Zoeken

De Camping

De omlijsting waar ik naar kijk geeft de uitsnede weer van een grasveld waarop een tent staat. Het is een groot met zon overgoten veld zonder enige vorm van schaduw. De tent is er een van canvas in ergonomische retro vormen. Er staan heel wat spullen buiten de tent. Ze staan daar in een chaotische ordening alsof ze juist in dolle paniek de hitte in de tent ontvlucht zijn. Ze staan nu radeloos buiten in de stekende middag zon. Er zijn buiten de tent ook twee mannenbenen zichtbaar. De benen rusten lui en onbegrensd in een nylon strandstoel. Ze komen in een hoek van zestig graden onder een krant uit. Het horizontale kader waar ik door kijk, is een raam in het sanitaire blok, zo'n dertig meter van de tent vandaan. Ik kijk van binnenuit naar buiten. Het kader is gevuld met enkel de tent rechts tegen het kader aan en een flinke lap dor gras, dat voor twee derde de linkerkant van het kader vult. Wanneer ik door mijn oogharen tuur is het net alsof ik naar een foto kijk. Een foto die ze hier, binnen aan de muur van het sanitaire blok, hebben opgehangen. De plaats waar de foto hangt, benadrukt de verstillende sfeer van wat er op afgebeeld staat. Een sanitaire blok waar dagelijks al het vuil van en uit het lichaam wordt verdreven totdat er niets meer over blijft dan leegte, holle galm en de prikkende geur van schoonmaakmiddelen. Afgebeeld in het kader voor me is de verstilde rust van één man drijvend op een lap dor gras, de diepte van een krant en het cymbaal geklater van het zonlicht hoog op de middag. Het is half twee op de middag en de hitte breekt de groene kleur van het gras in twee. Windstil. Er beweegt niets. De krant slaat niet om en er komen geen spulletjes meer in paniek uit de tent naar buiten. Ik kijk naar de bomen achter de tent. Robuust wolkend en donkergroen. Deze bomen houden zich aan een afspraak. De fotograaf heeft ze op het hard gedrukt niet te bewegen. Ik ben klaar met urineren maar houd als in trance de plashouding aan. Als de man achter de krant nù zijn krant neer legt en naar de sanitaire blok kijkt, ziet hij dat ze buiten aan de muur een kader hebben opgehangen. Een kader met daarin een buste van een man die blijkbaar naar iets heel fascinerends aan het loeren is. Maar de benen bewegen niet. Ze zijn wel van kleur aan het veranderen, zoveel is zeker. Op dit moment zie je dat nog niet. Te veel licht. Straks staat zijn vrouw voor hem. Donkere zonnebril op en wijzend naar zijn scheenbenen; betuttelend. Hij zal opstaan en naar zonnebrand gaan zoeken. Eerst in de tent, dan buiten tussen de paniekerige spulletjes. Smeren tegen de bierkaai wordt het. 's Avonds bij het eten op het terrasje van zijn favoriete restaurant, achter een halve liter 'pression', zal het duidelijk worden hoeveel pijn het doet je scheenbenen te verbranden. Ik probeer nu iets meer van de linkerkant van de foto te bestuderen zonder dat het kadrage en perspectief veranderd. Uit mijn ooghoeken kijk ik naar de geometrische lap gras. Borstelig duwt het wat dreigend tegen de tent. Het lijkt meer in een sluiphouding te liggen. Ik krijgt het gevoel dat als ik even niet kijk, het gras een millimeter naar rechts op rukt. Zodra ik dan weer kijk is de beweging bevroren en wacht het gras opnieuw zijn kans af. Die krant staat vast vol met ellende. Hij zou zich beter bewust zijn van dat sluiperige gras en van de zon op zijn scheenbenen. En van mij natuurlijk. Ik kijk naar zijn benen en zijn tent en heb mijn geslacht nog in mijn hand. Ik gluur heimelijk vanuit een observatiepost, die naar urine ruikt. Ik schrik van deze bewustwording en voel me een viezerik in plaats van een museum bezoeker die naar een foto kijkt. Gluren naar iets alledaags; een foto uit iemands leven. Raar dat je je in een museum nooit zo voelt als je naar een bepaalde foto of schilderij kijkt. Vaak kijk je in een museum onbeschaamd naar uitingen van diepe emotie zonder dat je je een viezerik of voyeur voelt. Ja, heel soms wel. Soms valt je