Zoeken

zeemzoet

De middag kwam op en de zon ging onder. De lucht werd grijs en ik bevond mij op een plaats waar de lekkerste geur ter wereld hangt. De kapperszaak, open gehouden door een oude grijsaard met een grote voorliefde voor Nederlandse Schlagermuziek, het soort muziek waar mijn haar spontaan wit van kleurt. Om veiligheidsredenen, het is tenslotte de beroemste mens uit het dorp zullen we de namen even veranderen en noemen we hem Pierke. Pierke had vroeger een grijs staartje en ik bedoel in zijn haar, dat hij graag meer en meer uitdunde tot er twee maand geleden niks meer van overbleef. Pierke hield van carnaval en genoot met volle teugen van het leven. Vol zenuwen en kwijlend door de shampoogeur wandel ik zijn zaakje binnen. Pierke fronst diep zijn wenkbrouwen. “Jij? Jij wilt je haar in het rood verven?! Nee, nee en nog eens nee.” Ik grinnik en hoop hem te overtuigen om een soort gelijke kleur in mijn lange onverzorgde haren te smeren maar hij weigert resoluut met een schaterlach tussen zijn vierentwintig nee nee en nog eens nee’s. Laat ons er dan maar blond in gooien. Hij knikt met glimlach en laat zijn hulpje het werk doen. De knappe meid begint vol vertrouwen aan mijn haar, ze trekt streepjes in mijn haren alsof ze in opdracht van de gemeente een zebrapad aanlegt. Een wasbeurt met naar mijn mening véél te koud water volgde. Na een uur klooien met kleverige verf besloot de kapper zelf, ons Pierke gretig aan mijn wildernis van natte haren te gaan snijden. Uit beleefdheid werd me een kopje koffie aangeboden die ik zonder tegenspraak aanvaarde. Gulzig slokte ik de warme vloeistof naar binnen. Lok na lok viel op de grond en deed me lichtjes gruwelen. Naar mate mijn haar korter werd kreeg ik meer spijt van mijn keuze. Ik liet zoals gewoonlijk Pierke zijn werk doen tot hij uiteindelijk met fierheid me aankeek in de levensgrote spiegel. Als een echte rockster aaide ik mijn vingers door mijn gestekelde kapsel. Uiteindelijk lijk lijk ik nog niet zo belachelijk met kort gewiekte pluimen en ik vraag hem hoeveel mijn schuld is. Hij zegt het en ik betaal hem. Het was een ellenlange namiddag die me terug doet hunkeren naar de zeemzoete geur die daar blijft hangen. Laat ons dat nog eens doen!

