Zoeken

Nowa Huta East Side

In een historisch pand aan de Melkmarkt wordt druk getimmerd. Als ik naar binnen kijk zie ik dat enkel de gevels nog rechtop staan. Enig facadisme is Antwerpen nooit vreemd geweest denk ik bij mezelf en glimlach heimelijk. In het gestripte portiek houdt een drietal mannen, gezeten op omgekeerde mortelemmers, schafttijd. Het witte stof van slijpende collega’s is nauwelijks gaan liggen, maar dat schijnt hen niet te deren. De struiste onder hen weet in 1,5 hap een banaan weg te werken, z’n zwarte box t-shirt spant om z’n borst. Nowa Huta East Side staat erop geschreven in een trots lettertype als was het een deel van de Bronx.   Tram der arbeid In de zomer van 2006 reis ik per trein van Warschau naar Krakau. De rit is lang, het landschap lieflijk, de hemel blauwer dan blauw. We beleven prachtige dagen ik en het Kriskras reisgezelschap. De oude stad Krakau is sprookjesachtig, de mensen vriendelijk en de geschiedenis bloedstollend. Na een bezoek aan de zoveelste locatie uit Schindler’s List heb ik het echter wel gehad met de oorlogsdramatiek. Ik ben benieuwd naar sporen van een recenter verleden, naar hamers en sikkels, naar solidarnosc. Thuis in de bibliotheek had ik me reeds ingelezen. Een quasi door de tand des tijds verorberde reisgids prees een arbeidersstad pal naast Krakau aan. Wie gaat er mee naar Nowa Huta? Ik houd een wervend pleidooi over de droom van Lenin, arbeiderspaleizen en wellicht vergane glorie. Maar de groep zeurt over zere voeten en verkiest een pils op het terras. In mijn jeugdige koppigheid besluit ik het er alleen op te wagen. Ik haal m’n moedigste Duits boven en koop een kaartje voor de tram. Nach Nowa Huta? De jongen van het kleine kiosk steekt vier vingers in de lucht en wijst voor zich uit. Zodoende neem ik tram vier richting het oosten.   Droom van staal Als er een ultiem vervoersmiddel is om je naar Nowa Huta te brengen dan is het de tram. Geheel in de lijn van de sovjetideologie is het stadsdeel prima te bereiken met openbaar vervoer. Langzaam rijden we het oude centrum van Krakau uit en wordt het aantal toeristen op de tram drastisch uitgedund. Na de groene rand te doorkruisen belanden we in een zwaar geritmeerd stratenpatroon. Woontorens uit de jaren ’80 verschijnen als eerste aan de horizon om daarna over te gaan in oudere laagbouw. Deze laagbouw in opvallend slechte staat, maar wordt nog steeds bewoond. Een dikke roetlaag heeft zich aan de gevels gehecht, pleisterwerk brokkelt af. De zorgvuldig ingeplande groenperken zijn in geen jaren onderhouden en naast de megalomane hoofdlaan staan aftandse Lada’s en Volkswagens geparkeerd.   Met Nowa Huta (Nieuwe Staalfabriek) wilde het communistisch regime aan het einde van de jaren ’40 een nieuw gebied voor zware industrie creëren, oftewel een industriële pied à terre in het juist veroverde Polen. Het idee was de ideale sovjetstad te stichten inclusief moderne woonaccommodatie voor de arbeiders, als tegenwicht voor het meer bourgeois karakter van Krakau. Helemaal de stijl van het sociaal realisme werd het een planmatige aangelegenheid, met plantsoenen, winkels, cinema, theater en een oversized standbeeld van Lenin als middelpunt.   De tram zet zijn traject verder. Op het centrale plein kijk ik gek genoeg recht op een kerk. Die werd na de val van het communisme bij wijze van vrijheidsbeeld als eerste gebouwd. Even later passeren we het Theater Ludowy (het Volkstheater) waar Tadeusz Kantor ooit de decors ontwierp en zijn visie over de podiumkunsten bij elkaar schreef in z’n bekende manifesten. Aanvankelijk werd het theater geleid door een overlevende van de holocaust die zijn publiek bij wijze van catharsis de meest verschrikkelijke stukken voorschotelde. Tijdens de communistische dictatuur was het een plaats waar onder het mom van artistieke metaforen enige denkvrijheid mogelijk was.   Dan stopt de bebouwing en duikt de tramlijn het bos in. Boven berkenkruinen triomferen torens van fabrieken waar het Ruhrgebied jaloers op zou zijn. Ik voel me nietig tegenover de kathedralen van de industrie. Aan de laatste halte van de tramlijn stapt een leger arbeiders op. Ze zijn opvallend mager. Zwart stof hangt van in hun gezicht tot onder hun nagels. De sfeer zit er echter goed in, er wordt volop gelachen en gezwansd. Alweer een werkdag die erop zit.   Terug in het hostel staan mijn frisgedouchte medereizigers me al op te wachten. “En?” Ik kan slechts één adjectief verzinnen, orwelliaans.   Ostalgie à gogo Surfend op het internet tracht ik uit te vissen hoe het Nowa Huta de afgelopen 10 jaar is vergaan. Een ware metamorfose. De straten zijn onderhouden, de bloemperkjes ogen vrolijk en sommige gevels zijn opgefrist. Ook aan herbestemming is gedacht. Wat ooit de cinema was, is vandaag een supermarkt.   En er komen toeristen. In ludiek uitgedoste Trabi’s komen ze een ommetje maken. Nowa Huta is hip, op het internet zijn t-shirts te koop. Die vinden gretig aftrek onder een nieuwe generatie. Toch denk ik dat je hier nog steeds niet voor je plezier komt wonen. In Nowa Huta blijft het leven Spartaans en is arbeid het hoogste goed… of toch zolang de fabrieken draaien. Voor zij die dat niet zien zitten is er hoop in het Westen en een t-shirt van de internetshop.   Van droom tot stof Terwijl ik het historisch pand aan de Melkmarkt voorbijloop denk ik aan Antwerps stof op Poolse schouders. Denk ik aan het witte contrast met het zwarte roet tegen de gevels van hun ouderlijk huis in Nowa Huta. En denk ik aan vadertje Lenin die zich in Moskou aan een vernieuwd Rode Plein wellicht omdraait in z’n graf.