blik daar, in een museum, geheel onverwacht op een paar blote, opengesperde benen met een harig kutje er tussen. Een verstilde hamerslag op het aanbeeld van het ogenblik. Hangt gewoon tussen een aantal verpletterend mooie Manet's. Het was Courbet zo bedoeld, maar Manet had dat niet geduld waarschijnlijk. Courbet, hij stond ergens einde achttiende eeuw met ogenschijnlijk heel andere gedachten in een pissijn toen hij dat schilderij bedacht. De geometrische lap monotoon getergd gras links op de foto voor me, zou van Rothko kunnen zijn. Het vuil dat hij uit zijn lichaam perste is monotoon maar sluipt net zo naar je toe. Juist als je het niet ziet. Het tafereel rechts op de foto, op en rond die tent, heeft meer iets weg van een blijspel met Piet Bambergen.  Doek gaat op. Joop Doderer zit achter zijn krantje op een zonnige camping in Zuid Frankrijk. Je ziet alleen zijn benen onder de krant vandaan komen maar iedereen weet dat het Joop Doderer is. Kan niet anders. Alleen Joop Doderer zit zo achter een krant. Zijn scheenbenen zijn onbehaaglijk rood. Dat moet zeer doen. Joop Doderer neuriet iets dat op het Franse volkslied lijkt. Zie je wel, het is Joop. Alleen Joop Doderer kan zo het Franse volkslied neuriën. Het publiek licht al in een spreekwoordelijke deuk. Plotseling rumoer. Joke Bruijs klatert het toneel op. Een hele hoop boodschappentassen aan haar arm en een grote donkere zonnebril op. Het lachen zwelt aan en neemt een onrustige houding aan. Joke gaat voor Joop staan. In zijn zon. Ze gaat gewoon in de zon van Jopie staan!! Het publiek gaat nu echt uit de knijpert. Er zijn er al die de tranen over de wangen laten rollen. Joke Bruijs en Joop Doderer doen nu ‘de sketch van het onhandig zoeken naar de zonnebrand’. Daarbij worden alle facetten van het huwelijk op de korrel genomen. Het ene lag salvo na het anderen torpedeert de bühne. Op een gegeven moment smeert Joke Bruijs veelvuldig, grote witte hoeveelheden zonnebrand uit over Joop Doderer zijn benen, helemaal tot bovenaan in zijn zwembroek. De lachsalvo’s overstemmen nu hysterisch het gemopper van Joop Doderer. Dan knipt er plotseling een spot aan die een tot nog toe donker gedeelte van het decor belicht. Het publiek wordt plotsklaps geconfronteerd met het gezicht van Piet Bambergen. Een nanoseconde is het stil in de zaal, op een enkele hysterische sirene na. Piet zijn buste is duidelijk zichtbaar achter een klein raampje. ‘Toilet’ staat er in blauwe letters op de witte muur geschreven. Piet Bambergen kijkt verbaast en met een voor hem zo typische ondeugende glimlach het publiek in. Hij heeft alles zien gebeuren! De zaal barst. Piet heeft alles gezien! Het apocalyptisch gelach gaat nu over in een revoltische waanzin. Armen worden uitgerukt en tongen verdwijnen in allerlei holtes en gaten van de lichamen die zich kronkelend van pret en buiten zinnen van verzadiging, op een kluwen hebben geworpen. Na afloop van het blijspel was de stad nog dagenlang onrustig. Op mijn foto, hier voor me, is alles stil. Hopper. Niets heeft nog bewogen en lijkt ook nooit meer te gaan bewegen. Wat zal ik doen? Die man attent maken dat zijn benen aan het verbranden zijn? Neem ik alvast een tube zonnebrand mee? Hoeft hij niet te zoeken. Ik knoop mijn broek dicht en wil door trekken. Juist op dat moment komt er leven in de foto. Een oranje voetbal komt van links onder, met een rot vaart, in een mooie curve over de Rothko op de tent af. De bal klettert eerst tegen de krant en een tiende van een seconde later in het gezicht van de man erachter. Francis Bacon. De man valt met stoel en al achterover. Zijn benen maken nu een hoek van honderdtachtig graden. De rode scheenbenen steken als romeinse kaarsen af tegen de blauwe lucht. Er ontsnapt mij een kleine euforische kreet. Volksvreugde na een doelpunt. Insmeren heeft nu helemaal geen zin meer besef ik en loop het sanitaire blok uit. Zou Messi wel eens aan Rothko denken als hij het groene veld betreed?  Bart-Jan van Vugt

