Zoeken

Luchtspiegeling

‘Niet dat ik het erg koud heb in mijn onvolprezen Blankenberge, ook al draag ik de sjaal, die ik dagelijks omsla, of het nu winter, zomer, herfst of lente is, maar toch voelt dit zeebriesje eerder fris aan en zou ik de krakkemikkige oudjes die nu op de dijk en de pier wandelen willen aanraden zich warm genoeg te kleden, alhoewel ik mij niet echt wens in te laten met de gezondheid van die schare schuifelende schlemielen, laat staan dat deze aangespoelde kustbewoners mij ook maar een moer kunnen schelen.’Zo ben ik op het bankje op de zeedijk aan mijn tekst begonnen voor een nieuwe schrijfwedstrijd: maak een volzin van honderd woorden in de trant van Chr. Vekemans. Ik tel het aantal woorden, het zijn er negentig. Nog tien woordjes inlassen en hier en daar wat rommelen aan de interpunctie.Veel tijd krijg ik niet. Plots steekt een heuse storm op die zo hevig wordt, dat ik mijn volle gewicht in de strijd moet gooien tegen het beuken van de noordwesterwind.Dat gewicht ligt in ponden net onder de tweehonderd, dus denk ik ‘wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen’, maar dat is buiten de beaufortwaarde gerekend van deze windkracht.Mijn deelname aan de wedstrijd kan ik vergeten, mijn ‘callepinke’ met mijn pennenvruchten is uit mijn handen gerukt.Ik wordt opgetild, voel mij licht worden als een veertje en vlieg over de pier de volle zee in, richting Engeland.Waar er aan de kust nog een dreigend donker wolkendek hing, klaart de hemel nu volledig op en zoef ik gezwind door het blauwe luchtruim. Onder mij zie ik tankers en containerschepen varen maar ook zeilboten.  Ik herken de ferryboot waarop passagiers mij toewuiven.Plots beland  ik in een mistbank, maar het blijkt enkel een verloren schaap van een wolk te zijn, die mij omsluit. Dan duiken zij voor mij op: ‘The white cliffs of Dover’. Meteen klinkt het riedeltje van wijlen Dame Vera Lynn door mijn hoofd.Geen tijd voor sentimenteel gedoe, aan een rotvaart vlieg ik in geen tijd boven Cardiff en boven de groene heuvels en het sprookjesachtige Snowdonia. De naam doet mij denken aan tante Sidonia en professor Barabas. Hoe dikwijls vloog zijn Gyronef niet met mijn striphelden over verre wereldzeeën, net zoals ik nu vlieg?Ik drijf het binnenland in en vlieg boven de suburbs en het centrum van Londen. In de London Eye hebben toeristen mij opgemerkt en zwaaien naar mij, terwijl ik opgeschrikt wordt door een formatie jets die mij in de kleuren van de Union Jack wentelen. Net nu ik hier overvlieg doet de Queen haar ‘Trooping the Color’ met aan het slot een ‘flypast’ van haar ‘R.A.F.’Ik kuch de ziel uit mijn lijf en vind dat het nu welletjes geweest is met mijn vliegkunst. Al snel wordt ik gedreven naar de oostkust en bevind mij aan de Noordzee boven Great Yarmouth. Ik ken deze plaats van ergens.Natuurlijk, hier vroeg mij die man aan de hotelreceptie iets dat ik niet verstond. Na de derde trage en overdreven gearticuleerde herhaling verstond ik dat hij vroeg of ik een ‘Early morning tea’ verlangde? Het bleek  de  lokale sympathieke manier te zijn voor het geven van een ‘wake up call’.Het suizen van de wind is weg, ik lig in een queen sized bed. Het kamerraam staat open. Ik hoor het zachte ruisen van de zee. Er wordt op de deur geklopt. Een roodharige lieverd opent de deur en zegt: “A jolly good morning. Your tea, sir. Cooked breakfast  will be served at your best convenience.”  

Vic de Bourg
17 1

Jaap, de ballen, heeft ie last van, in de mond, niet slikken!

