Zoeken

de tandarts

In deze seculiere tijden zijn er nog maar weinig functies of beroepen die ons ontzag inboezemen. Gelukig troont er nog altijd 1 figuur bovenuit - god en duivel verenigd in 1 persoon: de tandarts. De geneeskrachtige, verlossende eigenschappen die wij, stervelingen met tandpijn, hem of haar toedichten zijn van een bovenaardsheid die zelfs het opgetelde bevattingsvermogen van god, boeddha, allah en thor overstijgt. Die klinisch witte schort, die futuristische toestellen, die diploma's aan de muur, die astronomische facturen: bij zoveel bovenmenselijkheid rest ons alleen onderdanigheid en een schietgebedje. Hier leer je weer de overgave, je legt je lot in de mijnwerkershanden of spichtige vingertjes van krachten die je verstand te boven gaan - gaatjes heten hier cariës, de hondsdolheid loert achter het behang.  Wanneer ze erop los ratelen kijk ik diep in hun ogen - zowat het enige object in mijn blikveld. Terwijl de tovenaar zich met pikhouweel, beitel en hogedrukreiniger een weg wroet naar de zingevende zenuw van mijn bestaan, hoop ik een reflectie van de schepper te kunnen opvangen in de iris van zijn aardse vertegenwoordiger. Hoe dieper hij boort, hoe groter het mysterie en de factuur. Ik heb maar weinig geluk gekend bij deze intieme handelaars in mondhygiëne. Eens de verdovende middelen zijn uitgewerkt, volgt de ontnuchtering. Het witte licht aan het eind van de tunnel bleek niet meer dan de verblindende tandarts-lamp. Bij mijn vorige bezoek kwam ik terug met een tranend lodderoog en een neus die op springen stond. Die daarvoor zadelde me op met een ontsteking waar die andere witte schort, apotheker genaamd en doorgaans een wandelende reclamezuil voor antidepressiva, zowaar vrolijk van werd. Maar ik weet dat deze beproevingen slechts dienen om mijn geloof te testen, en versagen doe ik niet. Mijn laatste tandartsbezoek is dan ook een vervolgverhaal. Zij ziet haar hele wereldbeeld gekanteld. Of de zenuw is zeer levendig en verstopt zich, of de zenuw is daarentegen zeer doods en afgestorven. Of de wortelkanalen zijn verkalkt, of ik speel met haar voeten. In elk geval, het komt erop neer dat ze bloed wil zien en dat mijn tanden haar dit genot onthouden. Het gezag is ontsteld, de woede kanaliseert zich in haar kloppende halsslagader. Bij het weggaan hoor ik een orgastische, wellustige kreet, als van een jakhals met tandpijn. Ik werp een blik in de wachtkamer en knik steungevend naar de volgende, berouwvolle gelovige. Op de gang wijk ik uit voor de vijfliterflessen javel. Een beetje tandarts verwelkomt je met een bebloede schort.

Guy Bourgeois
43 1

Kleine broer

Ik luister naar jazz. Jazz op de radio. De lichten langs de verlaten autosnelweg gaan schuil in de duisternis en de wagen is mijn boot die zeilt over het asfalt. Na een fijne avond, rij ik weg van ’t stad richting rand van de wereld. Hij woont met zijn lief in het bovenste appartement van een residentie gebouwd in de schone jaren stille. We zitten aan tafel bij het grote raam. De straat gaat verscholen onder het breed bladerdak van een rij stoere bomen. We eten boterhammen met kaas. We lachen. Praten over nieuwtjes en vroeger. Zijn lief zit bij ons aan tafel, maar eet niet mee. Hij is zo aardig geweest om dinerplannen buitenshuis te maken zodat wij zonder aarzelen kunnen keuvelen. Ik zit tegenover hem aan tafel en luister aandachtig naar zijn verhalen over studie en werk. Over dromen en de liefde. Ik bewonder hem, om zijn discipline en kracht. We kiezen voor gemberthee en terwijl het water kookt, vertelt hij over de plannen die ze hebben met het appartement. Hij gesticuleert groots waar de wasplaats komt en hoe de keuken eruit zal zien. Mijn gebrek aan ruimtelijk inzicht volgt zijn verbeelding niet, maar ik ben er zeker van dat het prachtig zal zijn. In gebreid goed nestelen we ons op het kleine terras achteraan. We lachen. Met twee handen hou ik mijn kopje thee vast en turen we naar de gebouwen. De stilte die over de daken sluimert, verrast me. We troosten. Wanneer een tweede rondje thee trekt, klimmen we via de brandtrap naar het dak. We zijn getuige van een Miami Sunset en voor heel even ligt de wereld aan onze voeten. Alles is mogelijk. Ik zou in zijn hand willen knijpen van geluk, om het zijne en het mijne. Zijn lief vindt ons in het donker bij een kaarsje. We drinken ons laatste kopje van de avond. Ik zou nog even willen blijven, te midden van hun warme liefde. Bij het afscheid geef ik hem een knuffel. Ik knijp even in zijn armen en wens dat hij er voor altijd zal zijn. Zoals een jongere broer die onlosmakelijk met je verbonden is. Mijn courageuse vriend, ook gij zijt een schoon mens. (Foto: Emanuel Smedbøl)

Katrien Meermans
0 0
Tip

Overstuur

Gent, 45. Konden die ruitenwissers maar grote kuis houden in mijn kop. Even sproeien en alle stront weg, gewis. Er zouden hier en daar wel wat sporen achterblijven maar daar zou ik kunnen doorkijken. Nu zie ik niet hoe ik verder moet. Gent, 41. Radio 1 en volume zes gaan ’s avonds laat goed samen. Ze sturen me door de donkerte, netjes tussen de lijntjes maar met een blik op oneindig veel mogelijkheden. De angst zit er nog in maar de dwang bolt eruit. Hij zal me nooit meer liggen hebben. Hij, met zijn harteloze stem en zijn directief gedoe. Hij, die aan niemand zijn ware gelaat durft te tonen. Hij kan vertrekken, ik kom er wel op eigen kracht. Gent, 34. Gent, 33. Een witte Twix in een tankstation. Meer heeft een mens niet nodig om zich compleet en alleen te voelen. Twee repen, dat zijn twee minuten stilte die wegsmelten met zicht op de volgende oprit. Dit gaat lukken, ik proef het tussen mijn tanden. De sleutel glijdt te soepel in het slot, de motor start te strak – ik ben niet stuurloos, wat hij ook beweert. Gent 28, 27. ‘Ip min knieën!’ Wannes Cappelle slingert zijn ziel door de boxen. Mijn mond zingt mee maar ik meen het niet. Mij krijgen ze niet meer klein. Jarenlang heeft hij mijn doen en laten beheerst. Ik volgde hem blindelings, vol vertrouwen, zonder reden. De vanzelfsprekendheid in zijn stem schakelde keer op keer mijn doen en denken uit. Monddood was ik. Maar die tijd is voorbij. Voortaan voer ik het hoge woord en kies ik de keerpunten. Van dat ene leven ben je maar beter de chauffeur dan de passagier. Gent, 23. Die voor mij haalt alles uit haar neus wat erin zit. Ik haal links in en weersta de drang om opzij te kijken. Ik wil vooruit, met deze geit en met mijn leven. Niet blijven plakken aan neuskeutels die toch van geen wijken willen weten. Omwegen, binnenbanen, stroken vol kinderkopkes: alles wil ik pakken, zolang hij zich er maar niet mee bemoeit. Gent, 19. Gent, 18. Wie niet weg is, is gezien door flikken en flitspalen. De herinneringen aan onze reizen samen razen voorbij, maar met 122 kilometer per uur en mijn handen aan het stuur kunnen ze me niets maken. Nog even en alles is van de baan. Gent 15, 14, 13. Zou hij mij missen? Ik ben zomaar vertrokken, heb hem botweg laten liggen. Waarschijnlijk heeft hij nooit echt beseft dat ik bestond. Wellicht heeft hij er nooit bij stilgestaan dat ik een mens ben met een mening. Hij en ik, dat was een straatje zonder einde. Zijn monotone monologen hingen altijd in de lucht. Hij verstoorde elk gesprek zonder zichzelf of zijn timing ook maar een moment in vraag te stellen. Zwijgzaam volgen, verder ben ik nooit geraakt. Maar nu ben ik weg, op weg naar mezelf. Gent, 9. We zijn er bijna. Ik ben nog niet helemaal bekomen, maar hoe meer torens ik zie, hoe minder ik twijfel. Het is voorbij. Wég, strop! Wég, wijzer! Ik zoek het zelf wel uit! En als ze me vragen ‘woar goade noartoe’, zeg ik gewoon dat ik een toerke doe. Wie weet waar mijn buik en mijn botten mij morgen brengen. Joost mag het weten, hij moet het me niet vertellen. Ik zoek tot ik vind wat ik mét hem nooit had gevonden. Gent, 5. Gent, 4. Ik chauffeer door de straten, op mijn gemak, met het centrum van voren, de wind vanachter en overdreven veel goesting in mijne frak. Hoe ik ook draai of keer, ik kom altijd weer bij mezelf uit. Alle wegen leiden me precies naar daar waar ik moet zijn. Wat heb ik eigenlijk ooit in hem gezien? Hij was mijn rem. Nu is het tijd om gas te geven. 3, 2, 1, Gent. Ik ben thuis – zónder gps. Hij kan me gestolen worden.

