Zoeken

Muze

De esthetiek van de dood komt voort uit de tragiek van het leven. En de tragiek van het leven uit twee broeken vol goesting. Vertel mij, o muze, over hoe wij samen gulzig het leven inademden en als drie totaal krankzinnige malloten door de smalle steegjes van deze oude stad zwierven. Wij, onverzadigbaar hunkerend naar de klanken van jouw lied, de bevreemdende choreografieën van jouw dans en naar de kleuren waarmee je ons leven als een action paintdoek hebt ingekleurd. ‘Bezing mij, o’ muze,’ zongen wij jou vrolijk toe. Jij bezong en besprong. ‘Wat hebben we d’r aangedaan?’ schreit Zappa. Mijn beste maatje. Ne smoel voor stront op te sorteren, maar toch zie ik hem graag. In zijn hoofd is hij een groot kunstenaar. Ooit breek ik door, zegt hij aldoor. Hij is al eind dertig. Net als ik. Hij benijdt me. Dat weet ik. Pijnt zijn hart. Kwist zijn tijd. Hij veegt het snot van zijn mond. ‘We za..zagen haar allebei zó graag.’ Opnieuw een jammerend Zappa. ‘Ze zou van de ene naar de andere blijven kruipen. Steeds van jouw met verf bekladde matras naar mijn warme, zachte hemelbed, om dan terug met haar blote kont op het koele oppervlak van jouw keukentafel te belanden.’ Zeg ik. Ik moet het hem uitleggen. Hij ziet niet hoe dit ongeluk voorbestemd was. Wroeging snijdt brandend haar weg door mijn aderen. Gelaten dump ik dit prachtig hoopje mens in het water. Haar bestaan weldra gereduceerd tot een vage schim in onze herinnering. Zacht kabbelende golven trekken haar jeugdige, ongehavende lichaam langzaam dieper het water in. Haar gezicht is zo vertrouwd, maar anders dan de laatste keer dat ik haar kuste. Zappa ramt me het water in. Zijgt zelf neer in het gras. ‘Krijgt de kramp in uw kloten!’ roept hij mij toe. Die vreemde man. Huilend begint hij excuses te prevelen tegen Anne-Sophie, die weldra gedegradeerd is tot bodemsubstraat voor bacteriën en kikkervisjes. ‘Sorry, kreunt de minnares tegen haar man, vanonder haar naakte minnaar.’ Denk ik. ‘Het is een hol woord, ontdaan van alle betekenis, door nichterige excuustruzen zoals wij die het te pas en vooral te onpas gebruiken.’ Ik denk aan hoe je daar nu ligt, mijn lieve Anne-Sophie, op de bodem van dat meer. Het hoornvlies van jouw ogen is vertroebeld, en de eerste tekenen van rigor mortis dienen zich aan. Voorgoed verdwenen zijn het aanstekelijke geluid van jouw lach, de zachtheid van jouw kleine borsten en de vanillegeur van je witblonde haren.

FridaKahlypso
0 1

KAMPIOEN

Ontspan je voorhoofd, je wenkbrauwen, je neusbrug, je mond. Je tong neemt ruimte in in je mond. Je hoofd staat los op je lichaam.’ De ritmische opeenvolging van zinnen die de yogaleraar bij het begin van de les uitspreekt, vernauwen mijn bewustzijn. De cadans en het timbre van zijn zinderende stem zorgen voor een vorm van focus. Die van ‘het leven in het nu’. De mantra van het waarachtige. Ik surf er even op mee, doe of ik erin geloof. Ik ben tenslotte een ijverige leerling op mijn lichtblauwe matje. Een adept die zich stiekem meet met de andere yogi in de vrijdagavondklas. Let op, competitie en prestatie, die moet je aan de deur achter laten. In de halfduistere, groezelige gymzaal telt niet wie of wat je daarbuiten bent. Not dus. Het is me al van bij de eerste les duidelijk dat de drie jonge moeders die hun uitgezakte, vermoeide lijf betekenis komen geven, mekaar constant beloeren. Wie van ons krijgt er zijn billen in twee tellen galant in kaars naar omhoog? Geen van de drie zo blijkt. De drie gratiën zijn ook buiten de yogales vriendinnen. Voor de les begint, sluit ik steeds even bij hun groepje aan. Op die manier kan ik in hun wederzijds gekwetter opgaan en moet ik geen details kwijt over leven, kinderen, partner. Vragen beantwoord ik consequent met andere vragen of met een vluchtig ‘Prima, alles ok”. Zo parkeer ik meteen elke mogelijke bemoeienis. Yoga, zo heeft mijn huisarts gezegd zou me helpen om los te laten, om in het nu te leven. Ik laat niet los. Ik ga tot het uiterste. Na drie lessen ken ik de volgorde van de oefeningen. Thuis oefen ik ’s morgens, om 5 u zoals het hoort, met de ipad en een yoga-app naast me. Ik perfectioneer mijn ademhaling. Na 7 lessen klinkt het gechant uit mijn borst als de oerschreeuw van een Tibetaanse monnik. Met precisie en discipline ben ik kampioen loslaten. Ontspanning wanneer gevraagd, opspanning wanneer vereist. Vanavond lig ik vlak achter de vriendinnen, rechts en achter mij liggen nog een tiental slachtoffers van de sleur en de werkvloer. Ed ligt links van me. Ed, zeventig, ligt er al twaalf jaar op zijn grijze matje. Hij is het toonbeeld van een gezonde oudedag, geduldig en soepel zonder protesterende gewrichten. Met de yogaleraar heeft hij een speciale verstandhouding; bij het begin van de les geeft hij aan met welke pose hij het mogelijks moeilijk zal krijgen, waar er zich in zijn oude lijf op dat moment een lichte blokkade bevindt. Ed beheerst de les en geniet ronduit van de bewondering van zijn medeyogi. Ed heeft één onhebbelijkheid. Met de billen hoog laat hij ook zijn darmen meesurfen op de ontspanning. Weke winden ontsnappen aan zijn oude lijf. Ze drijven weg en versterken de misselijkmakende, oude voetzolengeur van de yogamatjes in de bedompte zaal. Ik ken intussen precies het moment waarop het vege lijf van Ed leeg loopt. Tussen de zonnegroet en de giraf, halverwege de Bahasana. Het vergt me elke les weer al mijn zelfcontrole en tolerantie om niet opzichtig te walgen, op te staan en fulminerend de les uit te lopen. De yogaleraar daarentegen accepteert gelukkig en gelaten dat ook organen mee in diepe ontspanning gaan. Nu lig ik gespannen het windenmoment af te wachten. Ik concentreer me, nog twee oefeningen. Tijdens de zonnegroet borrelen de darmen van Ed al van de voorpret. En voor het eerst in 10 lessen voel ik mijn controle verslappen. Woede en taaie walging schieten langs mijn keel omhoog. Ik krijg ze niet weggeslikt. ‘Ga dieper in je ontspanning’ beveelt de leraar. De spiegel breekt. Als een furieuze, Russische judoka stort ik me op Ed. Ik ga schrijlings op hem zitten en prang zijn slappe strottenhoofd tussen mijn opgespannen dijen. Ik pers en blijf persen tot er in de zweterige zaal een droge knak klinkt. En ippon, denk ik, helemaal losgelaten.

