Zoeken

VERTROUWEN

Ze is wakker. Hij zegt het met een glimlach, alsof hij me daarmee gerust kan stellen. En verder: dat de operatie goed verlopen is en dat er geen verwikkelingen waren. Dat ze de wonde zowel van buiten als van binnen hebben gehecht. Dat je er achteraf nauwelijks iets van zult merken, en ze eigenlijk alweer gewoon rond kan lopen. Dat wij als mensen een week het bed zouden moeten houden, maar dat een hond taai is, en van zoiets weinig of geen hinder ondervindt. Hij neemt me mee, naar een aanpalende kamer. Ik sta voor de kooi waarin ze ligt. Ze kijkt me aan. Geen blijdschap in die ogen. Geen gekwispel met die staart. Geen aanstalten om naderbij te komen. Niets.Het is dan ook erg, héél erg, ik weet het.Maar wat moesten we dan? Het minste dat je kunt zeggen is dat ze nogal lusteloos was. Dat er melk uit haar tepels spoot als je er per ongeluk over wreef, was natuurlijk ook wel vreemd, maar nieuw was dat niet. Wat ons echt zorgen baarde, was haar gebrek aan eetlust de jongste weken. Het was niet de eerste keer, en ik had het al eens opgezocht. We waren teveel met haar bezig. Maar het is dan ook zo'n aanhankelijk hondje. Je kunt toch moeilijk boos zijn als ze je dol van vreugde komt begroeten. Als één van ons afwezig is, ligt ze te wachten, de deur in het vizier. En als we er beiden zijn, verdeelt ze haar tijd over ons twee. Van de ene schoot naar de andere. Dan fluisteren we woordjes in haar oor, waar zij gebiologeerd naar luistert, of doet alsof.Ik heb haar nog nooit met iets zien spelen. Balletjes of speelgoed zijn niet aan haar besteed. Heel uitzonderlijk ligt ze dromerig op een steentje te kauwen, of op een takje. Dan brengt ze zo'n ding ook wel eens in huis en koestert het een tijdlang in haar mandje. Verder volgt ze iedere beweging die we maken. Werpt ons verliefde blikken toe. We noemen het de fluwelen blik. Haar liefde voor ons bleek uiteindelijk zo groot dat ze ervan in verwachting raakte. Een beetje zoals de heilige maagd Maria overkwam. Maar dat was toch nog een ander soort wonder. In dit geval sprak men van een schijndracht. Dat verklaarde de putten die ze graafde. De nesten die ze maakte. Dat ze zich soms stilletjes en in zichzelf gekeerd in een hoekje terugtrok. De aanvallen van neerslachtigheid. De agressieve uitvallen naar vreemden. Verder was het niet ondenkbaar dat die langdurig gezwollen melklieren leidden tot een tumor. De kans was dus reëel dat we haar gingen verliezen. De woorden stokten in onze kelen. De dierenarts bevestigde ons vermoeden. Op anderhalf jaar tijd was dit de derde keer. Hij schreef haar opnieuw pilletjes voor, maar na een paar weken was er nog niets veranderd. Hij wreef zich in de handen toen hij ons opnieuw in zijn wachtzaal aantrof. Zei dat hij het had verwacht. Dat er, alles welbeschouwd, maar één oplossing was voor dit probleem. En dat we niet mochten schrikken, want het was nogal drastisch. Het kwam neer op een sterilisatie. Baarmoeder en eierstokken moesten eruit.Dit ging toch iets te ver voor ons. Dat we een, nou ja, gezonde hond moesten laten opereren zat ons dwars. Dat we haar de kans om leven voort te brengen moesten ontnemen, het hamerde op ons geweten. Een tijdlang beheerste het ons leven. Ze is hier dan ook een volwaardig lid in huis. We spraken erover met vrienden. Zij die geen hond hadden vonden het fel overdreven en banaal ten opzichte van het echte lijden op deze wereld. Zij die wel een hond hadden drukten ons op het hart de ingreep niet langer uit te stellen. Doorslaggevend bleek het relaas van een bevriend koppel dat met een snik in de keel verhaalde hoe zij hun hond hierdoor op jonge leeftijd waren verloren. De volgende dag maakten we een afspraak. Ze richt zich op en kijkt me onderzoekend aan. Lijkt zich een en ander af te vragen. Wist jij hiervan? Zat jij ook in het complot?Plots komt ze overeind en loopt een beetje beverig, onzeker naar me toe. Ik help haar uit de kooi, zet haar op de grond. In een grote boog loopt ze om de dierenarts heen, gehaast, snuffelend op zoek naar iets.Zie je wel, zegt de man in de lange witte stofjas, je zou haast denken dat ze het alweer vergeten is. Wanneer ik in het bezit ben van haar riem en halsband, ga ik haar achterna. Ze wacht aan de deur naast een grote, gele plas. Dus daarom moest ze zo snel de kamer uit.Ik draag haar naar huis. Haar buik is over de hele lengte dichtgenaaid; een warme thuis van zijn inboedel beroofd. Zo zie je maar: ook al heb je niets, dan nog weten ze wel iets te vinden. Ze ziet er moe, angstig en gekwetst uit. Die blik vol vertrouwen is verdwenen. Ik leg haar neer in de zetel. Ze draait zich van me weg. Wat ik ook zeg, ze doet net alsof ze me niet hoort.Ik fluister haar lievelingswoordjes, maar het haalt niets uit.Slechts bij haar gratie ben ik een hondenfluisteraar.