Bart-Jan
0 0

Cure for pain – over de roerende voorheffing op auteursrechten

Het concert van Morphine in de Vooruit in 1994 duurde exact 195 minuten. Denk ik, want precies weet ik het niet meer. Voor ratio was er die avond tijd noch ruimte. Alles was waas en roes en vol gevoel. Frontman Mark Sandman schraapte zijn keel en vulde mijn oren met de meest doorleefde melodieën aller tijden. De eerste twintig jaar van mijn leven flitsten voorbij. Ik zat weer op mijn rode fiets met speelkaarten tussen mijn wielen en reed van de kleuterklas naar het vijfde leerjaar met een natte kousenbroek en verse gaatjes in mijn oren. Ik stond verlegen tussen de grote muilen aan de bushalte, nam de trein naar mijn kot in Gent en kwam tussen twee noten weer even bij zinnen, net lang genoeg om de bassen en de baritonsax in mijn onderbuik te voelen en te beseffen dat dit een keerpunt was. De rest van mijn leven zou daar en dan beginnen. Ik zag de boeken, voelde het blokken, greep naar dat diploma en dook luid lachend het leven in. Het leven dat nog geen gezicht had maar dat wel al spannend leek. Zin, dat had ik. In volwassen worden en zot blijven. In warme liefdes en dingen des levens. Ik liep over van enthousiasme. Pieste bijna in mijn broek. Morphine bleef spelen, noot na noot, bis na bis. De blazers bleven gaan dus ik ook, terug naar af en volle gas vooruit. Mijn knieën kraakten onder al mijn plannen maar ik zou niet plooien, want op die setlist stond de tijd van mijn leven. 195 minuten later stond ik op straat. Verdoofd. De mannen van Morphine hadden een gat in mijn ziel gemaakt en er een mijlpaal in gezet. Stevig genoeg om alle studentenjaren, foute mannen, dikke billen, regeringsvormingen, indexaanpassingen, stijgende elektriciteitsprijzen, De Crem-kapsels en dubieuze begrotingsvoorstellen te doorstaan. Muziek doet iets met een mens. Scheppende kunsten maken het leven leefbaar. Respect – geen 15, geen 25 maar 100 procent.

