Zoeken

Duikboot

Sindsdien mochten we niet meer in de buurt van het meer komen. Mama belde de moeders van mijn klasgenoten op met de vraag of hun kinderen in de tuin kwamen spelen en tikte luid op het raampje van de keuken als ze vermoedde dat we iets verdachts aan het uitspoken waren.  Op school ruimden de lessen plaats voor urenlange praatsessies om het verlies te verwerken. Na twee weken waren we de kringgesprekken in de stille ruimte en de knutselsessies om creatief met de nagedachtenis om te gaan spuugzat. De juf begon weer over gewone onderwerpen te praten, zodat we volgend jaar zouden meekunnen in de grote school. Alles wat met water, duikboten of zelfs maar experimenteerdrang te maken had, verdween onverbiddelijk uit het programma.  De laatste dag van het schooljaar had ik er genoeg van. ’s Middags hadden we elkaar uitgewuifd, wetende dat we de helft in september zouden weerzien en de andere helft waarschijnlijk nooit meer. Toen de bel ging, stroomde de school leeg. De banken bleven achter vol chipskruimels en gemorste limonade. De naam van Benno was nergens gevallen.  In plaats van rechtstreeks naar huis te gaan, maakte ik een kleine omweg. Niet langer dan tien minuten, prentte ik me in, anders zou mama ongerust worden. Ik fietste naar het bos, zette mijn fiets vast tegen het bord waarop de wandelroutes uitgestippeld waren en verdween in de richting waarin er volgens de kaart niets lag. Het modderige pad hadden we vorige zomer zo vaak gevolgd, met Benno, op weg naar ons strandje waar we in het water doken en onze zwembroek als een vlag boven ons hoofd uitzwaaiden. Ik ging op de oever zitten, trok mijn schoenen en sokken uit en waadde door het doorzichtige water.  Ik beeldde me in hoe Benno hier had gewandeld, in het donker, met het gevaarte achter zich aan. Ik zag weer voor me hoe hij onder mijn raam had gestaan nadat hij me met kiezels had gewekt, wijzend naar de duikboot gemaakt van een houten vat, een autoruit en een tuinslang, hoe hij hijgend fluisterde dat ik moest meekomen, hoe ik uit angst mijn raam weer dichtschoof en me tussen de lakens wentelde.

