Zoeken

PARANOIA. a

Stel je eens voor: het is een hete zomer en je zit op een leuk terrasje aan de straatkant van een portootje te genieten. Stel je voor dat er plotseling een GTI van de Rijkswacht voorbij raast. Stel je voor dat die auto met gierende banden keert en met een angstaanjagende snelheid op jouw tafeltje afstormt. Een beambte stapt uit en vraagt wat je daar doet. Terwijl je lijkbleek wegtrekt, antwoord dat je een portootje drinkt. De ambtenaar snauwt je vervolgens op autoritaire toon toe: "Paspoort!!!" Vriendelijkheid of beleefdheid? Dat staat niet in hun woordenboek. Op de chique terrassen doen ze dat misschien wel, maar daar worden ze niet naartoe gestuurd; daar zitten hun officieren. Die agenten weten het wel: voor ons volstaat een kortaf "Paske!" Zolang je aan je portootje lurkt, is er niets aan de hand. Porto is in dit land immers beschermd. Het zou pas erg zijn als je drankje plotseling tot 'verboden drug' werd uitgeroepen. Want roesverwekkende middelen verbieden ze maar al te graag: de anti-drugsmaffia — ironisch genoeg betaald door de drugsmaffia zelf. Stel je dus voor dat jouw glas porto opeens illegaal is. Wat volgt er dan?De ambtenaren zullen je niet inlichten; ze lichten jóú op en zichzelf in. Ze besnuffelen je glas alsof het puur vergif is. Ze slaan je op het terras van je stamkroeg openlijk in de boeien, als was je een zware crimineel. Ze kijken je aan alsof jij persoonlijk verantwoordelijk bent voor alle doden die door porto zijn gevallen. Ze slepen je mee naar het bureau en ondervragen je over je relatie, je ouders, je lief en je vrienden. Iedereen die je noemt, krijgt bezoek van een gerechtelijk ambtenaar. Ook bij jou thuis vallen ze binnen om je woning en de privacy van de bewoners vakkundig te slopen. Vinden ze je voorraad porto uit een goed jaar? Dan beschuldigen ze je direct van handel en lidmaatschap van een maffiaorganisatie. Ze nemen je huis en al je bezittingen in beslag. Dat mógen ze, omdat bepaalde politici hun dat recht hebben gegeven. Deze ambtenaren hebben zelf ook zonen en dochters, maar die krijgen niet met dit soort taferelen te maken. Hun salaris en positie stellen hen in staat hun kroost uit de klauwen van Justitie te houden. Wat er met 'het kleine grut' gebeurt, zal hen een worst wezen. Orde moet er zijn! ...................................................................................................................................................................................... foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ *****************************************   ***************************************** Kunstwerk: "Altaar der Culturen"Rond 1995 heb ik dit werk gemaakt, dat ik "Altaar der Culturen" noem.Beschrijving en Symboliek:Links: Men ziet een televisie. Onze gemeenschappelijke identiteit valt van het scherm — gemaakt van silicium, glas en zand. De vroegere gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen, opgevolgd door radio en uiteindelijk tv, die een min of meer gedeelde boodschap uitdroegen. Tegenwoordig is die gemeenschappelijkheid er niet meer; de informatie is volledig versplinterd.Rechts: Er staat een gietijzeren kandelaar met daarin een mensenhoofd van papier, beplakt met stukken krantenpapier met de tekst "De encyclopedische mens".Gietijzer staat voor nationalisten.Kandelaar staat voor religie.In het midden: Hierin bevindt zich de hedendaagse mens, opgesloten: "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift: "Regeneratie Kosmetik".     http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e ____________________________________________ foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+bloemenkleuren/