'Misschien padellen?' zei zijn vrouw. Frank bouwde met zijn vork een dam in de aardappelpuree om de vleessaus te verhinderen de erwten te overspoelen. Hij keek op. De tijd trok rimpels in haar zoals de zee in het zand wanneer eb vloed aflost. Het leek tachtig jaar geleden dat ze discotheken platwalsten, hoewel hij morgen pas zijn veertig kaarsjes uitblies. Hij frunnikte aan het plastieken heft van het Ikeavork - het zilveren bestek bewaarde ze in de dressoir voor kerst met haar ouders. Hij wilde een gehaktbal prikken, bedacht zich en zwaaide zijn vork wild in de lucht. 'Wat zeik je? Je weet dat ik niet graag speel,' hij onderbrak zijn zin. "Met ballen" ging hij zeggen. Hij was wèl een ballenman. Hij hield van witte, zwarte, gele, oranje, rode en bruine. Maar dat kon niet meer. 'Het zou je goed doen,' zei ze. Met haar vork prikte ze naar een erwt die angstig wegrolde en de tanden ontvluchtte. 'Terug onder de mannen.' Wat een lef. 'Jaap,' zei Frank, 'heb ik vermoord met een harde stoot.' Hij liet zijn vork vallen van een hoogte die - volgens de normale werking van het universum -  het Ikeabord zou breken. Het Zweeds ding gaf geen kick.  Hij haatte zichzelf sinds die noodlottige nacht. Gretig stootte hij, maar na vijf Duvels was zijn zicht troebel, en zijn jarenlange ervaring zoek. Zijn banaan mislukte compleet: De bal drong in Jaaps keel en net zo snel als die in zijn strottehoofd drong, viel Jaap omver en knalde met zijn hoofd tegen de rand van de tafel. Hij stierf op slag, zei de schouwarts achteraf. 'Je vriend stierf een jaar geleden,' zei zijn vrouw monotoon, net als duizend keer eerder. 'Jaap zijn grote bakkes was niet jouw probleem.' Jaaps tronie hing, sinds zijn vrouw hem sloeg, als een vuilbak in een pretpark die op negenvoltbatterijen schreeuwde: 'Vuil hier, mijn plezier.' Toch kon Frank er zich niet overzetten. Sinds die ambulanciers vloekten en hij zijn verhaal vijf keer bracht - de eerste keer tegen cafébaas Ronny, de tweede keer tegen de ambulanciers, de derde keer tegen zijn advocaat, de vierde keer tegen de rechter en de vijfde keer tegen zijn vrouw achter glas met gaten - geloofde hij er zelf niet meer in. Hij vermoordde Jaap, welwillend, met een trick waar hij drie jaar op zolder stiekem op oefende en hij die nacht voor de eerste keer mee uitpakte. 'Ronny,' snikte hij, 'moedigde me aan.' Ronny bood hem die vierde en de vijfde Duvel aan van het huis - niet van zijn gewoonte. Ronny huurde een detective om te zoeken met wie zijn vrouw hem bedroog. Van dat bedriegen was Ronny niet zeker maar omdat zij op de eerste zondag van de maand niet meer met hem naar boven wilde, vermoedde hij het ergste. Die Sherlock Holmes kwam snel met conclusies. Het was iemand die hij kende, een dichte vriend. Plots vielen de puzzelstukjes in mekaar - lange uitleg kort - Ronny's vrouw smoste met Jaap. Toen Frank die avond met Jaap aan de toog hing en opschepte over zijn nieuwe trick, greep Ronny zijn kans. De cafébaas spoorde Frank aan zijn risicovolle act te demonstreren, gaf Jaap zijn mobiel om vanuit een speciale hoek alles te filmen en beiden stonken er met vier dronken ogen in. 'Voor mij geen ballen meer,' zei Frank, '‘T zijn vuile dingen.' Hij knipperde, veegde zijn droge mond droger met zijn servet en merkte dat zijn erwten in een quasi perfecte driehoek als spelbegin lagen. De gehaktballen op zijn bord lachten hem uit en riepen: 'Knal ons in haar strot.' Hij onderdrukte de drang om met de steel van zijn lepel als keu een trekstoot uit te halen.  Franks vrouw staarde verlangend naar de gehaktballen, nam haar mes, hakte er één doormidden en zuchtte. 'Iets zonder ballen? Hardlopen? Windsurfen?' Ze keek misprijzend naar het hoopje miserie aan de overzijde. 'Darts?' Frank tuurde naar haar baard, vroeg zich af waarom ze gelebloemenblouses droeg, zag ze huppelen in een strak, zwart lederen topje in de Zillion. Eénentwintig jaar jonger en drieëndertig kilo lichter kon ze nog huppelen, nu stampt ze de dansvloer kapot. Hij wreef het zweet van zijn voorhoofd, krabde aan zijn bierbuik, voelde zijn ballen jeuken en dacht aan Jaap aan de biljarttafel. Die Jaap kon ze potten.

TonyCoppo
43 2

Terug in het bos