Felix Sandon
9 1

Opgesloten ter dood

Opgesloten ter dood “Pak je korset! De koets staat al klaar.” riep moeder door heel de villa. “Ja moeder!” Terwijl ze mijn korset zo hard mogelijk aanspande, vertelde moeder: “Prins Alexander gaat vanavond ook aanwezig zijn op het bal. Zorg dat je straalt!” Ik knikte en pakte mijn sieraden. Terwijl ik ze aan deed, spelde moeder mijn haar op. “Klaar om te gaan!” zei ze vrolijk. Ik stapte in de koets, helemaal klaar voor een koninklijke avond en een elegante dans. Vader kon er niet bij zijn want hij was weg... voor zaken denk ik. Ach ja, ik red het wel in men eentje. De portier opende het deurtje en liet me uitstappen. “Kin omhoog” fluisterde moeder. Ik lachte triomfantelijk en ging naar binnen. Wel moeilijk op zo’n hoge hakken en zo’n strak korset. We bevonden ons nu in een grote, versierde danszaal. Er klonk sierlijke muziek. Moeder had haar vriendinnen al meteen gevonden. Ik? Ik stond daar dan, alleen. Maar dat was rap over want lord Gabriel van Artelsburg kwam naar me toe en vroeg om te dansen. Ik glimlachte en stapte met hem naar de dansvloer. “Je ziet er prachtig uit.” fluisterde hij. Ik probeerde te lachen maar hield niet echt van die opmerking omdat alle jongemannen dat altijd zeggen. Je moet altijd maar alsof doen als jonkvrouw. Niet veel later zag ik mijn vriendin komen, Margot. Ze zwaaide zo beleefd als ze kon en ik lachte – niet fake -  terug. Ik ging even naar haar toe. “Jij hebt je zo te zien al goed beziggehouden?” giechelde Margot en keek naar lord Gabriel die op me stond te wachten. Ja, te wachten! Ik keek even naar hem en ging dan weer terug naar Margot. “Ik wou dat we samen weg konden. Op witte paarden ofzo. Weg van deze wereld…” zuchtte ik. Plots hoorde ik een luide bonk. Mensen gilden en gingen achteruit. Ik hoorde er zelfs ééntje zeggen: “Nee! Mijn jurk!” De knecht die in de buurt was ging met haar weg om haar te troosten maar had volgens mij zelf niet eens door wat er gebeurde. Ik ook niet. “Zullen we gaan kijken?” vroeg ik geschrokken maar ook nieuwsgierig aan Margot. “Ik weet het niet hoor…” Maar ik was al vertrokken, de massa in. Margot bleef alleen achter totdat ze me hoorde gillen boven iedereen. Ze zocht me meteen en vond me spierwit en in shock. Toen durfde Margot niet te kijken naar wat er was gebeurd maar ze zag bloed op de grond liggen en wou zich echt wel even omdraaien. “What the…” Voor ze haar woorden kon uitspreken, viel ze flauw. Jeetje, wat een gedoe. Ik pakte haar en ging weer naar achteren. Ik zag iemand wegrennen met een rode mantel. Raar, die mantel heb ik al eerder gezien. Waarschijnlijk was deze persoon geshockt en voelde hij zich niet goed. Maar wat was dit nu? Iemand die vermoord is op een bal? Vele gedachten dwarrelden door mijn hoofd. Moeder kwam aanlopen en zei dat ze naar de koets ging en Margot wel meenam. “Ik kom mee want ik wil hier geen minuut langer blijven” zei ik bibberend. De volgende dag zat er – zoals altijd -  een krant onder de bloempot die bij onze voordeur staat. ‘Man … vermoordt … bal van hertog Charles … totale chaos…’ Ik hoefde al niet verder te lezen want ik was erbij. Hé? Dit is raar… dacht ik. Bij het artikel stond een foto van die ene persoon – die op een man lijkt - wegloopt. Bizar… Of zou hij er iets mee te maken hebben? Ik weet het niet meer. Misschien moet ik me er niet mee bemoeien… Of toch wel? Ik heb gewoon die mantel al eens gezien. Die is best uniek omdat het van stof is die van de andere kant van de wereld komt. Speciale stof. Ik denk dat mijn vader die ook heeft omdat hij al eens naar Australië is gegaan. Maar die had hij mee op zakenreis. Ik liet het artikel aan moeder zien die haar ogen neer sloeg. “Het was een kennis van me” zuchtte ze. Ik keek haar aan met puppyoogjes omdat ik wel wat medelijden had met haar maar ook zeker met de familie van die lord. Ik hoopte echt dat ze de dader gingen vinden maar een paar dagen later was er nog steeds geen nieuws. Het was tijd om me te gaan bemoeien. “Ik ga naar de stad” loog ik tegen moeder. Ik kreeg een duimpje als antwoord. Natuurlijk ging ik niet naar de stad. Ik moest de waarheid achterhalen. Ik ging vervolgens naar hertog Charles en vroeg wie er op de avond van de moord allemaal aanwezig was op het bal. Hij keek op en ging dan weer terug naar een paar belangrijke formulieren. “Oké, dan haal ik zelf de lijst wel.” Geschrokken keek hij op en zei hij dat hij zo terug was. Duidelijk dat ik niet naar de bibliotheek mocht, dacht ik. Hij kwam terug met de lijsten. “Succes” Grijnsde hij. Ook duidelijk dat hij dacht dat ik dit niet serieus nam. Ik wou net naar buiten lopen totdat ik zag dat de deur van de bibliotheek nog open stond. Ja, waarom niet? Ik sloop er naar binnen en bewonderde de grote ruimte. Ik ging langs de eeuwenoude boeken en ging via een krakerige trap naar beneden. Blijkbaar had iemand dat gehoord want ik hoorde voetstappen in deze richting. Ik verstopte me rap ergens in de kamer. Deze was iets kleiner dan de eerste. De voetstappen verstomden. Opgelucht keek ik de kamer nog eens rond. Huh? Wat was dat? Ik wou net een boek pakken van een rek en plots gaan er precies een soort deur open? Maar net toen dat ik de donkere ruimte wou betreden, hoorde ik veel luidere voetstappen. Zo snel als ik kon klom ik door een raampje en liep ik weg. Maar de lijst had ik per ongeluk nog laten liggen op het bureautje van de grote bibliotheek.  Shit! Ik moest terug om het te gaan halen en ik wou natuurlijk de verborgen ruimte betreden. Stiekem ging ik terug en klom ik door het raampje. Ik ging rap naar boven, pakte de lijst en ging weer terug naar de kleine ruimte. Eenmaal daar ging ik – met de lijst in men hand – de trapjes af. Wat is dat hier allemaal? Een oude, muffe en vochtige geur kwam ik onderweg tegen. Eindelijk, ik was beneden. Ik keek naar boven en zag hoe diep ik nu onder de grond zat. Er was ook nergens een raam te bespeuren. Raar. Ik snuffelde wat rond omdat het toch wel raar is dat je zo’n koude, suffe en donkere kamer in je huis hebt. Ik vond een paar aantekeningen en andere dingen. Tot mijn verbazing zag ik niets geheims totdat mijn oog viel op een doek. Er zat sowieso iets onder. Ik trok het doek eraf en vond een kluis. Een heel ouderwetse dus kon ik gewoon met een speld – die nog in mijn haren zaten om zogezegd naar de stad te gaan – de kluis openen. “Wat …” De rode mantel met bloedspetters lagen erin met nog wat testamenten. Meteen greep ik ze en las ik de testamenten één voor één. Daar zag ik wat handtekeningen van … mijn vader? Onbegrijpend las ik verder. Geschokt bleef ik kijken naar één zin: Deze opdracht wordt opgedragen aan John McKenzie. Ik keek nog verder. ‘Handtekening hier… absoluut niemand vertellen… geheim…’ Ik was in shock. Dus míjn vader heeft iemand vermoordt?? Ik kon het haast niet geloven! Plotseling hoorde ik een klap die van boven kwam. Rap ging ik kijken. Shit! De deur is dichtgevallen. Ik hoorde voetstappen die weggingen… Of… dichtgedaan! Ik wou naar de deur gaan om te proberen dat die nog open ging maar bedacht me dan dat het tientallen trappen zijn en ik toch best zeker weet dat ik ben opgesloten. Wie ging mij hier ooit vinden? Niemand, precies. Ik ben gedoemd… Ik moest hier weg en deze papieren moesten naar de sheriff en wel nu. Maar wat kon ik doen?   Net toen ik wou gaan roepen kreeg de deur weer beweging. Charles kwam binnen en al lachend zei hij: “zozo, jij hebt ons geheimpje dus gevonden…” Ik keek hem vies aan. “Je kunt me niets doen want ik ben de dochter van John McKenzie!” probeerde ik. “Oooh, dus jij bent Penelope.” Zei hertog Charles grijnzend. Ik keek hem nog viezer aan. “Rustig prinsesje, ik kan je inderdaad niets aandoen maar ik kan je natuurlijk ook niet zomaar laten gaan…” “Wat wil je dan hé?” “Jij… gaat niets maar dan ook niets zeggen tegen niemand. Anders is je moeder de volgende. Oh ja, die testamenten en de mantel die je had gevonden, die blijven natuurlijk ook hier.” Mompelde Charles. “Hoe weet jij dan wanneer ik iets heb gezegd?” protesteerde ik. “Ik heb hier en daar wel wat kennissen… de sheriff bijvoorbeeld” Ik huiverde. Ik kon echt nergens naartoe. Naar niemand. Maar ik liet me niet op mijn tenen trappen en antwoordde: “We zullen wel zien!” De hertog lachte wreed en pakte me bij de arm en zei: “Pas maar op, Penelope. Of je zult hier gauw terug zitten, voor altijd.” Ik verloste me uit zijn greep en deed een spurtje naar boven. Ik liep en liep zo hard ik kon het bos in, op weg naar huis. Eenmaal daar vroeg moeder: “Je bleef zolang weg? Veel gedaan in de stad?” “Jaja, veel gedaan.” Ik ging naar de woonkamer om alles even op een rijtje te zetten en vervolgens een plan te verzinnen. Want hierbij kon ik het echt niet laten. Ik kon er misschien niet mee naar de sheriff gaan maar… wel mee naar de pers! Maar ik moest wel een anonieme naam hebben en een soort van code taal. Ik had meteen al een idee. Blijkbaar is er ergens in de stad een geheim detective bureau waar ze in geval van nood, nu dus, communiceren met cijfers. Margot had dat ooit eens verteld dat de vader van de neef van haar broer daar werkt. Ze zei dat ik het tegen niemand mocht doorvertellen. Zelfs moeder weet het niet. Ik pakte een blad en een vulpen en begon sierlijke getallen te schrijven. “Ziezo, dit moet naar de drukker!” zei ik tegen mezelf. “Ben zo terug!” riep ik tegen moeder. “Naar waar ga je?” vroeg ze snel. “Gewoon naar Margot.” En weg was ik. Ik had natuurlijk ook al een anonieme ‘naam’ bedacht: 483928. Dat betekent in letters gewoon Penelope. Met een lang gewaad en een grote hoed op zei ik met mijn vrouwelijkste stem: “Zou u dit kunnen publiceren?” “Euhm… Er staan alleen maar cijfers op?” begon de redacteur. “Doe het nou gewoon.” zeurde ik. “Naam?” Ik keek naar het blad en zei: ”483928” De meneer keek op en deed zijn brilletje af. “Mevrouw… Voor wie houdt u mij?” Ik begon onrustig te worden want niemand had natuurlijk door dat dit over een moord ging. Plots kwam hertog Charles binnen. Shit! Wat doet die hier nu weer? Ik zei bedankt tegen de oude meneer en vertrok zo snel ik kon. Maar hij hield me tegen. “Wie we hier hebben… Wat is dat? Cijfers? Je denkt toch niet dat iemand dit gaat begrijpen?” zei hij spottend en hij lachte luid terwijl hij me streng aankeek. Ik had echt zin om in zijn gezicht te spuwen maar ik draaide me om en ging rap weg. Hij keek me achterna, bang dat ik het toch op de één of andere manier zou vertellen tegen iemand. Dat was ook het geval. Maar hij dacht sowieso dat hij me nog steeds in zijn macht had. Dat was niet het geval. De waarheid moest aan het licht komen. “Hoe was het bij Margot?” vroeg moeder. Ik mompelde wat met het verslag in men handen. “Wat is dat?” Ik keek naar moeder en dan weer terug naar het blad. “Niets hoor.” Dit moest echt gepubliceerd worden want het detective bureau heeft geen specifiek adres naar waar ik het kon sturen. Ik ga morgen terug, dacht ik luidop.  Zo gezegd, zo gedaan. Deze keer had de redacteur gewoon gedaan wat ik vroeg omdat ik zo serieus leek. Hij keek me raar aan en zei: “Voilà, het zal morgen in de krant verschijnen. Ik knikte vriendelijk en ging weer rap weg. Oké, dat was dat.  De volgende dag stond het inderdaad in de krant. Tevreden was ik. Hopen dat ze het zouden lezen. Van moeder moest ik boodschappen gaan halen, dus deed ik dat. Net toen dat ik de winkel wou uitgaan, verscheen Charles weer. Ik vloekte in mezelf. “Ik heb gehoord van een zeer betrouwbaar iemand dat jij een bericht voor dat ene detective bureau hebt gepubliceerd?” Ik bleef stokstijf staan want hoe kon hij dat nu weer weten?? “Je wilt vast weten van wie ik het heb? Dat krijg je nog te horen, maar nu moet je eerst mee met mij.” Ik slikte. “En wat als ik niet wil?” zei ik met een bibberende stem. “Je hebt geen keuze.” Vlak na die woorden pakte hij me stevig bij de arm en trok hij me subtiel in een kleine koets. Mijn mond was droog, ik kon niet schreeuwen. Er zat gewoon een verrader bij het detective bureau! Ik keek angstig door het raam van de koets. “Je vader.” zei hij droog “Wat?” zei ik onbegrijpelijk. Onverstoord ging hij verder: “Je vader zit bij het geheime detective bureau.” Ik sloeg een hand voor mijn mond. “Dus was dat mijn vader die in de krant stond met die rode mantel?” riep ik uit. Charles keek weg. “Geloof me of niet, je zult het toch niet meer tegen iemand kunnen zeggen. Nooit meer.” De hele rit bleven die woorden in mijn gedachten. Wat bedoelde hij daarmee? Eenmaal aan zijn grote huis zei hij: “Trouwens, met nooit meer bedoeld ik dat ik toestemming had gekregen van je vader om je op te sluiten. Voor altijd.” Ik keek hem met grote ogen aan en schreeuwde: “Dat kan niet! Zoiets zou hij nooit doen!” Ik was woedend, maar ook bang. Ik begon te lopen, dwars door het bos. Takken zwierden om me heen. Netels brandden in mijn handen en benen. Ik keek achter me. Hij was op zijn paard geklommen om me achterna te gaan. Zijn zwaard hing langs zijn lederen uniform. Ik struikelde over een dikke tak. Mijn jurk was vies en gescheurd. Mijn hakken deden het niet meer. Blootvoets ging ik op weg naar Margot. Ze moest dit weten. Maar dat was nog een eindje lopen… Niet veel later kwam ik uit op een weg waar er paarden rondliepen die een koets meesleurden. Daarin zat waarschijnlijk de hertogin met haar dochter op weg naar een evenement. Mijn ogen gingen alle kanten uit. Ik hoorde Charles achter me en begon terug te lopen. Op dat moment pakte hij me vast en zette hij me ruw op zijn paard. Ik stribbelde tegen maar tevergeefs. Ik was verloren. Mensen keken ons raar aan maar deden niets. In volle vaart zette hij koers naar zijn huis waar hij me vervolgens afzette. Voor ik weer kon gaan lopen pakte hij me vast en trok hij me naar binnen. Ik keek onrustig om me heen en begon te gillen. “Kop dicht!” snauwde Charles. “De waarheid moet aan het licht komen!” protesteerde ik. “Denk je nu echt dat iemand jou gaat geloven?” Ik keek hem vies aan. “Je kunt niet zomaar iemand vermoorden op je eigen bal!” Hij lachte gemeen en sleurde me mee de duistere kamer in. “Denk je nu echt dat ik iemand heb vermoord?” Ik deed een klein knikje naar links, dat betekent ja. “Ik zou mijn handen toch nooit vuil maken aan zoiets.” lachte hij wreed. Ik spuwde naar hem. Ik wou hier gewoon weg. Daar werd hij niet blij van. Hij gooide me op de grond en liet me achter. “Groetjes!” riep hij vals. Hij trok de deur dicht met een harde klap. Ik bonkte op de deur en riep het uit. Ik zakte naar beneden en begon te huilen. Hier kon ik nooit meer weg. Niemand ging me ooit hier vinden. Ik was opgesloten. Opgesloten ter dood.    