Hilde Devoghel
0 0

To be

Lieve landmeter, Slechts rakelings zijn onze levens langs elkaar gescheerd. En toch, niet omwille van de alliteratie hierboven, noem ik jou ‘lief’. Je was, na al die maanden in dit land, de eerste die mij vroeg of jouw roken in mijn buurt mij niet stoorde. Alleen al daarom. Veel weet ik niet over jou. Je afkomst en je beroep. Vanwaarbenje en watdoeje. Dat was genoeg voor mij. Het riep een wereld voor me op. Landmeter, uit Syrië. In het lauwwarme uur aan het eind van de dag legden onze schaduwen zich samen op de stenen zitjes van het Romeinse theater in het hart van Amman. De kleine vedetten van de avond lieten op zich wachten. Niets in in dit land begint op tijd. Jij en ik geraakten aan de praat. Of ik het niet erg vond dat het theaterstuk Arabisch gesproken zou zijn, wou je weten. Ik weet niet of ik jou heb kunnen uitleggen hoe ik daar hoegenaamd niet aan tilde. Dat het voor mij genoeg zou zijn om te zien en te horen. Shakespeare door een groep kinderen uit het grootste Syrische vluchtelingenkamp in Jordanië: Zaatari. Shakespeare en Zaatari in één zin, dat volstond. Van België wist je dat het er goed leven is. En je kende één stad: Brugge! (Van de film “In Bruges”.) A small town, zei je, almost a village. Tjaa. En je had gehoord dat in België homo’s homo’s mogen zijn. Ik stond bij die kennis van jou niet lang stil. Maar achteraf beschouwd, je witte T-shirt met een V-hals tot net boven je gitzwarte borsthaar, wie zal het zeggen en wat doet het er toe. In Damascus heb je nog familie wonen, vertelde je. Ze willen er niet weg. Het is er relatief rustig. Zou dat op den duur wennen, dat geroffel in de verte en mensen die daarvan sterven? Ik heb het jou niet gevraagd. In Saudi Arabia had je een goeie job. Maar tegenwoordig is de verblijfsvergunning voor een Syriër jou te duur. Dus leef je in Amman. Illegale ober (maar zo ga ik jou dus niet aanspreken). Je hebt vele vrienden hier. Allemaal Syriër. Verbeeldde ik het mij of ging er een rilling door de lauwe tribunes, toen over het orchestra daar beneden plots een kleine jongen zonder benen werd gerold? Een andere jongeman, ook in een rolstoel, tilde de jongen op tot ver boven zijn hoofd, tot dichtbij het heldendom. En schaterlachen dat die twee deden. Zoveel andere dingen om naar te kijken in dat Romeinse theater, maar volgens mij had iedereen net dat gezien. Kreeg jij, lieve landmeter, daar ook kippenvel van? En toen begon het. Een roedel zwarte kopkes stoof het theater binnen. Samengebracht door de echte tragedie en de tragedie van Hamlet. Glitterpailletjes, sluiers, speelgoedzwaarden, krullepruiken, koning en prinsessen. Ze speelden het woestijnstof van de stenen. Boven het theater werd de avond van terracotta. Tegen de moskeeën knipte het groene neonlicht aan. Hoog aan de hemel dansten twee vliegers muisstil. Toen begon de stad de zonsondergang in te zingen. In het theater stroomden alle grote mannen tussen de tribunes naar buiten en haastten zich naar het gebed. Maar niets bracht de jonge acteurs uit het lood. Niet alleen door een taalverschil had ik het eind van het stuk niet zien aankomen. Toen de nieuwbakken acteurtjes zich in lange rijen opstelden, en met hun kartonnen wapentjes fiks in de hand de steile trappen tussen het publiek omhoogklommen. Toen het plots zo luid en overtuigd uit hun borstkasjes klonk: “To be or not to be!”. Tot ver boven de vliegers ging het. “To be or not to be!”. Ik hoor het nog in mijn hoofd! Het was geen stofje in mijn oog wat mij parten speelde. Na het eindeloze applaus voor het stuk, en voor veel meer, gingen jij en ik elk weer naar ons eigen leven. Ik kwam thuis en sloeg stomweg de krant open. Een fotoreportage. Een meute zwarte kopkes in het rosse gras. Met zelfgemaakte speelgoedwapens in de weer. Het konden mijn steracteurtjes zijn. In de velden rond hun vluchtelingenkamp in Jordanië waren ze aan het oefenen voor Shakespeare’s tragedie. Dat dit in mijn Belgische krant kwam! Tot ik de titel boven de reportage las: Kindrebellen. En de tekst langs de foto’s. Deze kinderen waren niet in Zaatari. Ze waren nog op het Syrische platteland. Ze hielden generale repetitie voor een echte tragedie. Lieve landmeter uit Syrië, naar de tragedie in je land kijk ik evenzeer met ongeletterdheid. De plot begrijp ik niet en evenmin zie ik het einde aankomen. Maar tegen beter weten in hoop ik heel vurig dat jij binnenkort weer land mag meten ginds. Het ga je goed, hier en nu en ginds en later, Marjanne