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
103 0

Vol-au-vent

   <!-- x-tinymce/html --> 'Niet vertragen!', legt Marie zichzelf op als was ze de leider van haar lichaam. Haar benen hebben er lak aan, want ze trappen trager dan haar gedachten. Die slalommen roekeloos van links naar rechts, maken dan weer een sprongetje over een veel te hoge vluchtheuvel, maar weten nooit de rem te vinden. Uit alle macht zoekt ze naar adem terwijl haar fietshelm, die ze net schots en scheef op het hoofd had gegooid, definitief toegeeft aan de zwaartekracht. Hoe hard ze zich ook had voorgenomen goed zichtbaar te zijn - oranje hesje en gele polsbandjes incluis - zo ondraaglijk onzichtbaar voelt ze zich nu. Exact zoals vijf dagen geleden, toen ze hun kleerkast - en bijgevolg ook haar hart - halfleeg aantrof, de mannelijke helft eruit weggerukt. Exact zoals de daaropvolgende avonden, wanneer ze geen drie maar twee borden met vers gemaakte vol-au-vent vulde, nog steeds met zelf getrokken bouillon van kraakverse groenten en een biokip afkomstig uit een aan de rand van de stad gelegen pluimveeboerderij. Want voor haar gezin was alleen het beste goed genoeg, alleen klonk dat gezin nu als een fa in sol groot. Toen ze Clara die avond aan de muziekacademie afzette, had ze zich de uren die haar dag vredig zouden afsluiten, scherpzinnig geportretteerd met verbazingwekkend veel oog voor detail. Daar zag ze zichzelf zitten, weggezakt in de comfortabelste zetel van de woonkamer met een glaasje rood aan de lippen. Het klonk haar als muziek in de oren, en niet zoals die platte hits die ze tegenwoordig op de commerciële radio draaiden. Neenee, Marie's klanken zouden voortgebracht worden door melancholische Motown-platen, die het duet tussen haar en haar man in betere tijden hadden ingezet. Haar ogen fonkelden als het gelige lantaarnlicht dat ze in de schemeravond had gepasseerd, haar hart gloeide donkerrood aan. Zonder het zelf te beseffen bleef de glimlach die zich rond haar lippen had genesteld, heel even in rust. Tot het moment waarop Clara zei: 'Mama, de klarinet ligt nog op de keukentafel.' Veilig was ze altijd geweest. Gedisciplineerd, minutieus, perfectionistisch: eigenschappen die haar nu even zinloos leken als dat steeds leeg blijvende derde bord aan tafel. Telkens werd ze overmeesterd door toeval, tegenstrijdigheden en onbedachtzaamheden. Meer en meer leek haar geheugen gaten te vertonen, die de angst er ruwweg had in geboord. Haar zelden vervulde verlangen om genoeg te zijn, de zaken te laten lopen zoals zij dacht dat ze hoorden te lopen, was nu voorgoed verdwenen. 'Niet vertragen!' Ze geeft haar huissleutel een forse draai en gooit de voordeur weer open. 'Dag Marie, ik kom nog wat spullen ophalen.' Terwijl het parelende zweet op haar voorhoofd onbedwingbaar begint te dansen, zoekt ze naar zuurstof die hap na hap een trapje hoger lijkt te springen. De bas in zijn stem - haar ooit intens charmerend - knijpt haar keel nu verder dicht. Ze luistert er waakzaam naar, terwijl ze de weer teruggevonden klarinet in een stevige wurggreep houdt. De vingers van haar rechterhand knelt ze op de kleppen - als ze zou loslaten, zou ze vast in tranen uitbarsten, wist ze - terwijl ze met haar andere hand een van de blaasrietjes tot splinters verpulvert. Haar gevoelstoonaard transponeert langzaam van majeur naar mineur en brengt dramatisch duistere klanken voort. Marie kan echter maar één ding uitbrengen: 'Bordje vol-au-vent, misschien?'                

Liesbeth Swolfs
0 0

De ochtenderectie

Je dacht dat ik wakker was. Je wou dat ik wakker werd. Je wreef met je geparfumeerde handen door mijn haar, fluisterde mijn naam in mijn rechteroor.   Voedsel voor mijn ochtenderectie: mijn gefluisterde naam.   Je wreef met je geparfumeerde handen over mijn beginnende pens. 'Misschien moet je wat minder alcohol drinken', zei je. 'Misschien moet jij wat meer bij mij zijn', mompelde ik. Je antwoordde niet en liet me met je borsten spelen.   Je peuterde met je geparfumeerde vinger in mijn navel, haalde er een pluisje uit. Je fluisterde opnieuw mijn naam. Ik vroeg of je stem geparfumeerd was. Je zweeg. Je geparfumeerde handen daarentegen leken een monoloog te houden: ze doken mijn rood-wit gestreepte boxershort in en deden zich tegoed aan mijn ochtenderectie.   Alsof je gulzige handen nog niet genoeg waren, fluisterde je geparfumeerde stem opnieuw mijn naam, gevolgd met: 'Wakker worden...' Je scheurde mijn boxershort aan flarden.   'Nog eventjes. Nog eventjes alsjeblieft', smeekte ik.   Jij: ongenaakbaar, onvermurwbaar. Ik: naakt en murw geslagen.   Ik werd wakker. Je was er niet meer. Wat moest ik doen? Mijn ochtenderectie klopte als een nazi op de deur van een huis vol joden.   Ik sleepte me naar het toilet, probeerde te plassen maar daar dacht mijn ochtenderectie anders over. Ik riep jouw naam, gevolgd met: 'Help me! Help me!'   Geen antwoord. Alsof ik het niet wist.   Ik stopte met mezelf aan te stellen en ging koffie zetten. Hij smaakte geparfumeerd.

