Zoeken

Wijnachtmuziek

    Maar gieder nie met al dat tam geluk gedachten zonder revolutie en ook al weze ’t één en ’t ander dan kapot in deze kop. Ik weet best goed dat het nog erger kan. Ik snuif op de markt ik hoor het. Ver tot hier gepof een spartelende Plop in ’t vuur de plofkipjes en barstende kastanjes, doch: ik ben thuis terwijl door niemand aan de ramen wordt gelikt en het beleg op mijn versneden brood niet giftig is, er haai-die-haai-die-haai-die-há niemand praat, niemand is die lult, over een lul, in mijn ongeschreven boek.   Gelukkig ben ik. Alsof het kon, lees zelden gedachten van een ander zinnen waarin verhalen zich schier herhalen onderwerpen na de punten staan. Stel je voor dat alles netjes is de hondepis nooit van de benen druipt. Há-die-há de mannequins lijken bejaard ginds op de catwalk loopt geen lenigheid geen ledigheid want alle hoofden zitten vol met willen zijn. Ze denken aan de kunstjes van het nieuwe aapje in die cirque, het oude jaar.   Terwijl een week voordien. ’t Was nog voor kerst. Die laatste schoolbel ging de kerktoren zijn monotone gesel over lamme landerijen stuurde en ik gluurde. Er zat een scheur. In de buidel, weinig levensplannen in mijn hoofd kwamen de wormen niet op gang. Nochtans. Straks. Krijgt iedereen er eens goed van langs, van de gek want ik heb het beloofd aan de egels plat en schuw. Aan de doodgespoten vogels het verfoeide onkruid aan de randen van akkerland en op de ovenplaat rijzen de moederkoekjes.   Het regent vandaag geen jonge hondjes en waar schuilen de beulen van de verrassing? Aspe heeft een in Kerewerekerke een warme hotelkamer geboekt, alleen en voor zichzelf. Sprekende geesten hebben hier vrijaf, niemand voelt de vreugde van een slak die springen kan, de droefenis bij een zoveelste vlinderdood, hij heeft een bordje groensels bijbesteld, hij zit. Het plot laat zich herkauwen en Agatha Christie heeft het penthouse afgehuurd. Ze doet het elke avond weer. Haar ochtendgymnastiek. Buiten staat ze. Op de handen wacht geduldig tot een struise vleermuis er zijn spel weer in laat hangen.   Há. Há. Há. Geert. Hos. Te. Uit. Ver. Kocht. Vrij. Snel, en alle uitleg staat in de brochure. Bad luck niet één gore tekening erbij. Straks trek ik in mijn dromen ijlings naar het Leuganenpaleis, naar mijn denkbeeldige vrienden, Bierman, Pinokkio, Jorge Vileda met zijn wonderspons voor zwarte gedachten, de gestreepte das die in de vuilbak slaapt. In de Kruitvatwinkel glundert hij de manager er wordt vandaag weer veel, deodorant verkocht.   Dat het stinkt in deze wereld weet iedereen. Niet dat mijn tante Gladys haar nieuwe pruik past. Stiekem, in de badkamer. Ik denk dat de parelduiker straks verdwijnt. Diep in de Recollettenrei, ik in een pot. Rabarberconfituur met aardbeien, terwijl ik het voel. Op zolder woekert bittere witloof, wijnachtszurkel en door het zolderraam schijnt hij soms nog. Hoop. Anderhalve zonnestraal, verdwaald.   Nu niet want duisternis heerst en of ik het nog trek, de tijd zich nog rekt tot middernacht. Ik wacht niet, ik sluip binnen. In het café dat nog open is. Niet om er te slapen in één van de holen van de biljart. Neen. De serveerster houdt er van en draait er rondjes met een platenspeler.   Pulp en this is hardcore. In die eine kleine Kneipe. Waarvan de deur het opengaan bijna ontliep. Waarvan die kier. Waarvan die spleet mij haast vergeten was en vraag mij niet waarom Silvester. Die pornocraat. Weer alles filmt me vraagt om te lachen. Om bij het vloeien der raclette best een lauwe smile te laten zien.         uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
2 0