sofievand
3 0

Blauw, strakblauw

Blauw, en dan het liefst de royal blue variant, och het maakt niet zoveel uit. Ik ben van blauw gaan houden toen ik vroeger in het gras lag, naar de strakblauwe hemel keek en me voorbereide op de toekomst, die zondermeer succesvol zou worden, geluk en voorspoed en vooral veel kijken naar een strakblauwe lucht.   Mijmeren over van alles. Geen al te gek idee, strakblauw is ook de kleur van de lucht in het zuiden, tijdens de zonovergoten vakanties. Geen wolkje aan de lucht en enkel zon, vrijheid en zinderende hitte. Het echte trotse en succesvolle gevoel van welverdiende vakantie. Opmerkelijk hoe graag ik mag genieten van dat soort momenten, van de rust en de strakblauwe wolkeloze zon.   Ik zie het vaak terug op vakantiefoto’s, ik vind dat steeds weer schitterend, het maakt mijn vakantiebeleving pas compleet.   Het komt ook wel voor dat ik het blauw van de lucht ontdek in een stad, Parijs, New York. Ook daar zie ik veel foto’s waarbij ik het strakblauwe probeer vast te leggen. Ik weet dat ik een keer een fotowedstijd won met de fakkel van het vrijheidsbeeld tegen een werkelijk strakblauwe lucht, een beetje foto shop, dat wel, maar dat weet niemand. Ik was fier en trots op het winnen van de prijs, de foto schijnt nog ergens te hangen in de gangen van een DSM gebouw. Ook nu ik dit hier typ kijk ik langs een brug tussen Denemarken en Zweden tegen een strakblauwe lucht, met een vliegtuigje erop, nee niet ge-foto-shopt, maar wel apart, het verstoort het strakblauwe totaal niet...  

ruud
2 0

Niemand?

Ik ken niemand en niemand kent mij. Toch ben ik hier en ik zit aan een tafel met iemand die ik niet ken, die mij niet kent en we knikken naar elkaar met een glimlach. Ze drinkt een glas sinaasappelsap en leest een blad. Een blad dat we bij binnenkomst gratis kregen. Ze draagt een bril en lijkt me heel aardig. Waarom? Omdat ze bij mij aan tafel kwam zitten? Er zijn tafels genoeg, lege tafels en tafels waar mensen aan zitten. Verderop zitten twee gasten, die kennen elkaar wel. Maar ik ken ze niet. Mijn tafelgenote ook niet. Eén van de twee kijkt vaak naar ons, alsof ze ook aan onze tafel wilt zitten? Ik denk het wel. Het zou mij niet storen. Ik zou het zelfs op prijs stellen. Maar het gebeurd niet.   Als ik opkijk zie ik een meisje voorbij lopen. Ik ken haar niet en zij mij evenmin. Alhoewel, ze liep al meerdere keren voorbij. Ik heb haar meermaals met een glimlach aangekeken, dat heeft ze zeker in een ooghoek gezien! Ze reageert niet terug, geen glimlach. Toch ken ik haar niet en eigenlijk ook weer wel. Ze twijfelt nog, maakt nog steeds geen keuze voor haar plek. Uiteindelijk gaat ze verderop staan aan zo’n hoge tafel zonder stoel of kruk.   Ze draagt lang donkerbruin krullend haar. In een paardenstaart met een rood elastiekje. Ook heeft ze twee oorbellen die je vroeger als elf jarig meisje kreeg bij je eerste Heilige Communie. Ze lijkt quasi zoekend rond te kijken. Zoekt ze iemand die ze kent?   Kent ze net als ik ook niemand hier? Och ze weet het nog niet, ze is alleen niet meer onbekend. Terwijl niemand haar kent. Ik haar niet ken. Mijn tafelgenoot haar niet kent. Ik ken nog steeds niemand hier, maar jullie, kennen er wel al een paar.    

ruud
0 0

het volk

We moesten optreden in Zelzate, parel aan de Belgisch-Nederlandse grens. Eerst raakten we de weg kwijt. We bleven rondjes rijden tussen fabrieken, troepjes communisten en een kanaal. Uiteindelijk vonden we toch de plek waar we verwacht werden: het Dageraadplein aan de salafistische kerk. Er was geen kat. In een verre hoek, onder een linde, stonden twee priesters elkaar af te trekken. We deden de koffer van onze Nissan Micra open en merkten dat we onze instrumenten niet mee hadden. Gelukkig maar. We hadden nooit gerepeteerd, speelden zelfs geen enkel instrument. Wie had ons eigenlijk geboekt? We bestonden niet, hadden geen manager of Facebookpagina. We reden door naar Kemzeke. Het was er zonnig. Bij de eerste grote eik sloegen we linksaf. Na het derde kapelletje nogmaals linksaf. Dan rechtdoor, secondelang, tot we aan het grote podium kwamen. Wat een prachtig podium, zeiden we tegen een passant. Het is de main stage, antwoordde hij bitsig. Zijn hond piste tegen een lantaarnpaal. Is dat de main pole waar uw hond tegen pist, vroegen we grinnikend. De passant zocht een antwoord, maar onze aandacht was al drie minuten elders. De zon verdween achter een wolk. Het volk begon te morren. We schraapten onze keel, de micro's werkten perfect. Het was niet gemakkelijk om je achter te laten. Je sliep zo vredig, zo diep. Alsof er niets aan de hand was. Mijn trui was je kussen. Ik wou je nog een brief schrijven, maar mijn stylo was leeg en ik vond geen papiertje in je handtas. Er zat wel kauwgom in. Zou nog van pas komen. De weg was nog lang.