Michaël Verest
39 0

Eeuwenveel meeuwen

    Altijd en met duizenden komen ze, aangevlogen, vrij doelloos, als een witte vlek uit een buis, uit dat donkerroze zieleëind. Ongedierte is het, pettefletmiserie! Ze morren vaak. Soms hoor je fel geschreeuw. Ze morsen met het leven en ik denk dat die beesten in elke vuilbak zullen blijven zoeken tot iemand hun kop er afknalt. Chot, ik houd van dat gevoel.   Heel even toch. De zwarte egels liggen op hun bodem en terwijl de snelwegen hun doden nog eens tellen, spartelen er dikkopjes in eigen sap. Bergafwaarts gaat het. Hoge duinen heersen over strand en Duivelland. Al mijn cellen rollen naar die lippenzee met korte sprietjes en ze streelt mijn hoofd, met slechts één vinger, weet dat ik een kind was, dat ik zocht.   En ik vond ze ook. De haaien, tanden, hete vrouwen lagen in de zon als blanke kippen zonder olie, zonder braadspeer door hun lijf en zij ook, ze wreven door mijn jonge kruin, gaven me tikken op de kont alsof ik groeien moest om snel een knaap te worden, die verdwaald mocht rennen door hun natte serres.   Vleesetende planten groeien daar tot door de dakramen. Ze wachten op de meeuwen en mijn voeten dromen, dat ze verder moeten, hollen door het zand waarvan ik voel dat het ooit schelpen waren. Slijmerige wezens kleefden, aan de binnenkant is niet te zien hoe hard een sluitspier alles dichthield, als het nodig was, bij ebbe meeuwen overvlogen, soms voor eeuwig, soms voorgoed en weet je wat het is?   Ze schijten de balkons echt overal vol, met zelfbewustzijn, witgewassen geld, kak genoeg voor negen wereldlagen en het was in Knokke, dat ik haar heb leren kennen, toen ik daar nog liep tussen de bentley's en kokhalzende meeuwen, tussen porsches en gepoch, achter één blitse vuilkar. Aan de Place M’as-tu-vu verkocht ze bolletjes op hoorntjes aan valse lucht en vele mensen. Jan-van-genten aten alle resten. Het was een donderdag.   Ik weet het nog. De wolken werden even zwart, het leek wel lood. De zakken waren zwaar, mijn armen langer dan normaal, gewoon, om haar te grijpen, rond haar nek hing er geen kruis dat iets weerhield. Ik zoende haar. Niet zoals de zee de kust maar veeleer als een branding die verstilt en proeft, hoe zoet het vuur kan zijn.         uit de reeks  'Hormonoloog'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Soetekijn en de zuurling