a little bit of soap
14 3

Balanceren

Het is opnieuw balanceren op het randje. Ik sta voor het keukenraam en kijk hoe de zon achter de brug langzaam de velden in glijdt. Een merel imponeert zijn vrouwtje en mij met zijn gezang. Een trio duiven, dicht bij elkaar genesteld op het bladerdak van de berk, sluit de ogen. De lichten van voorbijrijdende auto’s schudden me wakker. Ja, ik hou echt van deze plek. Een beetje verstopt richting rand van de wereld. De boerenbuiten en de nodige activiteiten zorgen voor de welkome verpozing na een dagje kantoor. Met mijn botten aan, wandel ik met een jongenspasje over ons kleine erf. Langs de bessenstruiken onder de fruitbomen, naar het water. Op de tippen van mijn tenen bewonder ik de overvolle serrebak. Als alle plantjes slagen in hun groei, weet ik binnenkort niet wat ik eerst moet doen. ‘Wat ben je van plan?’, vraagt mijn lief vanuit een stoeltje bij de kippenren. Met een zak potgrond geklemd tussen mijn armen en lijf sta ik met rode wangetjes naast een enorme bloempot. ‘Venkel zaaien.’ Hij schudt een beetje met zijn hoofd en denkt aan het vele hooi dat ik op mijn vork neem. Maar ik moet kunnen ontsnappen omdat het moeilijk blijft. Dat inpassen in een wereld waarin je je niet begrepen voelt omdat je niet krijgt uitgelegd hoe dat nu precies met je zit. Onwennig en bang, kom je afstandelijk en koel over. Een verlegen luisteraar die struikelt over de woorden die haar gedachten niet kunnen volgen. Nieuwe mensen, die tast je liever even af. Uit een ooghoek sla je ze gade, achter je rug volg je het gefluister. Daarnaast ben ik ook ongelooflijk traag. Pieken voor mijn dertigste, dat zal er niet meer in zitten. Ook al zegevierde mijn liefde voor het schrijven in mijn kindertijd en kon ik er mijn tienerverdriet in kwijt, de eeuwige twijfelaar in mezelf rende uiteindelijk heel hard weg voor de leeuwen.Reeds vijf jaar trek ik tijdens de gebruikelijke uren dezelfde schoenen aan en probeer ik onopvallend te passen binnen een of andere maatschappelijke verwachting. Maar als ik heel eerlijk ben, hoor ik thuis aan de schrijverstafel. Met een wand vol boeken als ruggensteun en Max Richter als toeverlaat. Er valt nog veel te leren, de groei is nog maar net begonnen. Zonder te wedijveren met anderen, maar met een beetje druk van het lief ben ik op zoek naar die zelfdiscipline van het schrijven en schrappen. Van het stoppen met angstvallig weg te lopen van ik wat ik toch zo heel graag doe. Ons huis is mijn glazen stolp, ons kleine erf een paradijs en in mijn hart is het soms een kleine hel. Angst zet, vaker dan ik zelf wil, een klem op mijn zijn en durven. Dan is het makkelijk vluchten in uitstelgedrag en opgerold als een bolletje liggen knabbelen op rampscenario’s. Zo nu en dan, staat het water van de ingebeelde ramp tot aan mijn lippen. Dan sluit ik de ogen en tel ik af naar de verdrinking. Tot hij mijn vermoeide lijf uit het water hijst en we mijn verdriet in slaap wiegen. (Foto: onbekend)