Marjanne Sevenant
0 0

Systeempje

Veel is er niet nodig. Zes blokken, een oud botervlootje, een lege fles, drie ringen, een knoopje aan het truitje. Met korte zuchtjes en kleine handjes dropt ze blokken in potjes, duwt ze ringen tussen de spijlen van haar box, keilt ze de fles naar de dichtste verte, draait ze minutenlang aan het knoopje. Soms doen ook de voetjes mee. Om een potje vast te klampen dat onbedoeld de dieperik in dreigt te gaan. Zuchtjes. Soms wat geneurie. Een mini kortverhaaltje in een klankrijke taal. Er is niemand meer in de kamer. Al ben ik er nog, ik ben van geen tel. Alleen het kleine meisje met haar mini handelingen. Ik kijk en kijk. Of er een systeempje schuilgaat achter de eindeloze verrichtingen van de tien vingertjes. Want met zo’n serieux gebeurt het dat het wel niet anders kan. Misschien zit zij over mij met dezelfde vraag. Of het tokkelen van tien vingers op wat meer knopjes een vernuft systeem verbergt. Soms is er wat meer nodig. Een paar andere handen. Die wuiven naar haar vanop afstand. Ze wuift terug, met één handje. Het andere zit aan haar oor. Dat systeempje ken ik al: een beetje moe. Of een stem vanaf de overkant die zegt: doe maar, je kunt dat wel, je doet het goed. Ik ben er tóch nog. Maar vaak is er niet veel nodig. Zelfs haar tongetje hangt windstil uit haar mond terwijl ze met grote ogen de prompte gevolgen van haar daden observeert. Er hangt een aura van focus en bezieling rond haar box als zij daar is. En stond haar box in Peking, Tokyo of Dakar, het zou niet anders zijn. Zo kijken wij naar haar. En zien onszelf. Onze box staat in Washington. Er is wat materiaal voorhanden. Potten en pannen. Een tournevis. Twee wielen. Of vier. Een weg. Daarmee verrichten wij onze handelingen. We fietsen. Wandelen. We gaan werken. We koken of bestellen. We eten lekker. We verleggen onkruid en grenzen. We duwen doosjes in dozen. We kletsen. We forwarden en deleten. Gooien doosjes weg. We praten. Ontdekken weer nieuwe doosjes die er gisteren nog niet leken te zijn. We slaken grote zuchten. Schudden ons hoofd. Glimlachen. We nodigen uit. We wuiven uit. We onthalen. We smeden banden. Plannen. We ontdekken. We bakken brood. Soms pannenkoeken. We lezen. We kijken. We kijken uit. Maken schoon. We schrijven. Draaien potjes dicht. Zoeken dekseltjes. Niet noodzakelijk in deze volgorde, maar wel vaak in dezelfde volgorde. Of hoe je ook in den vreemde op den duur aan routine gaat doen. Aan systeempjes. We hebben ons gewoontes eigen gemaakt. Of zij ons. We volgen bekende routes. Gaan naar bekende plaatsen. Op dezelfde tijdstippen. Met dezelfde mensen die bekender worden. Ongemerkt is alles vertrouwder geworden. En waren wij in Peking, Tokyo of Dakar, zou het dan anders zijn? Dan is er een man. Temidden van gewoonte. Aan de rand van de luide weg. Wacht hij tot het verlichte mannetje aan de overkant op wandelen gaat staan? Hij wiegt met de heupen. Hij danst bijna. Richt zijn gezicht naar de hemel en lacht bijna. Grote ogen, zo open dat ik in zijn hoofd kan kijken. Hij zou hier wel willen blijven staan. - He’s good, zegt hij dan. Hij knikt naar de andere man die de ziel uit zijn lijf staat te spelen in de grijze metrohal. Tussen de doffe pendelaars is zijn saxofoon van puur goud. - O yè!, zeg ik. Wieg ik nu ook een beetje? - I’ve got all his CD’s. He’s too good for the street. Zijn hand duikt in de zak van zijn mantel. Het mannetje aan de overkant springt op wandelen. De man beent in de andere richting weg. Een dollar in de hoed. De muziek stopt niet. Wel de donderdagochtendroutine. Even. Met een halve danspas op het zebrapad. Veel is er dus niet nodig. Wel net genoeg. En af en toe een stem vanaf de overkant die zegt…

Marjanne Sevenant
0 0

Ik ben geen liefdadigheidsinstelling.