a little bit of soap
0 0

De muze in '92

Toen ik in 1992 voor het eerst door de gangen van de Gentse universiteit dwaalde, had ik schrik. Het soort schrik dat je blik naar beneden dwingt, omdat je bang bent dat iemand je zal vragen naar de haalbaarheid van de antisubjectfilosofie in de neoliberale maatschappij en je dus al op dag één door de mand valt. Het soort schrik dat nog eens extra werd gevoed door de wilde verhalen over bepaalde professoren, Jaap Kruithof op kop. Kruithof stond bekend als een filosofische keikop die met zijn vlijmscherpe analyses en provocerende houding zowat elk beginsel op zijn grondvesten kon doen daveren. 's Mans reputatie ging mijn eerste les ethica vooraf, dus toen het eindelijk zover was, vatte ik strategisch post in het auditorium. Ver genoeg om onzichtbaar te zijn, dicht genoeg om het vuur in zijn ogen te zien. Wriemelend wachtten we met honderden tegelijk op het icoon. Met een volle blaas en verwachtingen waar we geen weg mee wisten. Twee academische kwartieren later kuchte iemand in de microfoon dat de professor niet kwam. We dropen af naar koten en kroegen, lieten plassen de vrije loop en ademden opgeluchte ontgoocheling. Kruithof zou nog vaker zijn joker inzetten. Maar als hij er was, dan was hij aanwezig. Dan foeterde hij als geen ander, overtuigd van zijn overschot aan gelijk. Of hij oreerde met een hartstocht die geen enkele katerkop koud liet. Ooit vertelde hij zonder één keer naar adem te happen dat hij zich dagenlang had opgesloten met niets dan pianist Glenn Gould op repeat. Zonder spijzen of sterkedranken. Hij had zich enkel gelaafd aan de muze, in extase. Diezelfde muze zat op de kast toen ik dat jaar bij Kruithof op audiëntie moest. ‘Du Pré? Toch geen familie van…?’ Paniek. Alle namen van tantes, nichten en tante nonnekes zoefden door mijn hoofd. En net toen ik dacht toch nog door de mand te vallen, sprongen de adertjes in zijn ogen en barstte hij los. Over Jacqueline du Pré, een Britse celliste die harten en snaren wist te beroeren maar door een spierziekte het gevoel in haar vingers verloor en op jonge leeftijd overleed aan een longontsteking. Verder dan ‘Du Pré’ zijn we niet geraakt. Kruithof was zo van zijn melk dat ik mocht gaan. De muze bleef en bood hem troost. Het schriftelijke examen leverde mij een 14 op, het mondelinge een herinnering die alle thé dansants overtreft.

a little bit of soap
6 1
Tip

Normaal voor een 83-jarige

‘Dat is normaal voor een 83-jarige’, klinkt het in haar hoofd. Ze probeert kalm te blijven terwijl ze de trap op schuifelt. Voet voor voet. Langzaam en onzeker, de hoopjes stof en verloren haren voor zich uit schuivend. Dat kalm blijven heeft ze moeten leren. Dat lukte eerst niet, maar het moest. Kalm blijven en blijven gaan. Niet denken aan morgen maar ademen, middenrif op en neer, hier en nu, met alle beetjes kracht die ze uit haar pompende hartkamers krijgt. Straks in bed met het lijf dat ze niet meer herkent, zal ze nog maar eens denken aan vroeger. Hoe ze tot een stuk in de dag kon dansen met een stuk in haar voeten. Voeten die nooit protesteerden, tenzij ze te nauwe nieuwe schoenen droeg. Voeten die haar door de laars van Italië hadden gedragen, met een rugzak tot boven haar hoofd en een kop vol plannen. Plannen die ze smeedde terwijl ze duizend-en-een andere dingen deed: blauwe regen planten, tegen de wind in naar de markt fietsen, vanillepudding maken met een velletje vanboven. Dat lukte toen allemaal zonder zeurende heupen of verzuurde spieren. Zonder vingerkootjes die aanvoelen alsof ze elk moment kunnen knappen. Dat waren tijden. Wat zou ze graag nog eens een Jane Fondaatje doen. Een low impact total body sculpting workout. Die hoofdband en dat synthetische stringding zou ze er wel bijpakken. En New York zou ze ook nog willen zien. Met de fiets door Central Park, met een air over de Brooklyn Bridge en dan uitblazen met een bagel met roomkaas en zalm en zicht op Manhattan. Zadelpijn? Mug in oog? Die details zouden er niet toe doen. Alles. Werkelijk alles heeft ze ervoor over om nog eens haar oorspronkelijke lijf te voelen en te bewegen, zonder kwalijke gevolgen. Mevrouw laat niet in haar kaarten kijken. Wie de mens niet door en door kent, merkt niets van het geschuifel. Ik wel. Ik zie de schim in haar ogen, vakkundig verstopt tussen de lachrimpels. Ik zie hoe ze op haar tanden bijt en blijft gaan, voor ego en klein Pierke. Ze gooit kleuters van 15 kilo in de lucht en lacht. Ze doet de afwas, leegt de vaatwas en brengt dingen naar de droogkuis. Ze werkt zich van 9 tot 6 het normale leven binnen op haar eigenwijze manier. Blijven zitten is geen optie. Niet in haar huis, niet in haar lijf, niet in haar leven. Specialisten spreken van stilstaan en aanvaarden. Daar wordt ze stil van, want eigenlijk aanvaardt ze alleen vooruitgang. Blijven schuifelen, blijven ademen, blijven zoeken tot ze vindt dat het genoeg is geweest. Ik kan haar geen ongelijk geven. Elke extra stap is er één die ze zelf zet. Met wallen, en toch opstaan. Dus als ik haar zie springen spring ik mee, maar niet te hoog en niet te lang. Als ze wil moonwalken stuntel ik mee, maar niet te zot en niet te zat. Als ze zich weer eens verliest in een enthousiast verhaal geef ik haar de tijd om te gillen, maar ook om op adem te komen. Want haar goesting is groter dan haar batterij. Dat is normaal voor een 83-jarige. Alleen jammer dat zij pas 40 is.