Rino Feys
4 0

ONZE HOOP IN BANGE DAGEN

Het is op zijn minst zes jaar geleden dat we hier nog zoveel post kregen! Grote witte briefomslagen, maar ook gele, blauwe, oranje, rode, groene, bruine, paarse... Geen betalingen, aanmaningen, reclamedrukwerk maar voor de verandering vriendelijk opgestelde geschriften gericht tot de degenen - op de envelop soms afgekort tot 'fam.' ook al zijn we helemaal geen 'fam.' - wonend op dit adres. En onnodig te wachten op de postbode, de brieven dwarrelen de hele dag door in onze bus, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, zoals het de goeie voorvader van onze mailbox betaamt. Als een oude papieren sneeuwdroom die bewaarheid wordt.Plots weerklinkt dat metalige tjinngg, en een golf van vreugde schreeuwt het uit in onze borstkassen terwijl het piepend schuiven van de brievenbusklep over de naar binnen draaiende geleiders hoorbaar is, en daarna het zachte getokkel van - weeral! - een deinend schrijven die deze benauwde brievenbus niet kent en de zijkanten raakt terwijl het ons leven geruisloos probeerde binnen te dringen. Goed nieuws voor meneer de postbode: de hond veert niet eens meer op! Daarna: het optrekken van een wagen, het snauwende, verwijderende brullen van een scooter, het vage gerinkel van een fietsbel, of helemaal niets: misschien een gehaaste jogger, onder die kap luisterend naar de selectie op z'n iPod, of een zich van deur naar deur slepende bejaarde?Soms is er enkel een visitekaartje te vinden. Een flard van ontgoocheling die door het hart trekt - heel kortstondig - want wij begrijpen het maar al te goed: niet iedereen heeft tijd om de hele dag brieven te schrijven, en zo'n naamkaartje is nog altijd beter dan niets! Meewarig schudden we het hoofd of grinniken vol verbazing als we de beroepen van de briefschrijvers zien: een uitbater van een elektronicazaak, een gepensioneerd politiecommissaris, een maatschappelijk werkster bij het ziekenfonds, een leraar wiskunde, een verpleegkundige, een huisvrouw, een bediende, landbouwster, houtbewerker, tuinbouwer, opvoedster... Gewone menschen dus, goed volk, zoals jullie, zij en wij! Nu en dan schrikken we op, bij een oude klasgenoot, een ver familielid, of een oude vriend of vriendin. Ook veel gezichten die we reeds kenden, maar waar we geen naam op konden plakken, een buur, iemand die we tegenkomen in de krantenwinkel, waarmee we staan aan te schuiven in de supermarkt, of gewoon op straat passeren terwijl we naar de bakker lopen. Nu hoeven we er ons niet langer vanaf te maken met een schichtig knikje, maar kunnen we vrolijk, schalks knipogend roepen: Dag Guido! Hallo Luc! Fijne dag Amelie! Alles goed Ugur?

Rino Feys
9 0

Vijf bruggen verder

Ik weet niet of ik haar graag zie. Ik mag haar, dat wel, maar graag zien is nog vijf bruggen verder. Daar geraak ik alleen als de bagage te dragen is en er zo goed als geen twijfels zijn. Maar zij is een twijfelgeval. Om duizend en één redenen die elke seconde wisselen in soortgelijk gewicht. Zo spendeert ze te veel tijd in haar hoofd. Even niet opletten en haar ogen bollen naar binnen. Daar daalt ze zonder enig zelfbehoud af naar de krochten van haar zijn, om met de armen op de rug rondjes te draaien en te schoppen tegen elke verdachte steen. Eerst een beetje aarzelend met de punt van haar schoen, daarna zo hard ze maar kan, om te kijken wie of wat ervanonder komt gekropen. Altijd een risico, dat duiken onder de oppervlakte, maar ze kan het niet laten. Zodra ze de binnenkant beu is, richt ze haar pupillen naar buiten. Dan is ze meestal zo duizelig dagblind dat ze niet ziet wat er vlak voor haar voeten ligt. Dus trapt ze wel eens in een hoop stront, of ze stoot zich weer tegen een van die stenen die ze net heeft weggeschopt. En dan schaam ik mij voor haar. Zo diep, dat ik naar de eerste de beste straatsteen staar en gebaar dat ik haar niet ken. Of ik word kwaad. Zo kwaad dat ik haar trut, kalf en koe noem. Dan doe ik dingen die niet schoon zijn en dat is dan natuurlijk allemaal haar schuld. De trut. Ze moet ook niet zo verdomd gevoelig zijn. Eén platte kat op de baan en haar hele voormiddag is om zeep. Twee scheve blikken naar haar leren broek en ge riskeert een pak frieten in uw gezicht. Drie klappen op de overbuurjongen en ze droomt nachtenlang van de afgehakte losse handjes van zijn vader. En toch mag ik haar. Omdat ze luistert voor ze praat, nog het liefst met een mond vol zoet. Omdat ze naar me zwaait op straat, en dat alleen niet doet als ze haar bril niet draagt. Omdat ze wil dat het mij aan niets ontbreekt, ook al mist zij veel. Misschien moet ik haar toch maar eens iets cadeau doen met kerst. Geen ketting, want ze buigt niet voor bling. Geen strijkijzer, want alleen al de gedachte aan huisvrouwen maakt haar moe. Haar eens goed tegen mijn hartkleppen drukken, dat ga ik doen. Haar oren uitkuisen en fluisteren dat ze er mag zijn, dat is een gedacht. En als ze het niet wil horen zal ik roepen. Roepen tot mijn stem overslaat en haar oren nog meer tuiten. Roepen tot ze het voelt in de toppen van mijn tenen. Tot ik heel even stop met tegen stenen te schoppen. Tot ze het snapt. Dat ge eerst uzelf graag moet zien voor ge een ketting koopt voor een ander.

a little bit of soap
0 0

In de gloria

Het was weer zo’n ochtend. Jeweetwel, zo’n ochtend dat je doodmoe bent tegen het moment dat je de voordeur achter je in het slot slaat om naar het werk te vertrekken. ‘Hup Hup, uit je bed. Komaan.’ ‘Nee mama, mijn ogen zijn nog moe.’ ‘Komaan. Opstaan.’ ‘Maar de nacht was zo kort.’ ‘Allez kom, uit je bed.’ Wat later dolen spookjes met dichtgeknepen ogen rond in het huis. Kleren worden morrend aangetrokken. Er wordt gewankeld bij het aanmeten van kousenbroeken. Getwijfeld over bijpassende truien. Nog wat later zit de kroost aan de ontbijttafel. Balanceren tussen thee uitschenken, lunchpakketten maken, gezonde tussendoortjes in de boekentassen stoppen, planningen overlopen. Manlief slurpt koffie en knikt niet luisterend. ‘Allez, eet ne keer voort.’ ‘Ik wil niet naar school.’ ‘Had jij geen zwemmen vandaag?’ ‘Ik heb toets delen vandaag. Aiai, dat gaat niet lukken.’ Paniek. Gehuil. ‘Rustig. Rustig. Dat zal wel lukken.’ ‘Dat zal helemaal niet lukken, mama, jij begrijpt er niks van!’ ‘Allez kom, we gaan er nu niets meer aan veranderen alleszins. Thee opdrinken en naar boven om te poetsen.’ ‘Maar mama.’ ‘Kom, naar boven en poetsen.’ Terwijl ze gaan poetsen een heerlijke minuut grijpen. Neerzijgen aan tafel, havermout eten en de krant scannen. ‘Allez kom, haast u een beetje, papa staat al buiten te wachten om jullie naar school te brengen.’ ‘Ja maar, ik weet niet wat ik eerst aan moet doen.’ ‘Allez, meiske toe, dat weet je toch: trui, jas, fluovest, muts, helm, handschoenen.’ ‘Ja maar je begrijp het niet, he, ik kan dat stofje van die handschoenen echt niet verdragen, mama, ik word er gek van.’ ‘Niets aan te doen, je kan niet zonder handschoenen in de kou. Allez, ik help je om ze aan te trekken.’ ‘Mijn staart is niet goed gemaakt, zo gaat dat niet met mijn muts.’ ‘Ge meent het niet, he.’ ‘Zo gaat het ECHT niet, mama.’ ‘Grrr, allez kom, ik maak ‘m snel opnieuw.’ Deur toe. Zucht. Koffie binnengieten. Een artikel in de krant lezen. Poetsen. Rugzak laden. Alles aantrekken. En weg. Onderweg betrap ik mijzelf op het neurieën van een medley van twee nummers.   ‘Is dit nou laaaaater, is dit nou laaaater.. als ik groot ben..’  ‘Is dit alles, oehoehoehoe, is dit alles, is dit alles wat er is. Ooooh, is dit alles. Ahahahaha, is dit alles, is dit alles wat er is.’ Oh nee, ik was die toch niet luidop aan het zingen zeker. Schaamrood. Ik trek mijn kop in mijn kraag. De lucht is koud maar deugddoend. Ik adem ‘m diep in mijn longen. Met gezwinde benen fiets ik een paar drukke straten door. Dan rij ik langs het water.  De bleke winterzon in de verte. De bomen met hun kunstige naakte kruinen. De ochtend doet zijn wonderlijke gloordingen. ‘Ja ja,’ mompel ik,’ ‘t is goed zulle. Ja, ik heb het gezien. Het is een prachtige ochtend. Begrepen. Copy that.’