Ik wil grof zijn als het even mag. Gewoon grof zijn. Mijn hand uitsteken om een mindervalide man te helpen die de trap op wil maar niet kan. Mijn hand uitsteken en dan terug wegtrekken en de man zien vallen. En dan een: ‘Ik-herinner-mij-net-dat-ik-snel-weg-moet’   Ik wil gestoord zijn als het even mag. Begrijp je me?Iemand levend villen, z’n bloed opdrinken alsof het vruchtensap was. Elke druppel zuig ik uit het kronkelend, stervende lichaam van mijn slachtoffer. Dan snijd ik het in stukken en steek het terug in z’n vel. Of ogen doorprikken met rietjes. Ik zet u op een dieet van enkel droge beschuitjes en drop u in de Sahara. En net wanneer je dood gaat (dood wílt), red ik u en rijd ik u op m’n dooie gemak naar een ziekenhuis waar geen pijnstillers aanwezig zijn –ik ben uw redder!-.   Ik wil natuuronvriendelijk zijn als het even mag.White Spirit injecteren bij straatkatten, rattenvergif als zaad voor de vogeltjes –kom, vogeltje, kom!-. Recycleren, daar is het ook mee gedaan en sorteren hetzelfde verhaal. Ik gooi nog geen snoeppapiertje in de vuilbak –ik weiger- en begin ook al vast met sluikstorten. Ik wil vloeken als het even mag.                                                                                             3, 2, 1, START! GEZWOLLEN KUTBLAAR! STRONTVLIEG! DIKKE WINDHOND! BEDROGEN ALLEENSTAANDE! MISLUKTE CUPIDO! LEVENSVERZIEKER! KAKKERLAK! TENTSLET! HYPOCRIETE PARANOÏDE SCHYZOFREEN!     Ik wil anders zijn als het even mag.Niet meer de saaie, kalme, oppervlakkige mezelf. Laat mij even luidruchtig zijn. Laat mij even doen alsof ik wel besta voor andere mensen. Doen alsof er mensen om me geven en niet willen dat ik de foute kant opga.Even doen alsof het leven máár het leven is en er verder geen problemen zijn.   Ik wil wreed zijn als het even mag? Ik ben al lief genoeg geweest.

Jane
20 2

Mijn dood

Soms, héél af en toe denk ik er wel eens aan: hoe zal ik sterven? Gaat dat door een ziekte gebeuren? Een ongeluk of een heel natuurlijke dood? Ga ik pijn lijden of glij ik gewoon rustig naar de overkant? Ga ik bang zijn of juich ik mijn moment van vertrek in stilte toe? Ben ik alleen of word ik omring door de mensen die me liefhebben? Het klinkt luguber, maar eigenlijk zou ik graag willen weten wanneer mijn dag des oordeel eraan komt. Dood hoort bij leven, ik ben niet bang voor de dood.   Een warme zomernamiddag op het plein, een knal, een gil en dan is het stil. Mensen staan stil en kijken verbaasd in het rond zich hetzelfde afvragend als ik ‘wat gebeurt er hier?’ “Bel 112, bel de hulpdiensten, bel politie, bel een ambulance bellllllllllllllllllll’ Een verwarde in paniek zijnde mannenstem staat in het midden op de straat. Bloedspatten kraken de heldere witte kleur van zijn, met korte mouwen, kledingstuk. Zelfs op zijn armen hangt het rode vocht. Aan zijn andere hand houdt hij ‘iets zwarts’ vast. Wanneer enkele mensen dit opmerken slaan ze keihard alarm ‘een revolver, een revolver, hij heeft een revolver’ en wijzen naar zijn rechterhand. Het wapen bungelt langs zijn lichaam. Wat er dan gebeurt is een filmfragment, om hulp schreeuwende mensen die her en der rondrennen, enkele mensen verstoppen zich achter grote betonnen bloembakken, moeders trekken hun kinderen de galerijen in; doch niemand komt in de buurt van de man met het wapen. Enkele seconden later arriveren met loeiende sirenes politiewagens en ambulances. De straat wordt hermetisch afgezet, nergens voor nodig denk ik want de dader staat nog steeds roerloos op de zelfde plek met nog steeds het revolver in zijn hand langs zijn benen hangend. “Laat het wapen vallen, nu, laat vallen, nu” schreeuwen bewapende agenten op veilige afstand hem toe. Hij reageert niet, blijft roerloos staan met een waterige blik in zijn ogen die op oneindig staat. “Laat het wapen vallen, nu zeggen we, laat het vallen” De man draait zijn hoofd naar de agent en in geen seconde heeft hij het wapen tegen zijn hoofd gezet “Neeeeeeeeeeeeeeee, niet doen” een stem van een vrouw komt uit het niets, “niet schieten, ze leeft nog” maar dan is het te laat er valt een schot, deze keer in het hoofd van waarschijnlijk een dader van een moord. Een jonge vrouw zakt op straat in elkaar, schreeuwend dat ze nog leefde. Enkele agenten rennen naar de overleden man, twee vrouwelijke agenten helpen de huilende vrouw overeind, vier mannelijke agenten halen samen met de ambulancemedewerkers afscheidingshekken tevoorschijn die snel rondom het bloedende lichaam dat op straat ligt gezet worden.   Een man heeft waarschijnlijk een vrouw om het leven willen brengen, die poging is mislukt, hij schiet zichzelf overeind omdat hij denkt dat zijn slachtoffer dood is en een andere vrouw probeerde hem ervan tevergeefs te weerhouden en wij worden gevraagd door te lopen…    