Gefrustreerd keek Ernst van Dealemaete (schrijver van Lady Lovelove’s poolboy nr. 1 t/m 17) naar het halve A4’tje. Met een dubbele regelafstand en in Times Roman 12pt. voldeed het perfect aan de eisen van een professioneel schrijfsel. Maar opmaak verklaarde niets over inhoud. Pas één alinea van 150 woorden over de avonturen van kabouter Kbut en het was al een verschrikking. Na drie keer herschrijven was zelfs Ernst niet meer geïnteresseerd in de beukennootjes roostertechniek van de puntgemutste. Verder was het verhaal niet. Zijn rode potlood hing werkloos in zijn hand, deze bagger was te slecht om één streep door de tekst te halen. Zijn koekoeksklok sloeg tien keer, halverwege de ochtend en Ernst zat helemaal vast. Een ding hielp tegen writers block: terug het bos in en nieuwe inspiratie opdoen. Of het dezelfde boomstronk was wist Ernst niet, maar ergens hier in de buurt zag hij vorige week een kabouter. In een schoenendoos schepte hij een handvol aarde, deed er plukken gras in en maakte met paar takjes een klein huisje. Hij spreidde zijn zakdoek uit op het vermolmde hout, ging er op zitten en stak een joint op. Met een kleine lasso in zijn hand zou hij net zo lang wachten totdat de kabouter het veldje overstak. Deze keer ging het mormeltje mee naar huis.   Hij inhaleerde diep en sloot de ogen. Het struikgewas ritselde en op een doorzichtige blauwe wolk vloog een ouderwets geklede heer uit de coniferen. Hij schoof een dik rechthoekig brilmontuur verder op zijn neus en groette Ernst vriendelijk.    ‘U zoekt iets dat u zittend niet zult vinden,’ zei de heer en hij wees op de struiken. ‘Vlak bij de grond is het antwoord dat u zoekt.’    Hij kriebelde aan zijn borstelige snor en vloog voor Ernst onder de struiken door. Ernst rolde van de stronk, stopte zijn zakdoek weg en ging op handen en knieen achter de wolk aan. De vriendelijke vlieger wees naar voren en verdween tussen het groen. Ernst zijn lichte linnen broek kreeg vieze en groene strepen en kleine takjes haakten in zijn grijze krullen, maar hij zette door. Wiet of niet: dit was de kans op een briljant verhaal. Schuivend op zijn buik wurmde Ernst zich tussen twee jonge dennenboompjes en stootte zijn neus aan een opgeblazen, groene paddestoel met een roze dak. Uit een schoorsteen kringelde rook. Tussen andere gekleurde paddestoelen schoten blauwe wezentjes met witte broekjes en mutsjes heen en weer.   ‘Vreemdeling! wat smurf jij hier?’ riep een krakende stem. ‘Je smurft ons bij de lunch.’    Bij het rechteroog van Ernst stond een oud, bebaard, blauw kereltje van een paar centimeter hoog met een rode broek en muts. Ernst was sprakeloos. Links van hem speelde een mannetje als een slangenbezweerder op een trompet alsof hij Ernst probeerde te betoveren met zijn getoeter. Een bebrild mannetje liep naar de zwijgende Ernst, haalde een boek onder zijn arm vandaan en begon met een piepstemmetje voor te lezen. Ernst volgde het verhaal van het irritante mannetje niet helemaal, maar blijkbaar ging het over hem.    Ernst kroop verder en probeerde omhoog te komen. Hij stootte zijn hoofd aan een laaghangende tak en schoof een stukje op. Goed op de boomtakken lettend stond hij op. Onder zijn linkervoet kraakte het brilletje van de betweter en hij glibberde van het geplette kereltje.    ‘Shit!’ Riep Ernst en hij sprong snel opzij. Zijn rechtervoet plette hierbij een meisje met lang goudblond haar en de idioot met zijn toetertje.   ‘Wat de fuck man!’ De oude dwerg in het rode pakje schopte hem tegen de enkels. ‘Kijk uit waar je je poten smurft!’ Hij zwaaide naar een dwerg met een hartjes tattoo en wees met zijn duim naar Ernst.   De tattoodwerg pakte Ernst bij zijn benen, zwaaide hem drie keer boven zijn hoofd en liet los. Ernst vloog over de huisjes, de lage struiken, kaatste als in een flipperkast tegen tientallen bomen en bleef hangen in een boomtop. Krakend brak de tak waar Ernst zich aan vasthield en stuiterend van tak naar tak donderde hij naar beneden. Hij knalde hard op zijn hoofd. Ernst zijn kop bonkte alsof hij tussen de toetsen van een reuze typemachine zat en opende zijn ogen. De laagstaande zon schemerde over de schouder van een oude stinkerd in een zwarte monnikspij die met zijn pukkelige gezicht dicht bij Ernst zijn eigen gezicht kwam.    ‘Waar zijn die blauwe kutdwergen!’ riep Ernst vertwijfeld.   'Smurfen?' zei Gargamel 'Heb je die mormels gezien, welke richting moet ik uit?'   Ernst had nooit een goed richtingsgevoel en door de klap op zijn hoofd was het laatste restje verdwenen, hij wees een beetje onbestemd tussen de struiken. Gargamel rende, met zijn ranzige kat achter hem aan, het struweel in.