Katrien Meermans
0 0

Heden

Men leeft nooit ten volle in het heden. Mensen maken zich vaak zorgen over de toekomst of mijmeren over vervlogen tijden. Soms is men zelfs blind voor hetgeen er zich recht voor hun neuzen afspeelt. Hoe vaak zeggen mensen niet: ‘Och, kon ik de klok maar terugdraaien.’? Maar het verleden kan je niet veranderen. Je kan enkel iets doen in het heden en hopen dat het je niet zal blijven achtervolgen, dat je de juiste keuzes maakt. Maar wat je in het heden doet kan ook de toekomst veranderen. Door die keuzes. Ja of nee. Uiteindelijk wordt het heden het verleden en dingen waar je je zorgen over maakte verdwijnen, soms besef je dat die zorgen eigenlijk helemaal niet nodig waren, op andere momenten waren die zorgen terecht en ben je blij dat dat nu verleden tijd is. En de toekomst wordt het heden. Als kind vraag je je af hoe het zou zijn als je ouder bent. En als je dan ouder bent wil je weer kind zijn. Minder dilemma’s. Minder zorgen. Minder moeilijkheden. Als je ouder bent verwacht men meer van je. Het heden. Het nu. Hoe ver strekt zich dat eigenlijk uit? Wat je ’s morgens beleeft hoort eigenlijk ’s avonds al in het verleden. Want dat moment is weg. Wat je toen hebt gedaan kan je niet meer veranderen. Dat extra koekje waar je misschien spijt van hebt dat je hebt gegeten is weg. Maar je kunt dat in twijfel trekken. Een job hebben of studeren hoort ook tot het heden. Maar zie je al die jaren dat je al hebt gewerkt of al gestudeerd hebt als het verleden? Of reken je het tot 1 geheel. Iets dat nu gebeurt? Als je aan de hogeschool of de universiteit zit hoort het secundair onderwijs tot het verleden, dan mijmer je soms over die tijden, vraag je je af of je wel de juiste studierichting hebt gekozen, of het niet allemaal veel simpeler was in dat secundair onderwijs. Terwijl je waarschijnlijk toch wel heel blij was toen je eindelijk dat secundair schooldiploma in ontvangst kon nemen. Eindelijk verlost van die banden. Klaar voor een nieuw begin. Als je in het secundair onderwijs zit, behoort de lagere school tot het verleden. Een hoofdstuk dat is afgesloten. Je voelt je groot. Eindelijk naar dat secundair onderwijs. Je bent trots op jezelf. Maar als je in het derde middelbaar zit, reken je het eerste jaar dan tot het verleden of zie je je middelbare schoolcarrière als 1 geheel dat zich in het heden afspeelt? Je kan jezelf veel vragen stellen over het heden. Je kan het niet exact definiëren. Je kan het niet afbakenen. Het heden schuift voortdurend op, net zoals het verleden en de toekomst. Er komt elk jaar weer een jaar geschiedenis bij. De aarde wordt steeds ouder. Jij wordt steeds ouder. Telkens je een jaar van het ‘heden’ voorbij bent komt er bij het verleden een jaar bij en gaat er bij de toekomst een jaar af. Maar wat zie je als de toekomst? De tijd die je rest voor je doodgaat? Of fantaseer je ook over dingen die na je dood zullen plaatsvinden? Want dat is ook toekomst. Je kan eigenlijk op geen van de drie begrippen een exacte definitie plakken. Je kan ze wel beschrijven, er een vaag idee over hebben, maar het valt niet af te bakenen. Het enige dat zeker is, is dat de tijd ongenadig verder blijft tikken. Het is iets wat bij dieren niet bestaat. Wat de mensen zelf hebben gecreëerd om meer orde te krijgen in het leven. Tijd gaat voorbij. Het schuift op. Net zoals het heden. Net zoals het leven. John Green heeft ooit vanuit de ogen van zijn personage Alaska Young het leven vergeleken met een doolhof: “You spend your whole life stuck in the labyrinth, thinking about how you'll escape one day, and how awesome it will be, and imagining that future keeps you going, but you never do it. You just use the future to escape the present.” We gebruiken de toekomst om te ontsnappen aan het heden. En eigenlijk klopt dat ook. Als er iets tegen zit zeggen we vaak: “Het komt wel goed.” Als je ziek bent wensen we elkaar veel beterschap. In de toekomst zal alles wel goed komen. Men focust zich niet op het heden maar op de toekomst, want wat je in het heden doet bepaalt je toekomst. Je studeert om in de toekomst te kunnen werken. Je gaat werken om in de toekomst te kunnen overleven. Alles wat je in het heden doet, doe je om je toekomst beter te maken. Je probeert de goede keuzes te maken want goede keuzes zorgen voor een mooie toekomst. Maar iedereen maakt fouten, bewust of onbewust. Soms maak je een bewuste keuze waarvan je verwacht dat het de goede is maar uiteindelijk toch niet zo blijkt te zijn. Zo’n keuzes blijven je blij. “Kon ik de klok maar terugdraaien.” Dat is de andere kant. Soms blijven mensen hangen in het verleden en doen ze niets om hun toekomst veilig te stellen. Ze mijmeren over dingen die vroeger beter waren. Over wat er zou gebeurt zijn als ze andere keuzes hadden gemaakt. En dan heb je nog mensen die volgens ‘carpe diem’  leven. Mensen die zich geen zorgen maken over de toekomst, die niet mijmeren over het verleden maar gewoon leven. Mensen die last-minute iets beslissen en niet te ver vooruit plannen. Want plannen kunnen in het water vallen. Ze leven nu. Durven risico’s te nemen. Het zijn mensen die wel zien wat er op hen afkomt. Die zich laten verrassen. Het leven is een doolhof. Sommigen zoeken de weg terug. Proberen een afgesloten stuk weer te openen. Anderen zoeken hopeloos een uitgang, vragen zich voortdurend af wat er zich in het doolhof bevind. En nog anderen wandelen gewoon rustig rond in dat doolhof en zien wel wat er gebeurt. Maar ook mensen die volgens het ‘carpe diem’  leven moeten keuzes maken. Een doolhof gaat niet eeuwig rechtdoor. Soms je moet je kiezen tussen rechts en links. Een rustig pad of een wild pad. Een pad met obstakels of een pad zonder obstakels. Het leven is een doolhof. En je hebt drie keuzes. Op zoek gaan naar de toekomst, de uitgang zoeken en ontdekken wat er achter die uitgang verscholen zit. Je kan proberen terug te gaan, het verleden opnieuw te beleven. Of je kan leven in het heden. Het doolhof rustig verkennen. Je geen zorgen maken over de toekomst. Niet mijmeren over het verleden. Maar gewoon leven. In het nu. In het heden.

Quies
17 0

Ben ik wel een man?

“Ben ik wel een man?” Vraagt Giel zichzelf af terwijl hij zittend op het toilet zijn penis bekijkt. Het verschrompelde ding tussen zijn benen heeft meer weg van een rotte peer, of een baarmoeder die naar buiten gekeerd is na een zware bevalling. Terwijl hij voorzichtig de laatste druppels urine eruit knijpt met zijn linker hand, drukt hij met zijn rechter hand het gaatje bovenaan stevig dicht. Moeder natuur heeft hem namelijk met twee van die plasgaatjes opgezadeld. Alles behalve comfortabel wanneer je op de trein naar het toilet moet. Met beide voeten knelt Giel zich vast, toch weet een schok hem aardig te verrassen. De trein is kort en bruut tot stilstand gekomen. “Zouden we al in Brussel zijn?” In Brussel-Zuid moet hij eraf. Van daaruit vertrekt de Thalys richting Parijs. Waarom moest hij ook net nu zo dringend naar het toilet? Op de Thalys zou hij veel meer tijd hebben om zijn penis te sonderen. Na elke plasbeurt herhaalt Giel dit wansmakelijk ritueel. Met een staafje dringt hij eerst bovenaan zijn urineleider binnen om de laatste resten er eigenhandig uit te zuigen. Vervolgens herhaalt hij deze handeling via het gaatje vooraan. Het ballonnetje vult zich al aardig met vlokken. Plots volgt er nog een schok, alsof de trein zich ontkoppelt. Een scheurende pijn trekt via zijn piemel tot in Giels maag. Vooraan zit het buisje er nog in maar er werd duidelijk schade aangericht. Het opgevangen vocht kleurt volledig rood. Terwijl de ballon zich opblaast krijgt Giel een opstoot van koud zweet. Zijn lichaamsharen staan rechtop terwijl de kralen zweet via zijn rug naar beneden glijden. “Nu niet het bewustzijn verliezen” denkt Giel vlak voordat alles zwart kleurt. Plof! een zware klap. Langzaamaan komt er weer licht naar binnen, zuurstof, geluid. De deur is open. Een dame reikt hem de hand. “Hier meneer, een maandverband”.