Brown Pearl
0 1

Wellness

Een groepje luidruchtige dames van middelbare leeftijd maakt kennis met de saunacultuur in het thermen- en wellness centrum. Ze slaken gilletjes van verwondering en opwinding omdat het in de zweetcabines warm is en het water in het afkoel bad ijskoud aanvoelt. In die ambiance waag ik een poging om zen te worden. Het zwembad, dat er dampend bijligt op deze winterse dag, lijkt rust te kunnen bieden. De kin steunend op de handen hang ik aan de scherpe rand van het bassin naar de wit berijmde dennen te staren. Mensen lopen in en uit de Keno, de Himalaya Grötte en de Finse sauna. De nep grot met de zoutkristallen is het meest in trek. De ruwhouten deur zwaait onophoudend open en dicht alsof er zich het toilet van een druk bezochte discotheek achter bevindt. Of je in deze kunstmatig paradijselijke omgeving tot innerlijke rust kunt komen is weinig plausibel, mijmer ik. Veel tijd krijgt ik niet om daarover door te bomen want ergens schijnt er een appelsien, munt, perzik of limoen opgietsessie afgelopen te zijn. Op zoek naar verkoeling komen rood aangelopen gezichten vanachter de plastieken lamellen, die het binnen- van het buitengedeelte van het zwembad afscheiden, te voorschijn. Een trio dertigers doet zich opmerken. Luidruchtige kerels met bruine basten en kitscherige tattoos op armen en rug. Twee patsers zwemmen vlot naar de verste kant, de derde vordert traag. Zich aan de boord krampachtig vasthoudend, beweegt hij zich naar zijn kameraden. Hij kan niet zwemmen, stel ik vast. Als hij hen eindelijk vervoegt zijn ze al druk bezig, met andere ploeteraars als ongewilde toehoorders, elkaar te overtroeven met namen van skistations waar nu zeker nog geen sneeuw ligt. Hij mengt zich in het gesprek en blijkt ook twee plaatsnamen te kennen waar al evenmin sneeuw ligt. “Het is de opwarming van de aarde”, concludeert er één. Hij heeft thuis een “digibakske van Telenet”, en heeft het gezien en gehoord op National Geographic, “Zelfs de gletsjers zijn aan het smelten.” De deur van de Kelo blijft lang dicht hetgeen me doet vermoeden dat er niet veel volk binnen zit. Ik hijs me uit het water, droog me oppervlakkig af en stap de, met 300 jaar oude Scandinavische vurenhouten bomen opgetrokken, constructie binnen. Twee vrouwen liggen op de bovenste banken. Voor de rest is de grote ruimte rond het knetterende haardvuur uitnodigend leeg. Ik kies een hoekje uit dat ver verwijderd is van beide vriendinnen, draai de zandloper om en ga met één been opgetrokken op de rug liggen. Met gesloten ogen laat ik de behaaglijk droge hitte bezit van mijn lijf nemen. Het piepend geluid van de deur verstoort het zalig soezen. De drie lawaaierige musketiers doen hun intrede. Op de laagste bankenrij gaan ze zitten, zuchtend en blazend. Hij-die-niet-kan-zwemmen kijkt rusteloos rond zijn schichtige blikken afwisselend richtend op mij, de twee jonge schoonheden en zijn maatjes. Door mijn wimpers loerend veins ik te dutten, vrezend dat hij het onzalige idee zou kunnen hebben een gesprek te willen aanknopen. In het oranje licht van de vlammen, die wapperende figuren op het schuine houten plafond tekenen, wrijven zijn beide handen onophoudend over zijn bovenbenen, knieën en buik. Hij lijkt niet in harmonie met zichzelf en schijnt nauwelijks innerlijke rust in deze isotone atmosfeer, te zoeken. De beide gratiën houden het voor bekeken, ze knopen hun handdoek rond de verleidelijke heupen en verdwijnen door de donkere deuropening. Je zou denken dat hij daar heeft op zitten wachten. Over zijn schouder heen monstert hij mij, net alsof hij zich er van wil vergewissen of ik wel echt slaap. Ik blijf doen alsof. Door de spleetjes van mijn oogleden sla ik een merkwaardig tafereel gade. Het drietal wisselt, nu enkele decibels zachter, natuurkundige gegevens uit. “Warm hé, ik zweet nogal.” “Ik ook, komt door dat vuur.” “Ja, mannekes, zie dat eens hier.” Hij wijst met de kin naar zijn onderbuik, de twee spitsbroeders volgen zijn blik, hoofdschuddend grimlachend. Zijn rechterarm maakt ritmische op- en neergaande bewegingen. Verdraaid, die vetzak zit zich hier af te trekken, daagt het mij. Om de zoveel rukbewegingen onderbreekt hij de activiteiten en bouwt hij een rustpauze in. De handen zijdelings achter de rug op de bank geplaatst leunt hij puffend en briesend achterover. De cyclus herhaalt zich enkele malen. Ik heb er genoeg van. Met gewild opvallend misbaar kom ik recht uit mijn horizontale positie, pak de haarklem die aan de bandhanddoek geklemd zit, steek mijn vochtige rode haren op en verlaat haastig, met grote schreden de sauna. Tien minuten later, rustend in een relaxzetel, hoor ik hen langskomen, richting Brasserie. “Een Leffe, dat zal deugd doen“, kan ik opvangen.   “48.000 Euro, dat is wat John Cleese vraagt voor een lezing plus acte de présence van 2 uur op een managers event. En hij wordt druk gesolliciteerd.” Twee high level leidinggevenden kennen de prijzen en openbaren ze, of die dat willen of niet, aan de andere bezoekers van het Turks stoombad. In een bizarre mengeling van Engels en pseudo Nederlands begeven ze zich in de betegelde ruimte op het modieuze pad van brainstorming en experience sharing. “Waar ik nu mee bezig ben is het zoeken naar een goede invalshoek. ” “Hoe ben je op dat idee gekomen?“ “Op een avond, ik was op een beurs, heb ik deelgenomen aan een work-shop over self-coaching en time management. In wat die Tine Walravens daar zegde over ayuverda heb ik direct onontgonnen opportunity’s gezien. Zeker als je dat specifiek uitwerkt voor hr afdelingen, die zijn gevoelig voor alles wat met absenteïsme te maken heeft.” “Ja, dat speelt mee voor hun bonus, vertel me wat. Maar dan kunt ge niet short term gaan denken vermoed ik. Zijt ge nog in de pre study phase of doe je al aan commercial development?