MCH
28 1

Youssouf

‘Jullie begrijpen niets van mij! Jullie spelen de baas, jullie zijn altijd bezig het mij moeilijk te maken! En nog moeilijker! Jullie zijn fucking de baas, altijd doe dit, doe dat, blijf af, sta in de rij, wacht tot je aan de beurt bent, wacht tot je aan de beurt bent, wacht tot je aan de beurt bent. Jullie luisteren niet, bevelen alleen, maar jullie weten niets. Jullie weten niet wie ik ben, waar ik vandaan kom, niets weten jullie van me, maar jullie bepalen alles.’ Ik raas, ik tier, ik jank, ik krijs in het benauwde kantoortje. Mijn woede kaatst van muur tot muur, van kunststof plafondplaten naar grijze, vaal getrapte tapijttegels, de ruimte bolt en trilt. Mijn armen maaien in het rond als losgeslagen knuppels, mijn handen heb ik tot vuisten gebald, mijn ogen branden. De ambtenaar aan de andere kant van het bureau krimpt in elkaar achter het beeldscherm, alsof deze jongen hem elk moment naar zijn keel kan vliegen. Zie hem daar zitten, dat mannetje in zijn geruite overhemd, zijn vale spijkerbroek en die mislukte modieuze blauwe bril op zijn haakse neus. Geen idee waar hij kijken moet, alsof zijn laatste uurtje is geslagen, vastgenageld op zijn stoel, zijn handen trillend op het toetsenbord van de computer. En hij zegt geen woord meer, helemaal niets komt er uit z’n mond, met die malle smalle lippen die me het laatste uur zo tergend irritant en arrogant hebben bevraagd, gecorrigeerd, vermaand, beschimpt.  En dat door die ene vraag: ‘Uit welk land komt u?’ Ik schrik zelf ook want dit ben ik niet, zo wil ik helemaal niet zijn, ik schaam me dood en dat maakt me nog bozer. Verdwijnen moet ik, in het niets zoals buiten op het asielzoekerscentrum. Daar doe ik vooral moeite onzichtbaar te zijn, ik loop niet maar ik sluip, spied naar links en rechts, je weet maar nooit wanneer er weer gevaar opduikt, plotseling. Mijn woede is angst, permanente angst voor dingen die ik met bijna niemand deel, ze zitten vastgenageld in mijn kop. Het begint met die vraag van de ambtenaar, hij stelt haar lijzig, werpt me een korte blik toe. ‘Wat is de reden van uw asielaanvraag?’ Verbijsterd kijk ik hem aan, er zitten kleine gemorste vlekjes rode tomatensaus op zijn boord. Langzaam herhaal ik hardop diens woorden. Op zijn beurt beziet hij mij afwachtend en trommelt met zijn vingers zachtjes op het toetsenbord. Hij knikt me toe, bemoedigend maar dwingend ook, ik zie hem denken waarom een antwoord op zo’n vraag zo moeilijk kan zijn. Ik kan het hem vertellen, precies zoals het is gegaan. Ik kom uit de goot bij het Noordstation, waar ik leefde van de inhoud van de vuilnisvaten. Ik kom uit de trein via Frankrijk, waar ik me een dag en een nacht verstopt had onder de banken, in het stof, de smerigheid en de slurrie op de houten vloer, die meebonkte op het ritme van de bielzen. Ik kom van de plantages in het Zuid-Italiaanse San Nicola Varco waar ik tomaten plukte, duizenden op een dag glibberden door mijn handen, ik leefde in een kartonnen hut aan de rand van een industrieterrein, buiten het zicht van iedereen, omdat ik en die tienduizenden anderen hier in deze drek illegaal waren, we mochten er niet zijn maar wel werken, tien euro per dag. Ik kom van de helse tocht in een lekke boot over de Middellandse Zee, die ik als een van de weinigen heb overleefd want de meesten van mijn Afrikaanse vrienden zijn verdronken, verdwenen in de golven. Nog steeds hoor ik hun gekrijs om hulp, zie ik hun handen wanhopig in het niets grijpen, ogen wijd open van doodsangst. Ik kom van de woestijn, een reis in zinderende hitte waar wij werden overvallen, de vrouwen verkracht, waar mensen dood vielen door de gloeiende zon, gek werden in de uitzichtloze zee van zand en dan ineens zomaar verdwenen. En daarvoor, helemaal daarvoor, als ik diep in mijn geheugen graaf, ja dan kom ik uit Wabaria, ik ben daar geboren, getogen en uiteindelijk vertrokken. Ik voel de zachte bries die het begin van de avond inluidt en de brandende hitte van de dag verjaagt. Ik hoor de mensen praten in het lokale zangerige Fula, ik zie mijn vader in de smidse onder het enorme dak van riet, hij hamert de ijzers boven het loeihete vuur, en in de verte voetballen mijn vrienden in het stoffige zand aan de oever van de rivier de Niger, die zich krachtig golvend een weg door het dal baant, ik ruik het geroosterde vlees van vers geslachte geiten, dat boven smeulende houtskoolvuurtjes hangt. Hier in dit kantoor op het opvangcentrum heeft nog nooit iemand van Wabaria gehoord, een naam op de kaart zoals alle andere plekken waar die vluchtelingen vandaan komen en voor de meesten ben ik, Youssouf, gewoon een knul uit Afrika, want ik ben zwart en dat is dat. Als ik dat geweten had…, en ik schrik van het geluid van mijn eigen woorden, die dof op de grond ploffen. In de beklemmende stilte van deze kleine, muisgrijze ruimte van spaanplaat en gipsvinyl voel ik mij plotseling hopeloos verlaten. Alleen, verlaten en zo eindeloos ver van thuis. Ik heb ook het gevoel dat mijn leven van toen voorbij is. Niet alleen door wat ik heb meegemaakt, wat me is overkomen, de hitte, de kou, de dorst, de slagen, de pijn, de dodelijke vermoeidheid, het uitzichtloze en uiteindelijk het zinloze. Dat is het niet, in ieder geval dat is het niet alleen. Het is veel meer, het is veel erger dat ik mezelf kwijt ben en niet meer weet waar Youssouf is. Een stemmetje zegt in me: Je weet wel, die Youssouf, die sterke, vrolijke jongen die in Wabaria de geiten hoedde, die achter Aisha aanliep, het mooiste meisje van het dorp, die voetbalde met zijn vrienden in het warme zand, die zwom in het lauwe water van de rivierbedding, die mango’s stal en op school vooraan ging zitten om niets te missen van de lessen. Die Youssouf, zoon van de smid en griot, zou ik die ooit nog terugvinden? Zou hij misschien stilletjes met me zijn meegereisd en op een dag gewoon naast me staan en zeggen: “Hoi Youssouf, we zijn er weer.” En zou alles dan weer zijn zoals het vroeger was, zoals ik vroeger was? Of is die Youssouf verdwenen, bestaat hij niet meer, is hij gestorven, ergens onderweg, in de woestijn, in de zee, in de kou, op het beton. Ik zou hem graag weer willen omarmen, maar ik kan die Youssouf echt helemaal nergens meer vinden.   