Peursum Doreen
0 0

Campo Santo

Vrijdag, de dag die me al weken weet wakker te houden. Mijn jas hangt achter me te drogen terwijl het hels gepiep van de treindeur me elke vijf minuten wil tergeren. Mede dank aan het Belgische regenweer. Ik probeer te genieten van mijn parker balpen die ik tien jaar geleden van papa kreeg  - en het ding schrijft nog steeds - en mijn schrift met streepjesmotief die ik onlangs uit een goedkoop prullenwinkeltje wist te vissen. Mijn haar hangt wat stekelig voor mijn ogen dat ik zo nu en dan als een echt rockster achteruit aai met mijn vingers. Ik neem vlug een sipje van mijn niet te zuipen Panos-koffie. Weer een piep van die treindeur. Kunnen ze niet eens investeren in geluidsloze treinen in plaats van die waardeloze hogesnelheidstreinen? De kokend hete koffie bezorgt me een opwelling wat in feite niet ter zake doet maar enfin.. Ik draag dezelfde kledij die ik normaal twee weken geleden ging dragen. Op de begrafenis van onze Vos. Zoals ik mezelf, het publiek en vooral onze Luc beloofd heb bezoek ik op 19 december van dit jaar zijn graf. Mijn stationskoffie is inmiddels bijna koud dus ik giet vlug de lauwe vloeistof door mijn keel tot de beker leeg is alvorens ik verder schrijf. Een oude man ziet me schrijven en trekt zijn wenkbrauwen op, wellicht denkt hij dat ik een dagboek schrijf. Ik schrijf geen dagboeken maar verhalen en collumns. Klaarblijkelijk kan ik zo beter omgaan met de dagelijkse dingen des levens, mijn soort van lichaamsdrug. Eindelijk, de trein vertrekt! Tot over een uur in Sint Amandsberg!   Opnieuw een eindelijk! Na eerst mijn overvolle blaas te ledigen in een overvolle trein zit ik weer eens op mijn gat om te pennen. Toch ik geen honger heb besluit ik mijn lichaam te voeden met lekkere spijzen die her en der in hellehol van Gent te vinden zijn. Wat een multiculturele chaos hier heerst! -Op de radio speelt “in the shadow” van The Rasmus, waar is de tijd dat dat nog op nummer één stond?- Fransen naast mijn tafel. Een Turkse die bedeld nabij het bankautomaat en een -geloof ik- goed Nederlandssprekende Indische juffrouw. Zo metteen stopt het met regenen en gaat de bloemenzaak open dichtbij het kerkhof. Ik bekijk mijn bord dat vol sla ligt. Het meisje aan de toog heeft haar volledige moestuin over mijn broodje gestrooid. Moest ik zeggen dat ik haar troep niet wil zou het haar geen barst kunnen schelen. Jammer, eet je bord leeg. De regenwolk verdween en gretig nam ik de kans om te vertrekken. Ik baande me een weg tussen nachtwinkels, pitabars, wegenwerken en modderige straten. Een halfuurtje later wandelde ik de Sint Amandusberg op waar de kapel eenzaam staat tussen eeuwig rustende Christenen en katholieken. Mijn hart begon sneller te kloppen, hetzij van de berg omhoog te klimmen hetzij van de reden waarom ik hier ben, een reden die ik dit eigenste moment maar al te goed begin te beseffen. Wachtend op de bloemist die zijn zaak opendeed werd ik zonder enig duidelijk excuus door een kracht naar het kerkhof getrokken. Ik vond het graf erg vlug. Luc ligt vredig en sober begraven op de heuvel, schuin onder het gigantische kruis tegen de wand van de kapel, waar Jezus hangt. Naast zijn graf staat een rest van een boomstam, ooit willen ze daar een nieuwe boom planten. De vorige treurwilg leek het te begeven en zou op den duur de graven stuk maken . Iets dat zeker niet kan en mag gebeuren. Het zou ons hart in stukken rijten. Ik ging voor het graf staan en tranen barstten uit. Woorden kunnen nu niet meer spreken en muziek is mijn enige redmiddel mezelf te verwoorden. Uit respect wil ik hier geen muziek laten afspelen, zelfs niet muisstil. Ik gaf mijn tranen de kans het te zeggen. Nadat ze die kans genomen hadden probeerde ik de tekst voor te lezen over de levensboom wiens takken naar de hemel reiken. Een krop bleef dansen ter hoogte van mijn strottenhoofd. Met veel moeite kreeg ik de woorden over mijn lippen. Ik legde de tekst samen met de levensboom op zijn graf terwijl ik een verwelkt eikenblad verwijderde. Ik zie dat zijn laatste rustplaats bezaaid ligt met aandenkjes van fans. Een potje grenadinepudding, iets dat onze vossieboy graag at vermoed ik. Een plectrum, een sleutel en een mp3 speler. Op en rond het graf lagen diverse bloemen. Traag kwam het tot me door dat ik erg dicht bij mijn idool stond en diep vanbinnen vroeg ik me één iets af. Welke afstand is het kortste? De afstand tussen het podium en de eerste rij op een festival of de afstand tussen de kist en de aardse bodem waarop ik mij bevind. Met diepe droefenis betreur ik me het laatste. Ik leek terug te kunnen spreken. Mijn belofte om zo metteen terug te komen met bloemen. Niet veel later stond ik aan de kassa van de bloemenzaak. Ik vroeg enkele witte rozen om op ‘iemand zijn graf te leggen’. De dame begreep me maar half, combo immigrant van Antwerpen naar West Vlaanderen vermoed ik? “Moeten ze ingepakt worden?” kreeg ik als vraag. “Graag” antwoordde ik maar sarcastisch in mezelf dacht ik nee, ik zal ze zo wel op zijn graf smijten. Plechtig zette ik een stevige tred neer, de heuvel op met een boeket van vier witte rozen die een schamele acht euro gekost hebben. Ik kon nog steeds praten zonder te huilen, al bleef die brok in mijn keel hangen. Een geruststellede stem in verte weerklonk in mijn hoofd. Ik stak de grafkaars aan die ik mee had gebracht en plantte die in het wakke zand. Voor iemand die zo goed emoties kan omzetten in taal kwam ik dat moment woorden tekort. Luc De Vos was erg katholiek en voor hem alleen maakte ik een kruistekentje en zei ik hem de pannen van het hemeldak te spelen daarboven. “laat onzen lievenheer eens zien wat muziek is, Voske! Dju toch!” Met de cliché woorden “rust zacht” sluit ik deze moeilijke dag af.