“ “Als ik de topic aan een goede case kan linken begint de machine volop te draaien.” “Weet je dat ik jaloers op jou ben? Ik vind het razend interessant met wat je daar bezig bent. Ik Heb al spijt dat ik mijn sabbatical year niet voor zoiets gebruikt heb.” “In het begin heb je natuurlijk een try out nodig, zien of het werkt.” “Snap ik, maar dat zit je al direct in een scenario van “no cure no pay” en dan moet ge wel een risk-factor gaan incalculeren.“ “Je moet een financiële basis hebben, maar overschat dat niet, de investeringen zijn klein. Als ik een bedrijfje op naam van mijn vrouw zet kan ze fiscale voordelen krijgen en mij op de payroll zetten.” “Je kan je als kleine ondernemer flexibel opstellen en werken op a.w. basis, dat is een service die de groten niet kunnen bieden.” “a-w?“ “As wish, ken je dat niet?” “Oppassen daarmee, het wordt al snel bekeken als een “nice to have” hebbedingetje en zoiets geven ze wel eens in handen van een uitgerangeerde die veel tijd heeft maar niets kan beslissen.“ “Ik weet het, dat sneuvelt uiteindelijk bij de senior business controller. Niet bij de bc op een lager niveau, daar kan je al eens met gaan eten, maar op een hoger level pakt dat niet meer.“ “Neen, daar lukt dat niet, die zijn te veel met hun bonus bezig.” “Ben je nu al zelfstandig bezig? “ “Neen, ik sta nog op de payroll, mijn opzeg zogezegd.“ “Bij ons is business development bezig met een studie om te bekijken of er op de markt behoefte is aan een synergie tussen technieken voor transport en networking.” “Dat kan natuurlijk altijd maar ik denk dat het een kleine niche is, als die er al is.“ “Maar daar moet je het nu juist van hebben. Het is dikwijls zo dat die behoefte er wel is maar dat de consumer er nog geen weet van heeft. In feite moet je de markt boetseren naar je product, eens dat uw challenge is wordt het boeiend.” “Dan kom je op het terrein van sales, not my cup of thea, je moet het idee, het concept en uiteindelijk ook het product verkopen.” “Je zegt dat nu wel maar at the end moeten we onszelf toch ook altijd verkopen, Je employability moet van je uitstralen of je valt uit de boot.” “Daar heb je een punt, dikwijls komt het daar op neer, de perceptie die ze van je hebben geeft de doorslag.” “Het is psychologie en daar zitten ze bij ons slecht. Te veel oude universitairen. Daar kan je niet veel mee doen, zeker niet bij de commercials en in feite nergens.” “Ze hebben wel ervaring.” “Dat telt niet, het is eerder een weakness die als een rem op nieuwe ontwikkelingen werkt dan een uitdaging voor vernieuwing.” “Kan je volgen hoor, maar neem nu de Guy Vernoppen bij mijn bedrijf, die is toch al 49 en hij kan nog echt mee.” “Maar die heeft geen pedagogisch inzicht en voor onze doelgroep heb je dat juist nodig. Die mannen zitten vast in hun voorbijgestreefde cursussen. Ik ben sociaalvoelend en zeker geen liberaal van de harde lijn, maar bij downsizing moet er te veel rekening gehouden worden met de unions.” ”Zeg, heb je dat boek “self coaching” van Dimitri Pieters?” “Ja, Dimitri Pieters is voor het moment hot en sexy. Absoluut incontournable als je mee wilt zijn. Ik heb vorige week nog een artikel over hem gelezen in BusinessWeek.” ,,Als je het kunt missen zou ik het willen lezen.” “Dan voor een week of zo, want voor mij is dat een werkdocument.” “Dat is ok. Ik heb al twee boeken gekocht voor de vakantie, ik weet nu al dat ik er één op het vliegtuig zal uitgelezen hebben. Normaal is mijn ritme één boek per week.” “Dat haal ik niet, maar bij mij is het dan ook meer in de diepte lezen dat ik doe.” “Ik kan er wel niet meer zoveel kopen via de job, tenzij het boeken zijn die ik direct the day after kan gebruiken voor een practical use, een seminarie bijvoorbeeld. Anders wordt het te moeilijk om die aankopen te verantwoorden op de expense account.” “Jan Meyers is nog zo een kei, in network coaching dan. Een referentie dezer dagen, je met zo iemand associëren opent veel deuren.” “Networking is uiteindelijk mijn ding niet.” “Het is een openliggende markt, je kan me geloven. Ik zie dat in de bedrijven en op events, veel managers zijn overgekomen vanuit een kleinere field-unit en hebben de backgound en de ability niet om hun contacten tot een win win situatie uit te bouwen.” “Van het Peter principe vind je overal voorbeelden.” “Coaching, dat is de key, ze worden niet goed gecoacht en bij elke re-engineering duikt dat op als een negatieve factor.“ “Er zijn er genoeg die “het” niet hebben, bij screenings komt dat naar boven.” “Onderschat ambitie ook niet, veel mensen hebben te veel schroom. De ingesteldheid waarmee je aan networking doet moet zijn: Hoe kom ik met drie kruiwagens en niet met één kruiwagen contacten naar huis. “ “En dat bereik je niet met een meet and greet. Als je de lat niet hoog legt kom je er niet.” “Mij met enkele rake key-words duidelijk profileren bij de end-user is mijn belangrijkste target.” “Heb je daar een deadline opgeplakt?” “Voor ik op vakantie vertrek moet dat duidelijk zijn, ik wil met een gerust gemoed kunnen herbronnen en de batterijen opladen.” De rest van de verhelderende conversatie gaat verloren in het gekletter van de koude douchestralen tegen de betegelde vloer.   Een half uur later lig ik op de massagetafel, een luxe die ik me regelmatig veroorloof. De knedende en strelende handen wisselen fluwelen zachtheid af met gedoseerde stevigheid. Ik geef me over en geniet.   In de kleedkamer doe ik een poging om mijn haren te fatsoeneren. Het lukt niet echt. “Het viel me al op in het restaurant, hoe kom jij aan zo’n mooie, stevig gespierde benen?” De vraag wordt gesteld door de glimlachende vrouw in de lichtblauwe badjas die uit de cabine met het zonnekanon komt. Onzekerheid, gêne, gevoel van ontmaskering, betrapping. Ik voel hoe ik begin te blozen. “Goh, dat is omdat ik vroeger een man geweest ben, het zijn mannenbenen”. Meer is er niet nodig om de schenkster van het compliment op haar beurt met een ongemakkelijk gevoel op te zadelen. “Oei, sorry, dat wist ik niet, excuseer.” Ik stamel een flauw “Het is niets hoor, toch lief van jou.” en maak me, bijna vluchtend, uit de voeten. Mijn haarspeld vergeet ik op het tafeltje aan de spiegel.