Als ik mijn ogen open doe, zit ik in die godvergeten kamer waar het ruikt naar zweet en stof, waar de grijze ambtenaar mij glazig aankijkt, zijn handen klaar op het toetsenbord van de computer. Niets is hier als thuis en het moment dat ik me dat realiseer, krimpt mijn maag samen, voel ik mijn ogen branden, mijn keel kloppen en hoe erg ik ook mijn best doe, ik kan mijn tranen niet meer stoppen. Thuis is zo ver weg en nu, omdat ik eraan denk, zo dichtbij. Wat is de volgende vraag? Welk antwoord moet ik geven, welk antwoord kan ik geven? De ambtenaar scrolt met de cursor over het beeldscherm, op zoek naar een nieuw formulier, een nieuw veld dat moet worden ingevuld. Het ergert me, dat tikken van de muis, het zoemen van de computer, de man in het bemorste geruite overhemd die zijn neus ophaalt, onbewust maar onfris, dat vind ik het. Ik heb genoeg drek en smurrie meegemaakt, in riolen geslapen, verrot fruit gegeten, me weken niet kunnen wassen. Maar hier, in deze saaie ruimte van een grijs kantoor, klinkt het gesnotter van die grijze meneer mij plotseling smerig in de oren.   ‘Ah… hier… had ik u al gevraagd waar u vandaan komt?’. Hij kijkt peinzend naar het scherm, alsof hij met de pixels spreekt in plaats van met zijn bezoeker.   Ik had mijn plan gemaakt. De volgende dag heel vroeg, toen de zon nog ver weg was, het dorp uitrustte van de zware hitte van de vorige dag, net voordat het eerste grijs het duister verdrong, stond ik op, zo behoedzaam als de salamander zijn prooi besluipt. Ik verliet ons huis, stiller dan de zucht van de eerste ochtendwind en vertrok. Ik had de tocht in mijn hoofd gestampt, ik wist precies hoe ik het dorp moest uitlopen zonder de anderen te wekken, zonder het minste geluid, het kleinste spoor achter te laten. Toen ik de laatste huizen voorbij was, rende ik, steeds harder, harder en nog meer, mijn adem gierend in mijn longen, mijn hart fel kloppend in mijn borst, mijn hoofd. Ik holde tot de grote weg, de sliert asfalt dat als een zwarte houtskoolstreep door de woestijn was getrokken. Hier moest ik wachten tot de vrachtwagen kwam. Toen ik dagen geleden in de grote stad was geweest, had ik een plaats gekocht voor de truck die mij naar Agadez zou brengen. Als ik daar aankwam, zou ik een ander ticket kopen, voor een andere vrachtwagen, eentje die naar het noorden gaat, naar de grens. En daar zou ik opnieuw zoeken naar vervoer, telkens weer opnieuw, tot ik zou zijn waar ik wezen moest. Europa.   Wil de grijze meneer dit werkelijk allemaal weten?  Deze man die de hele godganse dag op zijn stoel zit in dit bedompte kantoortje van spaanplaat en kunststof, met door de ramen uitzicht op het volgende kantoortje van spaanplaat en kunststof… Mijn hart vult zich met irritatie, met ergernis, met droefenis, ik voel het samenpersen alsof een vuist drukt en duwt. Hoe of waarom moet ik mijn verhaal vertellen aan deze man met zijn bevlekte overhemd, die met zijn cursor speelt en zijn toetsenbord befrommelt en zijn neus hinderlijk luidruchtig ophaalt? Kan, of nee wil deze meneer begrijpen hoe ik in Agadez aankwam, hoe ik dagenlang zocht, wachtte, onderhandelde, wachtte, tot ik eindelijk mee kon met een afgeladen Toyota Pickup die mij honderden kilometers door de woestijn zou brengen? Ver, heel ver, maar lang niet ver genoeg voor de honderden kilometers die nog restten tot aan de stranden van de Middellandse Zee, in Medina, waar de toeristen de Tunesische geneugten opzogen, maar waar ik, toen ik daar na weken uitgedroogd, verhongerd, vervuild en doodmoe aankwam, op zoek moest naar de mannen van de boten, de mannen die mij moesten helpen voor de overtocht. Europa. 1500 dollar voor een plek op het bovendek, 1000 dollar op het benedendek, 500 dollar voor een plaats in het ruim. De dag dat ik het bedrag kon betalen, nadat ik maanden vuilnis had geveegd, schepen gelost, ruimen gereinigd en gestolen handel verkocht, was ook de dag dat ik zeventien jaar was geworden. Thuis in Wabaria zou een schaap zijn geslacht, maar in Medina was ik een arme sloeber die rondhing op het strand, zoals duizenden anderen. Dat was toen. Nu kijk ik naar de grijze meneer tegenover me en zoek naar woorden die passen bij de hel van de boottocht, hoe ik als een van de weinige overlevenden aan land werd gebracht, opgesloten, losgelaten voor de tomatenpluk, ontsnapt, vertrokken, gezworven, verjaagd, gevlucht. Dan golft er langzaam een woeste razernij naar boven, vanuit mijn tenen, via mijn maag, mijn borst, mijn hart, mijn keel, ik doe alles om haar te kalmeren, maar ze is als de zandstorm die over de woestijn raast en alles opjaagt en verwoest wat in haar weg komt. ‘U kwam uit….’, herhaalt de ambtenaar nog eens de vraag, met iets meer ongeduld in zijn stem.   ‘Ik kom uit Wabaria’, antwoord ik en mijn adem stokt. De grijze meneer knikt en tikt het in op zijn computer. ‘En uit welk land?’ Ik kijk hem aan, geschokt, en vraag: ‘Hoe bedoelt u?’ De grijze meneer zegt schouderophalend: ‘Nou… gewoon… wat is uw land?’ Wat wil hij, grijze muis in grijs kantoor achter grijs beeldscherm met mijn land? De grond zakt weg onder mijn voeten en het lijkt of ik in een aardedonker diep gat val. Mijn land? Waar ik vandaan kom is de aarde verscheurd en besmeurd met bloed door en van mensen, gewone mensen zoals iedereen, maar ze gedragen zich als beesten, vechten met elkaar en om elkaar, om de grond, de macht, de winst. Niemand weet waar het begon en hoe het zal stoppen, en wij, de mensen in de dorpen, op de heuvels, worden opgejaagd, vermoord, de vrouwen verkracht, de kinderen ontvoerd. Mijn land is opgeheven, het is in stukken gehakt, kapot gemaakt door mensen die de macht hebben, of zij die dat willen krijgen. Het land dat ik kende, het land waar ik ben geboren, opgegroeid, volwassen geworden, het land dat mij liefde gaf, gelach, gezang, gedans, dat land is een poel van haat, van geweld. Mijn land, mijn liefde, dat bestaat niet meer. ‘Vous connaissez mieux ce qu'est mon pays,’ antwoord ik zachtjes, vanuit de diepte.  De grijze meneer schudt niet begrijpend zijn hoofd, draait wat afwachtend en bozig naar de luidspreker op het bureau, waar via de telefoon een tolk mijn woorden vertaalt. De stem herhaalt de zin nog een keer: ‘U weet beter wat mijn land is.’ ‘Ik moet van U horen uit welk land u komt, meneer’, zegt de grijze meneer licht verontwaardigd, bazig, hij legt de nadruk op U en tikt met een blauwe pen op het computerscherm, precies waar het vakje ingevuld moet worden. Dan kijkt hij mij vanachter zijn blauwe bril doordringend aan: ‘Het is aan U te vertellen, te bewijzen waar u vandaan komt en hoe U hier bent gekomen…’ Ik wil niet meer luisteren, ik wil die grijze meneer niet meer horen, zijn vragen, zijn gesnotter. ‘Daar zul je geluk vinden, daar is werk en daar is geld, voldoende voor ons allemaal’, zingen de woorden van mijn vader, maar te laat, de storm in mijn hoofd is niet meer te bedwingen. De schroeiende woestijn, de ijskoude golven, verrotte tomaten, de stank, de kou, het vuil, de vernederingen. Maanden, jaren van angst, verdriet, pijn, ellende persen zich samen in een kolkende woede die door mijn kop tolt. Ik wil wel, maar ik kan het niet meer stoppen. ‘Jullie begrijpen niets van mij!!’  