a little bit of soap
9 1

Kinderlogica

  Heb jij op sollicitatie ook al wel eens van die psychologische testen moeten afleggen? En wat heb je daaruit geleerd over jezelf? Een van de dingen die bij mij steeds weer naar boven komen is dat ik een zeer logisch denker ben. Dat is heel mijn leven zo geweest.   Het begon al in het kleuterklasje van Zuster Brunilde. Jezus is de Zoon van God. Maria is de moeder van Jezus. Dus, concludeerde ik met mijn niet te onderschatten kinderlogica, is Maria getrouwd met God. Dat kon niet anders! Een halve eeuw geleden waren papa’s en mama’s getrouwd. Hoe konden ze anders kindjes kopen? Aan mensen die niet getrouwd waren werden die heus niet verkocht, hoor! Ik was dus rotsvast overtuigd van de echtelijke verbintenis tussen het Opperwezen en de Heilige Maagd – al zou het nog vele jaren duren eer ik wist wat een maagd eigenlijk was. Maar waar paste Jozef dan in dat plaatje? Het heeft mijn moeder bloed, zweet en tranen gekost om mij uit te leggen dat Maria en Jozef de mama en de papa van Jezus waren. Hoe? Maar Zuster Brunilde heeft gezegd dat Jezus de Zoon van God is! Jezus kan toch geen twee papa’s hebben! Tegenwoordig kan dat allemaal! Maar in de vroege jaren zestig was dat ondenkbaar, zeker in het katholieke milieu waarin ik ben opgegroeid. Hoe we er uiteindelijk zijn uitgekomen weet ik niet meer, maar het illustreert wel dat ik van kindsbeen af een logisch denker ben. Dat uitte zich ook nog in andere zaken.   Neem nu bijvoorbeeld Sinterklaas – nog zo’n Heilig man. Die was mij altijd heel gunstig gezind. Ik moet een ontzettend braaf kindje geweest zijn, want die kwam niet alleen bij ons thuis. De bisschop met de lange witte baard en zijn Moorse knecht brachten met hun over de daken wandelende schimmel speelgoed voor mij bij mijn beide grootouderparen en bij al mijn ooms en tantes. Zo braaf was ik! Speelgoedautootjes, treintjes, blokkendozen, … het kon niet op! En al die chocolade die de goede Sint voor mij meebracht … bij ons thuis, bij mijn grootouders, bij de ooms en tantes, … daar kwam ik mee toe tot de klokken uit Rome kwamen om mij van een nieuwe voorraad chocolade te voorzien. Want ook die kwamen bij heel mijn familie tot in de derde graad!   Die Sint toch! Zo’n brave man! Ik weet nog hoe we op 6 december met de auto van mijn vader heel de familie afreden en ’s avonds thuis kwamen met een koffer vol speelgoed en chocola! Overal moesten we dan een kopje koffie drinken en een gebakje eten en als we dan verder gingen vroeg mama: “Heb je dank u gezegd tegen tante Maria?” Dan keek ik haar met een verbaasde blik aan. Plots was ik niet meer mee! Waarom zou ik nu “dank u” zeggen tegen tante Maria? Ik had dat toch allemaal van Sinterklaas gekregen! Die grote mensen toch! Ze zouden beter eens logisch leren denken!

