Zoeken

Bekentenis van een overlijdensberichtlezer

Ik wil iets bekennen: ik lees graag de overlijdensberichten in de krant.Niet vluchtig. Echt lezen. Met aandacht. En ik vraag me soms af of ik de enige ben. Ik hoop van niet. Want het zou toch wat gênant zijn als ik de enige trouwe lezer van die rubriek ben. Dus bij deze een kleine outing. Mocht uw oog daar ook altijd eerst naartoe glijden: ge zijt niet alleen. Waarom ik dat doe, weet ik eigenlijk niet goed. Misschien uit dezelfde reflex waarmee we de rest van de krant lezen: om te weten wat er gebeurt in de wereld. Alleen gaat het hier niet over files of ministers die weer iets verkeerd gezegd hebben, maar over levens die afgerond zijn. Ik herinner me dat ik ooit het overlijdensbericht zag van mijn professor psychologie uit het eerste jaar van de sociale hogeschool. Een bijzondere mens. Hij kon een aula van honderd studenten stil krijgen met iets dat begon als droge theorie maar eindigde als een blik op het leven zelf. Over Freud bijvoorbeeld. Over het ES dat alles wil. Het ICH dat probeert te schipperen. En het ÜBER-ICH dat streng in een hoek zit te fluisteren dat we ons toch wat beter moeten gedragen. Of over Maslow en zijn piramide. Eerst eten en veiligheid, daarna liefde en erkenning, en helemaal bovenaan: zelfontplooiing. Het idee dat een mens zijn leven eigenlijk te herleiden is tot een piramide. Toen ik zijn overlijdensbericht zag, bleef ik even hangen. Hij werd ergens in de tachtig. Dat stelde me vreemd genoeg gerust. Mooie mens, mooi leven. Zijn piramide was top. Een andere keer zag ik het bericht van een kotgenoot van vroeger. We waren geen dikke vriendinnen geworden. We hadden gewoon een paar jaar dezelfde gang gedeeld. Dezelfde keuken. Dezelfde geur van pasta, toast en een pan die altijd nét te lang op het vuur en de week daarna bij de afwas stond. En toch was het vreemd. Het idee dat iemand die letterlijk een tijd mijn pad kruiste er plots niet meer was. Alsof er ergens in de wereld een deur dichtvalt waar ge ooit gedachteloos door gelopen zijt. Dat doet een mens nadenken. Over wat geweest is. Over wat nog moet komen. En dat we het leven misschien toch wat steviger moeten vastpakken. Misschien is dat ook waarom ik die rubriek lees. Een soort generale repetitie. Niet voor mijn eigen overlijden, maar voor die momenten waarop het leven plots beslist dat er iemand vertrekt. Want dan moet er ineens veel beslist worden. Veel te snel. Dan moeten er versjes gevonden worden, foto’s gekozen, woorden gezocht voor iets waar eigenlijk geen woorden voor bestaan. En als ge dan al een tijdje die rubriek leest, komt ge toch niet helemaal onbeslagen in zo’n verhaal terecht. Ge weet een beetje hoe mensen afscheid nemen. Wat er kan. Wat er soms staat. En wat ook niet. Ik lees die berichten ook om te kijken hoe families in elkaar zitten. Wie er genoemd wordt. Wie vooraan staat en wie ergens op het einde. Hoe mensen hun geliefde omschrijven. “Zijn geweldig lief.” Dat is toch iets anders dan “echtgenoot van”. Soms kunt ge een heel leven voelen in een paar woorden. Ik kijk ook altijd naar de jaartallen. Dan maak ik onbewust een soort schaal van ernst. Hoe ouder de overledene, hoe meer ge dat kunt lezen met iets als volbrachtheid. Een lange tocht die afgerond is. Ge denkt bijna: goed gedaan, mens. Hoe dichter de geboortedatum bij de mijne komt, hoe ongemakkelijker het wordt. En