Zoeken

De broodbotsing

Ik weet niet waarvoor ze naar de bakker ging. Kwam ze, net als ik, voor een brood? Of moest ze trakteren op haar werk en ging ze gebak en taart kopen?  Ze had haast, dat was zeker. Ze rende letterlijk naar binnen. De automatische deur had moeite om haar te volgen. Maar dat was buiten deze vroege vogel gerekend. Ik had net afgerekend en stapte naar buiten. De binnenstormende mevrouw was zo gefocust op haar toekomstige koopwaar dat ze me niet zag. Ze botste letterlijk tegen me aan. Ik kon nog net mijn 7granenbrood in bescherming nemen. Anders was het van 7 naar 3 gegaan.  “Sorry”, mompelde ze, waarna ze even gehaast verder stapte.  Wat kon er nu zo dringend zijn? Wilde ze de files in Antwerpen voor zijn? Het was half acht ‘s morgens. Een onmogelijke taak. Of moest ze onderweg iemand oppikken? Ik weet het niet.  Maar ik moet eigenlijk niet veel zeggen. “Gij hebt het geduld van een goudvis”, zegt mijn vrouw soms. Op zaterdagochtend sta ik als een springveer aan mijn brievenbus te huppelen. Kijken of de weekendkrant al is geweest.  In het huis van vroeger kwam de postbode pas tegen de middag. We woonden op het einde van zijn ronde. Terwijl er rond dat tijdstip bijna een nieuwe tourrit begon, lazen we in de krant nog het verslag van gisteren. Het leek ons niet te deren.  De bakker, de groenteboer en de soepboer kwamen in die tijd aan huis. Het waren voorlopers van HelloFresh. Ik vroeg me toen al af of de bakker overal hetzelfde praatje maakte. Het is een nobele kunst, praatjes maken. Tegenwoordig is een gesprek beginnen een kunst. Zelfs bij de dokter hadden de mensen tijd. Afspraken bestonden niet. Iedereen ziek in de wachtzaal.  Als het maar geen fenomeen wordt, die broodbotsingen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Mijn mama is een taart

