. Vandaag is voor mij het begin van het einde.” “Hoe heet die horecamiljonair?” vraag ik geïnteresseerd, want ik begin een vermoeden te krijgen dat hier meer aan de hand is. “Tan”, antwoordt Léon toonloos. “Hij heeft zich voorgesteld als Simon Tan. Was een beetje aan het rondreizen, en belandde hier, zei hij. Maar of dat echt zo is...” Ik wil weten wat hem meer aan het hart gaat: zijn keuken of Victorine. “Ach, weet u, we werken al bijna twintig jaar samen. En het was vaak ook best meer dan collegialiteit. Als het hotel leeg was, en de keuken alleen voor ons moest draaien, dan wilden we ook de bedden wel eens uitproberen. Dan deden we of wij onze eigen gasten waren, die zich een dagje uit veroorloofden. Maar de afgelopen jaren, met die covid en zo, is daar nogal de klad in gekomen. En dan komt er zo’n ellendige miljonair ....” Op dat moment gaat de deur van het restaurant open, en als op afroep komt het onderwerp van gesprek binnen, gevolgd door een struise blondine met krulletjes, die zich duidelijk op haar best heeft uitgedost. Tan is een elegante verschijning,  gekleed in een blauw kostuum, helrode stropdas, glad achterovergekamd zwart haar en het getrimde vijfdagenbaardje dat in het hier en nu blijkbaar verplicht is voor iemand die wat wil voorstellen. Maar ik besef meteen dat hij meer is. Ik ken hem onder vele pseudoniemen, en Simon Anton Tan is daar maar eentje van. Aan zijn gezicht zie ik dat hij mij ook herkent. Er glijdt een schaduw overheen, en even fonkelt er woede in de donkere ogen. Maar de mond maakt een glimlach, en hij groet vriendelijk. “Goedemiddag, heren”, zegt hij minzaam. “Ik zie dat het restaurant vanavond nog andere gasten heeft.” Léon knikt, zwijgend. Victorine kijkt van de een naar de ander, loopt vervolgens naar het buffet. “Dan zal ik me maar even in mijn domein terugtrekken”, zegt ze. “Want vanzelf bereidt het eten zich niet.” Ik loop op Tan toe, en steek mijn hand uit. “Ik zal me even voorstellen” zeg ik. “Amand van Maastricht”. De ander reikt mij een zorgvuldig gemanicuurde hand. “Simon Tan”, zegt hij. “Op vakantie?” “Ja en nee” zeg ik. “In mijn branche is het hele leven een vakantie, maar ben je ook constant bezig met dingen rechtzetten.” Onze blikken  kruisen elkaar, de openingszetten zijn gedaan. Tan heeft zich verontschuldigd, moest even op zijn kamer een aantal dingen afwikkelen. Léon zit op zijn kantoortje te somberen – ik hoop dat hij niet meteen naar de fles grijpt – en Victorine is in de keuken bezig, het avondeten klaarmaken. Ik gok zo maar dat ze zich voor Tan van haar beste kant wil laten zien en dat het ons aan niets ontbreken zal. Ik heb me eveneens teruggetrokken op mijn kamer om mijn strategie te overdenken. We zullen gevieren eten: met twee personeelsleden en twee gasten is het meer chambre d’hote dan hotel-restaurant, en toen ik dit arrangement voorstelde was iedereen het er mee eens,. Ook Tan, al was het dan schoorvoetend. Om half acht zitten we dus met zijn vieren aan de ronde tafel bij de schouw in het restaurant. Tan heeft voorgesteld een Moet & Chandon te openen, en hij heft het glas “op een mooie toekomst  voor alle aanwezigen.” Ik zie Léons gezicht verstrakken, maar hij zwijgt. Victorine kijkt naar hem, het lijkt alsof ze zich ineens realiseert dat de belofte die voor haar in vervulling gaat voor hem een vonnis is dat voltrokken zal worden.  Ze neemt een slokje en zegt: “als entree heb ik een zalmmousse gemaakt, die gaat mooi samen met de champagne”. Ze loopt naar de keuken, terwijl Tan haar met zijn blik volgt. De zalmmousse is overheerlijk, en wordt aanvankelijk zwijgend genuttigd. Een paar keer lijkt het of Victorine of Léon iets zeggen willen, maar zich op het laatste moment bedenken. Uiteindelijk wend ik me tot Tan, en vraag hem naar zijn bezigheden. Hij glimlacht, en zegt dat zijn métier in grote lijnen hetzelfde is als dat van Léon en Victorine, maar op een wat grotere schaal. Zijn imperium strekt zich over diverse landen uit, en varieert van vijfsterrenluxe