Eva Maria De Groote
0 0

Roos en de Makelaar in Ontroerende Goederen. Aflevering 2: De profielschets. Over promotie, branding en The Big Five.

Toegegeven. Het woord profielschets klinkt akelig zakelijk. De analytische geest in me denkt aan resultaatgebieden, gedragsfactoren, competenties. En dat uiteraard, hoe kan het anders:  in een ontegensprekelijke Excel-tabel gegoten. Categoriek in kaart gebracht. Niet door mezelf weliswaar, maar door de Makelaar. Het intakegesprek peilde vrij transparant en direct naar The Big Five: 1. Extraversie (tegenover introversie). 2. Vriendelijkheid/mildheid (tegenover bazigheid) 3. Ordelijkheid (tegenover wanordelijkheid). 4. Emotionele stabiliteit (tegenover emotionele instabiliteit). 5. Autonoom (intellectuele autonomie) (tegenover niet - autonoom). Ben ik georganiseerd, gedisciplineerd, betrouwbaar en consciëntieus of een hopeloze chaoot? Ben ik emotioneel onstabiel, lees: een type Amy-Whinehouse-total-loss of zo ongenaakbaar en onvermurwbaar als Angela Merkel? En kan ik voor mezelf denken, of aap ik toch liever maar wat groteske alpha-males en females na? Tot mijn grote opluchting is de koppelaarster een vrouw van woorden. Geen cijfers of statistieken, maar een mooi stuk geschreven proza krijg ik de week na het intakegesprek in m’n mailbox. Eéntje waar ik zowaar even week van word. Noem het mijn bescheiden zelve (of, tja, mijn emotioneel onstabiele zelve, het is maar hoe je het bekijkt) maar zoveel moois is er over mij in één pagina nog weinig of nooit gezegd. Om bevestigd te krijgen dat er naast makelaar-en-promotalk ook effectieve waarheid in het A4-tje staat raadpleeg ik enkele trouwe vrienden, én m'n twee kinderen. M'n stuntelige, klungelige, onbeholpen zelve tikt zowaar een fout e-mail adres in en stuurt het prozaïsche profiel ook per abuis naar een ex. Iemand die me genegen was loslaten, is duidelijk niet m'n sterkste punt. In m'n onderbewuste schrijf ik nog elke dag lange e-mails vol verhalen die nooit meer aankomen. De reacties zijn unaniem (ja, ook die van de ex): Helemaal jij. De schatten. Mijn zoon voegt nuchter en opmerkzaam toe dat er nergens vermeld wordt dat ik allergisch ben aan de plantenfamilie van de nachtschade. Maar goed. Da's een detail. En ook: “Roos is uiterst gevoelig voor nachtschade”, klinkt niet bijster uitnodigend, toch? Dus gaan we ermee door. Deze “sympathieke, veelzijdige vrouw met een rijke en boeiende persoonlijkheid die met passie in het leven staat” geeft groen licht aan het makelaarsbureau:  ja, verkoop haar maar. Maar voorzichtig en met mate. Ze is niet enkel “kleurrijk en eigenzinnig”, maar ook oh zo breekbaar. Helemaal onderaan de schets zijn er enkele lijnen vrij voor mijn “desiderata”. Ah. Roos’ diepste verlangens krijgen zowaar een plaats. Rechttoe rechtaan had ik er zelf geschreven: goeie chemie, een subtiele mix van (fantastische) seks, goede wil, comfort, verlangen, vriendschap en vrijheid, en dat mysterieuze extraatje dat ervoor zorgt dat ik als een blok voor 'm val. Van de hand van de koppelaarster staat er nu enigszins getemperder: “Een aangename, intelligente man die bewust en met vertrouwen in het leven staat, zou goed bij Roos passen. Met haar deelt hij een open geest, relativeringsvermogen en zin voor humor”. Ah. Da’s een waarheid als een stier: wie Roos aan het lachten brengt krijgt steevast een welgemeende Big Five. De profielschets eindigt mysterieus met “hoe de relatie precies wordt vormgegeven, zal de toekomst bepalen”. Ik zucht diep. Lady Gaga zong het al in Future Love: “when I get to him I'll run him over with my rocket ship.” Een  George Clooney-kloon in mijn eindeloze Gravity heelal. Yup. Roos is very much ready for take-off. Roos Wordt vervolgd: Aflevering 3. Roos ontmoet Witse.