Maarten Verhelst
2 0

lucifer

We liepen arm in arm, ik vol van mezelf, jij vol met mijn zaad. Onze haren wapperden in de wind. Het hoeveelste kind zou ik al verwekt hebben? Ik snapte de natuur niet volledig, maar één ding wist ik wel: eksters waren de Opel Corsa's van het vogeldom. Een van mijn kinderen viel van de trap. Ik sleepte de trappenmaker voor de rechter. Mijn kind had recht op een morele schadevergoeding van tien miljard dollar. De rechter had een goeie linker, hij trapte mijn voorzet staalhard binnen. Alleen jammer dat hij mijn zelfgebakken taart niet lustte. Ik drong bij je binnen, schalks en zelfvoldaan. Je zuchtte niet eens zo diep. Water of koffie, dat zou ik straks wel drinken. Fairtrade koffie, daar kan je van op aan. Zo hebben die boeren in Zuid-Amerika ook nog iets te eten. Ik pompte en ik pompte, er leek geen einde aan te komen. Een houtduif op de elektriciteitsdraad keek door het raam naar binnen. Mijn grootmoeder belde onverwacht. Ze had haar gebit laten vallen en probeerde mij duidelijk te maken dat ik haar uit de nood moest helpen. Ik deed alsof ik haar niet verstond. Uit de boot schelpen, moe? Wat bedoel je daarmee, moe? De verbinding is heel slecht, ik ga ophangen, moe, daaag. Ik zag haar al door de living kruipen, een zweetdruppel op het voorhoofd, mijn naam op haar lippen. We wuifden naar een passant. Het wandelpaadje was bijna overwoekerd. Nog enkele maanden en geen kat zou onze rust verstoren. Je vertelde over je vorige vriendjes. Ik kon hen allemaal de ogen uitsteken met een lucifer. Een briquet zou minder handig zijn, dat moest ik toegeven. Onze lach echode tussen de bomen, een merel vloog verschrikt weg. Kon het ons wat schelen.

Maarten Verhelst
2 0
Tip

Pasklare verhalen. Paasstrijd

 Zo tegen Pasen. Tijd om te snoeien. Voor mijn deur staat manshoog het pampasgras (papas-gras zei vroeger mijn dochter). Halfweg  de dikke struik kijkt nu een gebiologeerd oogje mij aan. Doodstil zit de bruine eend middenin de rietachtige stengels. Ik kan alleen maar vermoeden hoe hard dat moederhartje klopt. Zien doe ik het niet. Eenden-ogen knipperen niet, verpinken niet. Haar pluimen gaan niet uit de bol. Niet recht omhoog. Alleen stilte en onbeweeglijke roerloosheid. Hetgeen tweemaal hetzelfde is, maar dat mag. Want het is. Haar oog staart mij blijvend aan. Het zegt: ík blijf zitten. Zij blijft zitten. Ik haal een bakje water. Wat eten eenden? Als een idioot leg ik er een snee geweekt brood bij. En dan laat ik haar. Respect. Wat doet dat beest hier, voor mijn deur? Ver uit de buurt van Water of Vijver? Is ze in de war door het Pampasgras? Dacht ze hier een veilige broedplaats te vinden? Maar veilig is ze. Daar zorg ik voor. Als ik enkele uren later nog een keer ga kijken, is ze opgestaan. Er liggen twee mooie eieren. Maar ze is gauw weer terug. Om de zoveel tijd breng ik een bezoekje. Zonder woorden even mijn hoofd in de Pampas steken.  Misschien kan ik haar aan me wennen. Telkens zit ze er. Op Paasdag breng ik mijn eigen kindje naar de luchthaven. Blond eendje. Piepkuiken. Ik hou me kloek. Of hoe moeders altijd kloek blijven. ‘Je mag maar mee tot aan de gate, mama.’ Kus geven, kruisje op het voorhoofd. ‘ Maak plezier  en wees voorzichtig.’  Uitzwaaien. Zo ver waar dit uitgegroeid kuiken heen gaat. Tien uur vliegen naar India. Ik strompel naar de Starbucks voor koffie en laat mijn tranen vrijelijk stromen. (Waarschijnlijk is ‘stromen’ voldoende, maar mijn dramagehalte behoeft ‘vrijelijk’. Less is niet altijd more. Soms is more more. Soms mag het erover zijn.) Langzaam herstel ik. Luchthavens en stations:  heerlijk. Wie zijn al die mensen? Wat zeggen ze in al die vreemde talen? Waarom huilen ze? Waarom lachen ze? Zoveel mensen om ergens heen te gaan. Terroristen, zelfmoordenaars, verkrachters, vaders, moeders, kinderen. Kom veilig terug, mijn kind.   Weer thuis, wil ik me met dat andere eendje troosten. Het lege nest gaapt me aan, gebroken eierschalen  wijzen op een blijde gebeurtenis. De vogel is gevlogen. De kuikens ook. © Goedele