iedereen die jonger is dan ik vind ik gewoon oneerlijk. En nog iets waar ik altijd op let: de namen van de kinderen. Dat is eigenlijk een klein sociologisch onderzoek op zich. Als er Lou of Georges staat, weet ge meteen dat dat nog kleine mannen zijn die ergens met een loopfiets rondrijden. Terwijl een Ewoud of een Michiel gegarandeerd al boven de twintig is en waarschijnlijk ergens probeert uit te rekenen hoe ge een appartement betaalt. Ik kijk ook altijd naar de foto’s. Dat is misschien nog het meest ontroerende onderdeel. Sommige mensen kiezen een jonge foto. Een zomerjurk. Een brede lach. Alsof ze willen zeggen: zo wil ze herinnerd worden. Anderen kiezen een recente foto. Met rimpels, een bril, een gezicht waar het leven duidelijk overheen is gegaan. Dat vind ik misschien nog het moedigst. Alsof iemand zegt: dit was ze, helemaal. En dan zijn er nog de kleine symbolen. Het kruisje. De duif. Een korenaar. Soms een hartje. De dood heeft al lang zijn eigen emoji’. Daarna komen vaak de zinnen. Die klassieke zinnen die generaties lang lijken mee te reizen van afscheid naar afscheid. “Hij heeft een steen verlegd in een rivier op aarde.” “Wat je in je hart draagt, raak je nooit meer kwijt.” “De hemel is een engel rijker, wij zijn er een kwijt.” Zinnen die misschien al duizend keer zijn gebruikt, maar die toch elke keer opnieuw proberen te zeggen wat eigenlijk niet te zeggen valt. Ik lees ook hoe er afscheid genomen wordt. “In intieme kring, volgens de wens van de overledene.” Dan denk ik soms: is dat wel echt zo? Of hadden de nabestaanden gewoon geen zin in een zaal vol mensen die allemaal beginnen met “weet ge nog dat hij toen…” Of er staat dat het leven gevierd zal worden. Dan stel ik me een zaal voor met foto’s, muziek, wijn die iets te snel wordt bijgeschonken en verhalen die steeds een beetje mooier worden naarmate de avond vordert. En ergens tussen al die gedachten heb ik ooit beslist dat ik een bruine envelop in een lade ga leggen. Met een paar richtlijnen. Misschien een liedje. Misschien een paar zinnen. Eén spreuk weet ik al: “Wat de liefde draagt, is nooit een last.” Tegelijk besef ik dat dat ook een tikkeltje arrogant is. Doe ik dat echt om hen te helpen? Of ben ik ook na mijn dood nog altijd een eigenwijze moeial die zich met alles wil bemoeien? Misschien willen mijn kinderen het net kort en eenvoudig houden. Terwijl ik daar dan lig met een draaiboek van tien pagina’s. Met muziek uit La La Land en The Greatest Showman. Met zonnebloemen overal: ja, dat is zo 'ik'. Met een powerpoint die blijft doorgaan tot zelfs de nonkel op de derde stilletjes vraagt of hij nu al om een prentje mag gaan naar voor. Misschien zelfs met grote schermen buiten, voor het geval er zoveel volk komt dat niet iedereen binnen kan. En dan hoor ik ze al denken: mama, ge hebt het weer wat te groot gezien. Misschien heb ik daar eigenlijk geen recht op. Misschien mag ik alleen hopen dat er op een dag ergens staat: We nemen afscheid van Katrien Daniels. En dat ze zich nog herinneren dat ik alles met passie deed. Dat ik mijn familie graag zag. Mijn vrienden ook. En tegen dan hopelijk ook mijn zes kleinkinderen. En dat er misschien ook ergens staat: ze had haar kuren, maar het was wel een goeie. Maar het liefst van al hoop ik dat er nog één zinnetje staat: 'Het zotte lief van…' En dat hij dan denkt: wat een geluk dat die madam ooit op mijn pad kwam. 