Roos
0 1
Tip

Dilbeek

Vandaag was ik in Dilbeek. Omdat ik uit een Vlaams nest kom, denk ik er meteen de woorden ‘waar Vlamingen thuis zijn’ bij. Zoals ‘iedereen komt, als je Leo roept’, bij iemand die Leo heet. Maar Dilbeek dus. Ik had er een afspraak met een mogelijk nieuwe klant. Een prospect heet zoiets in de taal waarin ik betaald word. ‘Spreekt u Frans?’, vroeg de man me bij het binnenkomen. 'Oui, oui, bien sûr,' zei ik. Ah oui, car je suis Belge, wilde ik er nog aan toevoegen, maar de laatste keer dat ik dat zei, was tegen een erg aimabele Waal, waarop die zich wat geviseerd voelde door mij, omdat hij ook Belg was, maar geen Nederlands kon, of toch niet zoals ik Frans kan. 'Le plus important, c’est qu’on se comprend,' zei ik. En dat meende ik ook. Toen tegen die Waal, en nu tegen die Dilbekenaar. Het werd een beleefd technisch gesprek met de patron en zijn rechterhand over potjes vol olijven waarop een ingenieus etiket moest komen. Er borrelden spontaan prijstechnisch interessante ideeën in mij op, die ik losjes uit de pols op tafel gooide. Eensgezindheid alom, en in het vlotte taaltje dat ik me de voorbije twintig jaar eigen heb gemaakt, nam ik even gezwind afscheid als ik hen had begroet. De versnaperingen die een secretaresse op drie borden op tafel had gezet, had ik onaangeroerd gelaten. De laatste keer dat ik ad fundum Griekse hapjes had genuttigd, nu toch zo’n 15 jaar geleden, ben ik er een week ziek van geweest. Ik wil er gerust een etiket op kleven, maar het ook nog eens eten, is iets anders. Opnieuw in de Vlaamse buitenlucht, lachte een Belgische zon me hartelijk toe. Ik heb altijd de neiging te denken dat de zon in het land waar ik ben alleen van dat land is. Zoals de zon die ondergaat in de Noordzee toch onmogelijk dezelfde kan zijn als die van de Middellandse zee? Het is een zienswijze die ik graag volhoud. Het zorgt ervoor dat ik er op vakantie foto’s van maak. Kijk eens wat een zon we daar hadden. Zoiets. Enkele ogenblikken later reed ik met mijn prospecterende auto opnieuw doorheen de propere Dilbeekse straten. En toen, toen herkende ik het. Als een foto uit mijn album van 1973. Die heuvelende straten, de appartementsblokken van vier hoog en hun zonnewerende terrassen van gefumeerd glas. Hier was ik als kind vaker geweest. Deze glooiende voetpaden kende ik. Ooit had ik er onwennig met mezelf op gehinkeld. en gerolschaatst. Ja, ik was een krak als het op echte jongensspelletjes aankwam, toen ik acht was. Er passeerden flarden hevige zonneschijn in mijn hoofd en een korte blauwe sponsen broek. En ook gesprekken met voorbijgangers die ik niet begreep. En de lieve ogen van mijn moeder, die me af en toe een blik gunde vanuit het keukenraam van het appartement drie hoog, waar ze een Franssprekend nichtje hielp met wat Vlaamse huiselijke arbeid. Heel even aarzelde ik, wilde ik de auto parkeren, en het appartement zoeken waar ik vanop het terras ooit naar beneden had gekeken, in een stralende zomerzon, met een veelkleurige lolly in de hand, angstig om zoveel zonnige hoogte. En heel even, heel even maar, kon ik het zuur in mijn keel proeven, en hoe de lolly aan mijn bezweette jongenshandjes begon te kleven. Dat die beelden na bijna veertig jaar nog in mijn buik en hoofd geparkeerd zitten, dat mag een wonder heten. Een Fransman schreef er een verplicht platgelopen stuk over. Ik weet het. Niks nieuws onder de Europese zon. Heel even had ik zin om patisserie Lejeune binnen te gaan, daar op de hoek. En dan te zeggen: ‘Un koffiekoek, s’il vous plait’. Ik krijg er in deze streken altijd gegarandeerd een serviette bij. Ze horen immers dat ik van ver kom, en de koffiekoek in de auto zal opeten, vooraleer ik me weer naar een volgende prospect begeef. Een serviette is dan handig. Het gaat anders zo aan het stuur kleven. Le plus important, cest qu’on se comprend, denk ik nog. En met een zurige krop in de keel, word ik wat verderop één met de avondspits.

Jan De Palmeneire
66 4

Roos en de Makelaar in Ontroerende Goederen. Aflevering 1: Het paard voor de wagen.

Na twee gebroken harten in één maand tijd, beslis ik dat het moment rijp is om de spreekwoordelijke koe, eh stier, bij de horens te vatten. Net geen drie jaar heb ik geïnvesteerd in geduldig wachten op mannelijke exemplaren die telkenmale niet wisten of ze wel voor me konden kiezen. Twijfel en treuzel alom. Een emotionele achtbaan.  Een wachtbaan. Allebei waren ze me ontzettend dierbaar: heel diep, en waar. Maar nu wil ik zelf aan zet zijn. Pro-actief.  M’n paarden niet langer achter de wagen spannen, maar met volle teugels vooruit. Dus schrijf ik me in bij een relatiebemiddelingsbureau: een makelaar in ontroerende goederen. "Tja, waarom wachten op je geluk als je het ook een duw kan geven?”, beaamt een dierbare vriendin. “Eh, da’s toch één groot hoerenkot?” reageert mijn vader laconiek.  “Een heel moedige beslissing, stel je me in een volgend leven aan je nieuwe partner voor?”, zegt de ex die prima kan doen alsof het ’m niet raakt. Vanuit de auto doe ik snel een telefoon. Ik verdraag geen uitstel meer. Maak een afspraak met een punctuele secretaresse. Haar lieve, opgewekte, tegemoetkomende stem geeft me moed. Ik geef het op mijn beurt niet graag toe, maar de ex heeft toch een beetje gelijk: dit vraagt durf. Ik leg m’n breekbare hart voortaan in professionele handen: een zorgvuldig opgebouwde database, aangevuld met de expertise van een handvol consulenten, én een punctuele secretaresse.  Een tweetal weken later word ik uitgenodigd op een eerste intake gesprek met de Makelaarster. Ruim een half uur te vroeg parkeer ik m’n auto voor de deur. Ik kom altijd te laat op afspraken. Het weze glashelder duidelijk: mijn paard staat ruimschoots voor de wagen.  De koppelaarster verbaast me positief: een oprechte, persoonlijke aanpak.  Deze dame is beslist geen lege, commerciële, romantische regelneef. Haar bureau belooft een klare, eerlijke kijk op waar het in de liefde vaak om draait: hoe het klikt, smelt, botst, en altijd anders uitdraait dan je oorspronkelijk had verwacht. Ze start het gesprek heel nonchalant, alsof we in een bar zitten, of ergens op een reünie van oud-studenten. We blijken studiegenoten te zijn en de eerste twintig minuten van onze ontmoeting gaan naar het ophalen van herinneringen aan de universitaire dagen van weleer. Je weet wel: gemijmer over bevlogen, excentrieke professoren, en nostalgie naar de hel die mondelinge examens waren.  Ik voel me volstrekt niet op een mondeling examen. En de koppelaarster praat honderduit. Een ongeduldige stem in me zegt: “eh, waar is die checklist die moet worden afgewerkt?” “Mijn desiderata, mijn kenmerken, mijn profiel, mijn do’s and don’ts?” Maar mijn gesprekspartner lijkt mijn verborgen ongeduld te negeren, en praat rustig door over faits divers alsof we elkaar al jaren kennen. En eigenlijk voelt het ook wat zo. Als een vlotte en vanzelfsprekende match.   De checklist wordt afgewerkt, het contract overlopen en ondertekend. De nuchtere feiten worden niet onder tafel gemoffeld, maar openlijk besproken. “Dit avontuur kost je een rondreis naar Thailand met een gerenommeerd reisbureau”, spreekt een duivels stemmetje in me. “Maar je reist lekker wel een jaar lang voor die prijs, krijgt elke maand een man aangeboden, én als je even wat pauze kan inlassen, dan mag dat”, fluistert de sussende engel. Ik sluit een compromis met mezelf en beloof aan Mefisto dat mijn perfecte match-to-be me vast en zeker meeneemt op een te gekke reis naar Thailand. Dat zou Sera-fijn zijn.   Het bureau heeft 2200 klanten, en 50%  vindt een geschikte partner, zo leer ik. Mijn kansen zijn dus 1 op 2. Statistieken op de website van het bureau vertellen me dat 45 een scharnierleeftijd is. Vanaf die leeftijd stijgt het aantal vrouwen in verhouding tot het aantal mannen. Ik heb dus nog net twee jaar de tijd om het kritieke kantelmoment voor te zijn. Alle hens aan dek. Juu paard. Hup Ro(o)s. Ik protesteer licht tegen de nuchtere, realistische opmerking dat ik er rekening mee dien te houden dat mannen gaan voor jongere vrouwen, en ik dus beter een compromis sluit door ook oudere mannen in m’n wish-list op te nemen. De levenslustige, dynamische spring-in-het-veld in me wil het liever nog graag jong en eh lekker. Maar ik zwijg wijs. Vijf jaar ouder met speelse pretlichtjes in de ogen en een sportief lichaam: het moet kunnen, nee? Aan het eind van het gesprek wordt me gevraagd een foto door te sturen. Niet voor publicatie. Enkel voor intern gebruik. Het lucht op om dat te horen. Ik geloof in deze visie: aantrekking heeft voor meer dan 70% met lichaamstaal te maken. Hoe iemand beweegt, spreekt, wat iemand via zijn lichaamstaal vertelt over zichzelf is veel bepalender en dat kan je niet zien op een foto. Opnieuw bonuspunten voor deze aanpak. Ziezo. Ik begin aan dit avontuur met gemengde gevoelens. You can’t hurry love zongen The Supremes. Misschien forceer ik wat eigenlijk spontaan zou moeten gaan. Maar soit. Love’s a crazy horse. I can but give leeway to its force. Roos Wordt vervolgd:  Aflevering 2. De profielschets. Over promotie, branding en The Big Five.