Loewieze
0 0

Lijm... Het been.

Aan de horizon dook de zon rusteloos onder en trok ei zo na een paartje kirrende duiven met zich mee. In de verte luidden de klokken het begin van de nacht in. Elisa volgde het silhouet dat zich van haar verwijderde zo lang als mogelijk, en deed de deur dicht. Iets wat ze de laatste tijd al vaak had moeten doen. Veel te vaak. Ettelijke keren waren er mannen gekomen, nadat ze het goed met elkaar hadden kunnen vinden op Tinder. Ze was niet te vangen voor een losse flodder, dus de mannen die ze er uitpikte waren gedetailleerd uitgelicht. Beschouw het als haar verkozenen. En zij wilden haar ook. Tot ze dus bij haar aanbelden, en zij open deed en ze haar houten been niet meer kon verbergen. De ene was weggelopen zonder een woord te zeggen, een ander was roder dan een tomaat geworden en had met wat gestamel uiteindelijk ook het hazenpad gekozen. Een uitzondering had zich toch tot haar slaapkamer gewaagd, maar verder dan dat en een simpele ‘Sorry, dit was een vergissing’, was het nooit gekomen. Ze veegde een verdwaalde traan weg en dacht terug aan Dries. De enige man die het aandurfde door haar voile van mismaaktheid heen te kijken. Met weemoed in haar hart herinnerde ze zich hoe hij haar altijd op haar gemak probeerde te stellen, terwijl ze verwachtte dat het andersom had moeten zijn. Hoe hij haar nieuwsgierig maakte door een tipje van zijn eigen sluier te lichten, maar voldoende ruimte liet om meer te ontdekken. Ze proefde weer het zout op zijn lippen toen hij haar na vier glazen wijn en een hele kom chips naar zich toetrok en lang en passioneel kuste. O ja, ze wist ook nog heel goed dat ze zich afvroeg hoe het zou zijn om zijn lichaam op het hare te voelen. Ze had nooit kunnen bedenken wat hij allemaal voor haar in petto zou hebben. De zon was nu helemaal onder en de tuin was in een donkere deken gewikkeld. Eliza zette het onaangeroerde wijnglas terug in de kast en ontkurkte de fles dan maar voor zich alleen. Ze zou zich niet laten kelderen door alweer een kleine tegenslag. Vastberaden nam ze haar mobieltje, zocht de juiste app en begon aan een nieuwe swipe-marathon. Hello World, meet Eliza!

Vlechtenmeisje
25 2

Bridezilla's not allowed

‘Mama, kijk!!!!’ Andrea trekt aan mijn mouw en wijst enthousiast naar een hele tros witte ballonnen aan de zijkant van de tent. Ze komen mooi uit tegen de donkere achtergrond van de ingevallen avond en worden opgelicht door een cluster bolvormige lichtjes die vanop het gras tegen de witte wanden van de silhouette tent schijnen. ‘Mag ik er één, oh mama, alsjeblief?’ ‘Ik weet het niet, lieverd. Ik geloof dat ze er zijn voor de versiering van het feest, niet om aan kleine deugnieten als jij uit te delen.’ Ik kus haar liefdevol op haar vers gewassen haren en ruik nog een zweempje amandelbloesem. ‘Laat ons eerst even kennismaken met het bruidspaar. Ik beloof dat ik straks eens pols voor die ballon.’ De maître vinkt onze namen af en loodst ons snel naar een tafeltje aan het andere eind, waar we plaatsnemen en prompt een roos in de handen gedrukt krijgen. Vragend kijken we hem aan, en krijgen te horen dat de speech van de vader van de bruid zo zal beginnen en hij het wel zal uitleggen. En dan valt het geroezemoes, dat tot dan de lucht vulde, helemaal stil. ‘Dames en heren, mag ik even uw aandacht?’ Ik recht mijn rug en zie een man met witte haren in een overjaars maatpak staan. Hij frunnikt zijn scheef hangende stropdas recht en kucht. Zijn trillende handen verraden zijn nervositeit, maar hij steekt van wal en zijn kalme basstem verraadt niks. Hij legt uit dat het bruidspaar even naar buiten is gelokt door de fotograaf, en dat hij zijn dochter wil verrassen met een reuzeboeket witte rozen. Geduldig demonstreert hij hoe het volgens hem moet verlopen om alle bloemen bij de bruid te krijgen. Onze tafel zal het voorlaatste aan de beurt zijn, dus we hebben nog wat tijd om af te kijken. Een paar minuten later is het al zover: het bruidspaar wordt met veel tromgeroffel aangekondigd en op het moment dat ze binnen zijn, en de bruid haar gehandschoende arm door die van haar vader steekt, staat de hele zaal als een peloton soldaten recht. Een voor een komen de gasten hun roos afgeven en de armen van de bruid komen boller en boller te staan. Naarmate ze naderen, zie ik enkele tranen glinsteren op haar gemaquilleerde wangen en ik raak ontroerd door de warme blik waarmee de dirigent van dit extraatje vanonder zijn witte haren naar haar loert. Nog twee mensen en het is aan ons. Andrea’s hand verstrakt in de mijne en ik voel ook mijn spanning stijgen. ‘Alsjeblieft!’ zegt ze trots wanneer ze haar bloem afgeeft. Maar wanneer ik ook de mijne wil schenken, struikelt Andrea met haar kleine hakjes en valt languit op de sleep van de bruid. Die springt van schrik achteruit en gooit de bloemen in de lucht. Terwijl het rozenblaadjes regent en iedereen zijn adem inhoudt, hoor ik een luide krak. En daar staat de bruid plots kortgerokt. Heel kortgerokt. Mijn hart staat stil en Andrea kruipt dicht tegen me aan. Maar dan begint de jonge vrouw hartelijk te lachen, neemt een ballon, en drukt ze in Andrea’s kleine handen. ‘Hier meid, trek het je niet aan. Dit is veel makkelijker om te dansen straks!’  

Vlechtenmeisje
35 1

WALKZ WITH ME

Avelgem, 1 maart We stappen - we trappen - we stappen, al bijna een jaar lang. Vandaag belandden we aan de oevers van de Schelde, waar het water sterren tovert en witte vogels ons verdoven in miezer en mist. We zijn op zoek naar overstromingsgebied, dat maakt het makkelijker naar een reddingsboei te grijpen. We vinden een speelplein met een kunstwerk dat naar oorlog verwijst maar me aan voetbal doet denken. Verder alleen lieflijke snoeten in het natte zand. Een moeder somt er dinosaurusnamen op, de wetenschappelijke én de bijnamen, terwijl mijn dochter de equivalenten begraaft in het zand. Er valt niets meer aan te wijzen, alleen nog te redden van de verstikkingsdood. Gelukkig is Vader Dino brandweerman. Er is water, maar niet daar waar je het verwacht. Er is mosterd, er is kaas. Even verderop, aan de achtergevel van het plaatselijke rusthuis, zitten drie denderende figuren in een strandstoel naar het landschap te kijken. Of we wisten dat dit het rusthuis is met het mooiste uitzicht van Vlaanderen? Ik vraag me of dit een feit of een verzinsel is. Dat Hij 1 vroeger langs de Schelde naar Gent fietste, naar Doornik, naar Dendermonde. Hij 2 vult aan dat hard trappen toch zo een deugd kan doen, wind en wolken in de haren. Zij heeft het meer voor stappen. Mijn dochter voor voetballen. We komen aan een achtertuin waarvan het huis zoek lijkt. Er is een kip en een vrouw aan een picknicktafel. Ze vertelt mijn dochter, breed allitererend, dat het een ‘knuffelkip’ is. Het imponeert niet. Ze verzint bergen om contrast te creëren en opent de sluizen. Wij duiken onder een brug waar de enige kleur die van afbladderende graffiti is. Mijn dochter houdt een ei met een embryonale dino erin in haar hand geklemd.    Dadizele, 20 maart Dat Jezus aan het kruis ging eindigen, had ze niet verwacht. Mijn dochter zoekt in alle kerken al bijna vier maanden lang naar de onschuld in de kribbe. Maar zelfs hier, in een basiliek, komt ze van een kale reis terug thuis. Negenhonderd glasramen bieden niet genoeg verlichting voor haar stille verdriet. Ik neem haar gebroken hart bij de hand. We stappen, we stoppen, we stappen. In het park dat de basiliek omgeeft: hyacinten, rozen in de knop, een lege fles cognac met mos erop. Alcohol blust de pijn, maar dat weet onze dochter nog niet. Zij speelt bloemenmeisje. We wandelen langs zandpaadjes en achtertuinen. Het schemert en Jezus is nog steeds niet thuis. Tegenover de basiliek staat een huis van meer dan een miljoen euro te koop. Mijn dochter komt tot rede: “Jezus slaapt aan dat kruis denk ik, mama”. Wandel met mij. Wandel met mij. Het is al wat rest.   Sommière, 1-4 april   de grote hond, de lege school, de kleine hond, de man op de dool de verlaten bushalte, de pony’s op ‘t pad de vrouw met de bezem, de boom zonder blad   de dagen geven we sterren, de nachten kleuren we rood we eten te prille aardbeien en bakken bijna zelf brood we ontdekken een slager met nog bloed aan zijn hand een kasteel met een berg en een bos en een strand   een vrouw neemt me mee naar een rivier in het bos ze bepaalt er het noorden door de groei van het mos ze redt daar een molen van verdrinking van dood en tovert er mouwloos een gevouwen boot   nee, we kunnen niet varen, we hebben geen tijd de stilte onder water, we staan in het krijt dochter dringt aan: waarom wel waarom niet stappen is fijner we zingen ons lied   de grote hond, de lege school, de kleine hond, wij op de dool