Peursum Doreen
23 0

Een namiddag bibliotheek

 Een namiddag bibliotheek, Donderdagnamiddag, ik besloot nadat ik mijn grommende darmen en misselijk makende maag het zwijgen had opgelegt door simpelweg te rusten en mezelf leeg te kotsen, om eens naar de bibliotheek te gaan. In Oostende hebben we een hele groot ruim en rustgevend gebouw bijna aan de waterlijn. Rustgevend mag in deze column als ironie aanschouwt worden, helaas.   Ik beleefde er de ergste tijd van de week. Mijn uren ziek op de pot leken me het grootste entertainment als ik dat mag vergelijken met enkele uren rust in de bib.   Iedereen weet intussen dat mijn grote Vlaamse idool, de held onder de helden is heen gegaan. Voor zover hij geloofde zal hij nu intussen plaats genomen hebben tussen God en Jezus Christus om van daaruit zijn liefde voor zijn volk verder te zetten. Voor zover ik geloof zit hij wellicht op een wolk neer te kijken op ons en hoe MIA onze strot uitkomt terwijl we het voor de honderdste keer op de radio horen en luidkeels mee brullen.   Ik was vandaag in de lokale bibliotheek omwille van onze geliefde Vos. Ik besloot om eens, enkel uit interesse, te kijken hoe het staat met zijn boeken en cd’s. Wie wil er na zijn dood superfan zijn en al zijn materiaal uitlenen om vervolgens de teksten van buiten te leren en over tien jaar overkomen als “de best Luc-De-Vos-kennende liefhebber van Gorki from Belgium Baby”? Per toeval zie ik bij de cd’s een klein album dat is uitgebracht onder zijn naam en niet de naam van Gorki. “Nondedomme” dacht ik! Dat is nergens meer te vinden, nergens te downloaden. Zelfs een betalende versie lijkt spoorloos. De overige cd’s van Gorki zijn uitgeleend. Ik grimas.   Als een bloedhond snuffelde ik op zoek naar wat ik die dag als buit wilde maken en geloof het of niet, ik zit graag in rust op de bankjes tussen de overige intellectuelen in gedachten diep verzonken in hun studieboeken. Ik nestelde me in een leren fauteuil met "Paddenkoppenland" van De Vos, dat na weken uitgeleend te zijn eindelijk terug zijn plekje had gevonden tussen de overige werken met de letter D. Mijn genot in intellectueel leesvoer werd verstoord door twee van de grootste barbaren der aarde. Een jonge dame en een oudere heer. De dame begon met luid met dvd’s te rommelen, het leek alsofmevrouw haar zin niet vond. En zo zal het ook wel meen ik, ze slaakte een kleine gil en een iets luidere ‘Godverdomme’. Ik keek op en als een magneet werd haar gezicht naar het mijne getrokken. Ze keek me boos aan en ik fronste. Neenknikkend nam ik terug een duik in mijn boek. Geen tien minuten later snapte ik waarom de grote ton met boeken daar stond te doen. De oudere heer die te arm of te nonchalant was om een broeksriem te kopen moest in opdracht van de grootste vandaal die de wereld kent een boekenhuis maken. Laten we hem Eddy noemen. Eddy liet me veelvuldig zijn bouwvakkersspleet zien, juist groot genoeg waar mijn fiets in past. Ik ben best tevreden met het fietsenrek buiten en  helemaal niet zo veeleisend.   Ik nam me voor om thuis verder te lezen waar ik in alle rust kan genieten van mijn leesvoer terwijl Eddy andere vrouwen of homoseksuelen het hof kan maken met zijn afzakkende broek.   Nog voor ik kon vluchten voor het heen en weer wiebelende kontvet werd ik opgeschrikt door een akelig geklop. Eddy begon de boeken aan elkaar vast te timmeren, wat een vandalisme! Al die kennis die ons brein kan opslorpen werd in enkele kloppen  naar de bliksem geholpen.   Teleurstellend liep ik naar het “identiteitskaartmachien en zijn computer” om vervolgens naar huis te fietsen door de plassen en met natte schoenen thuis te komen, sloefjes aan en een column schrijven voor mijn naar-mijn-verhaal-hunkerende-sociale-media-lezers.        