Roos
0 1

de gestolde tranen van de uitgever

Ijdelheid, treurnis: wees gerust, in dit hoekje van de Standaard boekhandel had ik het rijk voor mezelf. 'Big data' spookte door mijn hoofd, en dus belandde ik bij de afdeling inwisselbare waren: communicatie, online media, management, marketing. Boeken die al gedateerd zijn bij verschijnen.  Bijsluiter-boeken over blogs, digital branding, sociale media. De bijsluiter als bijwerking. Gedrukte gedrochten, borrelende uitstulpingen van de online onderstroom. Papieren placebo's, daar waar zelfmedicatie onze enige hoop is. Willen die uitgevers nu echt per se failliet? En hoe zit dat met de papierindustrie? En geeft zo'n auteur dan zijn eigen boekje af als visitekaartje of zo? En de omloopsnelheid van boeken? Is dit het dan? Is dit het drama van het boekenvak, zijn dit de gestolde tranen van de uitgever? Moedeloosheid springt me naar de keel, als een uitgehongerde jakhals. Ach, big data, waar zitten jullie? Was 'Big data' eigenlijk wel de titel? In elke andere winkel had ik de kassierster, de schoonmaakploeg en de terloopse klant aan de tand gevoeld, maar hier neemt zo'n vraag al snel de allures aan van een rogatoir. Titel? Uitgever? Auteur? Publicatiedatum? ISBN? Waarom wil u dat boek? Waarom koopt u geen mooie verjaardagskaart, spannende zomerthriller of de nieuwste Jamie Oliver? En dus verliet ik mak en weemoedig (meewoedig) de winkel met Halfgod verzamelaar van Komrij, als een beteuterde wijnliefhebber die het alweer met een Chateau Pétrus 2005 moet doen. Een dag later is de wrok getemperd, de lucht opgeklaard. De kat vleit zich als een leeuw voor mijn aangezicht, de eksters kraaien. Berustend nestel ik me in de zomerse zetel. En ik lees Komrij's stuk uit 1987 over 'computerboeken': "De computer, die pretendeert paperassen overbodig te maken, heeft in werkelijkheid een heel nieuwe papierstroom op gang gebracht. (...) Door bedrukt papier laat men zich instrueren hoe men papier dat nog blanco is bedrukt krijgt. De computer hangt er wat onhandig tussenin." Computerboeken uit 1987 of sociale media-boeken uit 2013: "Waarom doet de computerwereld niet wat des computers is?" En alweer moet ik constateren dat de scherpe zienigheid van Komrij (doorzien is voorzien) nog altijd pertinent is. En dat ook wel nog enkele decennia zal blijven. Prachtboek.

Guy Bourgeois
12 0

Een nieuw nest

Vanaf de brug kijk ik doorheen de bomen naar het huis. De wind beweegt zich door de takken van de populieren en het gesuis legt elk restje onrust in mijn hart stil. Mijn lief staat iets verder op de brug en kijkt met even grote ogen naar hetzelfde huis. We glimlachen naar elkaar en onze ogen spreken boekdelen. Het huis ligt een beetje verscholen te midden van rust en stilte. Aan de straatkant verborgen achter een ruime stalling. Aan de waterkant in volle pracht voor de recreatieve fietser. Wanneer we het kleine erf opwandelen, fluiten enkele nieuwsgierige vogels naar de onbekende bezoekers. De grote tuin is weloverwogen verwilderd met bloemenweides en bomen. ‘Peren en noten mevrouw. Zelfs een kerselaar! Prachtig toch?’ Als antwoord glimlach ik naar de man in maatpak. Ik zie mezelf de was ophangen. De wasdraad wordt geleid van huis naar boom, op maat van de kleinere vrouw. De houten wasknijpers kletteren in het bakje als ik het in de wasmand zet om naar binnen te dragen. We betreden het huis via de keuken waar mijn lief aan tafel de weekendkrant leest. Ik zet verse koffie en kijk uit het raam naar een voorbijvarend plezierbootje. De poes draalt vragend om mijn benen. Ik geef haar een aaitje en met uitgestrekte voorpoten verlengt ze vol genot haar lijfje. ‘De tegelvloeren zijn authentiek, echte pareltjes als u het mij vraagt.’ Mijn lief kijkt met een lachje over zijn krant heen. Herinneringen staan her en der gestapeld in de woon- en eetkamer. Er is plaats voor een houtvuur waar mijn lief hout op gooit, terwijl ik in de zetel zijn handelingen nauwgezet volg. Het piepende deurtje klinkt vertrouwd. Buiten waaien de laatste blaren van de bomen. ‘Meneer en mevrouw slapen hier nu ook omdat meneer niet goed op de been is. Zoals u kan zien is er dus voldoende ruimte voor een gezellige zithoek.’ Maar waar komt het aquarium? De voute is ingericht als badkamer. Blauw en geel verdwijnen in enkele dagen onder stroken wit. Op zondagvoormiddag schuifelen we, terwijl het bad volloopt, een traag dansje door de ruimte. 'Sta mij toe u de bovenverdieping te tonen.' Op de bovenverdieping ontdekken we twee kleine slaapkamertjes. De notelaar piept binnen bij het eerste, als behoeder van de rustige zomernacht. De onafgewerkte zolderkamer op hetzelfde verdiep zou een ‘prachtige master bedroom zijn’, maar mijn lief en ik zitten er elk al snel aan ons eigen bureautje. Even later bladert hij op de mezzanine in boeken op zoek naar inspiratie voor een nieuw project. Ik lig in het zeteltje en probeer hem te verleiden tot een beetje luiheid. Hij komt bij me zitten en ik leg mijn hoofd in zijn schoot. ‘Wat zijn je haartjes al lang.’ Ik sluit mijn ogen als zijn vingers door mijn haren strijken. We tellen af naar het ontluiken van een nieuwe lente. Onder de bloesems zullen we een nieuw nestje bouwen. (Foto: onbekend)