Goedele Billen
38 2

Kinderspel

KinderspelHet spel was simpel, iedereen kon het spelen. Je had geen bijzondere vaardigheden of kennis nodig om mee te doen, hoewel het hielp als je iets of wat kon mikken. Er waren verschillende groottes en kleuren, die een rol speelden in de waarde van de exemplaren. Laagst in rang waren de "schieters", hoogst in rang de "boelen". Daartussen bovenden zich allerlei soorten en variaties, waar ik de meeste namen van vergeten ben, al kende ik ze toen heel goed.Ik was zes en met lege handen begonnen. Dit was op zich niet zo uitzonderlijk en al zeker niet problematisch. Alles was georganiseerd als een meritocratie: wat je had, werd bepaald door je prestaties. Opstarten was niet zo heel moeilijk, de meesten waren wel bereid om enkele "schieters" af te staan aan een beginner, en als je hier niet om durfde vragen, kon je altijd de speelplaats afschuimen in de hoop een verloren knikker te vinden.Wanneer je er enkele in je bezit had, was het niet moeilijk je collectie uit te bouwen. Op de speelplaats zaten vele kinderen met de benen gespreid. Tussen hun benen lagen dan enkele knikkers, dit waren de gewaardeerde exemplaren. Als je interesse had in iemands tentoongestelde knikkers, nam je plaats aan de startlijn en rolde je je eigen knikkers naar je doel. Raakte je een knikker, dan kreeg je hem, maar elke knikker die zijn doel niet raakte, was je kwijt. Het was een kwestie van inschatten en overwegen. De afstand tussen doel en startlijn, varieerde. De keuze hoeveel schieters je "wegschoot", lag bij jou. De keuze lag bij jou. Er waren risico's en mogelijkheden. Twijfel en hoop.Als zesjarige die niemand uit de hogere jaren kende, kwam ik in dit spel terecht. Dit eerste was ook geen vereiste, je hoefde namelijk helemaal niemand te kennen om mee te kunnen spelen. Het was een zeer uitdagend spel, elke situatie was anders en naast de hoeveel knikkers die je verwierf, kon je ook proberen gewaardeerde exemplaren in je bezit te krijgen. Langzaam bouw je op, tot je een collectie knikkers hebt, die je overal met je meesleurt. Eerst in je broekzak, dan in een klein tasje, maar op een gegeven moment heb je echt wel dat extra rugzakje nodig om dagelijks mee naar school te sleuren. Boordevol knikkers, één na één raak geschoten.Het is op zo'n moment dat het leven fijn en zorgeloos is. Niets verhindert je om ten volle van het spel te genieten. Tot iets daar verandering in brengt. In mijn geval was dit een ongeluk. De rugzak waar mijn dierbare knikkers in zaten, viel. Pardoes op de grond. Een groot deel van mijn verzameling rolde over de speelplaats. De knikkers waren niet te stoppen, ze gingen alle kanten uit. De tranen sprongen me in de ogen bij deze verschrikkelijke gebeurtenis. Vele guitige kinderhandjes grepen naar mijn dierbare schatten en ik deed hetzelfde. En hoewel de meeste knikkers eerlijk werden terugbezorgd, werden er ook een aantal onherroepelijk van me ontvreemd. Een patrouillerende leerkracht probeerde nog orde op zaken te stellen, maar gedane zaken maakten geen keer. Wat verloren was, bleef verloren.Het ergste is dat je het wéét. Je weet wat je kwijt bent en erger nog: je wordt je bewust van het feit dat je wéér en méér kunt verliezen. Het zorgeloze verdwijnt voorgoed. Het plezier van het spel gaat verloren. Alles is plots een oorlog waarin je enkel kunt verliezen. Een oorlog waaraan je niet eens aan hoeft deel te nemen. En zo borg ik voorgoed mijn resterende knikkers op in een kast op mijn slaapkamer en speelde nooit meer.Het daaropvolgende jaar draaide alles om die fantastische wezentjes die je in het wild kon vangen en voor je laten vechten. Je borg ze op in een rond balletje en trainde ze. Gelukkig waren zij niet echt en hoefde je geen ronde balletjes, maar kaartjes waarop zij afgebeeld stonden bij te houden. Die kaarten pasten heel gemakkelijk in een kinderhand en rolden gelukkig niet alle kanten uit wanneer je stapel uit je handen glipte. En zo kreeg ik op een dag enkele kaarten cadeau en trad ik in kinderlijke onschuld toe tot de wondere wereld der pokémontrainers/-verzamelaars, niet beseffend hoe onethisch het hele pokémongebeuren was. Stiekem lette ik toch wel erg goed op mijn steeds verder groeiende stapel kaarten, met de verloren gegane knikkers in het achterhoofd.Net zoals de andere leerlingen, ging ik helemaal op in de hype. We kenden alle namen en ruilden er lustig op los. We wisten hoe we "vervalsingen" moesten herkennen en legden met trots onze collecties aan elkaar voor. De blinkende en de kaarten met een hoog HP pronken bovenaan, daar waren we trots op, maar iedereen stak ook die nutteloze energykaarten in zijn stapel, zodat deze nóg groter leek. En hoeveel en welke kaarten je bezat maakte natuurlijk geen verschil in de binnen de klasmuren, maar op de speelplaats telde het écht wel. Voor ons was het geen spel, het was wie wij waren en hoe wij leefden. Dit was géén kinderspel, dit was menens! 