Peursum Doreen
0 0

Puppies, die hoge dosis schattigheid

 Over leuke kerstgeschenken gesproken, zo’n kleine petiterige wormpjes die piepend door elkaar kronkelen. Hoe vertederend kan iets zijn? Het mag buiten vriezen dat het kraakt, een koude decemberstorm mag razen of een typische kust-rukwind mag waaien. Die kleine bengels die aan mama’s tepels jengelen maken mijn kille hart telkens weer zo week en kneedbaar. Een hoopje kleine hondjes van amper drie weekjes oud, nog geen besef van wat de wereld hen te bieden heeft liggen heerlijk te soezen op een paars denken beprint met hondenvoetjes. De fokker laat me met veel trots zijn nestje zien. Al enkele uren zijn deze kleintjes in dromenland, tijd om even op te staan. Eén voor één opent zijn ogen, rekt zich uit en krabbelt traag overeind. Enkele lijken me te geeuwen. Ik voel me helemaal wakkig worden vanbinnen en vol verlangen zit ik op mijn knieën naast de werpkist. Ik voel een lichte drang opkomen om in de kist te springen en me er tussen te plooien met mijn benen opgetrokken en in elke plooi wil ik een snurkende puppy in een diepe, diepe slaap. Voor zover mijn dromen zelden werkelijkheid worden leg ik me erbij neer dat ik ze enkel maar zal kunnen vasthouden. Met een hoge stem en met wiebelende vingers weet ik de aandacht te trekken van die éne bruine Dobermann. Hij heeft geen bandje om zijn nek, hoe moeilijk kan het ook zijn om de unieke babyhond uit de nest te herkennen? In ganzenpas waggelt hij naar me toe en begint te spelen met heen en weer dansende vingers op het krantenpapier. Ik neem hem op en kan het niet laten om hem toch eens goed te bekijken en hem vervolgens plat te knuffelen. Zo’n maximale dosis schattigheid is ook zo moeilijk te weerstaan. Het figuurlijke lelijke eendje dat later een nog mooiere zwaan zal worden laat zijn ongenoegen blijken wanneer hij zijn vlijmscherpe tanden in mijn vingers plant. Al kreunend vecht hij zo hard hij kan tot hij met al zijn kleine voetjes terug op de begane grond staat. Boos kijkt hij me aan als hij zijn tredje verder zet. Terwijl hij naar de krant holt om zijn plasje te doen staat een andere pup wankelend op zijn poten me aan te staren. Deze vraagt zich wellicht af welk gek wezen nu weer voorover gebogen voor zijn neus staat. Hij draait zijn kop wanneer datzelfde gekke wezen even gekke geluiden maakt. Vol goeie moed trekt het kereltje zijn stoute schoenen aan en strompelt mijn richting uit. De rest van de nest weet niet waarmee zich eerst bezig te houden; hetzij met de pluche beestjes spelen of eerst hun plasje doen. Misschien een grote boodschap maar daar lijkt het merendeel zich nog geen zorgen over te maken. Zo zwak als ik ben til ik het kereltje op en duw hem tegen me aan, iets waar de kleine vechtersbaas niet van moet weten. Hij voelt zich de captain Jack van de bende en zal zich niet gewonnen geven tot ik achter zijn oren krab. Zo zwak als hij dan weer is laat hij zijn kopje op mijn arm rusten terwijl zijn argusoogjes stillaan wegebben in deze wereld van onschuldig genot. Hij lijkt er gerust in te zijn. Dezelfder tijd voelt de pup een hongergevoel in zijn maagje opkomen en denkt dat mijn kin én mijn vinger een tepel is waar hij naar hartelust kan aan zuigen terwijl zijn honger kan worden gestild. Mijn gezicht hangt vol puppiekwijl wanneer de bengel me teleurgesteld aankijkt. Tot zijn grote vergissing beseft hij dat ik niet het wezen ben dat hem melk kan bieden. De fokker lacht zich te pletter. Terwijl ik geniet van de schelm vraag ik me diep van binnen af hoe mensen zulke kleine, schattige en tegelijk onschuldige dieren gewetensloos kunnen pijnigen. Bedroefd denk ik aan mijn eigen hond, de sukkel die de pech gehad heeft om tussen stront geboren te worden terwijl de fokker van deze hondjes van hot naar her rent om elk keuteltje binnen de minuut opgeruimd te krijgen. Ze krijgen de beste voeding terwijl de mijne stro kon vreten en soms eens tevreden mocht zijn als haar moeder geen troef  kreeg. Deze pupjes lijken niet te beseffen in wat voor een gelukkige, warme omgeving ze zijn geboren. Ze mogen van geluk spreken dat de baasjes van hun mama het goed met hen voorhebben en dat ze niet moeten leven in een schuur terwijl in de winter de ijzige wind door merg en been raast of wanneer de zon in de zomer f el op het hooi schijnt zodat er een walgelijke geur van hondenstront en urine heerst over hun nest. Ach, het doet pijn te weten dat er zoveel bandieterij bestaat onder de honden, in de gehele dierenwereld. Op tv noemt men het broodfok, ik noem het smeerlapperij. De pup is tussen mijn gedachten door in slaap gevallen op mijn arm. Hij lijkt zo gelukkig en eigenlijk vraag ik me wel af waaraan hij nu denkt. Zou hij dromen dat zijn toekomstig baasje in kampioenklasse gaat werken met hem of zou hij een sofa-hond worden? Zal hij nog zijn rode halsband hebben tegen hij vier maand is of zou hij een stoere zwarte band krijgen? Misschien wordt hij wel een stevige kerel die iedereen verstomd doet staan wanneer hij in de ring stapt, trouw aan de zijde van zijn baas. Of wie weet zal hij kampioen in pakwerk worden? Aan de hand van zijn stevige beet in mijn vingers vermoed ik glimlachend het laatste.   Niemand hoeft zich zorgen te maken, laat hem nu maar weer vredig slapen tussen mama, zijn broers en zusjes, knabbelend op het oor van meneer pluche konijn.

Peursum Doreen
0 0

Witte neuzen valse leuzen

  Op de naamdag van Silvester zullen we hen niet gaan tellen, hen die stierven, hen die blij geboren werden, de mensen en de beesten in het oude jaar. Verontschuldigt U mij want ik ken ze niet. Sommigen van horen, van een liedje, eer toevallig, maar echt kennen, neen dat niet.   Mijn aquarium, het is best treurig, uitgekuist, de piranha koos het vrije sop. Onder een boom liggen de cadeautjes, zo onnozel ben ik dan. Een boete uit de ruimte voor mijn laks gedrag, een doosje pleisters voor een nieuwe kruistocht. Een gammel Russisch spel, quartet met vaantjes, wrede prentjes van gemolesteerde steden, een gestorven vliegtuig, Afrika verkracht.   Te dwaas, het bonnetje voor zonnestralen, straks in februari, zit in deze evenloppe. Dat ze mogen schijnen op het veldje vlak hiernaast. Gemanipuleerde zonnebloemen blijven heerlijk groen. Gele vlinders slapen in het doosje leopoldsigaren. De laatste heb ik opgerookt, de dag dat Fabiola en haar kapsel vredig stierven.   In een mandje glimmen vrijgevochten appelen die nu al minder vrezen dat er straks een wezen kruisjes in ze kerft, iemand achteloos hun klokhuis rotten laat, ergens in een vuilbak naast een muf kapelletje. Negen maanden na de storm, de aprilvis laat ik liggen in de vriezer, trek de straat op, zoek een sukkelaar, een ongeschoren baard.   Ik vind hem niet, hij ligt er niet onder de brug en trek dan naar de noodopvang, waar hij verlegen zit, aan een stenen tafeltje met harde rand. Ik zet me, groet de man die niet van smurfen houdt. Dat het niet erg is, kerel. Albert II, Mitterand, buitenechtelijke kinderen, beste Abraham, het is echt heel gewoon. En toch. Ismaël en Isaak, is het toen al fout gegaan?   Hij zwijgt en ik zal hem niet vragen wat hij van ons vindt, hoe wel het onze planeet tot heden is vergaan. “2015 meldt zich, laat ons weer gewoon vaagweg het beste wensen”, zou een dwaze uitspraak zijn. Bij de kerstverlichting staan de dozen met de zwarte vaandels voor de witte leuzen, valse neuzen voor een vrolijk feest.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vegetragisch