Lene Dos
6 0

Ilma

                                                                 ILMA   Elsene, oktober 2015                        De hemel ligt als een frisse deken over de stad. Na een week hitte-ellende is de temperatuur aangenaam. Een westenwind brengt verkoeling door ramen en kieren.                                        Op het dak van een grijs appartementsblok hangen kleren aan de waslijn. Een bal kaatst heen en weer tegen de muur. De trappendeur staat open. Brabbelend puft een peuter op een rood dekentje. Zijn rammelaar, fopspeen en pluchen knuffels liggen verspreid rond hem.                 Hij is gekleed in een kruippakje zonder mouwen. Muggenbeten op zijn mollige armpjes en beentjes. Langs zijn  mondhoek loopt er een straaltje speeksel. Het tekent donkere plekken op zijn slabber. Hij grijpt de knuffel en stopt het in zijn mond. Sabbelt erop. Bekijkt het.  Brabbelt en kwijlt. Hij wrijft met zijn vuistje aan zijn rechteroor. In een boog vliegt de knuffel door de lucht. De peuter jubelt luid. Zijn oogjes volgen de bal. Hij moedigt zijn grote zus aan in een eigen taaltje. Ilma gooit inspannend. Haar hoofd en hart liggen bij het ronde voorwerp. Ze telt in gedachten: de duur waarop de bal terugkaatst. Haar vorig record was een vijf.                        De wind streelt de kleertjes. Speelt door haar haren. Fluit de fopspeen een eindje verder.            De jongen kraait en houdt zijn handjes in de lucht. Hij kirt en gilt. Zwaait.   Ilma werpt de bal tegen de muur. Zij werpt en telt. Het jongetje schuift en vertelt.                      Zijn gebaren onderstrepen zijn woorden. Zijn billetjes schuiven van het rode kleed naar de kale vloerstenen. Zijn zus telt en gooit. Gooit. Telt. De bal raakt de grond eenmaal. Eenmaal de muur. Vier is haar gemiddelde. Haar streefdoel is één. De jongen schuift verder. Ilma zit aan drie. Ze kan beter. Op de speelplaats op school was het haar gelukt. Eenmaal. Die dag was haar gemiddelde een twee. Ze moet sneller. Ze kan het. Als ze lager werpt is de duur van de terugkaatsing korter. Haar broertje schuift naar de trap. Ze werpt. Telt. De volmaakte V. Blijven proberen. Haar broertje brabbelt op de achtergrond. Zij gooit en telt. Hij brabbelt en schuift. Ze kan het. Ze telt en gooit. Ze kan het. Haar broer schuift verder. Op de achtergrond klinken kreten. De bal veert heen en weer. De één is binnen handbereik. Het kan. Geen twijfel mogelijk. Een ijzige schreeuw onderbreekt haar spel. Ze ontwaakt. In de gil herkent ze de stem van haar moeder. Ze spitst haar oren. De bal stevig geklemd in de handen. De schreeuw strekt zich uit over het dak. Verdovend. Eng. Er lijkt geen eind aan te komen. Ilma staart in de verte. Een angstbal sluipt in haar buik. De kleren van haar broertje draaien rondjes aan de waslijn. Zachtblauw is de hemel met pluche wolken. Een zachte lammetjesvacht.Wit en klein is het kistje. Populierenhout. Een close-up van haar broer met gesloten ogen. Ilma herinnert zich de d ag van de foto. Ze logeerden bij hun grootouders aan zee.                                                            De mensen zitten in volgorde. Stilte. God luistert mee.                                                                  De priester leest voor uit een boek en roept de zoon aan. Ilma weet niet zeker welke zoon hij  bedoelt. De zoon in het kistje dat haar broertje is? Nu hij dood is wordt hij een sterretje aan de hemel zei oma. Ze moest maar goed kijken naar de sterrenhemel. Ze zou hem direct herkennen. Oma zit kaarsrecht naast haar. Er loopt een dunne lijn waar vroeger haar lippen dik en rood lachten. Tranen druppelen langs de zijkant van haar ogen en volgen de groeven naar beneden. Ze dept ze weg met een witte zakdoek. De geur is typisch oma en stelt haar gerust. Naast oma zit nonkel Nant. Hij klopt af en toe op haar knie.                                                          Ilma’s ouders zitten een stoel verder. Haar moeder is een propje verdriet. Een leeg gezicht met rode vlekken.  Zo nu en dan werpt haar vader korte blikken op zijn vrouw. Hij kucht dan een rookrochel weg. Bij het binnenkomen had Ilma zich losgetrokken uit oma’s hand en was naar haar moeder gerend. Zij had het hoofd gedraaid en haar pas versneld.                                        Haar oma mompelde wat in de oude taal en kwam Ilma achterna. Ze loodste haar naast zich, op de eerste rij. Er hangen grote schilderijen  van een man met halflang haar aan de muren. Kalksteen. Een hoog en gewelfd plafond. De man op het schilderij zit geknield en kijkt met een pijnlijk verwrongen gezicht op de mensen neer. Op een ander houdt hij zijn handen uitgestrekt en lacht naar een aantal kinderen. Op een ander hangt hij aan een houten kruis met zijn hoofd afgewend.                                                                                                                                        Ilma is er zeker van dat dat God is. Op de glazen ramen is het dezelfde man. Ze begrijpt niet hoe hij het voor elkaar krijgt om haar broertje in een ster te veranderen. Kaarsen branden in bundels bij elkaar vooraan bij het kistje.                                                                                          De priester maalt over God en zijn zoon. Hij noemt niet een keer de naam van haar broertje.      Zijn voorhoofd is hoog als zijn leeftijd. Gemakkelijk zal het niet zijn om daar alles te houden wat er in is gestopt. Achter hem speelt iemand rustig piano. Zachte klanken. Als Ilma haar ogen sluit en haar lippen op elkaar perst wordt het stil in haar hoofd.                                                    De man zwiert een ketting in het rond. Dezelfde stank als oma’s huis ontsnapt en omringt de mensen.                                                                                                                                          In stille rijen stappen ze achter elkaar. Mannen in zwarte pakken staan geflankeerd aan de houten poort. Ze kijken bedrukt. Haar vader ondersteunt haar moeder. Zijn korte vingers strelen de witblonde haren. Hij fluistert iets in haar oor. Haar moeder knikt en trekt haar schouders op. Het duurt een eeuwigheid voor Ilma de poort uit is. De mensen schudden de hand van haar vader, knuffelen haar moeder. Ze ziet haar ogen niet. Die gaan schuil achter de rand van haar hoed. Tussen de lage wolken schijnt een verlegen zonnetje. Het gras rondom de kerk is kortgeknipt en stralend groen. De straat is vochtig. Ilma zit weggedoken achteraan in de wagen.  Als ze haar ogen opslaat ziet ze een regenboog. Haar oma staart uit het raam. Het liefst van al wil Ilma naar huis. Zij wil haar kledingstukken verder inkleuren. Ze heeft nog een vest en een rok dat ze wil afwerken. Ze twijfelt over de juiste kleur blauw voor het vest. In de zaal staan de tafels in eilanden. Er is koffie, thee en chocolademelk. Er zijn sandwiches met vlees en kaas. Ilma heeft niet veel trek. De gemengde geuren maken haar misselijk. In een grote mand aan het einde van de tafel ontdekt ze de koffiekoeken. Gelukkig dat iemand daaraan heeft gedacht. Ze friemelt met een vingertje in een puddingbroodje. En likt haar vinger af. De pudding is zoet. Dik. Gele snot. Ze wriemelt haar vinger in het gemaakte gaatje.                Plots staat haar moeder naast haar. Ze sluit haar gelakte vingers rond haar vingertje en trekt haar weg van tafel.                                                                                                                            “Rotkind,” fluistert ze. Haar moeder houdt haar vinger vast en duwt met haar andere hand Ilma richting haar oma. “Houdt jij haar in het oog?” Er branden twee rode vlekjes op haar witte wangen. Ilma slaat haar ogen neer.                                                                                                  Oma’s hand is warm en veilig. Ilma kruipt op haar knieën de stoel op en vleit zich tegen de oude vrouw. Als ze thuiskomen verdwijnt Ilma in haar kamer. Ze doet haar broek en jas uit en trekt haar gemakkelijke kleren aan. De vest en rok uit haar kleurboek knipt ze uit. Voor de vest kiest ze zwart. De rok kleurt ze in donkerrood. De kleuren smelten samen. Ze vormen een geheel. Vanavond als iedereen naar bed ligt zal zij de hemel afspeuren. Zij weet nog niet hoe zij haar broertje zal herkennen maar volgens haar oma is er niets aan. Als oma het zegt dan is dat zo. Oma zegt dat zij door haar leeftijd alles weet. Een oude gans maken ze niets meer wijs. Ganshoren, Maart 2017                                                                                                                                                         “Ilma! Merr një bukë. Ka para në sirtar.’’                                                                                     