Jeroen56
2 1

Op reis

Op het notenhouten dressoir in de gang, eigenlijk meer een vestibule zo ruim is het, staat tussen een enorme bak met bloemen en een volle asbak, een foto van een gezinnetje. Een kale man en lange dunne vrouw glimlachen spookachtig achter twee té uitbundig juichende kinderen, aan de rechterzijde kijkt een struise man rustig toe, waarschijnlijk een oom.   ‘Uw kleinkinderen?’ Ik verdwijn bijna tot mijn enkels in het vloerkleed met brandgaten.   ‘Wie?’ De oude man staart mij met grote ogen aan alsof hij door dikke brillenglazen tuurt en krabt aan zijn baard.   ‘Die tweeling.’ Ik wijs op de foto.   ‘Da’s geen tweeling, ‘t is volgens mij niet eens familie. In ieder geval geen familie van mij, het zijn meer een soort vrienden,’ mompelt hij en staat verstrooid stil als het hangend beeld bij een televisiestoring. ‘Ik weet ook niet hoe het precies zit.' Hij schrikt uit zijn concentratie en wappert met zijn hand dat ik hem moet volgen. Via de gang en de keuken met ongewassen vaat gaan we door de achterdeur naar buiten. Aan de overkant van een klein binnenplaatsje klapt de ouwe een luikje open in een enorme garagedeur. De walm van sigaren gemixt met smeerolie en oud zweet is bijna aan te raken zo dik.   ‘Het labo,’ zegt hij snaaks met een vette knipoog.    Het lijkt het depot van het museum voor ouwe meuk. Jarenvijftig machines met hendels en tandwielen wisselen primitieve computers met groene beeldschermen af. Een afgeleefde houten werkbank ligt vol met roestige onderdelen van mechanische en elektronische rommel. In een rek aan de achterwand, naast een grijze metalen kast, hangen zagen, schroevendraaiers, beitels en allerlei vage gereedschappen. Ik krijg het beeld van een middeleeuwse martelkerker, welliswaar enigszins gemoderniseerd en gestileerd, maar blijven hangen in de rock-'n-rolltijd.   'En dit hier,’ hij klopt op een enorm rasterscherm waar links een soort open liftbak aan zit vastgelast, ‘dit is de teletijdmachine.’   Hij schopt mij de bak in en de combinatie van een migraine opwekkende, scherpe lichtflits met een klap tegen de longen alsof ik van mijn paard val, volgt. Wakker word ik in een landschap met heuphoog gras, in de verte een kerkje.    Waar ik ben? Geen idee.

MCH
13 1

15 zijn.

            Zijn denken, zijn schrijven, zijn drang naar de onbeschaamdheid van het leven werden beïnvloed door ‘De Verkeerde Minnaar’ van Mireille Cottenjé en ‘De Schaamte Voorbij’ geschreven door Anja Meulenbelt. De eerste auteur maakte een diepe indruk op hem en Meulenbelt vond hij uiteindelijk een conformistische trut, al bleef dat boek op hem kleven. De dames zouden hem doen geloven in vrijheid van liefde en seks en de twee titels zouden zeker voorgoed zijn onvermurwbaar militantisme onder zijn huid graveren en hem in een onuitputtelijk streven naar wat later totaal onmogelijk zou blijken, het goede in de wereld en in de maatschappij te betrachten. Wat goed is, zal nooit kunnen zegevieren maar hij beloofde er iedere dag het beste van te maken, voor zichzelf – niet uit eigenbelang maar sinds zijn jeugd leeft hij met het gebrokene en daarom probeerde hij zijn eigen leven en dat van anderen te herstellen -, en voor de ander. Leven in continu herstel levert misschien niet veel op maar hij zou met niemand ruilen. Deze twee boeken waren zijn eerste pornoboeken en hoewel de ‘Happy Hooker’ van Xaviera Hollander ook in de boekenkast stond, hadden Cottenjé en Meulenbelt de meeste invloed op hem. In pornoboekjes ergerde hij zich overigens aan de spelfouten in de teksten. Porno was daarmee zo banaal, zo ordinair, zo seventies. Vriendschap in porno bracht verbondenheid op een totaal ander niveau, dacht hij. De camaraderie die zich uitte in seks vond hij verbluffend en origineel. Het voelde goed aan. Alsof het zo moest zijn. Hij kende de boeken van Michel Foucault nog niet maar onbewust werden de kiemen gelegd voor zijn latere bedenkingen. Porno had zich niet alleen genesteld in zijn lijf maar ook in zijn hele bestaan en zijn gedachtegang.             Daarom geloofde hij in magie. Hij geloofde dat mensen die elkaar niet kenden op een of andere manier met elkaar in verbinding stonden, dat bepaalde mensen elkaar moesten ontmoeten, niet zozeer voor seks of voor liefde maar omdat een of ander noodlot hen naar die ontmoeting dreef om zelf vooruit te geraken in het leven. Soms moesten mensen elkaar gewoon een tijdje ontmoeten en dan weer solo verder gaan.             Hij schreef in schriftjes met lijntjes, met grote en kleine ruitjes, op losse bladen en in kantlijnen van schoolboeken. Alleen hij kende het geheim achter vertellen. De vragen waarop hij antwoorden zocht waren geen echte vragen. Ze waren een aanzet om te denken en op te merken hoezeer mensen naast elkaar konden leven, hoe mensen elkaar de mond dichtsnoerden, hoe mensen het niet zo nauw met elkaar namen, hoe mensen niet bereid waren om toegevingen te doen, laat staan compromissen te maken. Hij schreef hoe hij zag hoe tijden veranderden, hoe, zonder het te merken, de jaren achter hem kwamen te liggen. Wat wist hij over wat hij vandaag deed waar het hem later zou brengen. Mensen voelden de verzuchtingen van hun eigen levenservaringen in hun eigen nek niet meer. En uiteindelijk zouden het diezelfde mensen zijn die er ook in zouden slagen hem het zwijgen op te leggen.             Tot zijn geheim barstte.