Iedere ochtend ontwaakt mijn mama, en start ze plichtsbewust aan haar dag. Ze kneedt zichzelf in de vorm waarin ze dient te passen, en kiest met welke vulling en toppings ze zichzelf versiert die dag. Appelen, peren, krieken, pruimen, wat meringue of amandel, en vergeet zeker niet een rijkelijke toets room! Ze geeft aandacht aan hoe het oog de maag verleidt, zodat de mensen een stap in haar richting zetten. Een eierwasje vormt een uitnodiging om de blik over haar gouden korst te laten glijden, haar essences en aroma’s dienen om de neus te bekoren, en het totaalplaatje verleidt om je tanden diep in haar kern te doen zinken. Haar liefde vloeit in de fluwelen siroop die haar doordrenkt. Fleurig, fruitig, zacht, en zoet, zo ken ik ze wel. Ze wil ons voeden, dat weet ik wel. Vreemd genoeg voel ik me nooit echt gevuld. Iedere ochtend biedt ze me een beet aan. Iedere ochtend zit ik op mijn honger. Hoe ouder ik word, hoe meer ik zie van de wereld, hoe meer ik ervan wil proeven, hoe meer de mogelijkheden me smaken, hoe slechter haar taart valt op mijn maag. Haar geglazuurde glans lijkt altijd meer te beloven dan dat ze ooit echt kan geven. Deze ochtend is een ochtend zoals een andere. Ik tref mijn mama op de vensterbank, afkoelend van haar harde werk. Ze begroet mij:   “Ach me jonk, zijt ge al do! Vergist u niet, al is wel kloar. Wa geduld, ‘kzènnekik nog te héjet. Mah bekans, joa bekans, krijg ge wel euw beet!”   Ik kijk naar mijn mama, en zie wie ze is vandaag. Karmijnrood vanbinnen, knalroze siroop rijkelijk besprenkeld bovenop, en romig wit helemaal rondom – ze is gelaagd maar gekend; Een klassieke aardbeientaart, zoals je ze alleen maar treft in de meest appetijtelijk ogende kookboeken. Als een hond bij de bel kwijl ik binnensmonds, maar mijn maag keert zich om. Ze wilt ons voeden, maar ik heb geen trek.   “Zo, me jonk, zedde gereed? Ge moet nog zo gruien, dus hier – neemt u e beet.”   “Wat hebben we nog?”   “Wasda nou? Zijde zeek? Neemt enkel e kletske, dan worde nie bleek.”   “Ik – ik voel me prima, mama. Ik heb gewoon niet zo’n goesting in een stuk taart.”   “Mah jonk toch! Wa zegde gij? Ge eet déés ieleke morgent, en ‘t maakt u altied zo blij!”   “Ik eet het iedere ochtend, omdat je nooit iets anders geeft! En ik wil het niet!”   “Zo’n attitude kan krei vertieren! Eet nu, en laat os hier nimmei over schmieren.”   De rommelende donder in mijn maag blijkt sterker dan de regenwolken en bliksemschichten in mijn ogen. Mijn mama, de prachtige aardbeientaart, werpt me een bezorgde blik.   “Ek em enkel ‘t beste met u voor. Iejen êtteleke hap, en ek geef u men oor.”   En hoewel mijn maag uit mijn lijf lijkt te willen kruipen, en iedere zenuw in mij smeekt om al dat spul buiten mij te houden, is die belofte van mijn mama te groot. Dus ik bijt op mijn tong, grijp de vork in mijn hand,breek de onberoerde oppervlakte van mijn mama,open mijn trillende lippen,neem de taart in mijn mond,en slik het door.   Iets is anders aan haar vandaag.Iets kleeft. Iets plakt.   Ik probeer te smakken, maar mijn kaken verstijven. Mijn kiezen kleven aan een. Mijn tong, dat dreunend en zwellend plak vlees, scheurt zich met moeite van mijn gehemelte, en klit zich aan de onderkant van mijn mond. Ik slik, het ongemak zo hopelijk weg, om alleen maar alles in mijn mond stroperiger te doen voelen. Dat siroop slibt dieper neerwaarts, ik voel het mijn keel dresseren, als friszoet pek dat alles overneemt.  Ik kijk naar mijn mama, de klassieke aardbeientaart, en voor ik zelfs maar kan proberen een klank van onrust en paniek te maken, spreekt ze:   “Ach me jonk, ge voelt nou gin glans. Mah voor u ligt er e hennige kans!Euw vieraars ginge ook over déés pad. Ook zij hemme dien hennige sjans gehad.Geloof me jonk, ‘t es plezeering om os te zeen. Ge gaat u dankbaar voelen, en ‘t houdt al aaneen.Wellie voeden, wellie vûlle, wellie maken den buiken vol. Vruger of loater wordt déés ook euw rol.Loat me u helpen, e vloai zeen is en eer. Déés lèèste beet doet et gerinste zeer.”   Mijn huid kraakt en krakelt. Mijn gewrichten lijken te verstijven. Ik stik en verslik in dit aarbeienslik. Ik zoek naar mijn eigen reflectie, en zie hoe dat mijn lichaam muteert in iets dat ik niet ben. Mijn huid meer en meer gouden gezwollen, mijn ogen bloesemend als verse bessen, mijn blik steeds rozer getint, mijn brein steeds meer dichtgeslibd, mijn stem steeds meer klevend versmacht, mijn hart steeds harder bonzend in mijn borstkas – ik staar naar dat groteske spel voor mij.   Wah is da da ek zien? Of is déés wah een wien?Wach, wah is déés afzichtelijk patroon?Ek klènk nimmei as me eigen persoon.Nei, déés kan neet, déés is neet wien ek zen!Loat ‘t stoppen vooraleer ek mezelf neet mier herken!Ek smeek naar al die me kunnen horen:Loat déés vlees mien geest neet versmoren!Is déés dan al? Met eeuwige zeer?Déés is den vrucht, ondanks mien afkeer.Wah ek ken, is neet mier. Wellie lopen déés pad.Alzelééven vur me leven, gelijk men monne ook betrad.       Men monne is e vloai, en ‘kzènnekik dat ook.E tradiese op generatie, zo zuut dat ek kook.Den zaolëgste vruchten en e kos vá goud.Ek smaak no woar gij ‘t mieste vá houd.‘t Is wêrreke al dagen, doch zènnekik zo froj.Want gij, den wereld, eist pertang die vloai.Me jonk, ge moet wete, den wereld is vrieët.Want bekans, joa bekans, krijgt ge ook wel euw beet.