Ilma slaat met tegenzin haar boek dicht. Haar moeder wurmt zich in haar peignoir en borstelt haar haren met haar vingers in een staart. Ze trekt kasten open en dicht. Gekletter vult de keuken. Ilma rommelt in de dressoirla en telt de munten bij elkaar. Ze trekt de kap over haar hoofd en stapt de straat op. De grauwheid slaat haar in het gezicht. De lucht is grijs, de straten donker en nat. Het regent al weken achtereen. Ze blijft dicht bij de huizen. Overal liggen vijvers donker water. Ze telt haar stappen tot tien. Begint opnieuw. Bij de bakker ruikt het naar gezonde buikpijn. Ze houdt halt bij het water. Neemt eerst een aanloop voor ze erover springt. Ze strompelt en trapt in een geut vuile smurrie. Ze voelt hoe haar sok nat wordt en het wriemelt in haar schoen. Ze loopt aan de kant van de stoep, ver genoeg van de huizen. Een regendruppel blijft hangen op haar wimpers. Ze probeert niet te knipperen. Ze telt hoelang het duurt voor ie op haar gezicht valt. Drie.                                                                                          Ze steekt haar tong uit en maakt een kuiltje waarin ze het regenwater opvangt. Slikt het in.        Het is fris en flets. Ze houdt het gesneden brood gedrukt onder haar elleboog. De laatste stappen voor haar deur hinkelstapt ze. Zeven. Ze belt aan. Kort ingedrukt. De spiegel is aangedampt. Ilma prikt met haar vinger in de schuimbubbels. Ze kijkt naar de wekker. Het blauwe washandje dobbert op het water. Flipper. Ze knijpt het over haar hoofd. Ze neemt een flinke hap lucht en duikt kopje onder. Ze zoekt naar de afvoerstop terwijl ze in gedachten de seconden telt. Hebbes. Ze trekt hard aan de ketting en het water golft weg. Ilma dobbert als een vis met haar benen in het slinkende sop. Het water spat op de vloer. Ze staat recht en wrijft haar haar droog. De douche-wekker geeft nog zeven minuten aan. Als ze de handdoek van haar hoofd haalt staat haar nonkel Nantje in de deuropening. ,,Ah, hier ben je monsterke.’’                                                                                                                                    ,,Ik ben klaar voor de wekker is afgegaan’’                                                                                      ,,Ah zo…En moet die wekker er ook voor zorgen dat je proper bent?”                                            Haar nonkel ruikt naar zatte praat.                                                                                                 ,, Nee Nantje, dat weet je.” Ilma lacht haar oprechte lach. Hij neemt plaats op de rand van de badkuip.                                                                                                                                            ,,Het is hier precies een zwembad.’’ Hij manoevreert zijn voeten op een droge plek. Doet gekscherend of hij verdrinkt: ,,Bleub, bleuh,….help!”                                                                        Ilma ligt dubbel. ,,Nantje  je bent grappig.’’ Ze droogt zich snel af. Doet haar pyama aan en borstelt haar haar.                                                                                                                            ,,Ik ga nooit mijn haar afknippen. Ik laat het altijd groeien.’’ Ze laat het los. Het is een lange donkere snoer. De druppels maken een uitgekauwde plek op haar trui.                                        ,,Is dat nog niet lang genoeg, monsterke? Het komt tot aan uw gat. Binnenkort veegt gij er de vloer mee. Dat is gemakkelijk voor uw moeder.’’ Hij ginnegapt. Ilma lacht mee.                            ,,Doe jij mijn haar in een staart? Ze reikt hem een haarrekker aan en stapt met haar blote voeten in een plas water.                                                                                                                 ,,Lap! Wat heb ik u gezegd? Een zwembad.’’ Ze stappen de trap af, ieder aan de kant. Ilma houdt de trapleunig als vastgelijmd. In haar hoofdje telt ze de treden. Veertien. Haar stiefvader zit in de zetel met zijn benen uitgestrekt voor zich. Hij tokkelt op zijn mobieltje. Haar moeder staat bij het aanrecht en tikt de as op een schaaltje. Ze ontkurkt een nieuwe fles.                                                                                            ,,Ben je daar eindelijk?, vraagt ze.                                                                                                   ,,Ik was klaar voor de wekker, antwoordt Ilma. Op tafel staan lege flessen.                                ",Dat kunt gij wel zeggen.’’ Haar moeder giet een scheut in haar glas en duwt haar peuk uit in de asbak.                                                                                                                                          ,,Ja hoor, ons monsterke was lang klaar voor de wekker, treedt haar nonkel haar bij. Hij neemt plaats op de fauteuil en knipoogt naar Ilma.                                                                                    ,,Wat zeg je nog?”vraagt haar moeder.                                                                                            Ilma sjokt naar haar stiefvader:,, Slaapwel papa” en geeft hem een kus op zijn wang. ,,Hmmm”, bromt hij en tokkelt verder. Ilma vervolgt haar weg naar haar moeder met dezelfde woorden. Ze vlijt zich tegen haar nonkel:,,Slaapwel Nantje.”                                                                         ,,Wat heb ik gezegd over dat woord?” kreet haar moeder.                                                            Lood verzwaart haar pantoffels. ,,Sorry.. Nonkel Nant,” , zegt ze gedwee.                         ,,Slaapwel monster,”. Zijn lippen vormen een stiekeme lach. Ze gluurt naar haar moeder die naar het plafond tuurt en kleine trekjes neemt. Zij vraagt:                                                            ,,Blijf je bij ons slapen, Na..euh.. Nonkel Nant?                                                                                ,,Als gij dat niet erg vindt monsterke. Vannacht is de zetel mijn camion!"                                      Het lood lost op. Ilma huppelt naar bed. Achter haar trippelt de huiskater haar na.Het duurt even voor haar ogen aan het donker wennen. Haar nonkel torent aan haar bed. Zijn ogen kan ze niet duidelijk zien. Hij draagt een t-shirt en een korte short. Hij haalt adem door zijn neus. Hikt. Ilma ruikt zijn zatte geur. Hij buigt zich over haar heen en blijft een tijdje op die manier staan. Hij stopt zijn hand in haar broek. Zijn dikke vingers frommelen tussen haar benen. Ilma ligt stil en wakker. Hij hikt en haalt zijn hand weg.                                                                      Hij maakt rechtsomkeer en sluit de deur. Een kort moment vraagt Ilma zich af of ze droomt. Maar de plek waar hij haar aanraakte voelt aan als niet van haar.                                                  Het huis is stil. Ze verstopt haar gezicht in haar eenogige-knuffel.   Ganshoren, September 2017   Ilma kleurt nauwkeurig binnen de lijntjes; een uitwaaierende rok met bovenstuk. Het puntje van haar tong piept uit haar mond. Ze zit gebogen aan haar bureau. De rok met bovenstuk wordt uitgeknipt en ze kleeft de zomen aan beide kanten op elkaar. Haar poppen liggen naakt op de hoek van het werkblad. Stofdeeltjes dansen in het zonlicht dat haar kamer voor de helft verlicht. Ze hoort gekrab aan de deur. ,,Ja Moush. Ik kom.’’                                                                                                                              Ze laat haar kater binnen en sluit de deur. Het dier stapt met de staart omhoog de kamer binnen. Strijkt langs haar benen. Ze sprint naar haar bed en vleit zich neer op het kussen. Ilma zoekt een ander outfit uit de catalogus. Ze moet vanavond doorwerken als ze het af wil hebben. Luide mannenstem klinken op uit het gelijksvloer. De stem van haar moeder krijst tussen brekend glas. De stemmen bereiken hun hoogtepunt. Ilma sluit haar ogen en telt. Haar lippen vormen de cijfers geluidloos. Bij vijf hoort ze de voordeur met een klap dichtslaan. Ze rent naar het raam. Haar nonkel Nant springt de vrachtwagen in. Hij steekt een sigaret op. Ze kan zijn ogen niet zien, de klep van zijn pet hangt in de weg. Hij blaast de rook door het open portier. In het invallend duister waaiert de wolk verder uit en lost langzaam op. Zij blijft voor het raam staan in de hoop dat hij opkijkt. Hij spuwt een fluim op straat en sluit het portier. De sigaret bengelt in zijn mondhoek terwijl hij de vrachtwagen start. De rook kringelt uit zijn neusgaten en vult de cabine. Hij verdwijnt in de mist. Haar nonkel Nant rijdt de straat uit en verdwijnt uit haar blik. Ilma blijft lang voor het raam staan. De watten in haar keel laten zich met moeite doorslikken.  