Lezzl
5 1

Facebook voor Napoleon

Geachte heer Bonaparte, Sta me toe zo vrij te zijn, u Napoleon te noemen. Excuses voor mijn taalgebruik mocht het niet binnen de protocollen vallen. Ik ben een eenvoudige dame die het graag een beetje simpel houdt. Hoe anders kan ik u, de grote Napoleon, een futuristisch fenomeen als Facebook uitleggen? Eigenlijk kan ik Facebook het best omschrijven als een virtuele Blitzkrieg. In tegenstelling tot u trekken wij er vandaag de dag niet lijfelijk op uit om onze vijand een kopje kleiner te maken. In onze tijdsgeest hebben wij daar helaas noch de tijd, noch de ballen voor. Eigenlijk zijn we er fysiek ook helemaal niet meer toe in staat. 24u op 24u zijn we digitaal verbonden. Dit wil zeggen dat we altijd en overal bereikbaar zijn en dus ook ‘kunnen bereiken (of treffen)’. Velen van ons zitten gewoon de hele dag op een stoel achter een scherm in een bureau. Anderen steken een apparaatje op zak waarmee ze vanuit hun binnenzak kunnen communiceren. Vanuit deze strategische posities zijn we in staat om de hele wereld onderhuids te domineren. In de plaats van wapens, paarden en kanonnen gebruiken wij woorden, foto’s en videofragmenten om anderen een slecht gevoel te geven over zichzelf. We noemen onze doelwitten eerst vrienden om ze nadien stilletjes als vijand onderuit te halen. De stijl van onze berichtgeving is vergelijkbaar met uw manier van oorlog voeren: snel en agressief. Berichten verspreiden zich als een lopend vuurtje. Doormiddel van één simpele vingerklik kunnen wij wereldwijd ‘treffen’. Hoewel de pijn van onze psychische wapens soms minder snel tot mensen door dringt, is de schade vaak minstens even diepgaand. Het effect van onze acties kan jaren later nog steeds voelbaar en zelfs zichtbaar zijn. Hoewel Facebook als een droom klinkt voor iedereen die iets wil bereiken in zijn leven, kan Facebook ook net het omgekeerde effect bereiken. Alles hangt ervan af hoe flexibel de geest van de gebruiker is, hoeveel inzicht hij heeft en op welke manier hij in het leven staat. De wereld vandaag is complexer geworden. Sommigen onder ons denken teveel, en anderen denken veel te weinig. Zo zijn er mensen die zonder enige schroom al hun doen en laten op Facebook delen. Zo weet ik bijvoorbeeld wanneer mijn buurmeisje een bad neemt. Er zijn koppels die via deze virtuele verbinding discussiëren en naar een echtscheiding toeleven. Werkgevers analyseren ons profiel en controleren al onze activiteiten. Woorden en beelden blijven vereeuwigd en kunnen levenslang tegen ons gebruikt worden. We zijn in staat om andere gedaantes aan te nemen om zo te infiltreren in het leven van onbekenden. Het is een voortdurend spel van actie en reactie. Wij noemen het ‘interactie’. Het is dus niet gepermitteerd om naïef en ondoordacht te werk te gaan. Terwijl we strijden met de wereld zijn we in staat om ook onszelf in één simpele beweging in te halen en te verslaan. Een zieke of zwakke geest kan via Facebook veel verzieken. Beste Napoleon, ik zou nog eindeloos kunnen doorgaan over de min- en pluspunten van Facebook. Toch ben ik ervan overtuigd dat een kordaat man als u er liever meteen in zou vliegen mocht hij de middelen hebben. Maar onderschat zeker onze motieven niet. Stratego of schaak kan soms veel eenvoudiger zijn dan een spelletje virtueel en psychisch oorlog voeren. Onthoud vooral goed: “Een verwittigd man is er twee waard maar op Facebook heeft u duizenden vrienden.” Mocht u verdere vragen hebben, aarzel dan zeker niet om mij te ‘frienden’. Met de beste intenties, Lesley Courtois

Lezzl
0 0

Wonderschoon

Onder de bomen zitten twee grote konijnen. Met rechte rug en bewegende neusjes observeren ze de tuin. Voorzichtig wagen ze zich op open terrein en smullen stiekem van de bloemenweide. Ook de waterhoen is deze ochtend van de partij. In het vogelhuis smult hij van de grote vetbol. Zijn vrouwtje heeft de kat gestuurd. Op de nok van de wintertuin regeert een groep kauwen. Met geheven hoofden houden ze de duiven statig op een afstand. Voor de deur worstelt een roodborstje met een vers gevangen wormpje, terwijl iets verder een vogeltje zo klein bijna onopgemerkt schuifelt. Plots duikt Patrick, het kleine konijn op. Met schattige sprongetjes nadert hij ons nest tot hij zo dicht is, dat ik hem niet meer kan zien. Ik snel naar het keukenraam en niet veel later betrap ik hem tussen onze vergeet-me-nietjes. De spin aan het keukenraam deint zachtjes op het ritme van de wind. Een tweede klein konijn piept door het gat in de deur van de wintertuin. Hij twijfelt en schuifelt terug naar binnen. Even later sluipt hij dicht tegen de muren naar de plek waar binnenkort de kippen zullen kakelen. Knoppen verschijnen op de takken van de bomen. De pruimenboom pronkt zelfs al met de eerste bloesems. Het is zeven uur ’s ochtends en vol verwondering loop ik van het ene raam naar het andere. Ik denk terug aan de voorbije dagen toen tijd niet bestond en de wereld slechts een tuin groot was. Groenten rooien en zaaien. Bloemen schikken en planten. Ik voel de zon op mijn gelaat en de wind in mijn haren. Wroetend in de aarde koester ik deze kostbare eenvoud als zwart goud. Ik omarm ons nest dat als een veilige haven nabij het water ligt. Verborgen achter het hoge riet en beren van bomen. Voor het eerst sinds weken krijgt mijn verlangen naar de schrijftafel opnieuw vorm. Ik heb zowaar echt goesting om te schrijven en te schrappen. Om de ideeën, die een winter lang gebroed hebben, te zien uitkomen. Voor ik het besef, betrap ik mezelf wachtend op het onheil dat zich als een zondvloed over mij zal werpen. Zo veel geluk, is dat een mens wel gegund? Ook wij hebben ons kruisje boven de deur en een emmer historische tranen, maar wat wij vooral hebben is een thuis. En dat … is wonderschoon. (Foto: Christian Heuer)

Katrien Meermans
0 0

Dipje

Op de eerste ochtend van het jaar knijp ik mijn ogen dicht tot ik sterretjes zie. De muziek die in de straat weerklinkt, maakt krasjes op mijn ochtendhumeur. Ik open mijn ogen en staar naar mijn lief, maar hij slaapt te diep om mijn kijkers te voelen priemen. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht als ik aan de vorige avond denk. In een sprookjesachtige kamer vierden we met veel gezelligheid de laatste avond van het jaar. Hij en zij. Wij. Eenvoudig lekker eten en vuurwerk langs alle kanten. De muziek verstoort de herinnering en dwingt me op te staan. Ontstemd graai ik wat kleren van de vloer en kleed me aan. In een slaperige haast, glijd ik bijna van de trap. Mijn hart slaat een slagje over en mokkend sta ik op blote voeten voor het huis. Mijn blik is wazig en ik kan de bron van de muziek niet duiden. Net voor de deur dicht valt, kan ik haar tegenhouden. 'Ook dat nog', mopper ik in mezelf. De stoep is te koud en snel sluip ik weer naar binnen. Gedraaid in dekentjes lig ik in de zetel. Ik staar naar de donkergrijze wolk boven de televisie. Ze volgt me nu al een tijdje en hoe harder ik haar doodzwijg des te donkerder ze kleurt. Met een grote frons daalt mijn lief de trap af om even halt te houden bij de zetel. ‘Muziek’, zegt hij met een zware en vermoeide stem. Ik open de berg dekentjes en dicht bij elkaar kijken we naar dieren in het wild. Bij zijn verschijning drijft de wolk af en lanterfant ze een beetje in een hoekje. Ze lijkt zelfs lichter van kleur en even vergeet ik haar. Maar enkele dagen later, regent het tranen in de woonkamer. Her en der zet hij emmertjes. En in de onweersbui vormen we samen een bolletje. Hij luistert en sust. Hij wiegt en aait. Hij belooft: 'Alles komt goed'. (Foto: Karin and the camera)

Katrien Meermans
0 0

Roos en de Makelaar in Ontroerende Goederen. Aflevering 4: Een schot in de roos?