Meestal neem ik geen blad voor de mond.Behalve dan wanneer ik eet.Dan neem ik dingen die met een blad geboren zijn.Groenten dus. En fruit. En ook granen enzo.Kortom, plantaardig voedsel.Of dat van mij dan zo plant-aardig is, kan je wel weer gaan betwisten.Je zal zien dat ik er flink mee tekeer ga. Hakken, kappen, villen, vierendelen, spiezen, pureren, stomen, levend koken, bakken, poffen. Noem maar op. Ik doe het allemaal.Ik lust ze rauw. Ook wel heel lekker trouwens! Rauw.Met een sausje erover. Nootjes erbij.Een beetje amateurkok met gevoel voor esthetiek noemt dat een “salade”. Ik eet al een aantal jaren geen vlees meer.Dat komt omdat ik plots wel heel erg ging beseffen dat we zo lijken op datzelfde vlees.Je snapt me wel… Ogen, oren, verlangens, angsten en andere leuke attributen.Dat we in die lekkere bolognaisesaus een gemalen kindje van een koe hadden zitten, dat was me plots teveel.Vlees verloor z’n anonimiteit. Maar dat is mijn gevoel.Op zich heb ik geen problemen met de kringloop van het leven.Een leeuw zal zich vast ook niet afvragen of die sappige antilope een ziel heeft en pijn voelt voor hij genadeloos toeslaat. Het is eten en gegeten worden.Alleen hebben mensen het wel zo voor elkaar dat ze de dans ontspringen wat dat laatste betreft. We hebben de balans heel erg naar onze kant laten overhellen en eten veel meer vlees dan nodig is. Dat wil zeggen dat die balans voor de natuur veel minder goed uitpakt. Dat wil ook zeggen dat we geen respect hebben voor waar we uit voortkomen…Zonder al te veel te willen uitweiden over de criminele omstandigheden waarin dieren massaal aan hun einde komen. Of de enorme belasting die de elementen lucht en water voortdurend moeten slikken.Jaja… Daar wou ik dus niet meer aan deelnemen. Dan maar vrijwillige excommunicatie. Dat ik dat besluit nam, was niet echt een verrassing.Ik was nooit wat je noemt een “die hard carnivoor”.Hield altijd al van de rijke variaties die je met groenten, fruit en granen op je bord kan toveren. Lekker zachte en harde brokjes, reepjes en bolletjes in allerlei smaken en kleuren in je mond. Feestelijk toch!Toch blijkt vegetarisme nog steeds iets “speciaal”, “complex” zo je wil, te zijn.Zo bots ik regelmatig op nieuwsgierige vragen en opgetrokken neuzen. Met m’n alienvoedsel. Hah! Tofu, stel je voor! “Straks wordt ze nog een hippie ofzo” lees ik op hun gezichten. Laatst had ik weer zo’n etentje waar ik de enige vegetariër was. Eén van mijn tafelgenoten zei langs de opgetrokken neus weg dat ik ooit toch wel weer overstag zou gaan.Dat het vlees zwak is. Grapjas.Zoals ik al zei neem ik geen blad voor de mond.Dus zei ik heel bijdehand “Ik vind vlees inderdaad zwak en ik ben tot de tanden gewapend met groenten” Rotzak.“Euh ja dat zie ik”, zei hij “je hebt er wat groens tussen zitten”. Toen werd ik rood als een tomaat. Vegetarisch van kleur. Helemaal ik.