Katrien Daniels
36 2

Gekooid

Gevangen in mijn eigen gedachten, slenter ik door het lege labyrint van mijn leven. Eenzaam dool ik door doodse gangen en lege kamers die stilte echoën. De hoge muren die ik zelf heb gebouwd, vormen het fundament van mijn zijn.Door het sleutelgat van een voor mij nieuwe en onbekende deur sprankelt een streepje hoop, als de zon die haar stralen door het kleine gaatje perst. Mijn hand rust behoedzaam op de deurknop en laat mijn vingers flirten met het idee van een nieuwe opportuniteit. Een nieuwe kans om mezelf te laten zien, om gezien te worden voor wie ik echt ben. De mogelijkheid biedt zich aan als een zachte bries die me door de kier tegemoet komt. Twijfel loopt langs mijn ruggengraat omhoog en ik hou mijn voet achter de deur zodat de wind ze onmogelijk volledig kan openzwaaien. Nieuwsgierig laat ik mijn blik door de kamer, die in schril contrast staat met de grijze en sombere gangen waar ik in heb rondgedoold, glijden. Ze is gevuld met kleur, gelach, plezier, vriendschap met een gouden randje. Alles waar ik al die tijd zo hevig naar heb verlangd, het gevoel ergens bij te horen. Gehuld in overschaduwd zelfvertrouwen stap ik het uitnodigende onbekende in. De onwetende spotlight keert zich in mijn richting en ik heb maar één doel, één kans om de echte ik te laten zien. Overmand door een angst die zich als donderslag bij heldere hemel aandient, verstijf ik. De schijnwerper dooft zachtjes uit. Ik moet nu mijn kans grijpen vooraleer de aandacht verslapt en haal het vrolijkste masker uit mijn koffer tevoorschijn. Gejoel en luid applaus worden mijn richting uitgestuurd. Goedlachs maak ik een diepe buiging, terwijl stille tranen mijn ogen vullen. Enigszins opgelucht schuif ik mee aan de feesttafel. De eerste indruk ik gemaakt. Starende blikken prikken als kleine kopspeldjes in mijn huid, mogelijke oordelen branden op vreemde lippen. Onzekerheid werpt de hoogste kaart en vult mijn mond met een onophoudelijke woordenvloed gevolgd door een misselijkmakende, valse bulderlach. Een schaamrode paraplu opent zich, woede raast door mijn hoofd als de bui aan ongeloof zich over mij heen stort. Wat heb ik in godsnaam allemaal uitgekraamd? De woorden waarmee ik zopas de kamer heb gevuld hebben geen betekenis, geen waarde. Ze vormen niet meer dan gebakken, zoete lucht. Met een in steen gehouwen glimlach neem ik weemoedig afscheid. Een vertrek dat gepaard gaat met de aankondiging van mijn terugkomst, die met weinig enthousiasme wordt onthaald. Teleurgesteld in het zelfvertrouwen dat me in de steek heeft gelaten, werp ik nog een laatste blik op de warme sfeer die als een roze wolk in de kamer drijft en verdwijn geruisloos in de somberheid van mijn labyrint. Een doolhof waarin de weg naar zelfzekerheid en moed steeds moeilijker te vinden is.Zelfbewustzijn grijpt me bij de keel en slaat mijn hoofd hard tegen de pas gesloten deur. Het schreeuwt en brult, een woede die diep vanbinnen brandt. Opnieuw een kans verpest. Het geroezemoes aan de andere kant van de deur is oorverdovend. Een klaagzang van zelfmedelijden weerklinkt in de gehoorgang. Ik draag het gewicht van een leven vol twijfels en onzekerheden op mijn schouders en voel hoe ik er langzaamaan onder bezwijk. Mijn zelfvertrouwen barst en valt kapot. Buiten adem veeg ik de scherven samen. Met een uiterste precisie tracht ik alle stukjes weer op hun plaats te lijmen, maar mijn trillende handen maken er een zware opdracht van.  Een voorzichtige hand vlijt zich op mijn schouder en geeft er een bemoedigend kneepje in. De warme steun waar hij me mee omringt laat me zweven, alsof mijn lichaam zich vult met helium. We hebben elkaars vertrouwen gewonnen en met een bang hartje laat ik hem toe om mijn strakke jurkje van valse perfectie open te ritsen. Plots kan ik weer ademhalen, mijn longen vullen zich met frisse lucht nadat ze bevrijd zijn uit een veel te spannend korset. Met een met rozenwater doordrenkt wattenschijfje wrijft hij behoedzaam de restanten van de hardnekkige make-up van mijn gezicht en legt zo mijn natuurlijke schoonheid bloot. Liefdevol neemt hij mijn gezicht in zijn handen en drukt zijn lippen op de mijne.  Plots dringt het tot me door. Ik heb geen masker nodig, geen perfectie, want alles is er al. Alles is er altijd al geweest. Een overvloed die zich heeft schuilgehouden in het diepste van mijn zijn. Al die tijd ben ik op zoek geweest naar iets wat altijd al aanwezig was. Ik ben compleet, ik ben heel, ik had gewoon iemand nodig die het zag. Iemand die het geduld in zich droeg om steen per steen mijn muren af te breken en me kon laten zien welke herinneringen mijn hart vullen. Ik ben wie ik wil zijn, ik ben genoeg. Eindelijk word ik gezien. Dat besef bevrijdt me. Als een vogeltje dat veel te lang in zijn gouden kooitje opgesloten zat, sla ik eindelijk mijn vleugels uit en vlieg over de muren van mijn labyrint heen. Ver weg van de overdreven zelfbescherming van gouden tralies en muffe gangen vol angst.