tot intieme kasteelwaliteit. Ik vraag geamuseerd of ik dan aan een Amerikaanse president uit het recente verleden moet denken, maar Tan laat zich niet zo makkelijk strikken. “De doelstelling van elke hotelier is het mensen naar de zin maken,” zegt hij. “In mijn familie zijn we daar al heel lang mee bezig, ik zet gewoon de traditie voort.” Ik antwoord dat genoegen niet het enige is dat telt. Het gaat er ook om welke prijs je de mensen daarvoor laat betalen. Victorine stelt voor om de volgende gang te serveren, en ruimt samen met Leon af. Terijl Tan en ik zwijgend tegenover elkaar zitten, brengen Victorine en Léon de volgende gang op tafel: entrecote, gegrilde groene asperges en een peperonata. Léon loopt nog even naar achteren om een passende wijn te halen, en komt terug met een pomerol. “Chateau Hosanna” lees ik op het etiket, en ik moet inwendig grinniken. Zonder het te weten heeft Léon zijn en mijn opponent een kleine poets gebakken. Ik knik, en zeg: “Mooie keus, Léon. Wist je dat chateau Hosanna en chateau Pétrus dezelfde eigenaar hebben?” Léon kijkt me niet-begrijpend aan, maar ik meen een spoortje van irritatie op Tan’s gezicht te ontdekken. De entrecote is een culinair juweel, mals en geraffineerd van smaak, en de asperges en peperonata maken het gastronomisch palet compleet. Léon heeft de wijn ingeschonken, en ik besluit dat het tijd is voor de tweede ronde van mijn offensief. Terwijl ik mijn glas hef, zeg ik: “Victorine, ik breng een toost uit op jou en je culinaire talent. In de keuken en in het leven is het vuur vriend en vijand tegelijk: een vloek en een zegen. Niemand weet dat beter dan de heilige Laurentius, die  zelfs tijdens zijn vuurmarteling nog de spot met zijn beulen dreef. Zijn embleem is het rooster waarop hij stierf, moge dat embleem jou in je keuken geluk brengen.” Dit zeggende haal ik een zilveren roostertje uit mijn zak, en leg het voor de verblufte Victorine op tafel. “Er zitten magneetjes aan” zeg ik. “Je kan het op elke koelkast bevestigen.” Léon kijkt mij verbouwereerd aan, de blik van Tan is uitdrukkingsloos. Hij heeft nu door wat de inzet is en is daar niet blij mee. Wat aanvankelijk een routineoverwinning leek, blijkt nu bevochten te moeten worden. Gladjes zegt hij.”Een waardig compliment en een mooi gebaar. Ik sluit me daar graag bij aan.” Hij vermijdt mijn naam te noemen, maar heft het glas “op Victorine”. Victorine zelf is volkomen verbijsterd, pakt het zilveren roostertje op, betast het en legt het vervolgens terug op tafel. Regelmatig dwaalt tijdens het hoofdgerecht haar blik naar het roostertje, naar Lèon, naar mij en naar Tan. In stilte eten we gevieren ons hoofdgerecht op. Als dessert serveren Victorine en Léon een bosvruchtenbavarois, die eveneens in stilte wordt genoten. Het lijkt alsof ieder met zijn eigen gedachten bezig is, hoewel ik hoop dat de gedachten van Victorine en Léon dezelfde richting zullen uitgaan. Maar omdat je nooit blind kan varen op je eigen hoop of het benul van de mensen heb ik wel een slotoffensief ingecalculeerd. Terwijl Victorine afruimt en Léon koffie gaat zetten pak ik een spel kaarten uit mijn zak, en leg ze op tafel. “Wat dacht je ervan, Lucifer? Zullen we onder het genot van een kopje koffie en een Calvados een kaartje leggen? Ik denk dat je de inzet wel kunt raden. En ter informatie: deze kaarten zijn persoonlijk vervaardigd door Caspar, Melchior en Balthasar, de beschermheiligen van de speelkaartenmakers. Wel?” Mijn tegenspeler kijkt mij aan. Even flakkert er vuur in zijn donkere ogen, dan zegt hij: “Laat maar zitten, Amandus, deze slag is jou. Die koffie zie ik niet verschijnen – onze gastheren hebben blijkbaar wat anders aan hun hoofd. Mochten ze nog opduiken, vertel ze dan dat ik een dringende zakelijke oproep kreeg. En jij mag morgen mijn rekening vereffenen: één overnachting, twee diners, een fles Calvados.” Hij staat vermoeid op en loopt naar buiten. Zijn kamer zal morgen vermoedelijk leeg en ongebruikt zijn – net als de mijne.