Jasmine Tomballe
6 0

Op z'n hondjes

Omdat ik ook maar een mens van mijn tijd ben – eenzaam, mistroostig en op zoek naar een parkeerplaats voor mijn idealen – schreef ik me recent in op een datingsite. Een zegen, want wie denkt hier alleen zwartgeblakerde mensen, ternauwernood gered van het vagevuur van de liefde, te ontmoeten, is eraan voor de moeite. Het is hier integendeel een opwindend circus van hitsige jongens en meisjes, een beschermd biotoop van hoop, een plek waar de liefde herleid wordt tot zijn ware proporties: alles. Het leukste van de site zijn natuurlijk de profielen: de zelfomschrijvingen en die van de ideale partner. “Het verleden ligt achter me en is een afgesloten hoofdstuk” is altijd een leuke opener – de placenta van de wedergeboorte, geoffreerd als potgrond voor nieuw geluk. Dan zijn er de vrouwen voor wie het leven “een ontdekkingsreis” is, “een pad waarop je samen kan groeien”, de liefde een met lucht gevulde steunzool die je overal en nergens brengt. Er zijn de meer materialistische types. In datingtaal: “Ik geloof dat ambitie en veeleisendheid goede eigenschappen zijn voor een man.” Je hebt de natuurliefhebbers, de cultuurtempelhabitués, de jonge notenkrakende moeders (“een kindvriendelijke activiteit met een lach op je gezicht”) en dames die op zoek zijn naar een klusjesman (“een beetje handig”). De liefde kent dus vele gezichten. De dertigsters wiens hoogste goed de festivalweide is, de veertigsters die eindelijk verlost zijn van hun wederhelft, de vijftigsters die het graag simpel houden maar ook “poly-amorie a priori niet uitsluiten”, de twintigsters die zich sociaal, levenslustig en sportief door de dag boksen om dan ’s avonds hun wegwerphart aan elkaar te lijmen. Er is kortom voor ieder wat wils. Behalve misschien voor het gild der duivenmelkers: 21ste-eeuwse vrouwen gaan graag op reis. Reizen zijn een voorwaarde voor huiselijk geluk. Cynisme is een afknapper. Eens contact gelegd, is de paringsdans begonnen. Op zijn hondjes. Eerst snuffelen, dan knuffelen.

Guy Bourgeois
130 0

Post-Sintum

Als ik voor de derde keer een kop thee wil maken met behulp van mijn espressoapparaat – de koffie was op, oh verschrikking! – besluit ik de beker te vullen met gluhwein. Aangeschaft voor pakjesavond, waar iedereen massaal aan de bubbels en witte wijn ging. Zelfs de goedheiligman bliefde geen glaasje warme bisschopswijn tijdens zijn bezoek. Na een minuutje pingt de magnetron en vult mijn keuken zich met een ouderwets lekkere geur. Het toeval wil dat ik de kerstmarktbeker van vorig jaar gebruikt heb. Zo. Sint voorbij. Da-haag, Sinterklaasje. Kerst in aantocht. Vanmorgen in alle vroegte heb ik de restanten pepernoten en zacht geworden speculaasjes in de dakgoot gestrooid. De meeuwen kunnen hun geluk niet op. En de kat zit al gedurende enkele uren voor het raam te mauwen naar zijn gevleugelde vriendjes. Over de kat gesproken, als ik vanmiddag een kerstboom ga kopen, zal ik ook zeker weer voldoende onbreekbare ballen en dito versierselen moeten aanschaffen. U weet wel, van die lelijke vilten sneeuwmannetjes, klokken van stro en papieren engelen. Mijn Siberische Boskat heeft een voorliefde voor alles wat hem doet denken aan zijn roots. Als een eekhoorn beklimt hij, meerdere keren per dag, de zorgvuldig uitgekozen Nordmann. Vanaf de balk bereikt hij de piek en mauwt hij net zolang, bibberend op een dunne tak, totdat ik hem eruit haal. De bak waar de kerstboom instaat wordt dagelijks gevuld met water, opdat de boom zeker tot oud en nieuw mooi blijft. Dat de boom onderwijl een langzame, tergend pijnlijke dood sterft, lijkt niemand te deren. Bovendien blijkt de bak met water sneller leeg dan gedacht, aangezien de kat heel dankbaar is met zijn nieuwe drinkbak. En het smaakt ook zo lekker naar de natuur, naar het bos. De pokon laat ik dit jaar maar achterwege. Van catnip wordt de kat al high genoeg. Op Kerstavond is er vaak al weinig over van de boom. De versieringen zijn kapot, kwijt of anderszins niet meer in originele staat. De papieren engelen zijn onthoofd, de klokken klingelen niet meer, de plastic ballen zijn stuiterend richting alle hoeken van het huis gerold en het plastic kindeke Jezus heeft een afgekloven hoofdje. Amen. Ik weet nu al dat ik de kerstboom en andere kerstmeuk op 1 januari de deur uitdoe. Vanaf tweede kerstdag verheug ik me daar al op. Dan ben ik die hele zooi al zo zat en is er van mijn VT-wonen-idee van huis is kerstsfeer echt werkelijk waar helemaal niets meer over. Soms neem ik me dan voor om volgend jaar een keer geen kerstboom te nemen. Edoch zwicht ik er ieder jaar weer voor, onder het mom ‘het hoort erbij’, ‘het is zo gezellig’ en vooral ‘ik wil dat mijn zoontje later terugdenkt aan het huis met Kerst, zoals ik ook warme herinneringen koester aan mijn ouderlijk huis in kersttijd.’ Kortom, ook dit jaar ga ik direct na Sinterklaas weer over in de kerstmodus. De kop is er af, de eerste gluwein is gedronken. En nu óp naar de kelder, op zoek naar de lichtjes in de duisternis.     P.S.: Om mijn kat niet helemaal af te blaffen op zijn natuurlijke gedrag, laat ik hem op 1 januari, als ik onder het genot van restjes champagne en koude oliebollen, de restanten versieringen en lampjes verwijderd heb, zich een paar uur helemaal uitleven op de boom. De dagen daarna is hij druk met het wegknagen van de hars tussen zijn pluizige teentjes.    