Het is net één dag na de dag die me met precisie en feitelijke trefzekerheid vertelt dat ik een jaar ouder word, hetgeen ik uiteraard met verve en kleur en een avond doorbrengen in jonger gezelschap heb trachten te negeren. Luid feestvieren, lachen en dansen overstemmen melancholische gevoelens, al was het maar tijdelijk. Evenzo hard probeer ik te ontkennen dat het pijn doet dat een ex geen verjaardagswensen stuurde en dat ik het betreur dat hij op m’n jaarwisseldag vast met een ander significant vrouwspersoon dineert. Kortom, ik word overmand door een mix van ontkenning, sehnsucht en last but not least: faalangst die me influistert dat heel dit dating avontuur op een fenomenale farce zal uitdraaien. Alsof ze vanop afstand glashelder door me leest, krijg ik een tekstbericht van een vriendin om me moed en succes in te praten. Zonder dat ik erom vroeg, heeft ze ervoor gezorgd dat ze met haar gezin vandaag in de buurt van de plek van m’n eerste afspraak is. Je weet maar nooit dat er vieze verkrachters een pil in Roos’ glas zouden keilen. Ik omhels haar in gedachten. Ik ontmoet Witse in de bar van een trendy museum. We hebben afgesproken om eerst een koffie te drinken, en nadien, bij wijze van afleiding en ongedwongen plezier een korte performance bij te wonen. Dankzij een videobril, trackers en een hoofdtelefoon zullen we een nieuwe realiteit verkennen: een artistiek concept en technologisch hoogstandje dat beleving en illusie in het lichaam binnenbrengt. Ik houd van het idee dat illusies mijn lichaam binnendringen. Maar vooral ook van het idee dat, wanneer de conversatie niet zou vlotten, ik een hoofdtelefoon op mag. Ik heb geen flauw benul naar wie of wat ik moet uitkijken, en twintig minuten voor de afspraak krijg ik een attente sms: “Voila, op weg in mijn fel rode jas, kwestie van herkenbaarheid. Tot straks, Peter”. Ik grinnik even. Duidelijke en grappige communicatie terzelfdertijd. Ik parkeer m’n rode wagen (tja, een rode wagen en een rode jas, het lijkt een match bij voorbaat), en merk dat ik een halve meter buiten de witte lijnen gestationneerd sta. Roos kleurt graag buiten de lijntjes, en maakt hier doorgaans geen punt van. Maar nu vraag ik me toch wel heel even plichtsgetrouw af of dit kan voor een inspecteur van de Federale Politie. Het geeft vast geen bonuspunten. Het flitst door mijn hoofd: “klein, ouder en grijzend, en niet je type, Roos”. Maar ik duw m’n categorizende zelve fors aan de kant, en ga rustig zitten. “Roos. Geef je paard een kans. Of het blijft voor eeuwig op stal.”Ik hinnik even vlotjes en spontaan ter kennismaking en geef me over aan het moment. Met zoekende blik wandel ik de museumbar binnen. Mijn ogen dwalen over de witte tafels, tot plots een man rechtstaat. Geen rode jas -die hangt intussen op de stoel- maar een blauw geruit hemd. “Ik had je vooraf even Gegoogled, zo had ik je meteen herkend”, klinkt het spontaan aan de overzijde van de tafel. “Tja, over jou was niets te vinden”, antwoord ik terug. “Ik werk bij de Federale Politie, yup, Witse”, volgt er met een knipoog. Eh. Dat was wel MIJN bijnaam voor jou, bedenk ik, lichtjes betrapt, maar vooral met veel binnenpret. Eh voila, het ijs is gebroken, de toon gezet, we delen dezelfde humor, praten honderduit, en ik vergeet haast de tijd én de virtuele realiteit die zich zo meteen aan ons zal opdringen. Aan het eind van de namiddag weet Roos alles over witwassen, telefoontappen, ontvoeringen én de ontknoping van de moord op de stiefdochter van Dirk Brossé. Djeezes. Wat een spannend beroep. We spreken af om elkaar vriendschappelijk en ongedwongen terug te zien. Witse is niet meteen een schot in mijn spreekwoordelijke roos. Maar een man met krachtige wapens: humor, ontvankelijkheid, spontaneïteit. En ook: een heel klein beetje ridder voor mijn Ros. Roos

Roos
0 1
Tip

Op logies

OP LOGIES Met trillende lillende geagiteerde beentjes en brillende gillende bekeerde hoofdjes werden we afgezet voor het troosteloze appartementsblok naast de autostrade. De krakende stem van grootmoeder botste uit de parlofoon: “Ah, ge zijt er”. Vader reed al weg naar zijn avondles voor grote mensen. We wisten het, maar élke keer opnieuw botsten we met onze keikoppen tegen de voordeur die stokte tegen de voetmat erachter. De schakelaar achter de deur was al jaren kapot en we moesten in het donker de flauw oranje gloed van de schakelaar achter in de gang zoeken. Meestal lag er wel een paraplu, een lege bierbak, een winkelkarretje of een vuilzak in de weg, klaar om onze benen te breken, maar deze keer hadden we geluk. Het was een zacht hoopje kots van de onderbuur van het gelijkvloers. De spaarlamp bibberde aan en de traphal liet zich zien. Ze was van koud staalhard graniet, de muren van beton met van die korrels waardoor je altijd wel het vel van een vinger haalt of een scheur in je jas en balusters met een versiering zo scherp dat je wist dat de maker ervan zijn inspiratie bij een Duitse helm, prikkeldraad, vogelpinnen of ingecementeerde anti-kat glasscherven bovenop een bakstenen muur had gehaald. De plastieken zak met onze pyjama’s, propere onderbroeken en tandenborstels heeft het niet één keer gehaald tot het tweede verdiep denk ik. Grootmoeder brulde “Allee, doe eens een beetje voort” door de gang. Eindelijk boven had ze de deur weer toegedaan. Het licht in de gang bleef nooit lang genoeg aan om tot op het tweede te geraken. Op de tast vonden we de koude klink naar het appartement. “Bomma! Waar ben je?”. Maar we werden overstemd door het volume van de tv. Grootvader zat zoals altijd, na een dag aan de dokken, een zoveelste pils te drinken uit de vuile koffiebeker die hij die ochtend uit de gootsteen had gevist. Wat er op tv was, herinner ik me niet meer. Maar het was wel luid. We sneden ons een weg door de rook die het appartement van vloer tot plafond gevangen hield. Niks aangebrand hoor, Groene Michel of zelf op filter getrokken Nybro’s, dat wel. Grootvader gromde iets, bulderlachte en gaf ons een klap met zijn sloef. Weg van voor de tv, petotters! In de keuken wrongen we ons tussen het papegaaienkot en de formica keukentafel op een krukje voor een boterham met confituur en een peperig groentensoepke. Grootvader plofte zich op de kop en kreeg een boterham met reuzel en zout en een beuling. Hij was goed gezind want we kregen ook een stuk. Spreken werd er niet veel gedaan want de tv stond te luid. De Coco begon zich te moeien en hij smeet zijn lege zonnebloempitten in mijn bord. Eén keer heb ik geprobeerd om hem een pak rammel te geven maar zijn bek staat nog altijd in mijn hand afgedrukt. Dat heb ik wel afgeleerd. Na het eten moesten we onze pyjama aan en onze tanden poetsen. Ik herinner me de badkamer vooral als donkergeel. In de afvoer hoorde je de buizen kloppen, alsof er iemand anders in het blok als een gek aan de leidingen stond te sleuren. De toiletbril stond altijd omhoog, in de duisternis achter het douchegordijn, buiten het bereik van het flikkerende peertje. Nooit ben ik daar op gaan zitten. Ik hield mijn kak wel in als ik de bij de bomma en den bompa mocht gaan slapen. Onze bedden stonden in grootvaders hobbykamer, hij was een getalenteerd schilder. De borstels stonden uit te zweten in de conservenblikken met solventen, op het nachtkastje naast ons kopkussen. Bedwelmd door de giftige dampen, de rook van zware shag, de ademzoen van bompa en het kruisje op ons voorhoofd – God zegene en bewarene – van bomma kwam dan het moment waaraan ik nog elke avond terugdenk. Per vijf centimeter schoof ik mijn koude voeten verder onder het verkleumde laken. Nostalgie tot in de tenen. Dat was een mooie tijd.

Warmwatermuziek
0 1

Roos en de Makelaar in Ontroerende Goederen. Aflevering 3: Roos ontmoet Witse.