elmo
0 0

De Rode Spiegel

Ik was net mijn vaders limousine ingestapt, het gedreun van het feest maakte plaats voor het gedreun in mijn hoofd. Miguel bestuurde de limo met de zachtheid van een tedere minnaar. Ik wilde hem daar best voor bedanken maar ik was te bezorgd dat ik zijn minnares onder zou kotsen. Ik had vanavond geen date gestrikt; uit onwilligheid, niet uit onkunde natuurlijk. Er deden genoeg kansen zich voor. Wel, ik denk dat ik meer gezien werd als de kans. Misschien hield ik me daarom in. Of misschien ging ik daarom net over de streep. De remedie lijkt zo hard op de ziekte dat ik het verschil niet altijd meer zie.Ik mediteerde op alles binnenhouden. Uiteindelijk werden de kotsweeën echter zo verschrikkelijk dat ik Miguel deed stoppen en decoreerde ik een kant van de weg met mijn uitwerpselen. Een maand geleden zou hij nog komen kijken. Dit was echter Miguels nieuwe normaal geworden. Ik veegde mijn mond met het puntje van mijn shirt. Zo, daar stond ik dan, rillend van de koude als een lekgeprikte ballon. In de verte blafte een hond, dat bracht me uit mijn dronken mijmeringen. Ik haalde mijn mobiel uit, alleen zat zijn was saai en verdrietig. Een mail dat door de mazen van de spamfilter geraakt was. Beste Prins, Ik hoop dat ik je e-mailadres goed heb onthouden. Ik blijf maar denken aan die ontmoeting in het bos. De smalle straten langs de velden die we in je oude jaguar trotseerden. Het had nooit mogen zijn, en toch. Die kus… ik wil meer, Prins. Ik moet weten wie je bent. Vreemd dat je mij je telefoonnummer niet gaf, of je naam. Ik probeer een goede reden te vinden, maar het enige dat ik bedenken kan is dat het voor jou niets betekende. Misschien doe je dat wel vaker met meisjes. Gewoon iets en dan niets meer. Er is lawaai op de flat boven me. Ik hoor mensen ruzie maken, een man roept luid keer op keer ‘waarom’. Ik haat het hier. Ik heb je toch gezegd waar ik woon? Hier moet je je gevoel uitschakelen en nergens iets van aantrekken. Dat wil ik niet. We kunnen elkaar terug in het bos ontmoeten, denk erover na. Alsjeblieft. Je prinses Wat een lang bericht, dacht ik bij mezelf maar verder dacht ik niets. De wijn beukte nog steeds aardig in op mijn hersenen. Ik had slaap nodig, geen ongemakkelijke conversaties waarin ik uitlegde dat ik niet was wie ze dacht. Ook had ik een paracetamol nodig. Grappig, bedacht ik net, hoe de zieken in de reclame nooit uitzien zoals de echte. Ik deed mijn mobiel uit en sloot mijn ogen. Bij elke bocht voelde ik me als een astronaut in de ruimte. Het gedempte licht van de straatlampen braken door mijn oogleden heen als rode vlekken van licht. Licht was een rode vlek. Katers waren een beetje mijn huisdier geworden, grapte ik wel eens. Koffie, water en douches waren mijn rituelen. Ik droogde net mijn haren toen mijn mobiel trilde. Een email, natuurlijk onze prinses. Die herinnering voelde aan als een moeilijke gitaarakkoord dat je al heel lang niet meer gebruikt hebt. Ik herlas het bericht van gisteren, toen die van vandaag. Beste Prins, Ik wacht nog steeds koppig op een antwoord. Ik accepteer niet dat je me in de kou laat staan. Ik moet iets van je horen. Ik heb je nodig. Ja, ik weet hoe dat klinkt - The needy girlfriend -. Misschien heb je bang dat ik je algauw zal stalken. Misschien ben je bang dat ik zal neuzen in je verleden. Licht zal schijnen op de donkerste bladzijdes van je dagboek. Maar probeer het te zien van mijn kant: ik ben altijd alleen. Ik heb niets anders te doen dan te dromen. Sommigen zijn bang van dromen, maar die mensen doen het verkeerd. Ze dromen niet ver genoeg weg.Gisteren zag ik een schilderij. -Op het internet natuurlijk, maar toch- Ik herkende mezelf er zo enorm in. Ik ben er niet goed van. Ik wil je nog duizend dingen zeggen, maar vooral; vergeet me niet. Ik wil niet praten tegen een spiegel, ik wil praten tegen jou. Ik wil niet luisteren naar een album, ik wil luisteren naar jou. Een droom dat terugpraat. Ik kan je alles geven.Vergeet me niet, Je prinses P.S. de schilderij is getiteld Morning Sun van Edward Hopper. Ik had er genoeg van. Mijn vingers roffelden over het scherm. Ik moest pijn doen. Als je vuur probeert aan te raken, doet dat ook pijn. Geef je de schuld aan de vlammen als je je verbrand?Ik dacht aan de roze vibrator dat op me wachtte in de onderste la. Maar eerst nog even dit. Beste prinses of wie dan ook. Je “Prins” loog tegen je. Dit adres is niet eens van hem. Je wil dromen? Wel droom dan lekker verder, je gaat nooit ergens komen op die manier. Dit kan misschien hard klinken, maar het is zo. Mannen zijn dom en kort van zicht. Je moet wakker worden. Er zijn geen prinsen en prinsessen. We hebben verdomme ministers en een regering, dat is ongeveer even romantisch als de wc aan het station gebruiken.Naïeve trut, wake the fuck up en doe verdomme iets met je leven.Ik schaam me voor je, Melissa  

Stelselmatig
9 0

Bibliotheekbus

Gggod verr domme! Zijn vloek klonk als aanrollende donder alleen was het voor schuilen al te laat. Zit je nu weer met je kop in een boek, brulde hij terwijl hij haar paardenstaart vastgreep, het rond zijn pols draaide en haar  eraan uit de zetel omhoogtrok tot enkel nog de tippen van haar tenen de grond raakten. Wat hebben we  afgesproken? siste hij in haar oor, Zeg het mij ,wat? De pijn deed haar naar adem happen. Ik wacht, wat hebben wij afgesproken? en hij verstevigde zijn greep nog Ze probeerde de pijn te verbijten.  Ik hoor niets? Kom zeg het dan, wat zijn we overeengekomen? Examens voorbij, …boeken toe, lukte het haar om te zeggen Wat, ik heb het niet goed verstaan, zeg het nog eens? Examens voorbij, boeken toe, perste ze eruit Hij liet haar paardenstaart los. Ze  wankelde  en moest zich vasthouden aan de zetelleuning om niet te vallen. Inderdaad, examens voorbij, boeken toe en wat is dit dan?, zei  hij en hij pikte met twee vingers het boek op dat uit haar handen gegleden was, hief het ter hoogte van zijn linkerknie en schopte het dan met zijn rechtervoet de lucht in.  Als een vogel met kartonnen vleugels vloog het de kamer door om dan met een smak op de koude assen van de haard te vallen. Zo, grijnsde hij tevreden, daar maken we een lekker vuurtje mee. Waag het niet om het eruit te halen! Maar Vake, dat boek is niet van mij! protesteerde ze Ah neen? Van wie is het dan? Wie heeft jou een boek gegeven? Wie? Hij sloeg met zijn vlakke hand op tafel. Het is van de bibliotheek, zei ze met een klein stemmetje en ze ging automatisch aan de andere kant van de zetel staan. Wanneer ben jij naar de bibliotheek geweest? He? Wanneer?  Heeft die van hiernaast je weer meegenomen? Ze schudde haar hoofd. Neen? Dan heeft dat wijf van Tavernier het voor jou meegebracht? Ze schudde opnieuw haar hoofd. Hij zuchtte ostentatief, ga je het  mij nu nog zeggen Lisette of… Hij hief zijn hand dreigend de lucht in. De bibliotheek heeft een bus waarmee ze één keer per week een ronde doet en die stopt aan het erf van Eggers. Die informatie leek hij  even te moeten verwerken. Waarom? Om iedereen de kans te geven om boeken uit te lenen, ook zij die ver weg wonen zoals wij. En die van Eggers die lezen boeken zeker? Ja, allemaal.  Maar Prosper Eggers toch niet. Jawel, Prosper leest graag verhalen over oorlog en spionage, zegt hij en Maria leest graag kasteelromans en de kleinkinderen lezen vooral stripverhalen Mannekesbladeren! Voor kinderen die nog moeten leren lezen? Die kinderen kunnen allemaal allang lezen en heel goed zelfs. Lisette besefte meteen dat ze dit laatste niet had mogen zeggen.  Ze sloot de ogen en kromp ineen, klaar om de eerste slag te incasseren. Maanden, zelfs jaren nadien was de schietpartij terugkerend onderwerp van gesprek aan de toog van café Het Zwarte Schaap. Dat Firmin Spapens op een dag de kleine Lisette zou doodslagen hadden ze allemaal allang gevreesd maar dat hij zijn buren  als loslopend wild zou afschieten dat had niemand zich ooit kunnen indenken. Het was ook nooit helemaal duidelijk geworden wat de aanleiding hiervoor geweest was. Er werd gezegd dat toen de politie bij hem binnenviel hij rustig bij het haardvuur zat een boek te lezen, maar voor wie hem kende was dat flauwekul want Firmin kon amper lezen of schrijven.  Toch moest het iets met boeken te maken hebben wist de waard van het café want de man van de bibliotheekbus had hem verteld dat de boeken die ontleend waren door de Eggers, de Taverniers en de kleine Lisette zelf, nooit zijn teruggevonden.          

Paula Dumont
18 0

Knisperende lolly's in oorlogstijd

Het was donker en stilde golven glinsterden zonder geluidgeen mens op straatbehalve dat ene paar onder het zwakke lantaarnlichtals in een filmset. Hij 500 kilometer van huis, voor het werkzoon van een Joodse vader en Palestijnse moederglanzend lang zwart haar met pijpenkrullenamberkleurige grote ronde ogenlosse broek en lange zwarte jasspeelse tred. Zij 5000 kilometer van huis, op vakantiedochter van Gentse bourgeoisiestijl blond haargroene ogenzomers kleedjevoorzichtig volgend. Hij praatte er op losstak een kauwgum in haar mondomdat haar mond te vies rook om te kussen dacht zemaar hij kuste haar nietstak vervolgens kaaschips in haar monden praatte verderaf en toe een danspasje of theatraal gebaar.In haar mond vormden de kaaschips en kauwgum een vieze brijde walgelijke smaak eiste al haar aandachtzijn lieve woorden drongen niet meer doormaar nu kuste hij haar wel. Misschien rook haar mond nu zoals hij dat wouhaar deed het kokhalzeneen vreemde gewaarwording in combinatie met de opwindende kussenin een donker portiekin een lege vreemde badstadop een eerste datemet een vreemde man die recht van de catwalk leek te komen. De laatste date was heel anders... Op een vroege ochtendop de hoek van de straat wachtte hij haar opnam haar kin in zijn hand fluisterde Principessazette zijn zwarte hoed op haar hoofden kuste haar daarondernam haar dan bij de handen huppelde aan haar zijdeeen voet op en af het trottoirtot bij de snoepwinkelkocht haar daar een lolly met knispertjes wachtte vol verwondering en met kinderlijke ogentot de knispertjes in haar mond zouden ontploffenen een vreugdekreetje veroorzakenzij zag vuurwerk hij toverde hun leven tot een speleen feest.In zijn appartement haalden ze herinneringen ophij wou haar nog eens onder de douchewaste haar haren met bloemengeurstiftte haar lippen roodlegde haar op bed. Ze wandelden terug naar de bushaltehij opnieuw honderduit vertellend zij voorzichtig om het betoverend verhaal niet te doorbrekenhij terug naar zijn stad in oorlogzij terug naar haar huisen bij elk nieuwsbericht over een bomaanslag die hartverscheurende vraag"zat hij op die bus?"      