Paul Carremans
1 0

Schrijven is vooral transpiratie

                                                  (Francisca Bongaerts) 'Schrijven is voor negentig procent transpiratie en voor tien procent inspiratie.' De professor keek kritisch observerend naar ons,  een slordige acht doctoraalstudenten. Het was alsof hij wilde zien op wiens gezicht teleurstelling zou verschijnen na deze ontnuchterende mededeling. Verdomd, hij wist gewoon dat er zich onder zijn studenten niet enkel fans van hem en zijn colleges zaten. Vermoedelijk, omdat hij al zo lang aan de universiteit verbonden was en gesignaleerd had dat er daarna namen terugkeerden in de kranten en boekwinkels, dat er een behoorlijk contingent schrijvers bij hem moest zitten op dat uur. Wat verwachtte hij te zien op de gezichten van die potentiële schrijvers? Verwachtte hij dat die nog niet opgebloeide talenten nu zouden afhaken? Dat ze zich toch zouden beperken tot literatuurwetenschap en de schrijfpraktijk zouden laten schieten? Was er teleurstelling bij enkelen of toch meer een blik van 'professor, niet zeuren, wij komen er wel straks; wij zijn doorzetters.' Niemand van de studenten gaf zich bloot. Zijn woorden werden in het dictaat opgenomen alsof het tentamenstof was, niets anders dan dat. Een jaar of wat daarvoor, toen ik nog rondwandelde in de middelbare schoolgangen, had het thema van la princesse lointaine mijn aandacht getrokken. Een artikel van deze professor was me onder ogen gekomen toen ik een essay moest schrijven over een gedicht van Slauerhoff. Na al die jaren kan ik me de beginregel nog ongeveer herinneren: wij komen nooit meer saam, de wereld drong zich tussen beiden. Voor een romantische adolescent natuurlijk het summum. De verhandeling over dit onderwerp bleek van zijn hand en toen ik die geboeid  bestudeerde bleek hij ook inspirerend. Dit stuk was de aanleiding om voor de letteren te kiezen. En als het even kon zou ik meteen starten met zijn colleges Algemene Literatuurwetenschap, het terrein waarin deze professor zich gespecialiseerd had na de Franse taal- en letterkunde. Gedurende mijn eerste studiejaar zat ik braaf in het academiegebouw tussen de doctoraalstudenten. Gewoon als eerstejaars. Het bleek gelukkig niet te hoog gegrepen. Na mijn kandidaats volgde ik nog een college bij hem met de bedoeling daarna tentamen te doen als de bijbehorende boeken gelezen waren. Wat is literatuur?, een interessante vraag. Dat tentamen was bij die professor thuis. Mijn eerste tentamen bij een professor thuis, grappig genoeg in de professorenwijk, te midden van enorme hoeveelheden boeken, slordig gestapeld. We kwamen op het onderwerp creative writing als studie, bij ons toen nog onbekend, maar in Amerika al enige tijd een vak dat je kon studeren. 'Ga naar Amerika,' raadde hij me aan, 'dan kun je daar de kennis opdoen en dan terugkomen en er hiermee starten.' Maar ik was niet ambitieus genoeg om mijn geliefde achter te laten voor zo'n lange tijd, zo ver weg, dus ik vergat het advies niet, maar deed er niets mee. En nu denk ik aan hem, die intussen overleden professor, die ik tijdens mijn tweede serie colleges meerdere malen betrapte op afgesleten stokpaardjes. Maar hij had gelijk, ook al was die uitspraak niet origineel. Het is vooral hard werken, maar toch had ik hem nu willen zeggen: de mooiste ideeën, die komen op als ik wandel of 's nachts wakker lig...  