Spaar voor gratis messen

Tenslotte is ze thuis en heeft de was, die haar dochter vanmorgen vroeg heeft gedraaid, in de bijkamer op het rek gehangen. Ze overweegt de kleine aardappelen alvast te koken en vanavond op te bakken. Onbespied staat ze voor het keukenraam en kijkt meditatief naar de tuin, naar de hoog opgeschoten stengels van de aardperen, de tegenstelling die de grote frisgroene bladeren vormen met het vergrijzende rood-roze van de hortensia. In de plataan is een enkel blad al vergeeld.   De trein van 08.49 reed een onbetekenend betonnen station binnen waar een groep jonge mensen instapte, druk pratend en wijzend op hun smartphones. Dat zijn studenten, dacht ze, en het volgende station is dat van de eeuwenoude universiteitsstad. Daar zullen ze uiteenwaaierend naar de collegebanken gaan. Een bijzondere stad met boulevards en achterafstraatjes waar zij heimelijke pleziertjes beleven en niet naar de uitgestrekte velden omzien die zij zullen moeten ontginnen; dat zal wel spelenderwijs gaan.   Dat ze in de stiltecoupé was gaan zitten viel haar pas op toen ze uit het raam keek en haar ergernis voelde groeien door de pratende vrouwen. Natuurlijk, dit is onze onbedwingbare behoefte, dacht ze. Zo probeerde ze de oplaaiende ergernis te dempen en verweet zichzelf niet in de stemming te kunnen komen de vrouwen terecht te wijzen. Ze voelde haar maag krimpen, het was de angstige misselijkheid die naar de bleke verlammende woede schoof.   Toen de trein wegreed las ze op een reclamezuil: spaar voor gratis messen.          

PP de Noorderman
2 0

FC Retie

Dit verhaal is er een van liefde. Liefde voor groepsverkrachting, prikkeldraad en worstenbroodjes. We spraken af in het centrum van Retie. Ik had mijn blauwe kousen aan, ze waren pas gewassen. Fuck the police, riep ik tegen mijn grootmoeder. Ze juichte met me mee, fluimde tegen de veel te imposante voordeur van het gemeentehuis. We hadden net een heel weekend Scrabble gespeeld, dat deden we altijd als er een nieuw kankergezwel ontdekt was. De dokters keken langs ons heen. Ze dachten aan hun nachtelijke escapades. Ze droomden van tepelklemmen en buttplugs. Ik zag hun grijns, hun zelfgenoegzame blik, hun opgetrokken neus. Wie waren wij om hun onverdeelde aandacht te verdienen. Wij, dorpelingen zonder doel. Wij hadden niets te betekenen hier, dit was ons territorium niet. Maar wacht als we thuis zijn. De Kutstraat in Retie is ons terrein. Mensen vragen er nederig onze toestemming om populieren te rooien, fietsen in het kanaal te gooien, honden te laten kakken op het voetbalveld van FC Retie. Daar, op het voetbalveld van FC Retie, heb ik jou voor het eerst ontmoet. Je werd lastiggevallen door twaalf supporters van KV Kilowatt. Het scheelde niet veel of je had het niet meer kunnen navertellen. Vliegensvlug sloeg ik de daders aan diggelen. Ze wisten niet wat hen overkwam, zo een flitsende kracht hadden ze nog nooit meegemaakt. Huilend om hun moeder kropen ze naar hun Mercedessen en hun Audi's. Ik tilde je op, streelde je haren, kuste je lippen. Ik wist dat het ongepast was, maar ik kon niet anders dan je lippen kussen en je borsten strelen. Er was een hogere kracht mee gemoeid. Je was van mij. Van mij alleen. Je was mijn territorium. Mijn eerste en mijn tweede helft. Ik gaf het fluitsignaal en trapte zelf de penalty binnen.