Fien SB
56 2

Tussenruimte

Zij en hem, in de kamer die zich vult met volle stilte, terwijl de poezen verder spinnen. De impasse groeit, met wortels die haar voeten gijzelen en takken die zelfs haar diepste verlangens overwoekeren. De ruisende zee verschuilt zich in haar schelp. De olie op haar vleugels verhindert haar eruit te vliegen.   Verloren in een tussenruimte. Te rationeel voor de emotie, te emotioneel voor de ratio.Te aards voor God, te spiritueel voor de atheïst. Te perfectionistisch voor de je-m’en-foutist, te relativerend voor de perfectionist. Te pessimistisch voor de optimist, te optimistisch voor de realist. En ergens daar tussenin, op zoek naar haar ware zelf. De spiegel reflecteert de moedeloze zwaarte die haar op dagen als deze aan de grond kluistert. Haar geest sleept al een tijdje haar lichaam mee, als een nodeloze klomp vlees. Een lichaam, allergisch geworden aan stress, beschuldigt haar geest ervan haar te lang genegeerd te hebben. Een geest die het gewoon goed wilde doen, en pijn verafschuwt, wil er niet van horen. Lichaam en geest die elkaar, zelfs met de juiste coördinaten, maar niet kunnen vinden. En dan het plotse spreken, dat er al lang zat aan te komen.Je bent de laatste tijd zo geprikkeld, hoor ik. Hoe ben jij dit niet, zeg ik dan. Knuffels zonder contact, contact zonder knuffels. Ademenen met maskers, terwijl haar longen de zuurstof, en de liefde, naar binnen willen slurpen. Het leven doodt, de kleingeestigheid vergroot. De aarde mist de hemel, de hemel weet niet wat gedaan. De zon als zoekend oog nodigt ons uit naar boven te kijken. Wees niet bang, liefste, de eenheid zal stilaan de tweestrijd verslaan. Tranen van geluk en verdriet vloeien samen in ons kloppend hart. De duisternis die ons verblindt, zal de draagbare lichtheid laten schijnen.

CasaSara
4 0

Whodunit

“Henri, haal de kap er maar af.”“Zoals meneer wenst.”Henri is al sinds de vijftiger jaren de trouwe chauffeur en toeverlaat van Emile-François de Chercheville, de notoire speurneus uit Antwerpen. Vroeger haatte hij autoritten, maar sinds Henri hem overhaalde deze felrode Austin A40 Somerset Convertible aan te schaffen, is meneer er dol op. Hij vouwt het dak achterwaarts, reikt meneer de linnen en zijden Stetson cabriomuts en Burberry sjaal aan. De prille lentebries kan nog geniepig uit de hoek komen. Wanneer ze via de leien de stad buiten rijden, verlustigt Emile-François zich aan de bewonderende blikken van de sinjoren. Soms ergert hij zich aan hen die op de fraai bewerkte brievenbussen van de luxueuze herenhuisdeuren het woord  ‘locataires’  vervingen door ‘huurlingen’.Emile-François opent het pakje dat Henri bij de drukker heeft opgehaald. Hij bewondert zijn nieuwe tweetalige en dubbelzijdige naamkaartjes:                                              Emile-François de Chercheville,                                             Privé detective /Détective privé                                      Frankrijklei , 625 B, Avenue de France                                                  Antwerpen – Anvers                                                    z.o.z – voir verso Hij is op weg naar zijn vroegere klasgenote barones Eulalie Dundergem de Strathove, die als weduwe van haar Nederlandse echtgenoot in hun ‘Seigneurie’ verblijft in Hertervoorde,  een provincienest net over de grens.Emile-François begroet haar met een handkus:  “Madame, chère copine, waar is de tijd?”“Noem mij toch Eulalie, zoals vroeger. Komt uw chauffeur niet binnen?”“Henri wacht wel in de wagen. Wat zie je er overstuur uit, wat  is er gebeurd?”“Hij ligt in de keuken, ik heb niets aangeraakt. Oh, Emile-François wat vreselijk.”“Kalm Eulalie, vertel.”“Toen ik vanmorgen wakker werd zag ik Chouchou, mijn Bichon frisé, nergens meer. Ik riep hem maar kreeg geen antwoord tot ik hem bebloed en roerloos vond in de keuken. Ik kon het niet aanzien, ben naar de vestibule gerend waar ik meteen aan jou dacht en je opbelde.”“Wie heeft er toegang tot de woonst, Eulalie?”“Jean-Louis, de tuinman, Bram, de klusjesman en Mariette, de huishoudster hebben  een loper van de keukendeur. Vandaag gaan ze pas vanaf veertien uur aan het werk.”  “Dan heb ik nog wat tijd. Sta mij toe dat ik even in huis rondloop. Ik sluit de keukendeur en laat de sleutel in het slot zodat Mariette en de beide heren moeten aanbellen om binnen te raken. Laat ze zodra ze toekomen plaats nemen  in de woonkamer. Laat niemand naar de keuken gaan en ga er zelf ook niet heen.” Aan de voordeur roept de detective Henri. Samen gaan ze naar de keuken. Met zijn vinnige mopshondogen kijkt Henri meewarig naar het toegetakelde witte hondenlijf. Hij vervangt zijn Salt&Hide tankleurige chauffeurshandschoenen door twee plastic exemplaren, waarvan hij er ook een paar aan de speurder overhandigt. Hun meticuleuze onderzoek van het kadaver levert snel resultaten op. Tijdens hun werk horen ze hoe er onverrichter zake aan de keukendeur wordt gerommeld. Even later begeven ze zich naar de living waar de drie huisbedienden raar naar hen opkijken. Zonder een woord uit te brengen bekijkt Emile-François hen van top tot teen en verzoekt hij Eulalie en Henri de kamer te verlaten.In de vestibule vraagt Henri aan Eulalie om de veldwachter te bellen en te vragen met de dievenwagen naar ‘Heerlijkheid Hertervoorde’ te komen.“Uw nieuwe blauwe salopette heeft u verraden, meneer Bram. Ik beschuldig u van moord op Chouchou. Hier hebt u het stukje stof dat ik in de muil van het beestje vond. Het zal precies passen in het gaatje onderaan uw broekspijp.” “Het rotbeest!” is alles wat de klusjesman kan uitbrengen terwijl de inmiddels toegekomen veldwachter hem wegvoert.“Hij blafte steeds naar Bram en had hem al meermaals gebeten, mijnheer de inspecteur,” tracht Mariette de situatie te vergoelijken.“Al goed,” oppert Emile-François: “ga maar met Jean-Louis de boel opruimen in de keuken...” 