Fuaran
5 0

Een Mislukte Astronaut

Al wrijvend in mijn ogen en met een welgemeende geeuw, groette ik de zon die ons met een fijne, warme straal welkom heette. Na anderhalf uur meerijden in een krakkemikkige wagen die elk moment riep om een pauze, stonk naar de verbrande diesel, maar toch de eindbestemming moest halen, kwam ik wakker op de plaats waar m'n leven voorgoed zou veranderen, althans mijn visie op het leven. Ik opende de passagiersdeur en snoof meteen de frisse, zuivere zeelucht door mijn neus. Mijn vriend staarde me aan, nam me in zijn armen en fluisterde zacht en glimlachend in mijn oor: “Goeie morgen schat, goed geslapen?” Meer dan een slaperige en verwarde ochtendblik kon ik hem op dat moment niet bieden, maar ik sloeg mijn armen om zijn nek. “Vandaag zal het gebeuren”, zei hij. “Briefing!”, riep de verantwoordelijke van die dag. Alsof mijn wekker met een plof op mijn hoofd viel, was ik meteen klaarwakker. We snelden ons naar de desbetreffende plaats en sloten ons aan bij een groep van acht. Allemaal oude rotten in het vak. De een al wat beter dan de ander, de een al wat frisser dan de ander. De verantwoordelijke gaf een uitzonderlijke preek over veiligheid, regels, buddy's, vriendschap, natuur, maar mijn gedachten konden zich niet geheel richten op zijn uitgesproken woorden. Zijn slotzin kwam echter wel goed aan: “Binnen een tiental minuten wil ik iedereen aan de waterkant zien, want binnen een uurtje wordt relatief sterke stroming verwacht.” “Ook dat nog”, mompelde ik tussen mijn tanden. Alsof ik nog niet genoeg zenuwen had. Er kwam precies toch meer bij kijken dan ik aanvankelijk in mijn ideale droomwereld had kunnen voorstellen. Rustig nam ik mijn pak uit een zorgvuldig uitkozen, kwaliteitsvolle doos, want ik wilde al mijn materiaal van meet af aan goed verzorgen. De frisse zeelucht veranderde al snel naar een geur van opgewarmd rubber. Ik monteerde mijn fles nauwkeurig en volledig volgens de regels van het boekje, want je wilt toch net niet dat daar iets fout mee loopt. Mijn kleren hingen al aan een zelf ontworpen kapstok, gemonteerd aan de openstaande autokoffer. Ik duwde met volle perskracht mijn benen door het nogal spannende zeven millimeter dikke duikpak, gevolgd door mijn armen en nek. Daarboven kwam nogmaals een zeven millimeter dik pak, duikschoenen, handschoenen, een kap, een lamp, en uiteraard niet te vergeten, een loodgordel van om en bij tien kilogram. Als een mislukte astronaut probeerde ik alsnog mijn duikfles op mijn rug te krijgen. Ik stak al waggelend de straat over waarna ik de priemende blik van de vijfentwintig trappen voelde steken in mijn buik. Daar, daar moest ik over en dan was ik bij de zee. Met zo'n dertig kilo extra aan mijn lijf begon ik de klimtocht te trotseren. Hijgend en zwetend kwam ik aan bij het water. Ik keek voorzichtig rond me en zag al snel dat ik niet als enige wat vreemd en ongemakkelijk de waterkant bereikte. Enkele passen verder voelde ik een hand op mijn schouder. De andere hand trachtte mijn duikfles te ondersteunen waardoor het een pak lichter aanvoelde. Ik stapte het water voorzichtig in en tot mijn grote verbazing voelde dat zelfs niet koud aan, integendeel, het was een gevoel dat alle verwachtingen van de betekenis van het woord 'vrijheid' kon overtreffen. De man, die zo vriendelijk was om mij in het water te helpen en mijn volle gewicht te ondersteunen met zijn brede armen, keek me voorzichtig aan en stelde mij helemaal op mijn gemak. Ook mijn vriend zou me niet in de steek laten, hij stond vier meter verder ook wat te waggelen en ongemakkelijk te wezen, maar zijn ogen weken niet weg. “Ben je er klaar voor?”, vroeg de man. Ik knikte. We zakten stilaan weg in het water, hard bijtend op het mondstuk, met hersenen die volledig weigerden om ook maar één hap lucht te nemen, vechtend tegen mijn reflexen tot ik het niet meer hield. In één ruk nam ik, net zoals een pasgeboren baby, zo'n grote hap lucht dat ik er duizelig van werd. En herboren voelde ik mij helemaal. Stil, heel erg stil, geen vervelende vragen, geen nieuwe verbale info, geen telefoons die zo snel als mogelijk beantwoord dienden te worden. Zelfs mijn eigen stem verdween helemaal. De luchtbellen zochten stilaan een weg naar boven en streelden mijn wangen bij het vaarwel zeggen. Een vis kwam parmantig voor mij uit zwemmen. Haar blik vertelde meer dan duizend woorden of tekens. Het leek alsof ze me kwam vragen wat mijn bedoelingen waren. Een dier, dat ik anders koop op de vismarkt, zomaar in de oven stop en met volle smaak mijn maag in pomp om daarna languit en helemaal verzadigd en voldaan de zetel in te ploffen, vond het nodig om nu mijn richting uit te komen en mij er op te wijzen dat ik in haar habitat vertoefde, dat ik het met geen vinger mocht aanraken. En toch, toch tolereerde dat beestje mij. Het kwam in haar geheel niet mijn richting uitzwemmen met de intentie om mij op te eten of mij in een oven te stoppen. Het had er nochtans alle recht toe, want... wat deed ik daar ook al weer? Een kreeft zag hoe ik met mijn golvende bewegingen het ritme van de zee kwam verstoren en hoe mijn lamp in alle richtingen bleef schijnen, zoekend naar leven, zoekend naar een ongekende wereld waar wij van profiteren, een wereld waarin wij niet thuishoren. Hij viel me niet aan, maar kroop bang weg, zo snel als hij kon, angstig en onzeker door de nabijheid van een mens... Een mens dat in zijn ogen beschouwd wordt als een gevaarlijk beest. Een kleine krab had echter wel door hoe zwak wij zijn indien wij buiten onze eigen habitat treden en schrikt er, geheel terecht, niet voor terug om zijn scharen los te laten op een van onze tien vingers. Meerdere malen kreeg ik een waarschuwende blik mijn richting uitgespuwd die ik zomaar, alsof ik was een klein, verzwakt wezen, respecteerde. De manometer vertelde mij na geruime tijd dat mijn lucht uitgeput raakte. Volledig vertrouwend op technologie liet ik mezelf en mijn leven wederom aan wal leiden. Na het horen van de behaalde diepte, kreeg ik prompt geen adem meer. Nochtans hield ik mijn hoofd boven water en was mijn leven niet meer afhankelijk van een rubberen mondstuk. Op twintig meter diepte kreeg ik de eer om kennis te maken met ongekende en ongeziene fauna en flora, die stilaan aan het verdwijnen is als gevolg van ons leven boven het wateroppervlak. Ik, als fervent prater, want als ik in de buurt ben dan hoor je mij altijd, was ineens stil geworden. Ik leerde iets nieuws kennen. Iets dat nochtans al veel langer bestaat dan wijzelf. Alle moeite om in het water te geraken, het dragen van extra kilo's, het sleuren van de duikfles, had allemaal geen belang meer. Elke bestaande moeilijkheid werd nihil, stress en nervositeit leken sinds die dag zo onbenullig als de Mont-Blanc groot lijkt. Zolang de bewoners van het schijnbaar oneindige deel van de wereld, dat overigens door de mensheid niet gezien of benoemd wordt als werelddeel, mij er alsnog toelaten, blijft het water mijn nieuwe thuis, zonder huurgeld, maar wel met het bieden van eerbied en respect.