Maarten Verhelst
25 0

de varken spoot

Zet een hesp voor je raam vannacht. Pata negra als het even kan. Ik weet dat je vegetariër bent, maar alsjeblief, zet je fucking principes opzij. Schuif ze aan de kant. Negeer ze en eet mij op. Verslind me. Je hebt me nodig. Ik zit vol met ijzer. Vitamine B. Allerhande mineralen. Je zal er zo bleek niet meer uitzien. Je ogen zullen weer blinken. Laat mij ze nieuw leven inblazen. Ik zal heel diep inademen en je vuur een laatste keer aanwakkeren. De vlammen zullen zichtbaar zijn tot in de Kempen. Laat me nog één keer alleen. Ik heb nog iets af te maken. Nee, niet ons konijntje. Het huppelt te schattig. Het toont mij de weg naar grassprieten en savooikool. Ik haat savooikool. Maar zo tussen het gras en de savooikool huppelt ons konijntje verdomd schattig. Ik huppel haar achterna. Ik hoop dat we ooit een courgette zullen tegenkomen, maar diep vanbinnen weet ik beter. Ik streel haar achter de oren. Ze kraait van geluk. Misschien ligt het aan mij. Misschien ook niet. Misschien ligt het aan ons allebei. Of aan niemand. Stel je voor. Dat het gewoonweg aan niemand ligt. Dat geen enkele klerelijer er iets mee te maken heeft. Dat het gewoon moest gebeuren. Dat het sowieso zou gebeuren. Dat het altijd zou gebeurd zijn, in eender welk scenario. Dat alle mogelijke daden van alle mogelijke mensen in alle mogelijke generaties tot dat ene feit zouden geleid hebben. Dat het ergens in de Kempen zat te wachten tot het allerlaatste dominosteentje zou vallen. Wij zijn die laatste domino. Ik val op jou en jij op mij. Zo blijven we recht tot de morgen toe.

Maarten Verhelst
0 0

Ijs voor Elias

    Op weg naar de hel. Het is nog drie dagen rijden. Door het land van zure melk en valse honing. Eerst en eens en voor altijd zal ik ze achter me laten. Die verwarring terwijl ik weet dat aan de grens. Die er wel degelijk zal zijn. Niet geluld zal worden over fluohesjes boorddocumenten een EHBO-kistje. Dat niemand me onderweg zal bellen. Dat hoop ik.   Om de schoorsteen te vegen de brander te kuisen. Me een levensverzekering aan te smeren. Of ik wel tevreden ben met Proximus. Welke gsm. Welke krant. Wat voor een onzin. Waar ik woonde stak slechts een buis door de muur. In de aars van die gast. Van Ethias. Elias is de naam van de zwarte kat die ik deze keer per ongeluk doodrijd.   Sorry Elias. De Heer wilde een god humaan ik kijk wat voor een kop heeft die krant waarin ik gebroken. Glas vervoer. Samson is een man met kracht. Geen hond die studenten dolweg begeesterd op een Gents plein spreekt men van nostalgie. Ik zwijg. Over het verleden. Alles is fake. Behalve de grens. De wegwijzers zijn vals. Ik sta hier nu. Aan de oprit van een erf. Voor die ijzeren letters. Oost west thuis best.   Om mijn Mehari voor meer geld te kunnen verkopen aan de poorten van de hel ben ik de ganse weg achteruit gereden. Tot in mijn kindertijd. Of ik hier mag overnachten roep ik. Maar Boer Harms is er niet. Hij zit in een home waar men rustig wegkwijnen kan een koptelefoon scheef op de schedel. Maar niet met mij. Ik maak geen ommewegen meer. Ik ga slapen.   Hier en het hondenleven is een tapijt geworden en morgen. Dan wissel ik al mijn kommer tegen één komkommer. In Spanje. Waar Sinterklaas woont. Er een stier over de weg zal lopen in de buurt van Avutarda.   Avutarda-a-Labia in die randgemeente zullen kloten bengelen. De la vita. Zal ik die stier het leven temmen aan het pompstation aldaar zeggen dat ze de tank echt niet mogen volgooien. Dat het veel minder ver was dan ik dacht.   Dat het nog geen twee dagen rijden was. Dat ze mijn Mehari mogen houden. Neen. Ruilen. Voor die diepvries. Voor al die ijsjes. Omdat het daar. Zo warm kan zijn.         uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0
Tip