Katrien Meermans
0 0

De foor in Beerse

‘En van wie zijt gij er eentje?’ Gisteren was het weer zo ver. Jaarlijks vindt in september het groot kermisfeest plaats in Beerse. Van de schoonfamilie dan nog, nota bene. Een oud gebouw met vervallen speeltuin wordt afgehuurd zodat alle tantes, groottantes, neven, nichten, nichtjes van nichtjes… binnen kunnen. Over het eten kan ik zeker niet klagen, een koud buffet en barbecue gaat er bij mij altijd wel in, nog te zwijgen over de tien verschillende zelfgebakken taarten waar ge natuurlijk verplicht zijt van elk een stuk te nemen. Allee, doe maar een kleintje dan. En dan met een andermans klein mannen de speeltuin in. Normaal dolle pret maar als het kind bij elk speeltuig zegt dat het te eng is, of te hoog, of enkel voor nog grotere kindjes…dan is de fun er snel af. Dan maar op de glijbaan, en nog eens, en nog eens,… Tijd om naar de kermis te gaan. Diep vanbinnen ben je even blij als alle kleine kinderen die al heel de dag zenuwachtig komen vragen wanneer we nu eindelijk vertrekken. Je hebt speciaal klein geld verzameld de laatste week. Op de kermis zijnde, was dan ook geen enkele grijpmachine in het lunapark nog veilig. Weer een paar euro’s armer. Ach, t ’is maar ene keer op het jaar kermis. We doen het eigenlijk voor de glimlach op het kleine snoetje van het nichtje, niet waar? Want zij is altijd even blij met elke gewonnen prijs, of ze nu balletjes heeft gegooid, eendjes heeft gevist of met overdreven grote geweren heeft geschoten. Het valt haar zelf niet op dat ze altijd maar uit de prijzen van de eerste rij mag kiezen, hoe groot het gewonnen aantal punten ook is. Het grote kermiscliché moet ik toch ook deze keer jammer genoeg weer beamen. Overdreven geschminkte tienermeisjes (ach, we moeten niet liegen, het zijn niet alleen maar tieners) in tijgerbloesjes en wel heel erg skinny jeans staan verliefd te lachen naar hun rokende vriendjes. Want zij hebben hun liefjes wel net de grootste teddybeer geschoten. Die houden ze voor altijd bij! Het is mooi om te zien dat na al die jaren er nog steeds koppels worden gevormd op tentfuiven op een dorpse kermis. Was dat niet iets uit onze moeders tijd, maar dan op een lichtjes aangepaste manier? Ik geef grif toe, dat je jezelf als kinderloze dertiger nog uitermate kan amuseren en uitleven op de foor. En dat ik misschien nu al terug een beetje zin heb in volgend jaar. En als laatste nog even dit: lang leve de kermisromantiek!

An Spoelders
29 1

Valentijn

Enkele jaren geleden luidde ik met warme kreten de maand van de liefde in. In mijn dichtbundel komen en gaan, met als centrale thema liefde, gaf ik mezelf bijna letterlijk bloot. Ondertussen zit ik hier met warme gevoelens voor mijn kersverse zoon.  Steeds een stapje voor, altijd berekend en toch misschien opnieuw té snel willen zijn. Vrouw als ik ben, kweekte ik de “ik wil meer” microbe en een zelf-opbouwend verwachtingspatroon. Stoom kwam uit alle gaatjes en ik kon geen kant meer uit. In de economie daalt de vraag, behoeftes worden niet meer ‘bevredigend’ bevredigd. Laat dit vooral een reden zijn om gewoon onszelf en dus ‘anders’ te zijn. Om dingen te laten zijn wat ze zijn. Om te groeien naar daar waar we moeten zijn. Ondertussen zit ik hier met warme gevoelens voor mijn kersverse zoon. Het is Valentijn, de dag die ik niet vier, de dag waarop ik er vandaag aan herinnerd word dat er voortaan officieel twee mannen in mijn leven zijn. Nood breekt wet en bij deze dwingt het mij dit brandend gevoel met u te delen. IK WIL niets ‘MEER’ en toch wil ik - gelijk - ook alles op een rijtje. Hoewel mijn gevoel niet te blussen is, temper ik mijn passie. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar jou, hopend op een glimlach, een schaterlach, een kus, een scheet, een drolletje, een boertje. Mijn mannen hebben veel gemeen maar zijn dat laatste niet. Geen nood dus om te veranderen, om daar iets aan te veranderen, laisser faire, laisser passer. Een ‘femme de ménage’ een ménage à tois. Zo lang we maar gelukkig zijn! Voor mij geen nieuwe Valentijn meer!  