Francisca Bongaerts
17 0

Twijfel

Ik wandel vaak over straat, dat is voor mij een manier om mijn hoofd te lichten als het net iets te zwaar aanvoelt.Waar ik ooit over twijfelde en hoe ik me destijds heb gevoeld, daar begin ik nu over na te denken. Ik was niet in staat om het in woorden te omschrijven omdat ik niet wist of het onzekerheid of twijfel was. Maar ik ben nooit onzeker geweest over wat ik kan.Ik twijfelde alleen hoe goed ik het zou kunnen en daarmee is alles begonnen. Ik herinnerde mij dat ik wel eens wat over hem hoorde. Twijfel heette hij.Die ging bij een ieder langs, dat was normaal, maar bij mij kwam hij steeds vaker voor de dag. Ik probeerde hem te ontwijken want men zei: “Als je twijfelt dan moet je het niet doen.”Maar Twijfel, overtuigde mij hem niet te zien als iets dat slecht was.Twijfel moest er soms zijn, zo dacht ik. Maar daar bleef het niet bij, want Twijfel begon zich in alles wat ik deed of wilde doen te openbaren. Niks was zeker en niks was goed genoeg.Twijfel liet me nooit in de steek en ik liet Twijfel ook niet gaan. Ik kon mij niet naar behoren gedragen als Twijfel er was. Maar gek genoeg kon ik dat ook niet zonder zijn aanwezigheid.Ik was gewend aan Twijfel en elke keer als het net goed bleek te gaan, begon ik me af te vragen waar Twijfel bleef. Het duurde niet lang of hij zocht me op, ik ging terug maar helaas ook achteruit. Twijfel vormde zich tot iets wat velen een talent zouden noemen, mijn passie voor schrijven.Datgene wat mij meer liet dromen, mijn gevoelens verwoordde en mijn gedachten grenzeloos maakte heb ik jarenlang laten zitten. Gewoon om het simpel feit dat ik met Twijfel om heb leren gaan. Geen tijd is geen excuus, maar zelfs die nam ik niet. Ik voelde de passie wel, maar had noch het lef noch de motivatie. Twijfel was zo aanwezig in mijn leven waardoor alle zekerheid die ik had vervaagde. Twijfel zorgde ervoor dat ik de mensen, inclusief mezelf, liet gaan die ik nodig had. Als ik naar mezelf keek, twijfelde ik aan elk woord die ik gebruikte om mezelf te overtuigen van mijn gevoel. Ik verwaarloosde het geloof en bad niet meer, Ik voelde me onzeker dus sloot ik me af. Ik werd hopeloos en gaf veel op. Twijfel liet me niet onbewogen, bij alles wat er gebeurde zag ik de afkeuring in mijn moeders ogen. Haar angst gaf me de woorden die ik besprak met mijn twijfels, maar haar niet wisten te bedaren. Liefde kwam mij tegemoet en ik was niet eens halverwege. Maar hij wist mijn nieuwsgierigheid te stillen en mijn verlangens te vervullen. Het ging te goed er ging niks fout en alles waar hij zeker over was, was alles waar ik over begon te twijfelen. Hij vroeg teveel, ik antwoordde te weinig. Zonde van de tijd die voorbij ging, maar de tijd zal het beter maken en je weer bij me brengen. De tijd zal ons bij elkaar houden door alles wat ons nog te wachten staat. Geen twijfel daarover, dat is wat ik geloof. Over mijn vriendschappen twijfel ik niet meer, dat kan ik niet eens want hun daden hebben mijn twijfels weten te overtreffen.Bovendien spraken zij mij moed in en benoemden zij mijn kwaliteiten.Elke keer als ik zei: “Ik kan niet meer” antwoordden zij: “Pak een spiegel dan weet je het weer.” Twijfel maakte beetje bij beetje plek voor zekerheid en zijn aanwezigheid doet me bloeien in alles wat ik doe en wil doen.Soms, ja soms kom ik Twijfel nog tegen. Meestal negeer ik hem, maar af en toe laat ik hem even binnen. Soms blijft hij hangen tot ik echt aandring dat het nu wel tijd is om te gaan en dat het niet meer zoals vroeger is. Twijfel had nooit gedacht dat ik hier zou staan want het feit dat ik hier sta voelt als een nominatie en dat jullie hier staan voelt als een prijs.Een nominatie laat je harder werken en een prijs maakt je trotser, daar bestaat geen twijfel over.  

Gabriëlle Rosebel
56 0