Vic de Bourg
26 2

De oude man en het bankje

A is een tachtig jarige Antwerps sprekende man B is een veertig jarige vrouw die voor het eerst op dat bankje gaat zitten.   A: Stoort het als ik er eventjes bij komen zitten, mevrouw? B: Natuurlijk niet mijnheer, plaats genoeg. ’t Is mijn bank niet, he. A: Nee, da’s waar, maar ik vraag dat altijd. Er zijn mensen die liever alleen zitten. B: Echt? A: Ja, dat gebeurt wel. B: Straf. A: Wat een dag, he! B: ’t Zonnetje doet deugd na die lange winter. A: Ja, ’t is goed nu. Ik kom elke dag efkes op deze bank zitten, weer of geen weer. B: Dan moet dit voor u wel een speciale bank zijn. A: Dat is ze wel zeker, ja. Hier op deze bank heb ik zestig jaar geleden mijn vrouw leren kennen. B: Echt? A: Ja, ongelofelijk, he? Zestig jaar geleden. Ik zag ze zitten en we zijn beginnen babbelen. B: Letterlijk en figuurlijk dan. A: Hoe bedoelt u? B: Zien zitten? A: Haha, ja, just! Goed gezien! Een beeld van een meiske was dat toen. Met grote blauwe ogen en van dat lang blond haar dat over haar schouders krulde. Ik was op slag verkocht. Stoort het dat ik erbij kom zitten, heb ik gevraagd. Nee mijnheer, natuurlijk niet, zei ze. En van het een kwam het ander … B: Amai, dat is romantisch. A: Het was alsof wij elkaar al heel ons leven kenden. Uren hebben wij gebabbeld. B: Dat moest zo zijn dan, dat kan niet anders A: Pas op! Gemakkelijk was dat niet in die tijd, he! Ze kwam uit een heel katholiek gezin en haar vader heeft lang tegen gewrongen. B: Mijn grootmoeder heeft mij daar ook verhalen over verteld. Mensen konden in die tijd niet altijd doen wat ze graag wilden doen, he? A: Nee, dat is zo. Maar pas op. Nu zijn er weer andere dingen die niet juist zijn. B: Ook waar. A: In elk geval, we waren smoorverliefd. Waar zij ging, ging ik. We waren niet te stoppen. En dat is altijd zo gebleven. B: Dat is prachtig. A: Hier se! Hier hebben we toen een hartje gekerfd, ziet ge het? Hier vanachter op de bank, L & E. B: Ik zie het. Wat een schoon verhaal, mijnheer. Dat is toch wel heel speciaal, zo lang samen zijn. A: Leo, zeg maar Leo. En u heb ik hier nog nooit gezien, denk ik. B: Nee, dit is de eerste keer dat ik hier eens kom zitten. A: Dat ontspant een mens. Ge moet dat meer doen. B: En uw vrouw, komt die soms mee? A: Mijn vrouw is overleden. B: Oh, excuseer, dat is heel erg. A: Maar ze is hier nog altijd. Ge moet me niet verkeerd verstaan. B: Uw vrouw? A: Elke avond rond deze tijd staat ze daar, se. Ziet ge ’t? Tussen die rododendron en die ouwe eik. Recht voor ons. B: Ik zie niks. A: Seffens is ze daar en dan zwaait ze naar mij. Met een grote lach op haar gezicht. B: Dat is straf. A: Ik heb al geprobeerd om tot daar te gaan om ze eens goed vast te pakken, maar op ’t moment dat ik rechtsta, draait ze zich om en is ze weg. Nu blijf ik zitten en ik zwaai. Nog een minuut, sè. Ik kan er mijn klok gelijk op zetten. B: Hoe lang geleden is uw vrouw overleden? A: Zeven jaar. Zeven jaar geleden al. We waren bijna vierenvijftig jaar samen. Dat begint, he! Maar ge kent dat wel … Wacht! Voilà, daar is ze, sè. Ons Emma! B: Waar? A: Daar, recht voor ons! Zie ze zwaaien! Hallo, Emma! Allez, zwaait efkes mee, dat zal haar plezier doen. B: Naar waar? A: Vlak voor ons, ziet ge’ t niet? B: Niet echt. A: Jawel, jawel, zie eens goed. Daar, waar mijne vinger naar wijst, just neffe die vuilbak. B: Daar naast het prieel? A: G’ hebt het. Wat lacht ze toch schoon! Ziedis! Die oogskes die zo schitteren, pure saffier. Dag schat! Ge ziet er goed uit! B: Is ze er nog? A: Ja, ze vind dat tof zenne, dat gij hier mee zit te zwaaien. Z’ heeft nog nooit zo ne smile op haar gezicht gehad. Tot morgen, schat! B: Ze is weg, denk ik. A: Ja, z’ is weg. ’ t Duurt nooit lang, maar ‘k heb ze toch maar weeral gezien vandaag. Merci madame, g’ hebt een ouwe man gelukkig gemaakt. B: Zeg maar Laura, Leo. A: Laura? Schone naam, eentje om te onthouden. Het was me een waar genoegen. Misschien zie ik u nog wel eens terug op deze bank. B: Misschien wel, Leo. Dan kom ik goeiendag zeggen aan Emma. A: Dat zou tof zijn! ’t Is een schoneke, he, mijn Emma. En een goeike! Die vergeet da ni zenne! Allez, na zen ik weg … een stukske eten. Dag Laura.

Kristin Huyghe
19 1

peace like a river

Daar zit hij, onderuitgezakt op een barstoel, onderrug ontbloot, naast een jongedame van een jaar of vierentwintig, die dartelend met haar vriendin gekunsteld spontane foto’s neemt en haar donkerblonde haren achteloos achteroverslaat, zijn rechteronderarm tikkend. Moedig is het hoe hij zittend zijn barkruk wat meer naar links rukt, maar het miniem uitstekende voegsel van de vloer is gewapend beton voor zijn pover verzet. Hij gedoogt, lengt zijn woordensmeersel aan met enkele pinten van ‘t vat.  Hij is schilder en papt nu aan met de toog. Hij behangt ook, en na een hele dag pap te zien kleven zijn ogen tegen negenen al dicht op de tapkast en stijgt er een overheersend gebrom op tussen muziek die twijfelt door te breken. Tegen halftien krijgen de Paul Simons en Stings weer vrij spel. Dan gaat de schilder naar het toilet waar hij de pap uit zijn ogen wrijft, keert met rechte rug terug en bestelt een verse pint. Met besmeurde vingers om zijn pils zoekt hij een prooi waarvan hij denkt hem verbaal wel aan te kunnen. En hoewel zijn woordenvloed van gisteren slechts achter in mijn keel zit, klaar om eindelijk door te slikken, kijk ik reikhalzend uit naar de laag die hij vanavond zal leggen; een grondlaag waarbij hij de ander nog wat toestaat en een basis legt voor een volgende discussie, of een afmakende deklaag en geen spaander heel laat van de arme muzikant na zijn bevredigende repetitie of de slager die ervoor nog vastbesloten was zich verkiesbaar te stellen.  De cafébaas houdt hem de hele tijd in ‘t oog, moet niet weten van de schilder. Wanneer die zijn kruk verliet om zijn gevoeg te doen sponste de barman welig al wat de schilder betastte en nam hij plaats in de linkerhoek achter de toog. Een paar forse armen hadden zich op zijn spannend grijze T-shirt geankerd en golven nu rustig op en neer terwijl zijn ogen zeilen tussen de deur, de schilder en de kassa. Zijn fietsstuursnor krijgt het ook nu weer zwaar te verduren. Hoe meer pinten de schilder hijst, hoe vaker de armen van de barman het anker hijsen en hij zich nerveus in baard en snor wrijft.   Een koppel van twee straten verder, zestigers met zo’n tochthond, weten wat zal volgen, betalen met een bemoedigende knik richting barman en werken hun vluchtroute af. Maar tussen lijst en deur besluit de hond wat te dralen en keert zich om, heft zijn poot richting schilder die langer dan normaal zijn verkenningsronde volhoudt, en bestrijkt op de tonen van Paul Simons Peace Like a River de zwarte jeans alsof het een maagdelijk canvas van Pollock is.   ‘Godmilledju.’  Het frêle baasje verschiet en kijkt ‘t café in, staat nu oog in oog met de schilder. De zestiger ontkleurt, trekt een paar fijne lippen omhoog waardoor zijn neusgaten verwijden. Een rond brilletje balanceert op de helling van zijn spitse neus. Hij respecteert trouw de afschudtijd van zijn hond, trekt hem dan bengelend aan de leiband zijn armen in en besluit fier met vluchtige moed: ‘Wijs zijn de woorden op een goudschaal gewogen.’ 

de amechtige specht
4 0

Op de planken

Bij het toneel  ‘Kom mee jongen,’ zegt hij. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Nooit gedacht dat zo’n legende dit zou zeggen.‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo,’ stelt hij mij gerust.Ik glimlach zenuwachtig. Wat een eerste dag! Wat gaat nog komen? De reden voor mijn auditie staat voor mij. Als ik de komende jaren naast hem, achter hem of vanuit de coulissen bij dit gezelschap mag zijn, werk ik in de hemel op aarde.Hij wijst mij de repetitieruimtes en de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Hij wijst mij de brandblusser en de nooduitgang. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een.' Hij schenkt míjn koffie in, geloof je dat?Ik ben thuis. ‘Kom mee jongen,’ zeg ik. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Kijk hem nou, dat gladde jonge smoeltje. Klaar om mijn poten door te knagen. Die huichelachtige glimlach, leer mij ze kennen. ‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo.'Ik zal hem overdonderen, voordat hij mij overdondert. Net als al die anderen. Ik lees zijn gedachten: “Die ouwe is vergane glorie. Iets van vroeger”. Nou let maar op, voor je het weet sta je weer buiten. We lopen langs de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Ik wijs hem de nooduitgang, nu letterlijk, binnen het jaar figuurlijk.Ik pak de thermos. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een,’ zeg ik. En een van je laatste wacht maar…    Aan het ballet‘Alle begin is moeilijk,’ zeg ik en ik help haar overeind. De nieuweling herinnert mij aan mijzelf eenentwintig jaar geleden. Ze heeft de elegantie en bouw om het te maken, maar begeleiding is nodig. Ik wil haar behoeden voor de valkuil, te snel door te willen schieten, niet naar je lichaam luisteren. Blessures horen erbij, maar ze hoeft niet door dezelfde hel waar ik doorheen ben gegaan. Het lukt mij nog, maar het wordt met de dag lastiger. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Ik zal haar de komende tijd in de gaten houden en onder mijn vleugels nemen. Het is een harde wereld, elke steun is welkom. Iedereen heeft een vriendin nodig. ‘Alle begin is moeilijk,’ zegt ze en ze helpt mij overeind. Dat neerbuigende toontje, Mevrouw de Prima Donna. Maar niet lang meer, reken daar op. Haar uitvoeringen lijken soepel, maar ik zie de knieën net-niet-gestrekt genoeg. En tijdens de oefeningen kraakt ze. Mij hou je niet voor de gek. “Rust door diepgang en beleving” noemen ze het, ik noem het aftakeling.Haar tijd is voorbij. En mijn tijd komt. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Angst voor de nieuweling spreekt hieruit, ze is al bang dat ik haar overvleugel. Op de Academie waarschuwden ze voor de harde wereld. Je krijgt geen vrienden, alleen concurrenten. Ik ben er klaar voor.

MCH
12 1