Lezzl
0 0

Zwarte pieten, zwarte schapen

Er wordt in Nederland veel gezwartepiet, de laatste weken vooral in letterlijke zin. Ons sinterklaasfeest met de Zwarte Pieten is onderwerp van discussie en dat gaat gepaard met heftige emoties. Velen vinden dat je niet aan ‘ons’ feest mag komen en dat de Zwarte Pieten er nou eenmaal bij horen. Anderen vinden dat je de gevoelens van degenen die zich geraakt voelen door ‘Zwarte Piet’ als ‘knecht’ van Sinterklaas op zijn minst serieus moet nemen. Sinterklaas en zijn Zwarte Pieten zijn een Nederlandse traditie; het feest wordt alleen in ons land gevierd, met cadeautjes, kinderen die in sinterklaas ‘geloven’, het maken van gedichten en alles wat er bij hoort. In gezinnen, op scholen en zelfs in sommige bedrijven wordt er iets aan Sinterklaas gedaan. Die traditie mogen we op zich koesteren. Dat hoeft niet in te houden, dat je altijd alles precies bij het oude houdt, je kunt ook dingen aanpassen. Ik vind het namelijk verstandig om rekening te houden met mensen die aanstoot nemen aan ‘Zwarte Piet’ en hen niet af te schilderen als ‘zeurpieten’. De zwartepietenhype waait natuurlijk wel weer over, maar achter dit gedoe gaat het toch om iets wezenlijks. Veel mensen die uit Suriname en de Nederlandse Antillen afkomstig zijn hebben voorouders die ooit in plantages als slaaf werkten. Zij waren als het ware het bezit van hun ‘meesters’. Ook na het afschaffen van de slavernij was er nog steeds sprake van ongelijke en ongelijkwaardige verhoudingen, in Suriname en elders. In het zuiden van de Verenigde Staten werden nog in de jaren zestig van de vorige eeuw zwarte kinderen en volwassenen openlijk gediscrimineerd. De Apartheid in Zuid Afrika duurde tot eind jaren tachtig. Discriminatie en apartheid zijn gebaseerd op een moreel misverstand, namelijk het idee dat er ‘superieure’ en derhalve ook ‘ minderwaardige’ mensen zouden bestaan. Het idee van superioriteit kan gebaseerd zijn op bijvoorbeeld etnische herkomst, op geloof of ideologie en zelfs op uiterlijk. Dit gaat gepaard met wij- zij denken; wij staan aan de ‘goede’ kant, zij aan de ‘slechte’. Hen mag je dus ook anders en slechter behandelen dan jezelf behandeld wilt worden. Discriminatie kan heel klein beginnen, in de schoolklas of op de werkplek. Een kind of een volwassene hoort er minder bij en mag worden gepest. Je speelt niet met hem of je groet hem of haar niet, je laat hem links liggen. Als iemand eenmaal een zwart schaap is, dan ontstaat er in de groep die het schaap aan zijn lot overlaat een merkwaardig verschijnsel, namelijk dat het isolement zichzelf versterkt. Voor de andere schapen is de omgang met het zwarte schaap nu besmet en is het lastig om je nek uit te steken en hardop te zeggen, ‘waar zijn we eigenlijk mee bezig?’ Het zwarte schaap gaat zijn weg maar voelt wel verdriet om de afwijzing en het onbegrip. Voor pesten en discriminatie is er namelijk geen redelijke grond. Discriminatie op basis van geloof, sekse, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of huidskleur is daarom principieel verwerpelijk. Het pesten van anderen kan voor mensen wel een functie vervullen. Je kunt je onmacht en boosheid op een andere persoon of een andere groep richten. Je kunt het object van het pestgedrag openlijk minachten en dat binnen de groep rechtvaardigen. De slachtoffers van het pestgedrag kunnen zich daar nauwelijks tegen verweren, ze deugen immers toch niet. De verstoting kan ernstige gevolgen hebben, zoals depressiviteit en in extreme gevallen zelfs zelfdoding. Het zwarte schaap worstelt immers altijd met de vraag of hij er ook zelf om gevraagd heeft. Het is voor de gezondheid van mensen en voor gezonde maatschappelijke verhoudingen goed om pesten en discriminatie te onderkennen en tegen te gaan. Mensen die anderen pesten zullen dat niet gauw erkennen en het steeds proberen te verbergen. Het is voor hen te bedreigend om echt in de eigen spiegel te kijken. Pesten kan uitgroeien tot discriminatie als het anders en slechter behandelen van mensen maatschappelijk wordt geaccepteerd. De meeste politieke partijen en politici in Nederland willen dat zeker niet. Toch vond de Nationale Ombudsman het nodig een signaal te geven over discriminatie in Nederland. Dat signaal moeten we niet wegwuiven maar serieus nemen. Ook in ons land vinden er achter de façade soms minder fraaie dingen plaats. Het grootste risico is een cultuur van angst en een klimaat van onveiligheid waardoor mensen zich niet gewaardeerd en gerespecteerd voelen. Vooral in instellingen of gesloten gemeenschappen is dit risico aanwezig, maar ook in gezinnen en werksituaties kan het geen kwaad om waakzaam te zijn. Zeg neen tegen pesten! Zeg neen tegen discriminatie. Zeg ja tegen waardigheid en menselijkheid! Durf elkaar in de ogen te kijken en kijk niet weg! Laten we er een leuk sinterklaasfeest van maken!

José van Rosmalen
0 0

Domotica

Terwijl we op de strakke designfauteuils gaan zitten, schuiven de kamerbrede rolgordijnen voor de vensters vanzelf zachtjes naar beneden. Als op een onzichtbaar teken van de gastvrouw. “Stel je eens voor…” schotelt ze ons de deugden van haar gloednieuwe ‘intelligente huis’ voor. “Ik kom ‘s avonds laat vermoeid thuis van een lange dag (keihard werken aan de top – nvdr) en dan wil ik verwend worden. Via vingerdruk-herkenning kom ik het hek langs en rij ik de oprijlaan op: de lichtjes erlangs floepen aan en de garagepoort schuift open en gaat weer dicht van zodra ik binnen ben. Automatisch gaat in elke ruimte van het huis waar ik langs kom het licht aan: ik hoef geen enkele schakelaar in te drukken.Een simpel signaaltje met mijn gsm heeft het bad al geprogrammeerd zodat het me dampend staat op te wachten bij thuiskomst en mijn multimedia koelkast is uit slaapmodus gehaald. Die luxe koel-vries combi maakt niet alleen op tijd perfecte ijsblokjes voor mijn aperitief klaar, maar is ook een high tech informatiecentrum. Via de monitor in de deur en mijn mobiel kan ik mijn favoriete film op video laten opnemen, de gezinsagenda raadplegen (wie wanneer waarheen moet, weetjewel), voorraad in de koelkast beheren - inclusief maaltijdsuggesties-, boodschappenlijstje checken en doorgeven aan de ‘home delivery service’, die alles mooi deponeert in de leveringsbox bij het hek. Elke beweging daar en rond én in het huis  kan ik ook op dat schermpje volgen: bewegings- en beeldcamera’s zorgen voor een waterdichte beveiliging en signaleren het minste onraad. Mijn lievelingsmuziek klinkt intussen doorheen het hele huis, een lichte streling langs het ‘touch screen’ van de hifi bepaalt het volume waar ik dan zin in heb. Ik kan languit genieten van mijn warme bad, en achteraf relaxen in onze home theatre, waar ik de foto’s en filmpjes bekijk die ik doorgemaild kreeg van de kleinkinderen.” We zijn letterlijk stil gevallen bij het relaas van zoveel vernuft. Zo stil, dat de bewegingsdetector ons blijkbaar niet meer ziet zitten en plots alle lichten uitgaan. Van uit de keuken klinkt een metalen stem die ons met een zwaar Amerikaans accent meldt dat het huis niet is afgesloten en de oven nog aan staat. Kirrend van trots springt onze gastvrouw recht, laat zo blijkbaar weer alle lampen branden en onderstreept met een theatrale zwaai van de armen dat dit nu toch alle comfort in een notedop is. Wanneer ik later alleen op het hoogglanzend inox toilet zit, let ik er op af en toe met de handen te zwaaien en vraag me af of dit nu echt bij het verwennen hoort.