EX

Ze wilde uit eten, voor de laatste keer. En we moesten elkaar vertellen wat onze allermooiste herinnering was, alsof ze wilde inventariseren wat verloren ging.‘Jij eerst.’Natuurlijk, ik eerst. Ze had mijn stellende trap nodig om die te kunnen vergroten. Nee, te overtreffen. ‘Het is niet zo bijzonder.’‘Vertel nou maar.’‘Het gebeurde jaren geleden, nog voor wij elkaar kenden, toen ik nog in Groningen studeerde.’Haar gezicht betrok. Ze bedoelde: een herinnering uit de tijd dat we samen waren, maar ik deed alsof ik dat niet had begrepen.‘Ik was onderweg naar Amsterdam, over de Afsluitdijk. Er was verder geen verkeer. Een kraakheldere dag. De lucht was…’ - staalblauw wilde ik zeggen, maar dat klonk te plat - ‘als een pointillistisch schilderij. Miljoenen stipjes. Het water was rimpelloos. Er was niets te zien, alleen water en lucht.’Ze haalde opgelucht adem. Gelukkig, een saai verhaal. Haar vingers visten het suikerklontje van haar schoteltje, ze las de tekst op de verpakking: suiker, sucre, sugar. Meer talen konden er niet op. Ik wachtte tot ze weer opkeek.‘Ja, ga maar verder, ik luister wel.’‘Toen was daar ineens, uit het niets, een zwaan. Wit. Een enorm beest.’‘Op de Afsluitdijk? Was hij dood?’‘Nee, in de lucht. Ze vloog links van mij, heel statig, met kalme vleugelslagen.’‘Ze? Hoe weet je dat het een vrouwtjeszwaan was?’Ik negeerde haar vraag. ‘Ik keek opzij en precies op dat moment draaide de zwaan haar kop naar me toe. We keken elkaar aan. Ze keek recht in mijn ziel, zo voelde het.’Ze trok met haar mond en draaide haar hoofd weg, naar de parkeerplaats waar onze auto’s gebroederlijk in de regen stonden te wachten. Toen schokten haar schouders en liet ze het suikerklontje geërgerd vallen. ‘En toen?’‘Ze knikte naar me.’‘Ze knikte naar je? Een knikkende zwaan?’‘Ja.’ Ik keek onzeker naar de papieren placemat: op de foto zag de friet er krokanter uit dan hij was. ‘Alsof ze haar goedkeuring gaf.’‘Goedkeuring? Waarvoor?’‘Geen idee. Alles. Mijn leven.’Ze nam een slok uit haar lege kopje, trok een bitter gezicht. ‘Waarom heb je dit nooit eerder verteld?’Ik haalde mijn schouders op. ‘Zo bijzonder is het niet.’Als een drenkeling klampte ze zich vast aan mijn woorden. ‘Nee, zo bijzonder is het niet.’Daarna dreef ze voorgoed van me weg.

Grand Foulard
1135 1

Mary Lou

    Het bloed zit aan de binnenkant, op die muur die zelfs de ochtendzon verdragen blijft.   Perfect symmetrisch, was het gebouw. Zeven openingen aan de oostkant en zeven deuren die naar het westen zouden staren. Veertien zouden er komen, hokken voor verwende dieren, dacht ik ooit. Doch het gutste en grote spatten zitten er nu, tussen de tweede en de derde deuropening, tellende vanaf de zuidelijke gevel.   Ze beginnen gans onderaan en gaan zo omhoog, tot boven de blik van kinderen. Het rood is nu bruin en ziet diep in de porïen van het beton. Holle blokken grijs geen bakstenen en ook geen pannen. Golfplaten, Eternit ligt op de gordingen. De rest is als zo veel onafgewerkt gebleven, hamerslagen uitgesteld, niet allemaal.   Het is een open kot geworden voor een handjevol dolende kippen, met ook barbaries, de meeste heel chaotisch ingekleurd. Zwart. Wit. Knobbelig rood rond de ogen. Rust en evenwicht. Dat kende onze perelaar, die elke zomer weer zijn jefkes droeg, niets vermoedend, en tegen de stam stond eens per jaar de ladder, met een karkas, van een varken; Achiel was de man die altijd weer het slachten deed.   Diana. Ze kwam dat ene jaar wat koteletten halen en de vadergek, hij had haar kunnen overtuigen. Topless naast het zwijn, de tepels stijf vooruit. “Kunstfoto’s”, dat wist hij zeker, “rauwe schoonheid wordt weer vastgelegd”.   Moeder, good by heart, ze raspte. Nootmuskaat en snel, de dunne darmen moesten nog worden gespoeld, voor de braadworst terwijl ik wat in de emmer, door het rood had zitten roeren. Beuling ook. Die zouden we op donderdag al proeven, appelmoes erbij.    Diana zwaaide toen ze wegging, al het vlees strak in de broek, de koteletten in twee diepvrieszakjes. Moeder had de maand er netjes op vermeld. Enfin, volgende keer gewoon een keertje zonder varken, met een pasgeschoren poedel zonder kop. Niet dat ik zelf zoiets bedacht of dat ik glorieuze, glazende gleufportretten verzamelde. Stoere praat, gewoon wat kutfoto’s die vader maar eens van haar nemen moest.   Maar niet op de poney! Dat was uitgesloten. Mary Lou dat was haar naam, Loulou het veulen dat ze kreeg. Loulou was stukken groter, vuisten hoger, Ome Willem en waarom? Een lumineus idee was er ontsproten, op een donkere nacht, uit het brein van mijn verwekker.   Die hengst, hij kon gewoon rusten, op zijn voorpoten staan toen hij erop gedreven was. Als een tank op stelten, de loop aan de onderkant, het doel te klein om kwaad te doen. Wat moest moest, ook later op de dag des onheils, toen moeder riep, dat ik niet helpen ging, dat er slachthuizen waren.   Mary Lou was kreupel, de gedachten van mijn verwekker, geheel bij hondenvoer, Achiel al vroeg ter plaatse en we trokken in de richting van het kot, van het grijze batiment zonder deuren.   Met de varkenshamer. Veel te klein, besefte Achiel, die goed wist dat ogen zelden zo lang tollen en wie ging er nu de sporen wissen? Poriënbeton, fotografie, de kleefkracht van de beelden.    Het was mij bijgebracht. Ik zie, ik hoor het vaak, door een deuropening, door een barst in een stille gevel, maar vraag me niet luidop te zeggen wat het is.   Het zijn die mokerslagen. Het zijn die doffe slagen. Het zijn die beelden, die niet sterven willen.         uit de reeks  'Roeland De Roover''