Erwin Abbeloos
7 0

16 zijn

Een tekst is nooit af. Een tekst is zoals in het leven, zoals mijn leven, dacht hij. ‘Zijn’: de tekst is, de tekst staat er (maar hij is nog niet af). ‘Hebben’: je hebt de tekst in handen, je hebt de tekst van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar onder en terug geschreven – maar hij is nog niet af; bezitten is niet zo belangrijk in het leven. ‘Worden’: de tekst is zoals jij: in wording. Dat was zijn belofte daar onder ede in zijn slaapkamer: altijd worden. Zijn en hebben zijn volstrekt onbelangrijk in het leven.             Hij trok als een bezetene aan zijn sigaret, alsof het zijn laatste genot op aarde was en hij het aardse ging ruilen voor het hiernamaals. Hij voelde een lichte erectie opkomen. In gedachten rookte hij sigaretten met sportieve mannen gekleed in korte sportshorts. Seks en sigaretten gingen voor hem altijd samen. De rook stapelde zich in zijn mond op en hij blies meteen alles weer uit. ‘Nooit de rook aan je longen laten komen,’ maande zij hem aan en hij rookte verder.             Ze had de sigaretten, ze had het allemaal: een platenspeler met ingebouwde cassettespeler en radio, honderden 45 toeren platen mét alle singles van ABBA, Gerard Lenorman en twee versies van ‘Patrick mon chéri’. Ze had ouders die amper thuis waren en ze had een beroemde schoonbroer die de sigaretten leverde. Ze had een bromfiets waarop hij niet mocht rijden, hij had een tweedehands meisjesplooifiets. Ze had een grote labrador, hij had een poedel. Ze kon zwemmen, hij bleef aan de rand staan met een zwemband rond zijn heupen en twee meisjesachtige vrienden erbij. Ze had twee zussen die het huis uit waren, hij had een afwezige familie. Voor haar verjaardag kreeg ze een huis, hij deelde zijn kamer met zijn broer. Ze had onafhankelijkheid, hij had eenzaamheid.             Ze trok hard aan het laatste stukje sigaret. Ze draaide een beetje in slow motion met haar hoofd alsof ze door te veel nicotine flauw ging vallen. Ze namen afscheid. Hij bleef vertwijfeld achter en hoopte dat het ooit allemaal beter zou worden. Hij had zich nog nooit zo eenzaam gevoeld.

Erwin Abbeloos
8 1

17 zijn.

            Hij keek uit naar de liefde, hij verlangde naar seks, naar geld, naar een carrière in de muziek of in de literatuur. Hij keek er naar uit om vrienden en vriendinnen te hebben, met honderden zullen ze zijn, dacht hij. Hij keek uit naar een vriendje. Een knappe, sterke en geile man. Hij wou zelf een knappe, verzorgde man zijn en die ook nog eens goed met woorden en oneliners overweg kon. Hij wou zingen, hij wou dansen. Hij wou schrijven. Hij wou een groot huis of een modern appartement in het midden van de stad. Met veel ramen.             Maar wat is toekomst als je 17 bent. Hij moest nadenken over wat hij later wou worden. Hij was altijd meer bezig met wie te worden dan met wie of wat te zijn. Hij was moe. Uitgeput. De school wou alles, elke vezel, elke ader, elk beender en elke gedachtegang. Alles. Hij voelde zich vernietigd door de school en door zichzelf. Ik weet wie ik ben maar waarom moet ik iets zijn, dacht hij.             Hij wou zijn eerste fouten maken, met rust gelaten worden en zijn generatie op de straatstenen, onder de lakens en aan de toog van een bruin café aftekenen om later zonder spijt te kunnen zeggen: wat was het goed. Hij wou bochten maken, muren doorbreken, de schaamte voorbij. Hij wou aan de andere kant zijn, los van God.             ‘Ik lees op je informatiefiche dat je toneel of dans wil doen,’ zei de vrouw op een zuur toontje terwijl ze met een middelvinger een tikje aan haar scheve bril gaf. Haar verpletterend streng voorkomen benadrukte in haar gelaat nog meer de stijfheid van haar functie als PMS-psychologe. Ze liet een zuinig misnoegend ‘hum hum’ vallen en gooide ostentatief het briefje dat hij vorige avond zorgvuldig en met alle hoop van zijn bestaan had ingevuld. ‘Wel, jongeman, wat heb je hier op te zeggen?’ Haar armen hingen als gekruiste degens over haar bolle borsten. Hij snoof zweet- en maandstondengeur. ‘Ik weet het niet, mevrouw’ zei hij en boog zich wat achterover. De vrouw hinnikte als een lomp boerenpaard. ‘Maar jongen toch’, lachte ze zijn toekomst weg. De geur van nylon vermengd met zweet hing als een donderwolk over hun conversatie. De stank was niet meer te harden. Zij bepaalde zijn richting, zij bepaalde zijn leven, een leven nu voorgoed gekleurd door stank.             Hij verliet het klaslokaal. ‘Zeg tegen, laat eens kijken... Jan Smeyers dat hij mag binnenkomen’. Ze keek hem niet meer aan, hij was nog slechts het hoopvol foldertje dat een waardeloos papiertje werd en dat ze uiteindelijk in vier scheurde en dopte in haar lege kop koffie.             Misbegrepen fietste hij terug naar huis. Schouders recht, borstkas vooruit. In nog geen vijf minuten had hij zin aan zijn eigen leven gegeven. Het zou zijn geheim zijn. Hij zou zwijgen en hij zou in het leven enkel vrouwen toelaten die bij het voorbij wandelen een discreet wolkje parfum achterlieten.