Net twee weken nadat ik me officieel akkoord heb verklaard met de openbaarlijke verkoping van mijn hartengoed, krijg ik een eerste ontmoetingsvoorstel in m’n mailbox. Hans De Koning, lees ik, is een “aantrekkelijke man met een sympathieke en toegankelijke uitstraling. Hij is 1m87 groot en slank gebouwd. Hans heeft kastanjebruin haar en bruine ogen, hij draagt een fijne bril. Zijn kledingstijl is ‘smart casual’, stijlvol en naar de gelegenheid.” Mmm. Klinkt niet slecht. Ik scan vlug verder, registreer, absorbeer: 3 kinderen, goede band met moeder, leidt fusies en overnames in goede banen, brede muzieksmaak, houdt van theater…”, en nog voor ik het einde van het A4-tje bereikt heb, klik ik al door naar Google.  Niettegenstaande mijn initiële, plechtige voornemen om dit VOORAL niet te doen. De afknapper is groot. Ik zie een afgeborsteld McKinsey type, inclusief maatpak, das en een onbeholpen grijnsglimlach. Tom Cruise in The Firm, maar dan zonder innemende looks. Het weze duidelijk: een profielschets kan fantastisch mooi op papier klinken, maar deze man is niets voor mij. Help. Wat zijn m’n ontsnappingsroutes? Optie 1.HARD WEGLOPEN. Tijdens het intakegesprek vroeg ik beleefd aan de koppelaarster: “enne, als een ontmoetingsvoorstel me niet meteen wat lijkt, mag ik dan verstek geven?” Waarop het antwoord beleefd maar resoluut: “Nee, dat is niet de bedoeling”. Zucht. Ik streep door. Optie 1 = geen optie.   Wijfelend dubbelcheck ik nog even met mijn trouwe raadgevers van dienst en stuit op hetzelfde verzet: “Nee, Roos, dit lijkt echt niets voor jou. Veel te stijf”. Eh. No pun intended. Optie 2. KOEL NEGEREN. Ik besluit cool en tactisch af te wachten. Maar tactiek was nooit Roos’ sterkste kant, dat had ze vooraf kunnen bedenken. Na drie dagen radiostilte capituleer ik en mail een voorstel naar Hans om naar een hippe, actuele theatervoorstelling te gaan kijken. Dan hoef ik, als het meezit, in de fluwelen duisternis van het theater, hooguit even beleefd te glimlachen naar McKinsey, een compliment te geven op zijn fijn gesteven maatpak, en kan ik nadien beleefd en welvoeglijk afscheid nemen. Mission accomplished. McKinsey reageert koel maar correct op m’n mail: “ongetwijfeld een mooie voorstelling, maar het eerstvolgende vrije moment dat ik kan afspreken is pas binnen een maand”. Het paard van Roos steigert. Het lijkt wel alsof ik een sollicitatiegesprek dien af te dwingen bij een drukbezette manager. Grrrr. HOOG tijd voor de volgende ontsnappingspoging. Optie 3. BLOKKEREN. Ik mail naar het makelaarsbureau met de voorzichtige vraag om op grond van klaarblijkelijke langdurige onbeschikbaarheid van de tegenpartij dit ontmoetingsvoorstel af te breken. Slimme zet, al zeg ik het zelf. Maar de koppelaarster is alsnog slimmer. Ik krijg een sussend en tegemoetkomend antwoord: “Roos, dat is inderdaad niet zo fijn. Ik vermoed dat het een tijdelijk tijdsprobleem is bij hem, zou het dan ook niet afbreken, maar ik kan ondertussen zeker nog voor een ander voorstel zorgen. Zitten wachten is niet direct bevorderlijk voor het goed gevoel…Wat denk je?” Goed dan. Roos laat zich ompraten. En maakt tegen haar zin een afspraak met McKinsey. Meer daarover later.   De koppelaarster houdt intussen woord en bezorgt me een nieuw ontmoetingsvoorstel.  “Een fijne, jongensachtige man met ruime interesses en een grote ontvankelijkheid”, belooft ze me. Ik adem opgelucht, en ga na ontvangst van de profielschets opnieuw op Google-verkenning. Warempel. M’n stand-in voor McKinsey heeft geen LinkedIn account, geen Facebook profiel, geen Google account, geen Skype account, geen Flickr account, nada. Als mysterieverhogende factor kan dat tellen. Stiekem ben ik opgelucht. Wat niet weet, niet deert, toch?  Dus mail ik meteen en krijg binnen de minuut een boodschap terug die geen antwoord is op mijn uitgaande mail: gekruiste correspondentie. Daar wordt Roos vrolijk van. Geen slecht begin. En evenzo vrolijk vibreert het aan de andere kant van de virtuele lijn: “ik heb hier meteen een goed gevoel bij (of mag ik dat nog niet zeggen?)”. Gevolgd door: “Ik zie je zondag, enne, verwacht geen man met snor”. Roos zit intussen op de punt van haar stoel. Zondag ontmoet ze Witse. In levende lijve. En zonder snor. Roos Wordt vervolgd: Aflevering 4. Een schot in de roos?

Roos
0 1

Over leugens, vuurspuwers en een mini-hogedrukreiniger

Over leugens, vuurspuwers en een mini-hogedrukreiniger   De Kerstvakantie loopt op zijn einde, het is zondagavond. Morgen weer naar school. Ik ga graag naar school, maar vakanties zijn leuker. Buiten is het koud, maar niet zo koud als vorig jaar rond deze tijd van het jaar, zegt mijn moeder, en zij kan het weten. Lang, lang geleden, toen mijn moeder nog jong was, waren de winters heel erg koud. Soms lag er wel dertig centimeter sneeuw die een hele tijd bleef liggen, omdat het zo koud was. Het vroor toen stenen uit de grond, vertelt mijn moeder. Ik geloof haar, mijn moeder liegt nooit. Of als zij toch zou liegen, kan zij dat goed verbergen. Ik niet. Als ik lieg, heeft mijn moeder het onmiddellijk door. Kijk in mijn ogen, zegt ze dan, en ik val door de mand. Bij wijze van spreken, ik val niet echt door een mand. Zo denk ik ook dat stenen niet echt uit de grond kunnen vriezen, al weet je maar nooit. Soms vraag ik me af of mijn vader wel eens liegt. Ik vroeg het hem een keer, op de man af. Hij gaf geen antwoord, maar kaatste de bal terug: jij doet dat ook, maar we praten daar niet over. Daar stond ik dan, met de bal terug in mijn kamp, maar mijn mond vol tanden.   De vakantie was één groot feest. Hoeveel pakjes ik heb gekregen? Geen idee, ik ben de tel kwijt geraakt. Dat gebeurt me niet vaak, want ik ben een kei in rekenen. We hebben heel wat uitstapjes gemaakt. Naar Zeeland en naar het circus. Aan zee zagen we zeekoeien en suikerwolken. Zeekoeien zijn koeien op een wei met uitzicht op zee. Ze kijken even dom uit hun ogen als andere koeien. Suikerwolken zijn wolken die eruit zien als een suikerspin. Daar zou ik wel eens van willen proeven. Op het strand zagen we een rare man. Hij zat, goed ingeduffeld, op een strandstoel en keek omhoog door een grote verrekijker. Wie is dat, vroeg ik aan mijn grote broer. Hij moest er niet over nadenken: da’s de vliegtuigspotter. Lacht hij vliegtuigen uit? vroeg ik. Mijn broer klapte dubbel van het lachen. Het circus was leuk. De clown haalde drie grote mensen uit het publiek en zette hen voor aap. Er waren twee vuurspuwers, vier acrobaten en een jongleur. De circusdirecteur praatte alles aan elkaar. Moeder vond hem knap. Ze noemde hem feilloos flamboyant, twee woorden die ik niet ken. Op het laatst zagen we een mooie vrouw aan de trapezen. Gelukkig was het lekker warm in het circus, want zij had weinig kleren aan. Mijn vader heeft erg veel foto’s genomen.   We gingen ook naar een bos om te wandelen. En naar de tandarts. Dat laatste was geen uitstapje, maar een bezoek. Ik ben niet bang voor haar, want ik poets mijn tanden goed. Van de tandarts zie je niet veel wanneer je in haar stoel ligt. Voor haar mond en neus draagt ze een wit doekje. Ze schraapt tandplak van mijn kiezen en straalt mijn gebit schoon met een mini-hogedrukreiniger. In mijn mondhoek hangt een buisje dat speeksel zuigt. Het maakt een gorgelend geluid. Heel mijn lijf is opgespannen. Mijn mond en ogen zijn opengesperd, maar ik ben niet bang. Nu en dan kijk ik recht in de ogen van de tandarts. Wat zijn ze mooi! Daarna is mijn broer aan de beurt, hij is wel bang. De tandarts heeft in mijn oor gelikt, fluister ik hem stiekem toe. Hij steekt zijn tong naar me uit.   Morgen terug naar school. Ik heb weer heel wat te vertellen.   Yves Curse