Joni Motmans
5 0

Ford Scorpio

  Kijkt toe. Dit is geen ordinaire volkswagen. Het is een ware Touareg. Speciaal model met wankelmotor voor in twijfeltijden Zeer uniek. Deze machine is speciaal gebouwd voor op die parking naast mijn huis. Het gazon is gekleurd in prachtig British racing green. Bewondert dit. De velgen zijn verzilverd en de pook is van een lekker goud voor extra veel genot. Ik ben een connaisseur in die materie voor de echte man. Is het een kameel met paardenkracht, my lord? Scheurt hij 'wredig' door de bochten, plet hij elke schorpioen? Mijn god, wat glimmen toch die banden, wat zijn ze cool en beestig zwart. Pas maar op, gij kleine man. Ik heb veel zeggenschap, een generaal of tien voor elke vinger van de macht. Kom maar mee. Straks wordt uw ziel gekraakt onder de wielen van mijn Touareg. Er zijn hier knoppen voor de juiste straf en in de koffer ligt het masker voor de beul. Oejoejoei! Ik hoor. U bent wel degelijk een stoer geval, geen kwal die op uw ruitersstoeltje kwijlen zal.  Ik moet nu voort. Mijn voeten zijn doorboord met oude nagels en mijn hemelgeest zoekt frisse lucht. Toch is er hoop, voor U en mij, want de woestijn zal dorstig zijn. Hij slurpt zeer binnenkort de wereld op. Echt. De verlossing is nabij. Heb nog een dag of twee geduld. Dan zijn de oorlogen voorbij. Dan raast die storm niet meer, stopt die razernij. Dan zien die ogen van het zand, voorgoed weer zuiver licht en is ook onze duivel blij, met eindelijk wat rust.       uit de reeks 'Reizen met Ricky'    