Juliëtte Rosenkamp
0 0

Bellevue

Een mens kan er niet naast kijken, zelfs al zou hij ‘t willen. De totems van deze stad zijn de schouwen van de stinkfabriek. Als wildemannen en vrouwen sluipen en schuiven we rond haar as. Wie op rechteroever zit, moet naar linkeroever, en wie op linkeroever zit, moet naar rechteroever. Daarom dat die zinloze rondedans meestal stilligt. Mij hoort ge niet klagen. Waar ik ook woon en werk, pinten pak en boodschappen doe, bemin en ruzie maak, ik kijk uit ’t raam en ik zie de rookpluim, een boodschap van onverzettelijkheid.   'Wat er ook mag gebeuren, ik blijf hier en ik blijf staan', lijkt ge te zeggen. Fabrieken mogen dichtgegaan zijn, vertrokken naar het goedkope Oosten, afgesmeten worden om plaats te maken voor exclusieve nieuwbouwprojecten, het maakt al niet uit. Gij geeft niet af. Arbeidersrechten lang geleden afgedwongen, vandaag opnieuw verloren, ’t kan u niet schelen. Ge ademt de geur van bederf uit, van drie dagen zonder wassen, van onverluchte kleren, veel te lang gedragen. Van zattigheid en armoede. Van coral bier en sjisj kebab. Van onverzorgde baarden en doelloos door de stad slefferen.Zoals alles dat een gewoonte is geworden, ruik ik ‘t al niet meer. Uw adem is mijn zuurstof waar ik al een heel leven op teer. Hoe zou ik dan weg kunnen naar een ander stad, als gij verbonden zijt met al mijn moleculen en cellen? Ik adem deze plek. Mijn hele leven ligt in uw schaduw. Dus ik ben de wildevrouw die rond u heen cirkelt en toerkes draait op uw zotte carroussel. Die verhuisde van rechteroever naar linkeroever en terug. Tweemaal daags de brug oversteekt en u groet. Uw lucht inhaleert en vloekt op uw lelijkheid. Stilstaat op het plein aan de brug als de ochtendzon opduikt vanachter uw torens.

Liesbeth Vanderbeke
0 0

We Zien Wel

Vandaag ben ik heel erg vrij want het is een Belgische feestdag. Wapenstilstandsdag.Dan vieren we het einde van de Eerste Wereldoorlog.Ik heb niets met wapens.Wel met stilstand en dan vooral de horizontale variant.Dus zeg maar dat ik gewoon een vrije dag vier.En wel eentje met onfatsoenlijk veel zon voor november.Opwarming van de wat?Met al mijn feestvreugde besluit ik er op uit te trekken.Beetje casual door de stad dwalen.Ik trek m’n stoute sneakers aan, stift m’n lippen rood en hop.Eerst ga ik maar eens wat chlorofyl snuiven in het stadspark.Dat valt tegen want het meeste groen is nu wel vergaan en je kan het overigens niet snuiven.Niettemin een mooie plek om even te reflecteren over de stinkende vijver en het florissante zwerfafval.Al snel zet ik mijn dooltocht verder.Na de parade van gesloten winkels en ontredderde toeristen kom ik aan bij de Schelde.Hier maak ik rechtsomkeert want ik kan niet over water lopen. Op de terugweg ga ik een straat in die ik zo goed ken dat we elkaar bij de voornaam aanspreken.Er is wat veranderd.“Is het je haar? Nieuwe bril? Ben je vermagerd?” vraag ik.“Nee” fluistert het asfalt “het is die koffiebar op nummer 12”.Nu je’t zegt, ja!Die ga ik checken want ik ben niet vies van het zwarte goud en het past in mijn ongeplande plan.De bar ziet er gezellig en hipstervriendelijk uit.Op het vrolijk beletterde raam lees ik “pop up koffiebar”.Zucht. Zeitgeist ook.Op het begin was het nog “Pop up? Ken ik niet? Vertel me meer over dat magische woord…”Nu geeuw ik “Uhu, ga maar in de pop up rij staan, ‘t is toch maar voor even”.Pop up hotels, pop up restaurants, pop up galerijen, pop up winkels, pop up relaties, pop up levens, pop up realiteit.AL-LES is tegenwoordig pop up. #wezienwel.Maar…niets is voor eeuwig.Dat wisten we toch al?Hoezo heeft tijdelijkheid plots zo’n stompzinnige naam nodig?Alsof bindingsangst een bedrijf is geworden.Nog zo’n buzzword.IE-DE-REEN heeft tegenwoordig bindingsangst. #ba.Zo van; “Heb jij al bindingsangst?”“Nee, ik weet nog niet of ik er al aan toe ben om het toe te laten” Ook ik lijd er aan, hoor.Ik heb moeite met veters en vind maïzena huiveringwekkend.Terwijl ik de menukaart bekijk, komt een oude bekende binnenwaaien.Het is Joost. Met Joost had ik ooit een hele leuke tijd tot hij zijn geheime wapen bovenhaalde.Je raadt het al. Bindingsangst.Hij ziet mij en m’n rode lippen ook en komt casual naar me toe gelopen.Hij neemt heel casual plaats tegenover me en we voeren een casual gesprek om te bewijzen hoe vrij we in het leven staan.Dan stelt hij de vraag.“Weet jij wat hier de wi-fi code is?”Ik zeg dat Joost het mag weten.“Oh haha..ik ga het even vragen dan. Ik ben liefst altijd verbonden”.Bindingsangst en verbindingsobsessie. #generatiedingetje.