    Soetekijn zij waagt en durft het altijd. Hinken tussen mijnen, zelfs met halve benen van een arme, yep zij kan het, met één kwinkslag heupbeweging alle dollars van een afgesnedenpiemeljood versieren om ze te verwedden op tweekleurenpony's of één kreupel paard.   Het is lang geleden dat ie haar nog zien mocht in het echt, maar als zij komt, dan jubelen de pruimen in de bomen, in de schappen van een Spar. Naast het verlegen zwart, een bak vol aubergines ligt het zure groen, nog verder de citroenen, drie limoenen uit Peru.   Hij denkt nog vaak. Eraan en ook terug. Het was een trein naar Lima vanuit Märklin, de couchette klein, het land met kloven nauw, flanken en ravijnen eerlijk, van een soort die men vertrouwen kan. Hij voelt nog steeds, die tong van haar, het merg in hem mist het gekriebel.   Chot, waar zijn ze dan? De sparren, frisse naalden en die blik van Soetekijn prijkt nergens op verpakkingen van blinde vinken. Het kan nooit! Onvindbaar zijn de borrelnoten met dezelfde kleur als haar kronkelogen, waarmee ze horizonten uit hun radeloze lijnen redden kan.   Of toch, misschien achter dit rek, het veld met achillea, voorbij een grens, een Koreaanse Kim hij wuift, zijn newwavekapsel, kop en pruik ze hangen aan een haak, naast de wc-borstels voor arschlöcher met draken van een gat.   En als het van Unilever afhing, dan zou hij de niertjes van Soetekijn nooit meer mogen masseren. Eerst zou hij een karretje vol moeten kopen, wasverzachter vooral, boter voor magere monden en de droge ingang van een ziekewereldkont.   Ach en onderweg loopt hij te kauwen. Scherp is de smaak, de tong. Soetekijn probeert het in zijn oor en als hij aan de kassa komt, staat zij daar. Niet Soetekijn. Veeleer een groengrijs jonk, dat met haar barcodespel boerenworsten niet eens strelen durft   Ze spreekt. Het jonk zegt dat ze het boven, op dat scherm, wel gezien hebben, hoe hij vrat van de zurkel, zuurkool uit een potje kneep. Soetekijn, zij voelt het, komen, grinnikt en haar manen glimmen van plezier, nu de zuurling zich weer steken gaat, een middelvinger in de keel.   Het zuur en de zeik van zeven levens dweilen zich een weg over de vloer, omhoog, doorheen de zolen, dringen zich in witte kousen van vermeende onschuld, in de kleren, stengels en de poten van het starend suikerriet.         Uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
20 0

Uilemuil en Snottegot

    Zot zijn Uilemuil en Snottegot. Ze lopen langs de vloedlijn, op een strand en met de moed van een Griekse frigo zetten zij hun stappen in de richting van geen ene horizon.   Daar zien ze in de verte drijft een zeeboot. De romp zit van onderen vol, begroeid is het ding met slijm waterwezens wukkels stekels des te veel karakollen zonder ogen (durft Snottegot te denken).   Dichterbij een Serviër, die van achter zijnen zonnenbril tevoorschijn gekropen komt, een sigarettenpeuk in de richting van een beest gooit. Het is een zeeslak (volgens Snottegot, die het beest een kei vindt) en het zit op een kei in deze branding, droomt allicht van vinnen duizend poten of rupskettingen om door alle slijken heen te kunnen ploeteren.   En zij moet dan zijn, wat de ganse weg naast hem zat, rechts, in de stuurloze helft van hun voertuig met SRB-sticker (vermoedt Uilemuil). Een serviëtje overloopt haar wang. Ik denk dat de façade van haar schminkkop begint te smelten in de zon (mompelt Uilemuil). Straks zien we of ze echt is, wat voor een tronie ze verbergt en of de draak nog te houden is, als hij éénmaal rechtstaat uit haar vel van vleesgeworden appelsienen. Nu is hij nog vastgebonden, met dat ene koord van haar bikinibroek.   Ik denk dat haar onderkant hem niet eens interesseert! en Snottegot probeert Uilemuil in de richting van de lucht te doen kijken. Hij bedoelde haar onderbewustzijn, daar waar het sap zo zijn geheimen heeft.   Zo dweilen zij verder, voorbij een aangespoeld kind, een leeg blik, door al het gebrokene heen, golven die verdwijnen in geruis, enkele scherven van flessen zonder boodschap of liefdesverklaring, hand in hand (met nog steeds diezelfde moed, die van dat dappere Griekse koelschrijn).   Verfrissing is hier kostbaar, het zeewater lauw als frieten met wat zout onder papier, om mee naar huis te nemen, noem het heimwee (lult Uilemuil uit zijn rode nek) en vermoedelijk staat hij straks ook recht de Serviër, die beroerde bommerloender, om een kipsoeflaki te bestellen in het buffet.   Weet je wat het is? Goede idioten maken betere kip, kip met kam en kop en lellen, terwijl de vogels hier zonder twijfel op de vlucht zijn, de leegte boven de zee eens wilden proberen.   Ik weet het niet (zegt Snottegot). Misschien dat ik het volgend jaar nog eens probeer. Op een motor door een land vol oregano. En drie druiven. Aan een tros bij een afgrond. Bij de zee. Met een zon. Die verdraaid en nog eens opgaat. Voor wat kiezels.       uit de reeks  'Dialogen met monsters en dia's'  

Bernd Vanderbilt
14 0