J. Depoorter
7 1

Goede Huisvaders

Smaken verschillen. Maar dat Karl S. een goede huisvader was, viel bezwaarlijk te betwisten. Sinds jaar en dag toonde hij zich doordeweeks een uitstekende werkkracht als ambtenaar op het gemeentehuis, en wijdde hij zich in het weekend met nooit aflatend plichtsbesef aan het vernissen van raamkozijnen, het herstellen van deurklinken en het snoeien van de buxus in de voortuin. Hij had tranen weggepinkt bij het vormsel van zijn dochter en bij de proclamatie van zijn zoon; geen dansoptreden of korfbalwedstrijd van zijn kinderpaar had hij gemist. Woorden met zijn vrouw waren net zo zeldzaam als orchideeën in Vlaanderen. En ook in de ruimere gemeenschap was Karl S. een graag geziene man: hij was het type om – te pas en te onpas, maar altijd even joviaal – met wapperde hand assistentie te verlenen bij parkeermanoeuvres; benefietverkopers vonden ten huize S. een belangrijke afzetmarkt voor lotjes, vanillewafeltjes en marsepein; en ook in zijn jonge jaren als scoutsleider was hij op kampen en weekends altijd al de eerste geweest om onder het eten plots ‘applausje voor de foers’ te roepen.   Het goede huisvader-criterium is niet enkel toepasbaar op familiale kringen, maar ook een ernstig concept in onze nationale rechtspraak. Dat wil zeggen, een rechter moet in sommige gevallen oordelen of een beklaagde heeft gehandeld zoals het een goede huisvader (een ‘verantwoordelijk’ en ‘redelijk’ persoon) past. Karl S. – lang geleden eens als jurylid voor een assissenproces uitgeloot – wist hiervan. Na jaren trouwe dienst op het gemeentehuis was hij er zelfs van op de hoogte dat ook de overheid veroordeeld kon worden indien ze niet als goede huisvader optrad. Vandaar dat hij die avond met verhoogde belangstelling van zijn Duvel nipte toen het nieuwsanker het item over de Klimaatzaak inleidde.   Hoewel je hem allerminst van activisme kon verdenken, lieten milieu, klimaat, natuur en ecologie Karl S. niet helemaal koud. In hoeverre al die termen synonym waren en of de verscheidenheid eraan wees op de complexiteit van de Schepping dan wel op de rijkdom van de Nederlandse taal, hij wist het niet; wat hij wel wist, was dat hij bij het snoeien van de buxus het ruisen van de snelweg hoorde, dat ‘SMOG-alarmen’ een terugkerend fenomeen waren geworden, dat aan België de titel toekwam van wereldwijde filekampioen, dat er bespaard werd om te investeren in oplossingen die bij voltooiing achterhaald zouden zijn en dat de kosten van dat alles intussen steeds meer doorgerrekend werden tot in de gezondheidszorg. Weken later had hij met een nieuwe Duvel naar een goednieuwsshow over lage brandstofprijzen zitten kijken, om nog een maand nadien argeloos de bus te nemen en 4 haltes later 3 euro armer af te stappen. Voor dat bedrag had hij met zijn dieselwagen makkelijk van Antwerpen tot Gent kunnen bollen, niet gehinderd door een noemenswaardige accijns of kilometerheffing – hoewel vermoedelijk toch opgehouden door stapvoets, gesubsidieerd bedrijfswagenverkeer ter hoogte van de Kennedytunnel. In het licht van de 3 euro voor een ticketje van De Lijn begreep hij nu plots wel waarom minister Weyts op de noodzaak van een lederen zedelbekleding had gewezen, al vond hij dat daarnaast ook koffie en koekjes redelijkerwijs in die prijs inbegrepen zouden moeten worden. Als goede huisvader had Karl S. dit alles overwogen. Veel van wat hij deed, had tot doel een mooie toekomst voor zijn kinderen te verzekeren. Het scheen hem toe dat, als vanillewafeltjes bij overmatig gebruik plots erg schadelijk bleken, hij zou afstappen van dat sinds lang beproefde recept en zijn schatten de iets progressievere brownies, waarmee de naar verluidt wat dromerige jeugd wel eens kwam leuren, zou voorschotelen. Bovendien vond hij de wens van zijn twee kinderen om oud te worden en (klein)kinderen op te voeden in een wereld met seizoenen en hier en daar een stukje groen nog niet zo gek. Want hoewel ze een jaar of acht geleden tot zijn grote spijt een soort van groene scouts boven de Baden Powell-versie hadden verkozen, was die wens toch geen geradicaliseerd discours maar een redelijk en legitiem verlangen.   Met macht komt verantwoordelijkheid, zoals Karl S. zich bij de opvoeding van zijn twee oogappels donders goed had ingeprent. En wie al jarenlang als goede huisvader heeft opgetreden, verwacht dat ook al wel eens van een ander. Dus toen hij hoorde dat de overheid, die snoeit in openbaar vervoer en investeert in meer beton, in de eerste plaats ‘de burger’ op zijn plichten wees, kreeg hij het toch even te kwaad. Wanneer een dag of twee na de bewuste busrit bleek dat de Klimaatzaak voort zou procederen, trok hij zijn stoutste schoenen aan en werd mede-eiser. Akkoord, BV’s waren nooit helemaal zijn ding geweest; maar nu de boodschapper iets nuttig vertelde, en zijn naam in elk geval niet Dimitri Bontinck was, had het weinig zin er op te schieten.

Lennert
5 0

Beet

De vrouw naast me op het terras draagt een mooie, felblauwe blouse. Het is de eerste dag van de lente, en meer nog dan andere jaren lijkt het de eerste dag van een nieuw leven. Ik wandelde net van Westkapelle naar Domburg. Zes kilometer zon, strand en een frisse wind rond het hoofd. De buitenbocht van Westkapelle naar Domburg is nog bezaaid met golfbrekers, uitkijkposten, en veel asfalt. Een Nissan Note staat er op de rand van de zee geparkeerd. De oude man aan het stuur heeft zijn raampje naar beneden gedraaid en geniet verbeten van de zon. Naast hem, in de schaduw en de kou, zit een oude vrouw stuurs voor zich uit te kijken. Doet ze het portier open, dan valt ze in het water. Ze houdt zich krampachtig vast aan de handtas op haar schoot. De krant die ik deze morgen nog las wist haarfijn uit te leggen waarom de belofte van die eerste lentedag ons zo dierbaar is, en verzekert me dat het weer overgaat. Straks, wanneer het echt warm wordt, zullen we verlangen naar de schaduwen binnenshuis, en de koelte van onze lakens. Het is lastig om zoveel goed geformuleerde domheid te verdragen. Het blauw van de lucht is zacht, lijkt helemaal niet op het harde, diepe blauw van de blouse. De zon speelt met de kleur, en wanneer de vrouw vergenoegd haar rug tegen de leuning schurkt, zie ik het. Net boven haar linkerborst heeft iemand een afdruk van zijn tanden achtergelaten. Er staat een kinderwagen naast haar, en telkens de baby beweegt in zijn slaap, duwt ze even met haar knie. Ze houdt haar ogen dicht, en terwijl ook ik wegdoezel vraag ik me af of ze daarmee haar ogen wil beschermen, of dat ze net haar oogleden, die delicate en verder compleet verwaarloosde stukjes huid, het plezier van de zon gunt. Dat de krant daar niks over schrijft. Wanneer de dienster de dagvis op de tafel zet, schrik ik wakker. Ik schenk mijn glas witte wijn bij uit het karafje, en terwijl ik eet, kijk ik naar de niet aflatende stroom auto's, moto's en voetgangers. De opgewonden kinderstemmen, het geraas van motorrijders die met hun gashandel spelen, de gesprekken op het terras, ik duw ze allemaal samen tot een compacte, betekenisloze geluidsbrij. Dat is nodig om me op de vis te concentreren. Excuseer. Ze moet het herhalen, voor het tot me doordringt. Excuseer. Stoort het u als ik hem borstvoeding geef? Nog ver weg in mijn gepeins kijk ik haar vol onbegrip aan. Sommigen vinden dat niet prettig. Nee, natuurlijk niet, zeg ik. Waarom zou dat me storen? Ze gebruikt gelukkig de linkerborst, met het jongetje als buffer tussen ons in. Terwijl die eet, trappelt hij een beetje met zijn voetjes. Af en toe raakt hij mijn arm, en dan schudt ze de jongen weer op zijn plek, en glimlacht verontschuldigend naar mij. Hoe heet hij, vraag ik wanneer ze klaar zijn. Olivier, zegt ze, en ze spreekt het op zijn Nederlands uit, met een harde vier op het eind. Voldaan, en veilig op haar schoot, begint hij rond te kijken. Ik trek zijn aandacht, en hij speelt even met mijn hand. Het is een boefje, zegt ze, en even later het wordt een hele kerel. Ze lijkt uit te kijken naar de uitdaging om hem op het rechte pad te houden. De beet op de blouse speelt door mijn hoofd. Deze twee, moeder en zoon, zijn zo compleet samen dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat er nog een andere is, een volwassen man, die haar plaagt en uitdaagt, zijn lippen en tong laat spelen in haar mond, afdaalt naar haar borst, liefkozend door de blouse heen in de gezwollen tepel bijt, en dan een druppeltje melk weg likt. De afstand tussen waar zij is en een Nissan Note aan de rand van de zee is onoverbrugbaar. Ik schud de kwestie van me af. Het is de eerste dag van de lente, die ene dag dat verleden en toekomst niet hoeven te bestaan. Ze legt Olivier terug in zijn wieg, en rekent af. Mij schenkt ze een stralende glimlach. Het wordt al een beetje fris, en ik moet nog terug naar Westkapelle. Ik stap flink door over het duinpad. Het is nu vloed. De wijn eist zijn tol, en ik dwaal even af naar het verlaten strand. Ik laat mijn blaas leeglopen in de zee, en zet het daarna op een zacht, bijna verontschuldigend lopen. De zon staat al laag. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