Yves Curse
0 0
Tip

proza met witloofsaus

Waarom lees ik zo weinig eigentijdse Vlamingen? Omdat ik die mensen nooit in het publiek debat zie natuurlijk. Dat is in onze contreien al lang gegijzeld door lobbygroepen en politici, maar toch. Als een auteur al eens zijn zaklampje over de wereld laat schijnen, lijkt hij of zij niet verder te komen dan de bedwand. Liefde, geboortegrond, familieperikelen. Twitter en de bakker of seriemoordenaar op de hoek. Privacy-wetgeving, nationalisme, armoede? Kraaien ze niet over. Sociaal engagement, zei u? Safety in numbers, ja: de open brief als verzetsdaad. En dan weer snel de savanne af. Zouden die schrijvers eigenlijk met elkaar corresponderen? vraag ik me wel eens af. En waarover zouden ze het dan hebben? Een nieuw recept voor kaassouflé, misschien. Subsidies. De backstage in cultureel centrum De Kakelhoeve. Ik weet het niet. Wie weet heb ik het verkeerd voor. Bewaren ze hun bravoure voor hun brieven, leren we binnen 50 jaar dat ze wel degelijk een visie op mens en wereld hadden. Ter inspiratie alvast een heerlijk stukje 'mannen maken plannen' uit het brievenboek Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel (De Bezige Bij, 2008): Willem Frederik Hermans aan Gerard Reve, 15 november 1950"(...) Wat wij nodig hebben, is een tijdschrift dat oorspronkelijke taal laat horen. Ik doe op het ogenblik pogingen zulk een tijdschrift op te richten. Als ondertitel (of beschrijving van de inhoud) zal het waarsch. krijgen 'tijdschrift voor literatuur en psychologie'. Ik had eigenlijk liever gehad: 'voor litt. en sexuologie', maar dat is waarschijnlijk te gewaagd. Enfin, het komt ten slotte op hetzelfde neer." Gerard Reve aan Willem Frederik Hermans, 16 november 1950 "(...) Je plan voor een nieuw tijdschrift, dat niet zal drijven op lyrisch gelul, maar op bloedwarme kopij en waarin het leven belangrijker zal zijn dan de literatuur, heeft een ongekende geestdrift in mij gewekt. [...] je kunt van mij een uiterst verbitterd artikel verwachten over de mogelijkheden voor de schrijver in Nederland. Daarop moet ik lang broeden, maar met een paar dagen heb je het. [...] Welk een verfijnd genot indien het door jou ontworpen tijdschrift inderdaad verschijnt: een Havelock Ellis, Hirschfeld of Kinseyperiodiek dus. Het moet op nuchtere wijze heel schuin zijn: een soort notariële acte der decadentie." Het tijdschrift dat De Draad van Ariadne zou gaan heten, is er nooit gekomen.

Guy Bourgeois
15 0

Comfortabel betalen

“De self-scan kassa’s, heel wat tijdwinst!” Die woensdag in de supermarkt. Hoewel ik vandaag ruimschoots tijd heb om uitgebreid inkopen te doen en lekker te koken kies ik voor een snelle, gemakkelijke avondhap: een geprepareerde pizza met spinazie, mozzarella en knoflook die nauwelijks een kwartier in de oven hoeft. Hiervoor ga ik steevast naar grootwarenhuis Match om een Pizza Ristorante van Dr. Oetker te kopen: “krokant, dunne bodem, rijkelijk belegd, zorgvuldig geselecteerde ingrediënten”, buon appetito! Aan de ijskasten merk ik een prijsstijging van de pizza’s op. Pizza Spinaci kost plots € 3,22 terwijl die bij mijn vorig bezoek nog onder de drie euro lag. Met enkel die pizza in mijn hand voelt mijn portefeuille dat niet zo hard, maar een plotse prijsstijging van bijna 8% is niet niets als je vijftig producten in je winkelkar hebt liggen die jou met een steeds duurdere blik schaamteloos aanstaren, terwijl je denkt aan de hongerige magen van je schoolgaande kinderen die zich op volwassen leeftijd wellicht nooit een eigen huis zullen kunnen permitteren. ‘Wanneer stijgt mijn loon eens plots met 8%?’ denk ik. Enkele seconden later valt mijn blik op het motto van de supermarktketen: “Minder betalen is wat écht telt. De prijzen blijven dalen!” Ik kijk bedenkelijk van mijn pizza naar het reclamebord en omgekeerd. Ik speur tevergeefs naar het logo van een huismerk of een wit product naast de boodschap. Onvindbaar dus de reclame is niet merkgerelateerd. Mijn portemonnee en ogen protesteren. ‘Neen,’ denk ik, ‘ik ben niet akkoord met deze misleidende boodschap die louter dient om klanten te lokken!’ Mijn stoute schoenen snellen naar de eerste Match-medewerker die mijn pad kruist. Ik klamp hem met een vriendelijke doch verontwaardigde glimlach aan, vingerwijzend naar het reclamebord dat in koeien van letters boven de kassa’s hangt om de gemoedsrust van financieel uitgemolken klanten te sussen. ‘Die reclame klopt niet,’ zeg ik hem vastberaden, ‘deze pizza kost plots 25 cent meer dan de vorige keer dat ik diezelfde pizza hier kocht.’ De vastberaden vingerwijzing en het vragende onbegrip in mijn ogen worden beantwoord met een schaapachtige blik van ogenschijnlijke onverschilligheid. Hij kijkt me enkele seconden aan met een halfopen mond vol tanden. Daar sta ik met die pizza in mijn linkerhand terwijl de top van mijn rechterwijsvinger aan de prijs blijft kleven. Die stilstaande seconden duren lang. Heel lang. Een ongemak bekruipt me. De Match-medewerker kijkt naar links en naar rechts langs mijn schouders heen. Andere klanten passeren ons tussen twee winkelrekken, kijken ons op ooghoogte aan en vervolgens naar de protesterende vinger op mijn pizza. Er gebeurt niets. Het gebrek aan reactie en het wellicht wederzijdse ongemak brengen mijn voeten weer in beweging. Ik kijk nog één maal naar hem en vervolgens klaarduidelijk naar het reclamebord, en kuier zonder wederwoord naar de kassa’s. Zoals altijd schuif ik aan in een rij naast een kassaband waar een kassier(ster) vriendelijk goeiedag zegt en de koopartikelen voor de klant inscant. Dit vrijblijvende menselijke contact weet ik wel te appreciëren boven het gevoelloze gedrag van een machine. Bovendien vind ik het interessant om tijdens het wachten andermans koopwaren die over de kassaband rollen te bekijken en mij af te vragen wat de pot bij die onbekende zou schaffen, welk eetgedrag die persoon heeft en hoe diens eventuele gezinssamenstelling zou zijn. Tijdens het wachten in de Match glijden mijn ogen ook keer op keer naar de zelfscankassa’s waar een bijna even lange rij klanten staat aan te schuiven. “De self-scan kassa’s, heel wat tijdwinst!” lees ik op grote reclameborden. Een lokkertje waartoe ik mij nooit eerder liet verleiden. ‘Voor alles een eerste keer,’ denk ik plots, ‘laat ik zo’n zelfscankassa eens testen.’ Niet uit tijdwinst, louter uit nieuwsgierigheid. Ik ben aan de beurt. Het scherm beschrijft stap voor stap wat ik moet doen. Aangezien het mijn eerste keer is lees ik alles zorgvuldig. Ik scan de streepjescode van mijn artikel. ‘Gelukt’, glunder ik. “Leg het product op de weegschaal” lees ik vervolgens. Ik plant mijn pizza onder het scherm op de plek waar ik de barcode scande. Er gebeurt niets. Ik til mijn pizza op en leg het opnieuw neer. Weer niets. Ondertussen schuiven wachtende klanten achter mij aan. Een Match-medewerkster die de geponeerde tijdwinst van de zelfscankassa’s nauwlettend in het oog houdt, snelt mij te hulp: ‘De weegschaal staat naast de kassa, mevrouw, niet onder het scherm.’ Oeps. Ok, nu nog betalen. Ik kies voor Bancontact en schuif mijn betaalkaart in de kaartlezer vlak naast het scherm. ‘Tiens, die gleuf is breder dan mijn kaart’, denk ik. De geldautomaat neemt mijn kaart niet aan dus ik duw het er dieper in. Ik hoor klanten achter mij kuchen en zuchten. Wanneer ik plots een Bancontact-toestel opmerk náást de zelfscankassa valt mijn frank, ik stak mijn betaalkaart in een gleuf die bedoeld is voor bankbiljetten. Dom! Kostbare seconden voor de medemens sijpelen weg terwijl mijn lompe vingers de smalle bankkaart uit die verkeerde gleuf proberen te peuteren. Eenmaal dat lukt en ik op de gepaste wijze betaalde, ga ik opgelucht richting de uitgang. Ik smijt mijn verfrommelde betaalbewijs weg in de dichtst bijzijnde vuilbak en bots meteen hierna tegen een elektrisch controlemechanisme waarvan het klapdeurtje niet open wil. Aan de infobalie bij de zelfscankassa’s meld ik dat de uitgang geblokkeerd is. ‘U moet eerst uw betaalbewijs inscannen alvorens u deze area kan verlaten.’, klinkt het. Dat wist ik niet. ‘Het is mijn eerste keer aan de zelfscankassa en mijn kasticketje ligt al in de vuilbak.’, zeg ik beteuterd. De persoon aan de infobalie bekijkt me alsof ik een mislukte dief ben. ‘Zonder betaalbewijs geraak je niet buiten!’ Tot overmaat van ramp is de vuilbak waarin ik mijn betaalbewijs smeet hoger dan mijn armlengte en leger dan mijn handbereik. Omdat ik weiger opnieuw te betalen voor een reeds betaald product en geen enkele medewerker geneigd is het vastgemaakte deksel van die vuilbak te halen, zet ik mijn schaamte opzij en deponeer ik publiekelijk mijn arm tot aan de okselholte door de dekselopening van desbetreffende vuilbak. Op de grond geknield grabbel ik als een scharrelende hond koppig naar alle kasticketjes die ik blind kan grijpen. Vochtige snotvodden en ander afval dat ik op de tast niet kan identificeren passeren mijn blote vingers op de vuile bodem. Proper! Minuten later vind ik eindelijk mijn eigen betaalbewijs, raap ik mijn ego op en ga met opgeheven hoofd huiswaarts. “Mijn comfort kassa” lees ik nog wanneer ik gepikeerd achterom kijk naar de zelfscankassa’s. Comfortabel betalen in Match Gent!