Nancy Del Fuego-Costales
11 0

Knooppuntroute

We hadden ruzie, niet eens zo erg, over iets onbenulligs, een plank die kraakt en waar ik niet op mag stappen, want dan wordt de onderbuurvrouw wakker, of misschien iets nog onbenulliger. Niet erg dus, maar toch erg genoeg om het over ernstige dingen als vertrouwen te hebben. En erg genoeg om me af te vragen en zelfs hardop te vragen of we niet beter uit elkaar zouden gaan.   Daarna kookte jij eitjes en aten we een ontbijt van toast met eieren alsof de dingen die we gezegd hadden niet van belang waren.   We zouden met de fiets naar het kunstenfestival gaan. Ik had er wel zin in, en ook weer niet want ik was nog boos en ik was bang om bij al dat moois ontmoedigd te geraken. We zouden met de fiets gaan, hoewel het best een eind was en de ochtend al een stuk opgeschoten was door die ruzie en dat ontbijt, en ik nog een doos pralines moest gaan kopen voor de verjaardag van mijn moeder.   Na een kilometer had jij al dorst en toen ontdekten we dat we het flesje met kraantjeswater waren vergeten. Tenminste, jij vond dat ik het vergeten was, terwijl ik dacht dat jij het op het aanrecht had laten staan. Want jij had het gevuld.   Voor we verder reden betastte jij de achterband van je minifiets en stelde ik de overbodige vraag of we een fietspomp bijhadden. We reden nog een eindje verder en zagen een man en een vrouw die de fietsostrade zochten. Zij hadden een fietspomp bij.   Na het pompen leek de band nog platter te worden en we keerden terug. Ik dacht dat we naar huis zouden gaan en in bed zouden gaan liggen, maar jij vond een fietswinkel die open is op zaterdag en voor twee euro werd je band opnieuw opgepompt. Of er een scheurtje in de band was, kon de man niet zomaar zeggen. Je zou het wel merken zei hij.   En dus reden we nog niet naar huis, maar namen we een kortere weg naar het punt waar we rechtsomkeert hadden gemaakt. Ik reed achter jou om je achterwiel in het oog te houden. Soms reden we naast elkaar en bespraken we scenario’s waarin de band het begaf en we op een plek zouden zijn waar geen openbaar vervoer was.   De knooppuntroute die jij uitgestippeld had, bracht ons langs holle wegen, bospaadjes en smalle straatjes met veel lelijke en een paar mooie huizen, weiden met paarden en tuinen met caravans en plastic stoelen. Ik keek vooral naar je achterband.   Het flesje water dat we bij een benzinestation hadden gekocht was bijna leeg en we kregen honger. Ik dacht niet dat we bij het kunstenfestival zouden geraken als we niet eerst wat zouden eten. We verlegden ons doel en keken nu uit naar een café of een eethuisje waar we iets kleins maar voedzaams te eten zouden vinden.   In Boom vonden we een café met een prachtig terras aan het water. We gingen binnen zitten want we waren al een paar uur buiten geweest en het deed goed om even geen wind te voelen. We waren te hongerig om kieskeurig te zijn en aten dingen die we anders nooit in een café eten omdat we ze thuis zelf veel beter kunnen maken: jij pannenkoeken en ik croque monsieur. Ik bedacht dat ik je zelfs nog nooit ergens anders dan thuis pannenkoeken had zien eten. Het was alsof je weer een beetje nieuw voor me was.   Door het eten kwam er weer kracht in mijn armen en benen, en bemoedigd spreidde ik de kaart op de tafel. Het kunstenfestival was nog erg ver. We zouden er aankomen als alle gedichten al voorgelezen waren en de mensen hun spullen en kinderen al aan het verzamelen waren om naar huis te gaan.   Je stelde voor om naar huis te rijden over een andere knooppuntroute. Ik voelde spijt en opluchting en eerst meer spijt dan opluchting, maar daarna een soort kinderlijke blijheid dat we terug zouden keren.   We liepen naar onze fietsen en ik liep achter jou. Ik zag je naar het stuur van je blauwe minifiets grijpen en mijn blijheid werd plots groot en wijd en onbegrijpelijk intens en na een paar seconden kwam het gevoel mij bekend voor. Ik nam je gezicht in mijn handen en ik kuste je mond en ik zei dat ik helemaal niet van je weg wilde, dat jij mijn allerliefste bent.   We reden weer naar huis, langs het glinsterende water, langs bomenrijen en een veld waar kraaien opvlogen die in hun vlucht kleine spartelende vogels meenamen. Ik reed achter jou en de hele rit bleef ik me verbazen over wat mijn hart met me doet als ik naar jou kijk.  