Bernd Vanderbilt
1 0

pagina 778

Vijf paar schoenen heb ik al versleten. Zestien wijven heb ik afgebeld. Ze wisten niet waar ze het hadden, huppelden met hun vetkwabben de Noordzee in. De strandwachter zong het themalied van Mega Mindy alvorens hij op zijn toeter blies. Ik wou ook eens op zijn toeter blazen, maar kon de benodigde diploma's niet voorleggen. Hoog van de toren was hij wel. Kortgeschoren hoofdhaar, tanden die blonken in de wind. Zijn speeksel smaakte naar tomate crevette. Ik geef je mijn hele arm, maar je neemt enkel mijn vinger. Hij past precies in je poepegaatje, dat weet ik zeker. Ik fluister in je oor dat ik het zeker weet. Een zweetdruppel leidt de weg via je ruggengraat tot in je bilspleet. Ik moet denken aan die avond in Zeveneken, toen we samen de kerktoren beklommen. Na anderhalve meter vielen we op de grond, net naast het graf van August Spermalie. Gust voor de vrienden. Pas na twee weken verdwenen de blauwe plekken op onze billen. Het zeventiende meisje dat ik afbelde nam niet op. Net als alle zestien voor haar. Mijn leven heeft dringend nood aan een telefoonboek, dacht ik bij mezelf. Ik nam me voor om de volgende dag eerst en vooral naar de Hubo te fietsen om een koevoet te kopen. Daarmee zou ik de deur van mijn kelder wel open krijgen. Ergens heel ver en heel diep, onder stapels dag- en weekbladen, lag nog een telefoonboek uit 1996. Ik wist zeker dat het er lag. Ik zou het vinden en vol spanning naar pagina 778 bladeren. Daar, op de voorlaatste regel, zou het staan. Het telefoonnummer van mijn eerste lief. Zij zou mij nooit vergeten. Dat zei ze zelf.