Bernd Vanderbilt
0 0

Consultatieadres: Niemendal 9, 1307 Twijfelgem

  Dokter Schilferziel, met die spinnenwebben in je operatiekamer. Dokter Schilferziel, met je schilmachine, wreed geduld, schone collectie van weke schimmels. Dokter Schilferziel, ik heb nu al die afspraken gemaakt. Met het lijden uit een oude tijd, met een oorlogsgeest die mij wil tonen hoe het domme collectief kan culmineren in die waanzin rondom mij. Ik moet ook nog, zo heeft u aanbevolen, spreken tot sterren in de lucht. Ik wil het echt aanhoren waarom zij die vlucht ooit namen, weg van onze opschudding. Het zijn allicht die paddestoelen rond de eilen in het Niemendal. Zij kropen uit de onderwereld langs tentakels zwart als droevig roet. Het stopt intussen niet. Zure regen is een flauw begrip voor het arsenicum dat stoffen kleurt voor lijken die zo moeilijk die zo lastig stierven. Intussen heb ik al geoefend, dokter Schilferziel. Intussen heb ik geprobeerd, die loutering te proeven. Doch, ik kon, ik mocht niet dichter naderen. Mijn badkuip werd een geiser, kokend heet. De zon werd wreed toen ik aan die stralen trok. Hegesias hij bleef maar prevelen, alle doelen te versnijden. Een solipsistische kabouter las mij voor uit sprookjes waarin ik alles rondom mij op een te slimme dag verzonnen had. Later, dokter Schilferziel, dan kom ik nog eens langs. De wortelen die groeien in mijn achtertuin ze hebben, denk ik, psoriasis. De zonnebloemen zijn dit jaar zó neerslachtig dat zij alle schijn van bovenaf beschouwen als verkleurde lust. Ikzelf, dokter Schilferziel, ik voel het. Ik brokkel langzaam af gelijk de bergen doe op donderdag. Ik red me wel. Het moet. Mijn hart is dwaas. Mijn geest plant nog ballonvaarten. Over heuvelruggen. Die beweren. Dat het dak van deze wereld. Alles tegenhoudt.       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Dit!

Dit huis liet hij voor me neerpoten. Na acht maanden stond het er. Van bouwplan naar realisatie. Echt, dit! Je vraagt je af of hij rijk is? Hij deed het uit liefde! Bepaalde hij de vorm, de ligging? Ik bezat geen grond. En ik, ontvang dit met open handen? Met een open hart! Vanavond krijg ik de sleutel. Het huis krijgt een naam, ik mag erover fantaseren. Hij wil geen naam bedenken. Luister, zeg ik tegen mijn dode moeder, hij weet er echt veel vanaf. Je moet je geen zorgen maken. Ze kent me, en weet dat mijn vingers nooit groen zullen zijn. Ik draag de nagels en de lak. De hakken van mijn schoenen zullen als naalden in de ons omringende natuur, ze maakt zich postuum zorgen. We kijken naar de foto, zitten zij aan zij in onze roze sofa. Poes snurkt. Hij streelt mijn blote been. Deze foto, en nog één met een hoekig tiny huis. Maar hij heeft je ooit geslagen! En nu dit? Mijn moeder haalt met haar assige lijf de oude koei van stal, ze laat ze loeien tot ik ontplof. Ik heb teruggemept, dat weet je toch nog? Ik roep het in haar linkeroor: ik heb hem toen dat blauwe oog! Ze trekt haar hoofd weg, drukt een handpalm tegen het geschrokken schelpje. Links. Prachtige oortjes heb je, ik hoor er de zee in. Dat zei hij op onze eerste date. Ik kuste hem, nam hem bij de hand, zocht het hoge gras, liet me vallen, hij viel naast me neer. Dit huis! Tiny krijgt een woning. Dit nest wil ik voor je neerpoten, dat beweerde hij al na een maand. Hij trok uit de achterzak van zijn jeans een verfrommeld papier. Deze foto liet me dromen. Dromen mag, zei hij. In een berichtje schrijft hij: kom je gauw naar de narcissen kijken? De naam 'narcis' vind ik zeker een optie. Jij?  Geen reactie.          