Eden Oscar
6 1

Kropsla

‘Heb jij de sla mee in je rugzak? ‘ ‘Jaja, maar loop nu gewoon door!’ ‘Amai, dat is verder van aan het station dan dat ik had gedacht!’  ‘Kijk! Het is ons gelukt! We zijn net op tijd! Kijk,daar!’  Het vuurwerk knalt hard. De rode dotjes aan een lange lijn exploderen met veel lawaai. Ik duw mijn vingers tegen mijn oorlellen. Een wolk van rook stijgt op. De tip vanop de website om oordopjes mee te nemen was meer dan een warme suggestie.  De hele straat is gevuld met mensen. We schuifelen ons erbij. Ik zet me op de tippen van mijn tenen. Het geroffel van een grote trommel komt dichterbij. Gongs en cimbalen geven het  opjagende tempo mee aan. De menigte verdeelt zich in twee en kiest elk een kant van de straat. Twee kleurrijke rode leeuwen sluipen dichterbij. Hun kostuum is rijkelijk versierd met bontranden, spiegeltjes en gelimmende pailletten. De kop heeft grote knipperende ogen. Binnenin laat iemand de mond bewegen. Onder de lange kleurrijke mantel vormt een andere persoon de achterpoten en de staart.  De trommelaar slaat sneller en sneller. De leeuwen dansen energieker van het in midden van de straat tot aan de mensen op de stoeprand. De grootste van de twee leeuwen springt voor ons en stopt. Hij schudt met zijn hoofd van links naar rechts, kijkt naar mij en knipoogt guitig. Hij schudt met zijn achterwerk en legt zich neer zoals een hond in rust.  Het trommelgroffel bouwt verder op, harder en harder. Plots houdt het op. De leeuw staat op zijn achterste poten. De mantel van rode vacht en gouden randen aan de buik valt open. Er passen twee getrainde mannen in. De ene zit in de nek van de andere.   Jij kijkt naar mij en vraagt: ‘Durf jij de sla te geven?’  Ik schud vluchtig nee.  Jij moet lachen en geeft me een knuffel: ‘Wauw! Prachtig! Gelukkige nieuwjaar!’ De leeuwen schuddenbuiken verder door de straat. Het tromgeroffel dooft uit.  ‘Zin om nog naar het pleintje te gaan? Volgens mij, hebben ze in één van die kraampjes zo’n knuffelpaardje. Wil je graag eentje dat lacht of eentje dat huilt?’ ‘Euuh, of eten we anders samen eerst een baozi ?’ ‘Ja, dat is goed!’ 

Evelien Meulders
14 0

Ontmaskerd

Hij leunt tegen zijn bus. Ik zie het meteen. Waarom leunt hij? Zoekt hij steun? Kan hij niet meer op zijn benen staan? Als zijn bus hem moet dragen – hoe kan hij er dan mee rijden? Zijn gezicht helpt al evenmin. Je kan er zijn hele leven op aflezen. Zeker wie wat gevoel voor drama heeft. Ik dus. Zijn gelaat laat me tegenslag zien. Alsof er van alles tegen geslagen heeft. Drank, vermoedelijk. Te lange nachten. En … al wat het daglicht niet mag zien. Het soort gezicht dat aangetast wordt. Door slechte keuzes. Frustratie die nooit spijt wordt. Je ziet het in zijn mondhoeken. Zijn blik vertelt het: reken niet op mij – ik leun tegen mijn bus. Hij lijkt wel overreden. Onder zijn eigen bus beland. Hij rijdt, dus moet het iets anders zijn. Het leven, vermoedelijk. Zijn handen stellen me al evenmin gerust. Hij verstopt ze in zijn zakken. Het leven niet in zijn handen – hoe stuurt hij die bus de berg straks op. De andere ouders lijken het niet te zien. Zijn er helemaal gerust in – al heeft hij het lot van onze kinderen in handen.  Een luid skideuntje rukt me naar het hier. En nu.Een bende vrolijke kinderen – klaar hun berg te bestormen. Of hij de valies kan helpen dragen?  Ik schrik van zijn stem.  Hij heeft er zin in, zegt hij. Vrolijk, stemvast.  Hij is dus baas over zijn stem. Zijn bus luistert vast ook wel. Hij is best knap, zonder het masker van mijn angst. Ik haal mijn handen uit mijn zakken –  nu ik hen uit wil zwaaien.  

Lien Van Droogenbroeck✍️
108 10