Sofie B
0 0

Vissen met onnatuurlijke gezwellen

Fukushima, mogelijk de grootse ramp in wording die de mensheid ooit gekend heeft. Maar we horen er vrijwel niets over, tenminste, niet op het vertrouwde acht uur journaal. Nog elke dag stroomt er radioactief afval in de Noordelijke Stille Oceaan dat zich als een kanker in de wereldzeeën verspreid. Door Yakuza (de Japanse maffia) geronselde zwervers werken voor een belachelijke zestig dollar per dag in het rampgebied in en rondom Fukushima terwijl hun kennis compleet ontoereikend is om de problemen op te lossen. ‘s Avonds proberen de arbeiders hun eigen problemen te vergeten door zich over te geven aan drank in de wetenschap dat ze hun eigen doodsvonnis getekend hebben. ‘s Morgens zetten ze hun uitzichtloze taak verder voort. Levende doden zijn het, werkend aan een missie die specialisten in plaats van daklozen vereist. Voor zestig dollar per dag mag je je bij het selecte gezelschap van de levende doden aansluiten! De wereld is kennelijk incapabel om de situatie ook maar enigszins goed aan te pakken. Maar vind maar eens de benodigde specialisten die zichzelf dood willen werken ten behoeve van de wereld. Goed, zolang we er gewoon vooral niet teveel over praten bestaat het probleem niet. Zolang de vis die we zaterdag middag op de markt halen geen onnatuurlijke gezwellen heeft en de aarde blijft doordraaien is er nog niets aan de hand. Voor de zekerheid gewoon netjes een paar potassium iodide tabletten per dag slikken die helpen tegen het schadelijke effect van radioactieve straling, dan komt alles goed. De verenigde Staten hebben alvast veertien miljoen stuks besteld. Tenminste, als we de vaak nogal discutabele sites die verslag doen over Fukushima mogen geloven. Als er een kern van waarheid zit in de verhalen omtrent de nucleaire ramp zal dat genoeg rede zijn voor menig mens om in paniek te raken. Dan is het wellicht beter dat we er op het NOS journaal niets van horen en we nog met een gerust hart kunnen zeggen: ‘Ach, die sites zijn toch onbetrouwbaar, er is vast niets aan de hand.’ Laten we het hopen.

Atlas
0 0

Twee meisjes

 Op een avond in december besluiten we samen in bad te gaan. Ik kan mijn enthousiasme niet te baas en sta in enkele seconden in de badkuip te zingen dat ze de liefde van mijn leven is. Zij gaat bedachtzamer te werk, vouwt haar kleren netjes op en voelt met de elegantie van een ballerina hoe heet het water is.  De grootste poep moet op het afvoerputje zitten daarover is er duidelijk geen discussie mogelijk.  Ik stel mij niet aan, ga zitten en maak van de badkamer een zwembad. Onze benen glijden langs elkaar. Het schuim komt uit een grote twee liter fles waarop een melkmeisje naar ons lacht. Ik voel mij alsof ik in een grote kom slagroom aan het roeren ben. Zij overloopt haar hele dag terwijl ze mijn benen scheert. Ik hou een washandje voor haar ogen en was haar haren. Het drukke leven glijdt van haar af.  Zoals altijd zijn we als beesten deze ochtend uit ons nest gekropen. Te vroeg in de ochtend om elkaar mens te kunnen noemen. Nadien beginnen we aan onze job in dezelfde stad. We redden wat er te redden valt, zijn te sociaal om goede sociale werkers te zijn, ontwijken op het laatste van de dag nog enkele agressieve gastjes in de metro die net zoals ons dromen van warmte en ruimte . We ontmoeten elkaar ’s avonds terug in het midden van onze woonkamer waar je wanneer de nacht valt de Poolse buurman hoort zingen. Vrijen doen we niet deze avond. Het bad is te klein en we zijn bang wat dat schuim te weeg zou kunnen brengen. Stel je voor dat we er zwanger van worden, dan zijn we twee Maria’s en stichten een nieuwe wereld waar gastjes in de metro vrede vinden in zichzelf. We wrijven elkaar enkel droog en luisteren naar een Pools lied. Morgenvroeg overslapen we ons daar is geen discussie over mogelijk.

Annelies De Ville
80 0