Ingrid Strobbe
10 1

De blaat-het-schaap-route

De vennen, de bomen, de bewegwijzering, dat alles ligt en staat in Oisterwijk. Geef toe, je denkt toch meteen aan oesters, een wijk vol oesters die in open monden verdwijnen. Met een  coupe champagne staat dat erg chique. Oisterwijk in Nederland dus, het is niet zo heel ver rijden.  We zijn met z'n drieën. Een vierde dame ligt in bed met migraine. Ik parkeer de auto aan Wout waar we allen plassen. Niet samen zoals van vrouwen wordt beweerd, maar iedereen apart. Niet samen bij de spiegel om de lippen te stiften, huidkleurig is oké vandaag. Tegen de dienster zeggen we 'tot straks' en wuiven erbij. De route telt 15km, dat is voor onze getrainde benen haalbaar. De gele cirkel aan de hemel warmt de aarde op, mijn bril met uv-bescherming komt van pas. Onmiddellijk valt de charmante omgeving op; rijhuisjes baden in decoratie en de straatstenen lijken vers gebakken. Het ruikt naar anjers in de bocht die we nemen. Besef nr.1: het plannetje vertoont enkele verrassingen. De cijfers links komen niet overeen met die aan de rechterzijde. Ik moet even herbekijken en draai het plan een keer op z'n kop, Martine neemt het over en concludeert in sneltempo, zij ziet dat al wat links staat horeca is, ik ben traag en moe. De route biedt ons een groene kijk op de wereld zodra we het dorp verlaten. Groen het gras met daarin een smalle beek. Een afgetopte boom zonder vogels, voorlopig horen we geen liedjes uit snavels ontsnappen. Het eerste ven duikt op, we lopen er langs. Ilse in een jeans, Martine en ik dragen een wandelbroek. Ik ben de enige met wandelschoenen van een merk dat wandelschoenen maakt, en toch word ik niet gezien als wandelaar. Ik ben het schaap. Dat zie je aan de vest die ik draag, een reden om mij vaak te knuffelen. Ze vinden dat belangrijk. Is dit een bijzondere dag? Het is een zondag zonder regen, het is een dag om natuurgebieden op te zoeken. Heel veel mensen doen het. Het is ook complimentendag. Het is een dag om te praten over mannen, kleinkinderen, borsten, baarmoeders, ex-en, en nummers. Er klopt iets niet na nummer 38. Na een koffiestop zoeken we nummer 62. Ergens te vinden? Nergens te vinden. Met drie bekijken we het plannetje, dan de omgeving, het plannetje, de wijdere omgeving waar we op de paaltjes enkel pijltjes zien, geen nummers.  Ik herinner me vaag dat ik jaren geleden, die richting uitging, dat kan toch niet kloppen, de herinnering wordt vager zodra ik ze uitspreek, het is echt jaren geleden, die richting is niet voor wandelaars. Hoopvol kijk ik in het rond. Martine neemt de leiding. Gelukkig neemt zij het van me over, ze vraagt het aan een man die bij zijn auto, hij bekijkt het plannetje. Hij kijkt achterom, bedenkt drie zadels die onder onze zitvlakken, hij zegt dat we via het fietspad, we doen wat hij ons vertelt. Zonder wanhoop geraken we verder. Nummer 42 straalt in het zonlicht. Is dat een paard? Ik kijk naar Ilse, dan in de verte, ik zie de rug van het dier, een ruiter ernaast. Kop richting grond, ze nam ons niet te grazen. Verderop lag het Diaconieven, een ven met een wel erg interessante naam. Martine wilde absoluut weten, het googlen begon, het ven was groter dan het Brandven, kleiner dan het Kolkven. We leerden dat het kloosterzusters betrof, we misten nummer 44 wegens onze blik op het scherm. Voor mijn part was het landgoed Lot met de Rosep het meest bijzondere gebied waar we doorheen wandelden; een privé-natuurgebied dat opengesteld voor iedereen nu voor een vijtiental minuten van ons was. Er lag een bruggetje over de Rosep, ik nam er een foto. Een elfde foto die in 2027 zal wissen. In dat jaar zal ik de beek onbelangrijk achten.  