Maarten Verhelst
0 0

Deus ex vagina

    een krullenman verkoopt vergulde hangertjes verderop vindt men het omgekeerde kruis waaraan een wezen hangt van een vreemde planeet allicht de blik is zo oneindig leeg een roze rug met ruige strepen chot misschien voelt het zich beter dacht men thuis als alles op zijn kop staat zwaartekracht het lood weer uit zijn poten krijgt vooralsnog was het voor deze wereld ongeschikt verklaard   geslagen onverslagen heel verkeerd gereden legotreintjes liggen gans de dag aan diggelen de doos is veel te groot de kleuren flets geworden door de interesse van de zon en ooit heb ik getracht een kleine guillotine na te maken veel te bot jouw brieven kreeg ik niets eens doorgeknipt bewaard zijn ze gebleven door het toedoen van dit waardeloze tuig   twee mensheden later toen alles mooi verdwenen leek zag het land weer een armada soortgelijke strijders soldiers of sorrow krekels mieren karren vol beladen met veel wierook bier met handboeken over het maken van een godenkind de aarde hield het hart weer vast verstopte snel de souvenirs van vroeger hangers kruisjes lego rare brieven beefde licht ze schrokken amper en de blauwe bol hij zag het al gebeuren hoorde hen met grote woorden spreken over kloven in de zee het vrome vuur   nog één verhaaltje wachten wist hij en dan komt er weer een redder een verlosser deze keer misschien gewoon verwerkt door Jan de Mosselman herhaalde steeds dat liedje van   “samen vullen we  een heilig kutje   dat zo heerlijk  kreunen kan”         uit de reeks  'Hormonoloog'

Bernd Vanderbilt
2 0

De onrust van de steenbok

    Het onderricht inzake het kweken van gele snoeptomaatjes en de houdbaarheid van windeieren alsook de cursus kaasmaken van bokkemelk heb ik met glans beëindigd. Soms blijf ik me vragen stellen. Over wederkerige cirkels, waar het nut van onnodig geweld vezonnen wordt, over de blindheid van het zijn, de onbewuste wreedheid van te vele mensen. Alfred snurkt, heeft gisteren een afspraak met de eeuwigheid gemaakt, zijn scheve schaatsen laten rechten slijpen. Bij de noordpool woont een ijsmeisje, zegde hij, dat valse warmte voelen kan.   I have a dream, een bordje vol met koude frietjes en ik neem een laatste slokje limonade voor de kalmte in het suikerloze bloed. Panicum virgatum groeit hier duivels goed, verdringt de onschuld van de kleine planten, heb de zoden uitgespit en ze gekloond in 9cm-potjes om ze weg te geven aan de schrale grond van vergelegen streken. Ik denk daarbij aan jou -dat weet je- en de zon lag op mijn schouders omdat ze goed wist dat ik haar eenzaamheid verdragen kan.   Alfred draait zich om. De wende gaat wat onvoorzichtig en zijn bedje moet ik dringend met wat nieuwe schroeven sterker maken dan de drank die zwakke wezens klein gekregen heeft. Ik zorg voor hem als voor de droom, ik gooi de frietjes weg en zet de mayonaise op zijn nachtkastje. Het dekseltje ligt op zijn kop, het potje laat ik open. Het is ongeweten. Of de nacht misschien met droge lippen onze rust verstoort.   Ik geef hem nog een zoen en ja, zijn recepten zijn van goud, de harten veilig opgeborgen en de sterren schikken zich. De pool is weer het noorden kwijt.           uit de reeks  'Alfred frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
0 0