Jasmine Tomballe
0 0

Het rijk voor mij alleen!

Hier heb ik echt naar uitgekeken: heerlijk de hele avond het rijk voor mij alleen! Hoe zal ik dat eens gaan vullen... Zou zoveel willen doen, dat ik wel een weekje voor mezelf kan gebruiken. Met  een hapje en drankje voor de buis of aan de schrijf, bezig met de website of gewoon lekker lezen? Telefoon en tablet aan de kant. Druk even de tv aan, languit op de bank met een kopje thee...   Als ik verkleumd wakker word in het donker, is er inmiddels op tv een dame allerlei telefoonnummers aan het aanprijzen en is mijn thee koud. Langzaam wordt de rest van mij wakker en besef ik waar ik ben en dat mijn avondje voorbij is. Want zo te voelen is de verwarming al even uit. Dat is lekker dan! Voordat ik er van ga balen, knip ik een lampje aan. Twee uur! Dan dringt het tot me door: waarom is hij nog niet thuis? Hij zou het toch niet laat maken? Ach het is vast gezellig en zo heel laat is het ook nog niet.   Ik verhuis naar mijn bed en verwacht eigenlijk ieder moment dat hij thuis komt.  Pfff verwachten duurt lang! Zeker weer de tijd vergeten of misschien wel een lekke band? Moet hij zijn telefoon maar mee nemen. Waarom heb ik nu uitgerekend de laatste man zonder horloge en zonder whatsapp? Wat als er wel wat gebeurt?   Zo kan ik toch niet slapen,  dus maar weer naar beneden. Thee herkansing. Zinloos kijk ik uit het raam of hij er al aan komt, alsof het dan sneller gaat. Wat als er echt iets gebeurd is en hij ergens op straat ligt.  Gevallen of in elkaar geslagen? Wie moet ik nou bellen als hij helemaal niet thuis komt? Volgende keer moet hij echt z'n telefoon mee nemen. Straks belt het ziekenhuis... Wat moeten de kinderen zonder vader? En ik zonder mijn man? Krijg er een knoop van in mijn buik.   Dan hoor ik de sleutel in het slot en  "Hé, ben je nog wakker?". "Ja ik kon niet slapen,  heb je het leuk gehad?"   Langzaam verdwijnt de knoop weer. Het is kwart over twee,  ik ga slapen...

Liselotte Schippers
12 0

Hoe vaak keert hun brand weer terug?

Toen ik nog klein was hebben we een keer schoorsteenbrand gehad. Wat ik me er van kan herinneren is dat we vanuit het slaapkamerraam van mijn vaders tante, die bij ons in de straat woonde, toekeken hoe de verschillende brandweer- en politieauto's in de straat verschenen. We zagen hoe de hele buurt zich verzamelde en dat zíj wél konden zien wat er bij ons thuis gebeurde. Een buurjongen stond er nog bij te lachen ook! Het was echt niet grappig! Zelf heb ik maar één klein steekvlammetje mogen zien, toen werden we direct naar mijn vaders tante, tante Cor, geloosd.   Gevolgen waren enorm: oud en nieuw werd nu niet bij ons thuis gevierd, maar bij Tante An. En op mijn slaapkamer was de brandweer, zo lomp in mijn kinderogen, zonder pardon over rood crêpepapier gelopen. Het was van de kerstversiering voor mijn ramen. Dat ik het zelf had laten slingeren telde niet mee. Het was mijn kamer. Met vanaf toen voor altijd rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking.   Natuurlijk belangrijker, waren we allemaal ongedeerd en is ons huis niet tot op de grond afgebrand. Brand effectief geblust! Mijn moeder probeerde het eerst met een washandje, maar de brandweer bluste uiteindelijk toch beter. Behalve dan dat ze geen rekening hielden met het rode crêpepapier...   Uiteraard heb ik hier niets aan overgehouden. Behalve elke keer als ik bewust een brandweer hoor. Dan ben ik even thuis. Rijdt hij naar mijn huis? Is er iemand thuis? Dan gaat de gedachte weer en hobbel ik gewoon verder in het ritme van de dag.   Als ik dan denk aan al die 'écht' getraumatiseerde mensen, door wat dan ook en waar dan ook. Waar het veel verder gaat dan alleen maar rood crêpepapier. Hoe vaak keert hun brand weer terug? Kunnen zij gewoon weer verder hobbelen in het ritme van de dag?   Niet dat je kan kiezen, maar dan ben ik blij met en dankbaar voor mijn rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking!  

Liselotte Schippers
0 0

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0