licht stofje

Ik reed van Ertvelde naar Costa Rica, maar aan het eerste rondpunt raakte ik de weg kwijt. Ik stapte uit en vroeg aan een plaatselijke landbouwer of hij de minst filegevoelige route naar de Atlantische Oceaan kende. De boer tuurde naar een windmolen in de verte. Een mengeling van tabak en speeksel sijpelde uit zijn mond toen hij sprak. Zelf was hij nog nooit buiten Ertvelde geweest - behalve die ene keer toen een suikerbiet uit zijn tractor viel en op het grondgebied van Assenede rolde - maar zijn duiven vlogen wekelijks door heel Europa. Zij konden mij met alle gemak de juiste weg wijzen. Ik haalde net mijn portefeuille boven om zijn beste duif te kopen, toen een van zijn dochters thuiskwam. Ze had blauwe ogen, lang blond haar en grote borsten. Haar glimlach was fenomenaal, haar benen eindeloos. Haar kont zag er tegelijkertijd strak en mals uit. Ze keek mij aan en vroeg of ze mij ergens mee van dienst kon zijn. Euh ja, stamelde ik, ik ben de weg kwijt. En hoe graag wil ik je borsten vastnemen en er eens goed mee schudden, dacht ik erbij. Niet veel later reden we samen op de Autoroute du Soleil, onze haren wapperden in de wind. We stopten aan een tankstation en aten een croissant. We lachten met een dikke Duitser, een luidruchtige Hollander en een achterlijke Vlaams-nationalist. Spanje was een droom. Lege snelwegen, verlaten dorpen. Voor we het wisten stonden we op een berg in Portugal te kussen alsof ons leven ervan afhing. We konden de oceaan al ruiken. Je adem kriebelde in mijn hals. De horizon trilde, of was het mijn lijf? Je gaf me jouw trui. Ik zag je tepels door je t-shirt. Licht stofje, zeker in de H&M gekocht. In volmaakt Ertvelds vroeg je of ik een kind van je wilde. Nee bitch waren wel de laatste twee woorden die op mijn tong lagen.