Een aap en zijn bananen aka Cafépraat

“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”Ik zette mijn pint terug op de toog en keek mijn beste vriend Mark niet begrijpend aan. Had ik iets gemist in onze conversatie? Waar en wanneer zijn we over apen begonnen? Schrap die vraag en vervang het door een belangrijker raadsel: wanneer zijn we over bananen begonnen?Nu, ter mijner eigen verdediging... ik was op dat ene cruciale punt van iedere gezellige avond aanbeland waar ik een beetje moeite had om een gesprek te volgen.“Hoe bedoel je?” Vroeg ik, zo nonchalant mogelijk en in de hoop dat ik niet liet merken hoezeer ik de draad kwijt was.“Awel, uw eten laat je je niet zomaar afpakken. En ge moet stapelzot zijn om zo'n aap te ambeteren. Die beesten zijn ijzersterk en hun hoektanden zijn scherper dan die van gelijk welke vleeseter.”Ondanks een zeker alcoholpercentage dat door mijn lijf gutste, begon er in mijn hoofd een uiteenzetting over Darwinisme vorm te krijgen. Ik stond op het punt om aan mijn betoog te beginnen toen ik merkte dat ik een schoolbord en gekleurde krijtjes nodig had. Ongecontroleerd ging ik van: “Euh...”Dat was het teken dat Mark nodig had om verder te gaan met zijn verhandeling.“Duiven daarentegen zijn helemaal anders. Die eten totdat ze ontploffen. Ofwel eten ze teveel, hun maag scheurt en de duif zegt splut. Ofwel eten ze iets dat ze niet kunnen verteren, dat blijft in de maag zitten die daardoor scheurt en de duif zegt...”“...Splut?”“Heel juist, wat moet je nog drinken?”“Een groene cola...” Stamelde ik. “Maar weet je dat een duif zijn calorieën...”Voordat ik mijn uiteenzetting kon afwerken kreeg ik mijn groene cola en moest er geklonken worden. De cola smaakte me niet, maar ik had nu eenmaal het besluit genomen om naar huis te stappen in plaats van te strompelen. Ik dronk de cola snel op en bestelde me een tweede.“Een olifant kun je niet voor je kar spannen.” Verklaarde Mark.Mijn tweede cola besloot op dat moment om een bezoekje te brengen aan mijn sinussen.“Pardon?” Terwijl ik de cola uit mijn neusgaten probeerde te snuiten.“Ten eerste is dat een wild beest en wilde beesten kun je, of beter gemompeld, mag je niet temmen. Ten tweede vreet zo'n beest de oren van je lijf. Het zou beter zijn als dat beest zijn eigen oren opvrat...”Hilariteit alom en we lachten zo hard dat de drank moeite had om in het glas te blijven. Mark hikte nog na terwijl hij verder vertelde.“En ten laatste, je kunt een walrus geen harnas omdoen.”Ik was de weg weer eens kwijt. Niet voor het eerst deze avond en, Algemeen Gesproken, ook niet voor het laatst.“Hadden we het niet over olifanten?”“Olifanten, walrussen, walvissen en dolfijnen. Allemaal dezelfde beestjes! Ze zijn allemaal...” Mark had/deed (schrappen wat niet past) heel veel moeite om zijn vingers te verstrengelen.“... interwinnend.”“Ah ja, DNA.” Ondanks zijn gebrekkig Engels wist ik wat Mark bedoelde.“Neen, neen. Het gaat veel dieper dan dat.”Terwijl ik weemoedig mijn cola verder opdronk, beschouwde ik de religieuze toer die deze discussie onherroepelijk opging.“Alles is met alles verbonden: de planten en de dieren.”“Fauna en Flora?” Hielp ik Mark.“Ja, die ook. Ik zie dat ge mee zijt.”Ik begon aan mijn derde groene cola terwijl ik dacht dat deze conversatie misschien beter te volgen kon zijn mocht ik laveloos, stomdronken en/of poepeloere zat zou zijn. Dat zou echter zonde zijn van die cola, nu ik die toch had. Vol vuur ging Mark verder met zijn redevoering.“Ja, ge moet weten dat diep van binnen alles met elkaar verbonden is door een mysterieuze, bijna goddelijke kracht.”“Bijna goddelijk? Ruimtewezens misschien?”Mark negeerde mijn laatste opmerking, omdat hij niet meer wist van welke parochie hij was.“Neeje, biochemie!” Gilde hij zacht.“Ah...” Was het enigste dat ik kon uitbrengen. Het besef groeide dat niet ik, maar Mark de draad volledig kwijt was.“Ja! Ge weet wel... met zuren en carboniet.”Nu was ik het zeker! Mark was niet alleen zijn draad, maar ook zijn bobijn kwijt. Mijn blijvend stilzwijgen was de enigste aanmoediging die hij nodig had om verder te orakelen.“De mensen snappen niet dat alles is verbonden met elkaar. Het holistische wereldbeeld is verketterd en vergruisd. Het verband tussen probleem A en probleem B is weggecijferd. Als je A oplost vergroot probleem B en krijg je een nieuw probleem C. En weet je wat het grootste probleem van al is? Weet je wat het ergste is dat ons kan overkomen?”Ik schudde mijn hoofd. Ik wist gewoonweg niet meer welke kant dit gesprek uiteindelijk uitging.“Na de letter Z zijn de letters op en dan is het gedaan...”Ondanks alle rumoer, werd het stil tussen Mark en mij. We lieten de laatste woorden tussen ons in hangen. Ik zocht naar de verborgen, diepere betekenis van wat Mark net had gezegd. Hij was geschrokken van zijn eigen woorden. Ik bestelde voor ons beiden een verse pint en terwijl ik zijn leeg glas voor een vol omwisselde, keek ik Mark aan en zei:“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”

Wibboo Jozefs
19 0