Erwin Abbeloos
10 0

Zorgen van de guru

'Zorgen,' schreeuwt hij in de microfoon, 'maken we ons allemaal, maar dat is zinloos! Zorgen bestaan niet!'  De aula zit barstensvol, alle zitjes ingenomen en enkele laatkomers op de trappen. Duizend ogen loeren naar hem in kakelvers Versace kostuum. Speciaal op maat gemaakt in Milaan. Drieduizend driehonderd euro. Hij had moeten brullen: slechts drie tickets dekken zijn extravagant kostuum. Zijn levensverbeterende cursus verkocht in geen tijd uit. Het buitenzwembad met poolhouse aan zijn villa in Spanje kan dubbel zo groot bij de komende verbouwing.  Hij pauzeert voor het dramatische effect en scant de zaal. Opmerkelijk veel vrouwen. Enkele stokoude, de meeste rond zijn leeftijd. Ook een paar onbelegen exemplaren. Op de eerste rij zit een prachtig specimen. Hij ontbloot zijn gebleachte tanden en knikt. Ze haalt haar kauwgum uit haar mond, rolt hem tussen haar vingers en knipoogt verleidelijk. 'Heb je geen problemen in het leven?' vraagt hij zonder een antwoord te verwachten. Een vrouwelijke aardappelzak achteraan links hoest. Het klinkt alsof er bloed meekomt. Bijna dood, zal niet misstaan op de composthoop. 'Zijn er hier, onder jullie, mensen zonder problemen?' vraagt hij terwijl hij naar zijn prooi koekeloert. Zijn publiek heeft veel problemen. Waarom betalen ze anders meer dan duizend euro om naar hem te luisteren. Hij weet dat velen leningen aangingen om hier te kunnen zijn. Hij biedt dat aan. Met waanzinnige interestvoet. 'Als je geen problemen hebt, waarom zou je je zorgen maken? Dan bestaan zorgen niet voor jou? Toch?' Gegniffel. Hij analyseert de hele zaal maar zijn blik kleeft op haar als de naald van een kompas op het noorden. Blond, blauwe ogen, slank en een boezem. Haar lederen topje ontbloot de bovenkant van haar bollen. 'Heb je een probleem,' zegt hij, 'dan heb je twee mogelijkheden.' Hij toont twee vingers met gouden ringen. Altijd twee opties. Blauwe zwembadtegels of groene? Verwarmd of niet verwarmd? Met afdekzeil of zonder? Tegenstroomsysteem met drie spuigaten of vijf? Infinity langs één zijde of alle drie? Ze draait haar lokken rond haar ranke wijsvinger met rode nagel als zoekt ze houvast zodat haar hoofd niet van haar slanke hals valt. 'Je hebt een probleem én je kan er iets aan doen?' Hij verheft zijn stem. De spanning in de zaal maakt haar stil. 'Waarom zou je je dan zorgen maken?' zegt hij op een toon alsof hij het zelf uitvond. Er weerklinkt ingehouden gelach zoals pubers grinniken die stiekem de Playboy doorbladeren. Haar ogen stralen. Zij weet dat zij zich geen zorgen moet maken. Hij spreekt haar straks aan en zij geeft hem complimenten die hij afwimpelt om de afstand tussen hen te verkleinen.  'Heb je een probleem,' zegt hij, 'én kan je er niets aan doen?' Zoveel problemen bezitten een oplossing maar deze groep ziet het niet. Domheid belet actie. Zij ademt rustig, tuit haar lippen en tuurt naar zijn kruis. 'Dan moet je je geen zorgen maken,' roept hij. 'Simpel!' De zaal lacht opgelucht en de rest van de namiddag debiteert hij meer goedkope oneliners, tegeltjeswijsheden, clichés en waarheden als koeien. Het licht wordt lichter. Zij zien het nu. Zijn licht. Applaus. Hij strekt zijn nek en toont de palmen van zijn handen, dat toont verbinding en vertrouwen.  'Zorgen maken is zinloos. Stop ermee!' Meer applaus. Standing ovation.   Ze duwt hem ruw zijn loge in en draait de sleutel in het slot. Zijn vrouw heeft hier een probleem mee maar kan er niets aan doen. Ze moet zich dus geen zorgen maken.

TonyCoppo
17 4

Huid van as

’s Avonds laat, wanneer de kinderen dromen van kaboutertjes die in onze schuiven rommelen, en mijn vrouw zich van onze laatste omhelzing van de dag losrukt om op haar rug in slaap te vallen, dan glijd ik het bed uit en sjok ik blindelings door het duister naar ons terras. In het holst van de nacht rook ik mijn laatste sigaret, met enkel het gloeiende topje als krachteloze lichtbron. Ik luister naar de ademhaling van iets wat me vanuit het duister bespiedt. Een zachte stem fluistert me toe: ‘Als het stof in je broekzak goud of zilver zou zijn, dan nog zou je het spenderen aan niks.’ ’s Avonds laat, wanneer ik mijn peuk in de asbak uitduw, hoor ik nog steeds dat obscure stemgeluid, dat me met een handvol zingende stembuigingen en klagerige toon laat weten dat ik me alles herinner van wat ik niet ben vergeten. Daar put ik dan enigszins wel wat kracht uit, maak ik mezelf wijs. Soms strijkt de drager van de stem neer op mijn schouder: een engeltje, met gele katachtige ogen en een donkergrijze huid van as. Haar vleugels gebroken door wat de wereld haar liet zien. Trillend en bevend en angstig als een gekwetste vogel druppelt ze tranen van zwavel in de cocktail die ik mijn inborst durf noemen. ’s Avonds laat, wanneer het engeltje haar klaagzang heeft afgerond, krijg ik de kans om vragen te stellen. ‘Wat wil je eigenlijk?’ sist het schepsel. Dan antwoord ik dat ik het geluk aan het einde van de regenboog wil vinden. ‘Maar beste vriend toch, een regenboog is een kegel. Niets meer dan een illusie van licht dat vanuit elke windrichting een centraal punt op je netvlies vindt. Als het geluk aan het einde van de regenboog ergens te vinden is, dan is het in jezelf.’ Na een poosje, wanneer het creatuur op mijn schouder is uitgehuild, wil het weten of ik alle leed zou vergeten als ik dat kon. ‘Natuurlijk.’, moet ik dan toegeven. En toch… Wanneer het me uiteindelijk vraagt wat ik echt wil, dan vraag ik niet om de kans om alles te vergeten. Dan droom ik. ’s Avonds laat, droom ik dat ik kan leren vliegen. Echte vrijheid kennen, net zoals het lugubere beest op mijn schouder. ‘Dat kan,’ laat het ding me weten. ‘Maar vergeet niet dat je daar een verschrikkelijke prijs voor moet betalen.’ En terwijl die woorden worden uitgesproken, verpulvert het wezentje tot een hoopje grijs stof in de asbak en terwijl de rook oplost in de atmostfeer, word ik wakker met het besef dat ik eigenlijk niet rook en staar ik naar de foto van mijn vrouw en kinderen op het nachtkastje.

Het Verdwaalde Schaap
0 0