bobcom
23 1

De Vos en de Scheper

Er was eens een Herder en zijn Schapen.Het leven was goed, hij hoefde niet te schrapen.Een klein hutje in de bergen, ver weg van de stad.Zijn kudde zo groot,  was al wat hij had.De moedige Scheper was zijn trouwste hulp.Slangen, wolven en beren, die sloeg hij tot pulp. Op een dag keek de Vos vanuit de struiken en dacht, ‘Ik heb een Idee!’Hij benaderde enkele Schapen en zei, ‘Psst, kom eens met me mee!’‘Wat doe jij hier, Vos?’ zegt een van hen smalend. ‘Denk maar niet dat je ons aankan,’ zei een tweede, veel minder onthalend.  ‘Natuurlijk niet, vrienden,’ antwoordde de Vos.‘Veel groter en sterker zijn jullie. Als ik me misdraag ben ik zeker de klos.’‘Ik kom jullie net waarschuwen voor het echte gevaar.’‘Zie ginds, de Scheper, een Wolf in donshaar!’De Schapen bekeken elkaar en lachten het uit.Het sloeg echt nergens op, wat kwam uit die snuit.‘De Scheper beschermd ons net van rovers en andere gevaren,’ blaatte een van de rammen.‘En hoe doet hij dat?’ vroeg de Vos. ‘Met beten en schrammen!’Dat was waar, gaven ze grif toe.‘Kijk maar naar z’n lange poten en scherpe tanden. Daarin zit de clou!’De Schapen keken om en zagen nu de gelijkenis.Hadden zij het dan echt zo fout en zo mis?‘Blaffen, snauwen en bijten?’ onderbrak de Vos. ‘Wat voor een beschermer zou dat nu zo doen?‘Hij wil jullie enkel voor  zichzelf houden! En daarbij, met die stevige hoorns op jullie hoofd, hebben jullie toch geen nood aan zo’n oen?’‘Neen!’ blaatten de fiere rammen. ‘Als we samenwerken kunnen we die gemene Scheper wel verjagen en indammen!’De Vos zag dat de Schapen waren overtuigd.Hij likte zijn lippen nu het geluk hem had toegejuicht.Langer verder keuvelen had niet veel zin.Hij bedankte voor hun tijd en sloop het struikgewas weer in. De Schapen vertellenden diezelfde dag nog het nieuws aan de rest van de kudden. Wanneer ze allen stampten en stoten kon de Scheper het wel schudden.‘Maak dat je wegkomt! De Vos heeft je sluwe plannen verraden, jij wreedaard!’Verwensingen en beschimpingen waren verder de standaard.De Scheper kreeg genoeg van de onhandelbare schapen en zette het op een lopen.Dat de Herder hiervan zou horen dat konden ze in hun oren knopen.De schapen waren blij met hun overwinning en blaatten van enthousiasme.De Vos feliciteerde hen bevestigend maar met onopgemerkt sarcasme.Diezelfde avond nog sloop de Vos tussen slapende schapen en nam een van de lammetjes beet. Zijn plan was gelukt, niemand bewaakte de keet.Met sierlijke sprongen ontweek hij spottend de woedende Schapen die hem probeerden te stoppen.Zo verging het ook de volgende nachten tot de wanhoop van schapen die hij zo slinks wist te foppen. De Herder was verrast toen hij de Scheper zag liggen aan de deur.‘Mijn trouwe Scheper,’ zei de Herder terwijl hij hem over zijn kop aaide. ‘Vanwaar deze honneur?’ De Scheper keek met droeve ogen, ‘De schapen hebben zich tegen mij gekeerd en wouden mijn bescherming niet meer.’‘Maar hoe is dat kunnen gebeuren? Waarom gingen ze dan zo hard van leer?’