Quickfox
0 0

Facelift

Ik kom er elke week enkele keren voorbij, op weg naar de stad. Toen ik klein was en er met mijn moeder langs reed, zat er vaak een oud mannetje op de bank. Leunend op zijn stok, een beetje doorgezakt, net als het huis zelf. Op een dag was het mannetje weg, en bleef weg. Ook het huis leek zich van de wereld af te sluiten. Na een tijd bleven de luiken dicht, het gras in de boomgaard werd alsmaar hoger, de tuin wilder en warriger en de bomen staken elke winter langere, grillige takken de lucht in.  Ooit  was het een mooi landhuis geweest, maar nu leek het wel of het elk seizoen wat dieper in elkaar zakte. De daknok van het woonhuis werd krom, de pannen van de schuur en de paardenstal vielen af, de luiken hingen wat scheef in hun hengsels. Jaren lang zag ik huis en erf aftakelen en het deed me wat. Want je voelde er nog de ziel van vroeger rond hangen. De sfeer van bedrijvigheid, mensen en dieren in de stallen en de weiden, vrouwen en kinderen in de tuin en de boomgaard… In mijn gedachten was het er meestal lente of zomer geweest, met veel lieflijk bucolisch buitenleven. De koele realiteit van vandaag leek geen interesse meer te hebben voor zoveel romantiek. Tot vorige lente. Plots werden de oude fruitbomen gesnoeid en kregen ze nieuwe, jonge aanplant erbij. De omheining werd recht gezet, met struiken rondom rond.  Alle pannen gingen van de daken, de balken werden vernieuwd, nieuwe pannen kwamen er op. Raamwerk en luiken kregen ook een beurt of werden vervangen. Er kwamen prachtige lindenbomen langs de oprijlaan. Kortom, het hele landgoed werd grondig en vakkundig opgefrist. Ik keek er elke keer naar uit, om er langs te rijden en de vooruitgang van die heerlijke opknapwerken te volgen. Je voelde het nieuwe leven in het oude landgoed meer en beter vorm krijgen.  Ik verlangde naar de eerste paarden in de stallen, de eerste mensen in de tuin. En nog niet zo lang geleden waren ze’r eindelijk. Met lammetjes in de boomgaard als kers op de taart. Maar het wonderbaarlijkste van dit alles vind ik het huis. Het lijkt zijn schouders te hebben gerecht, het hoofd fier omhoog, de blik helder en open.  Die rechte noklijn, de gewassen en nieuw gevoegde muren, de vers geverfde ramen en luiken: geen menselijke facelift kan ooit zo jong ogen.

Quickfox
0 0

Recht op Rechtenmeisjes

Vanaf dit academiejaar zijn enkel mensen met een KUL-kaart nog welkom in de Leuvense fakbars. Hiermee komt een einde aan de eeuwenlange vrije toegang tot het vrouwelijke rechtenvolk. Merci, Tobback. Het is niet omdat jij jouw Lowietje niet meer recht krijgt, dat je ons het recht kan ontzeggen op horizontaal plezier met rechtenmeisjes. ‘Enkel KUL, zo sta ik minder voor lul’ denkt deze steriele Stalin.   Nochtans vormt dit edict een inbreuk tegen Artikel 1 van het Leuvensche Handvest der Studenten & Alumni (1431), dat ‘een vrij verkeer van geslachtsgoederen op de Tiensestraat’ voorziet. Het addendum ‘zonder discriminatie op basis van facultaire oorsprong’ kwam er in 1615. De mannelijke rechtenstudenten schermden immers hun vrouwen rigoureus af tegen elke vorm van interfacultair contact, uit vrees voor besmet bloed uit vuilbakrichtingen zoals politieke en sociale wetenschappen. Na twee eeuwen van inteelt en advocatenkribbes vol mongooltjes dwong een toga niet langer respect af, maar diende de witte bef om het speeksel van hun zwakzinnige kroost af te vegen. Om de zever in pakjes in de rechtbanken op een enigszins aanvaardbaar niveau te houden, besloot de rechtendecaan zijn fakbardeur te openen voor het plebs. Blut und Boden veranderde echter stilaan in Bloed op de Bierbodem. Stevige Cristal-nachten eindigden in vechtpartijen en glasscherven. Veelal vormde de aanleiding het ongewenst verleggen van de zijstreep bij de parmantige rechtenjongens. Toen het volkse bloed niet meer uit de Burberry-pofbroeken te wassen viel, werd de plebejers in 1650 opnieuw de toegang ontzegd door het invoeren van codexartikels als codewoord. Dankzij de overgewaaide ideeën uit de Franse Revolutie werd de fakbar in 1790 evenwel omgedoopt tot ‘Het Huis der Rechten’, waarbij de deur voorgoed openstond voor iedereen. Tot de socialist Tobback dus anders besliste. Met deze maatregel trapt Tobback vooral de eeuwige student op straat. Alumni, geleid door gevoelens van lust en nostalgie, worden nu tot lauwe pinten uit groene flesjes aan 3€ op kleffe afterwork-events gedwongen. Zij gluren niet langer naar de blos van jonge maagden, maar staren naar een overdaad aan blush bij veelgelaagden. De overgang naar het werkleven is geen roetsjbaan meer, maar een ezelstrap naar de hel. Ik neem dus gedwongen afscheid van het HDR. Mijn donkere glasbak van gebroken dromen, vervlogen vrouwengeuren en goedkope 90’s-geluiden. Waar bij wet verklaarde prinsesjes uit Kortrijk en Sint-Truiden hun werkcollegestress wegdansen op het ritme waarmee papalief z’n notariële aktes uittypt. Nooit meer HDR. De marktkramers op het Hooverplein zullen nimmer nog wegschuiven over het glibberig geilspoor dat van de Tiensestraat 53 richting Leuven Station liep, alwaar de tocht op de eerste trein naar Brussel mijn radeloze alcoholadem verjoeg. Maar sinds ik mijn topper elders gevonden heb, ben ik Oost-Oslo’s doof voor de Lokroep van de Valkenvrouwen. Ik schrijf dit pamflet dan ook voor mijn opvolgers, die met betere openingszinnen en mooiere visitekaartjes de vrijheid zullen afdwingen om de grenzen van het vrouwelijke rechtenvolk op te schuiven. Tobback, schenk hen dat recht op geluk. Het recht op een rechtenmeisje. Or I’ll sue you.

Magnus Sørenson
0 0