Maarten Verhelst
0 0

Familie opstellingen

Familie opstellingen                                                                                                                                                Familie… Je kiest er niet (bewust) voor en ze zijn verdorie heel bepalend voor je levensstroom. Achter de, vaak opgetrokken oppervlakkige façade, schuilen heel wat onopgeloste trauma’s die een woud van wezens beknot in hun groei. Ook voor mezelf is de familiestructuur een pijnpunt waar ik al héél m’n leven lang mee worstel. Rond m’n vijftigste besloot ik het kluwen van onuitgesproken conflicten achter me te laten, maar… bloed is dikker dan water en familiebanden zijn sterker dan je zelf beseft. Vooral de band met mijn moeder is me, ondanks de soms diepe pijn en het onbegrip, waardevol genoeg om er verder aan te werken. Waar er zo veel liefde is, bestaat toch ook een weg tot begrip en respect?   Dat oude kwalen en verkeerde gedragspatronen kunnen overgenomen worden van generatie op generatie lijkt me een reëel feit en toen ik in de Nieuwsbrief van Ziekenzorg las dat er een infonamiddag rond familie opstellingen werd georganiseerd, besloot ik om mijn blik open te stellen en eens te gaan luisteren naar dit fascinerend leerproces.   Het gebeuren werd gebracht door ‘Het Huis van Verbinding’ waar men er van uit gaat dat er in elke familie een onbewuste collectieve laag bestaat waarin vaak een kwetsuur schuilt die nog niet geheeld is en die steeds om aandacht vraagt. Johan Smets was deze dag onze therapeut en coach en vond zijn inspiratie bij Bert Hellinger die het Hellingerinstituut voor familie opstellingen oprichtte. Leermeester Hellinger had als uitgetreden priester en gewezen missionaris een diepe binding met Afrika en haalde volgens mij de kern van zijn opstellingen uit de oeroude familiewaarden die bij Afrikaanse culturen nog steeds van kracht zijn. Wat de meeste natuurvolkeren als vanzelfsprekend ervaren, is bij ons een vage herinnering geworden van waarden en normen. Het laat ons letterlijk en figuurlijk een beetje verweesd en stuurloos ronddobberen. Het is een soort van niemandsland geworden, een terrein dat bij het ‘in kaart brengen’ sommigen uitnodigt tot een soort van fanatisme waar ik absoluut niet van hou.   De familiewaarden die ex-missionaris Hellinger en onze coach Johan Smets propageren, zijn van de oude stempel. De man moet zorgen voor de basisbehoeften van het gezin en neemt de eerste plaats in. Ook de kameraadschappelijke wijze waarop veel ouders tegenwoordig met hun kinderen omgaan zijn volgens Hellinger en onze coach schadelijk. Alles wat gebeurt, is onderdeel van het grote geheel, waarin goede en kwade invloeden op hoger niveau samenwerken. De ervaringen van àlle familieleden, ook al zijn ze gestorven of nooit geboren, hebben een invloed op jouw eigen ervaringen. Uitsluiting in de familie is een vorm van straf, die misschien zijn oorsprong vindt in een dieper verleden, een trauma dat van generatie tot generatie wordt doorgegeven. Bij de uitspraak van coach Smets dat de minachtende houding van de Russische vrouwen een oorzaak is voor het drankprobleem van hun mannelijke partners, gaan mijn nekharen overeind staan. Als ik hier openlijk op repliceer, reageert de coach onmiddellijk en sleept me in het kernpunt van de aandacht met een vrij intimiderende oefening die m’n ‘ongelijk’ moet bewijzen. Ik bind in en zwijg.   De oefening die onze therapeut met enkele proefpersonen na de pauze uitvoert kan ik niet goed volgen, het gefluister gaat mijn zintuigelijke perceptie te boven. Ik voel me wel verbonden met de vrouw die zich als proefpersoon opgeeft en bij het systematisch openbreken van haar barrières vloeien haar tranen rijkelijk. Haar verdriet raakt me en als ik rondom me kijk en heel wat vochtige oogjes ontwaar, wordt het me duidelijk dat ik hierin zeker niet alleen sta. Het opstellen van de familieleden rond de proefpersoon komt me héél manipulatief over. Teksten worden fluisterend in de mond gelegd en als de coach zijn eigen dochter als ‘Boze dochter’ en een oude kennis van me - die me toevertrouwde dat hij een opleiding volgt in ‘Het Huis’- wordt uitgekozen als de ‘ Bepalende vader’, frons ik de wenkbrauwen… dit lijkt me echt wel héél erg in kaart gezet. De emoties van de vrouw echter zijn ontegensprekelijk oprecht, en ik kan niet anders dan me afvragen wat zij met al dat verdriet gaat doen nu de sluizen van haar emotionele dijken zijn doorbroken.   Dan lijkt het of er op de klok wordt gekeken. Het schouwspel kent een abrupt einde, de spelers staan plots allemaal op hun juiste plaats in de opstelling en er wordt omhelsd en vergeven. De coach tikt nog even aan dat de spelers uit hun rol moeten stappen en hun eigen identiteit terug moeten invullen. Einde voorstelling en voor mij, einde van een illusie.   Toch verwerp ik daardoor niet de gehele manier van denken. Familie opstellingen is méér dan wat de school van Hellinger er van maakt, en ik besluit de kern van de boodschap te behouden zodat ik het kind niet met het theater-badwater weggooi. Ik kan een zekere rust vinden in de gedachte dat er een rangorde bestaat waarin je een ‘evoluerende’ plaats beneemt. Het verleden bestaat – volgens mij- in dienst van wat je NU bent als mens. De kritiek en de opvoedende waarde die je als kind naar je ouders toe kan brengen geeft je enkel een grote onrust. Het is immers jouw verantwoordelijkheid niet. Zélfs al was de opvoeding die je ouders je gaven, niet zoals het hoort, dan nog heeft deze weg je gemaakt tot wie je bent en ligt het in jouw handen om er verder mee te gaan. . De rol van mijn ouders in mijn leven is, zelfs in de meest schrijnende, eenzame of gewelddadige momenten, nuttig geweest. Het heeft me de mens gemaakt die ik nu –in wording- ben, en daar kan ik hen alleen dankbaar om zijn. Familiebanden zijn belangrijk en je plaats hierin kennen helpt je om volmondig ‘JA’ te zeggen tegen het leven. En dàt is een universele boodschap die zonder strakke uitvoering méér dan de moeite waard is.        

Bosfee
88 0
Tip

Doodgaan

Doodgaan. Het overkomt de beste. Onsterfelijk is er geen een. Eenvoudig is het niet, het vergt wat doorzetting, maar wie maar hard genoeg zijn best doet of maar lang genoeg wacht, ziet zich uiteindelijk altijd beloond. Mensen sterven, zo gaat dat, het is een komen en gaan, maar lichtzinnig mag je daar niet mee omspringen, want buiten is buiten, niemand wordt geboren met een armbandje of stempel die je alleen onder UV-licht ziet. Hun uiterlijke kalmte ten spijt kan het bij dode mensen vanbinnen toch serieus gisten. Doden hebben moeite met het verwoorden van hun gevoelens. Ja, vaak voelen zij zich best wel rot, ‘s morgens ontbreekt hen de energie om op te staan, ze blijven liever liggen, sluiten zich af in een onverluchte ruimte, wat na een tijdje uiteraard niet zo fris ruikt. Ik voel me net een zombie, dat hoor je een dode wel eens denken. De meeste doden voelen zich aan hun lot overgelaten, een symptomatische jedoch onjuiste projectie, want de waarheid is natuurlijk net andersom. Het ontbreekt de dode niet zelden aan kritische zelfreflectie. Die neiging van dode mensen om zich op te sluiten is doorgaans dodelijk voor hun toch al schaarse sociale contacten, je merkt het wanneer je een gesprek met ze probeert aan te knopen, het gaat er allemaal nogal stijfjes aan toe en je krijgt gauw de indruk dat als jij niks zegt, er niet veel zou gezegd worden. Niet zelden krijgen dode mensen het stille verwijt koude zielen te zijn. Dat verwijt is onterecht. Dode mensen zijn gewoon erg trotse mensen, ze geven niet graag toe, ook niet ten overstaan van zichzelf, dat ze de controle wat kwijt zijn, dat het leven hen liggen heeft, liever steken ze de kop in het zand en zwijgen ze als vermoord dan openlijk te moeten erkennen dat zij, ja ook zij, zich hebben laten kisten, om je dood te schamen. En dus zondert de dode zich af, hij trekt zich terug achter een deur waar jij hem niet volgen kunt, althans niet zolang je zelf nog in leven bent. En wanneer het dan uiteindelijk jouw beurt is om te gaan liggen en de laatste deur voor je wordt opengedaan, dan zal ook voor jou duidelijk worden wat de anderen al lang weten: wanneer je dood bent, verga je niet van de pret.

joris
0 1