‘De Vos heeft hen wijsgemaakt dat ikzelf een wolf ben,’ piepte de Scheper.De herder streelde peinzend zijn baard, ‘Die Vos is misschien wel kleiner dan jou maar ook veel leper.’‘Wat jij en de Wolf gemeen hebben maakt jou net de best mogelijke beschermer voor hen.’De kudde is in groot gevaar zonder jou, we moeten nu gaan, ren!’ Samen snelden de Scheper en de Herder terug naar de kudde.De Vos met zijn snode plannen kon het nu wel schudde.Ze bewogen over bergen en dalen, haastig en vlug.Spoedig vonden ze de schapen angstig en bedroeft terug.De Schapen vertelden over de list van de Vos en hoe hij de lammetjes kwam stelen.Wraak was het enige wat hun pijn kon helen.De Herder hoorde hoezeer zei spijt hadden over hoe ze zich tegenover de Scheper hadden gedragen.Die les hadden ze wel geleerd, dacht hij, tot het einde van hun dagen.Samen met de Scheper ging hij op zoek naar het hol van de Vos.Dankzij de scherpe neus van de Scheper vonden ze het hol in het donkere bos.Daar troffen ze de Vos aan in een diepe slaap, hij had een dikke buik van al de lammetjes die hij had opgegeten.Ze keerden terug naar de kudden om te overleggen wat ze zouden doen met de Vos nu hij nog lag te bekomen van zijn avondeten. ‘Begraaf hem levend in zijn hol!’ stelde iemand voor. ‘Laat ons hem doodstampen!’ riep drie anderen in koor.‘We kunnen hem ook altijd zelf opeten?’ haalden nog anderen aan.Oh jee, dacht de herder. Als die Vos de schade niet kan herstellen dan is het zeker met hem gedaan.De Herder trok zich terug van de kudde om raad te vragen aan de Uil van het bos.Hij vertelde de Uil het verhaal en vroeg wat hij moest aanvangen met die snode Vos.‘De kudde wil vergelding, dat was duidelijk, maar wat is nu de geschikte straf?’‘Had het zin om een Vos te straffen voor vossenstreken?’ zo kaatste de Uil de vraag weer af.‘Ik hoorde eens,’ zo ging hij verder, ‘over een verhaal hier ver vandaan.’‘Daar had er eens een jager iets bijzonder gedaan.’ Wanneer de Herder terugkwam vroeg hij de Scheper om hem opnieuw te vergezellen naar de Vos en zijn hol.Daar troffen ze de booswicht aan met zijn buik nog altijd even vol. ‘Dit had de Uil ooit ergens gehoord,’ fluisterde hij wanneer hij het mes aan zijn riem nam.Tot hun verbazing vond hij de lammetjes levend en wel terug met enkel hun pootjes wat stram.Voordat hij de buik weer dichtnaaide propte hij deze vol penen.Dat was toch juist, vroeg hij zich plots af, of waren het kiezelstenen?De Vos werd al jammerend wakker met zijn buik zo volgeladen.Ze hadden hem geklist en nu lamenteerde hij zijn daden.‘Dat zal je leren.’ Lachte de Herder.‘Wat ga je nu met hem aanvangen?’ snauwde de Scheper. ‘Geheid slaat hij snel weer aan het liegen en roven.’Toen de Herder antwoordde kon hij zijn oren niet geloven.‘Ongetwijfeld,’ knikte de Herder bevestigend, ‘tenzij hij daar geen reden meer toe heeft,’ en hij gaf de Scheper een aai op zijn kop.Nu gaat het komen, dacht de Vos, nu krijg ik vast klop. Nadat de lammetjes werden verenigd met de kudde en de Scheper weer zijn oude taak had opgenomen nam de Herder de Vos mee naar zijn huis.Deze was nog altijd wantrouwig en verwachtte niets pluis.