Ingrid Strobbe
0 0

Stoten uit een blinde hoek

Ik zet me op de stoel aan de tafel in de bar waar een jaar geleden een oudere dame zat die gretig probeerde te achterhalen waar ik nu ‘echt vandaan kwam’. Het is zeker niet de eerste keer dat ik een ‘aanvaring’ heb met mensen die geïnteresseerd zijn in mijn raadselachtige etniciteit. Dat betekent niet dat ik daarom goed voorbereid ben op het type ijsbreker dat start met een “Excuseer, maar –” en niet met een “Hallo, ik heet [XXXX], wie ben jij?”. Een ongepaste vraag, die ik probeer zachtjes weg te lachen bij gebrek aan een beter antwoord. Nu ik hier, een jaar later, haar plaats bezet, heb ik nog altijd geen correct antwoord op haar vraag. Blijkbaar zou dit wel bestaan – assertief, geestig, een tikkeltje brutaal zelfs – als ik mijn witte vrienden en familie moet geloven. “Je had haar een lesje kunnen leren! Je had haar neer kunnen zetten en kunnen uitleggen waarom dergelijke vragen kwetsend en frustrerend zijn!” Een ietwat begrijpelijke reactie van mensen die nooit verder dan de schaduw van de kerktoren hoefden te reizen om al hun familie te zien. Om andere mensen met hun eigen tinten en vormen te zien. Daar zijn ze onder gelijken. Zo gelijk zelfs, dat ze misschien wel verlangen naar iets dat hen net een tikkeltje unieker zou maken. Maar dat nog altijd sociaal aanvaard is, uiteraard. “Waarom zeg je niet gewoon wat je origines zijn? Dat is toch niets om beschaamd over te zijn?” Alsof schaamte het gevoel is dat ik ervaar als ik me gevangen voel in hun wit koplicht. Het zijn goedbedoelde vragen, goedbedoelde opmerkingen, stoten uit een blinde hoek. Ik deelde dit voorval, samen met vergelijkbare voorvallen uit het verleden, met mensen die ook deze vragen krijgen, al dan niet vaker dan ik. Ook hier pik ik een patroon op. De ene persoon reageert met een lach en een grap op mijn eerste anekdotes, de andere met wat argwaan in de ogen. Maar na een openhartig gesprek vinden we herkenning en erkenning in elkaars levenservaring. Er volgt geen simpel advies, geen geestige ‘comebacks’, geen gemakkelijke oplossingen.

Eden Oscar
0 0

Ter nagedachtenis van die zomer (slotpagina)

  Het blijft wel zo, zegt de Inspecteur, weinig verandert. Spionage, het plannen van terreur, het is nog altijd strafbaar. Ook al is het slechts een ware hersenschim die van vernieling droomt. Ignace is nochtans morsdood, door mij vermoord. En toch, Meneer de Inspecteur, Ignace hij was niet meer dan een stripfiguur die nooit getekend werd. De muren zuchten en intussen heerst die valse vrijheid, leeft de laatste zomer. Vooralsnog. We zullen proeven van de tijd, Russische vodka proeven. De opwarming van onze Noordzee. Ik voel dat helemaal tot hier. Een frisse duik zit er niet in, het blijft bij drijven door de waarheid, door die eeuwige dwaasheid, door de hoop die Vlaemsche biggen altijd hebben op een beter leven Echt, Meneer de Inspecteur, niets is gelogen. Het is slechts op wat er gebeuren moet. Rampspoed of de komst van Layla, de glimlach van een herfst of Lorelei. En ik voel het in die zijarmen, aan de kreten van de Schelde. Alles moet, ergens uitmonden, eindigen.     Beste schrift, ik heb echt niet alles verbrand. Kafka is dat ook niet echt gelukt. Wat rest van wat ooit was, mijn vriend Ignace, zijn angsten en complotten, Sint-Amandus en zijn geest. Ik was erbij. Bijna. Ik ben daar geweest. Ik las een ziel die voor de wrede wereld zweeg, maar niet voor mij.     So long, Ignace, duizend tonnen bommen wachten onderweg. Ik wens je een behouden vaart. De Styx, de Noordzee en de Volga. Ze wachten op jou. Ze houden van jouw plot en voelen. Hoe na een korte dood. Jouw ziel. Altijd herleeft.   _____ In addenda, ter nagedachtenis aan Ignace Somers zijn betere haiku's. Verder nog, aan alleman die lezen kan:  Adieu, ik moet weer naar mijn cel, mijn isolement. De vrijheid weet het: Zelfs tussen een muur of vier kom ik er wel!       uit de reeks 'Ignace Somers'  

Bernd Vanderbilt
2 0