‘Of je maakt dat je verdwijnt naar de andere kant van de berg,’ zo stelde hij voor. ‘Ofwel?’ onderbrak de Vos, ‘zeg het nu maar hoor.’‘Ofwel werk je voortaan voor mij’. De Vos was verbaasd en wierp vragende blikken.‘Mijn partner heeft een moestuin en ook last van kraaien die pikken.’‘Ik had gehoopt dat je met jouw talenten een trucen de kraaien kon verjagen.’‘In ruil voor een hok vol stro en eten tot het einde van jouw dagen.’De Vos was ontroerd door de genade.Misschien was het toch niet zomaar een façade?En zo gooiden ze het op een akkoord.De Herder was blij met het werk van de Vos en de Vos met zijn nieuwe oord.Enkel de kraaien die waren wat nukkig.Maar verder leefde iedereen nog lang en gelukkig.

BenB
0 1

Het terras

“Je bent te laat,” begroette Eva hem. “Je bent nog niks veranderd in die vijftien jaar.” Het verwijt was hypocriet, dat wist ze wel. Ze was zelf een kwartier te laat. Robin trok een wenkbrauw op; zijn wenkbrauwen waren dikker sinds hij ze niet meer trimde. “Niets veranderd? Jij ziet niet goed. En trouwens, ik zag je uit de auto stappen toen ik aankwam. Je bent hier zelf maar net.” Allebei hadden ze niet degene willen zijn die op de ander moest wachten, zeker als die ander besloot niet op te komen dagen. En toch waren ze hier nu, op het terras, Eva met haar zonnebril in de haren en ogen tot spleetjes geknepen tegen het daglicht, en Robin, breder en hariger dan ze zich herinnerde, maar tegelijkertijd toch heel herkenbaar. Robin plofte neer in een lege stoel en kamde een hand door zijn vetkuif. De schouderlange krullen van voorheen waren verdwenen, net als de zwarte mouwen die zelfs in de zomer voorbij zijn vingertoppen hadden gereikt. “Zullen we het kort houden?” vroeg hij. “Wat jij wil.” Eva bestelde een glas rosé, Robin spuitwater. Zij grinnikte. Hij negeerde haar en sloeg zijn armen overeen. In het zonlicht staken de littekens, die hij nu droeg als oorlogswonden, fel af tegen zijn gebruinde huid. Zijn nagels waren kort geknipt (niet kort gebeten), zijn armen sterk en afgetraind. Dit was niet het lichaam van een angstige tiener, maar dat van iemand die zichzelf heruitgevonden had. Haar ogen dwaalden over zijn gezicht en bleven rusten op zijn lippen, die ze in haar tienerjaren met haar eigen mond nog duchtig had verkend; een tijd waarin baardgroei nog een vreemde onbekende was – voor zover de schrale sprieten op zijn bovenlip als baardgroei telden, alleszins. Vreemd genoeg maakten die hem juist minder man. Als de serveerster even later hun drankjes bracht, bleef haar blik te lang op Robin hangen, haar voorhoofd in een frons. “Valt er soms wat te zien?” bitste Eva, die de halve euro fooi in haar hand weer in haar tas liet vallen. De serveerster mompelde iets onverstaanbaars en maakte zich uit de voeten. Eva zuchtte. “Je ziet er goed uit. Meer dan ooit jezelf. Zag iedereen dat maar.” Robin ontvouwde zijn armen en legde een hand op haar knie. “Dank je,” zei hij, heel even weer dat meisje van zeventien dat Eva’s hart gestolen had. En toen opeens niet meer.  

Caronaut
32 2