Christine Van den Hove
16 1

Ledematenweegschaal

Tussen de wakke blaren plantte een trieste voet zich neer. De kuit rillend van inspanning. Een vochtige voet, hunkerend naar een handdoek en droge sokken.   In zijn armen de stukken van een zoon. Een zoon die hij nooit goed had gekend.   Als mensen beginnen schreeuwen en jij weet niet waarom.   Een tweede voet plantte zich neer, en twee knieën, geknikt door teveel aan volharding.   Doorheen de dikke flarden mist kon hij nauwelijks zien wat er in zijn handen lag.   Dat besef sijpelde koud door zijn ledematen.   Dagenlang al in deze bossen die hij dacht te kennen maar toch in verdwaalde.   Met zijn zoon in zijn handen, en zijn handen in zijn haar.   Afleiding is belangrijk, en de eerste dag had hij daar geen gebrek aan gehad. Zijn zoon had hem beschuldigd, met ogen vol angst, droog van paranoia, dat ze verdwaald waren door zijn schuld.   De jongen wist niet beter, hield de man zich toen voor. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje. En hij is zo snel moe.   Hij moet gedragen worden.   Paranoïde, droge ogen, het enige droge in deze vochtige vallei, hadden voor zijn afleiding gezorgd, en daar was hij nu dankbaar om, want afleiding is hetgeen een kostbaar goed zou worden.   Hij was meer dan een vader, hij was een man met trots in zijn leven, die macht had over anderen.    Hij beet op zijn kaken. Niet alleen omdat hij honger had, maar ook om die verdomde mist uit zijn mond te houden. Het gat van de tand die zijn zoon de eerste dag had uitgemept pikte als hij zijn mond opendeed.   Het is oorlog en we moeten vluchten of iedereen gaat eraan.   ‘Zie je wel,’ zou zijn wijlen moeder gezegd hebben moest ze niet jaren eerder in haar bed zijn gestorven. Met haar hoofd vol angst na een leven lang oorlog vrezen in vrede.   Maar nu was het zover. De aap in hem vluchtte terug naar waar ooit menselijkheid onstond miljoenen jaren geleden: de bossen. Maar dan in het verkeerde continent.   Zijn zoon woog terug even zwaar als toen hij drie jaar was. Zijn zoontje.   Hij kon niets zien in de witte massa voor hem, net als op skivakantie, en ook nu, kon hij elk ogenblik geen grond meer onder zijn voeten voelen. Geen zicht, geen smaak, enkel het ruisen van zijn adem door de mist, en het gevoel van zijn zoontje in zijn armen. Meer had hij nooit gewenst.    Zijn zoon was zwaar en oud geworden.   Zijn vrouw was zwaar en oud geworden.   Hij daarentegen, voelde zich hetzelfde, maar dan tussen oude mensen.   Zwaar, oud, en dood.   In de middeleeuwen zou hij gehandicapten en criminelen zijn tegengekomen in dit bos, maar nu enkel gestalten van geschaduwde bomen. Daar legde hij zijn zoon neer, die ooit zoveel kansen had gehad, maar nu een mens in stukken was.   Prachtig hoofd dat ooit naar hem had opgekeken, maar hem de laatste jaren had beledigd.   'Een tijdbom. Die jongen gaat nog eens ontploffen.'   Het hoofd moest vergaan maar het hart zou hij houden. Om hem te vergezellen door zijn tocht in de mist. Door het bos van de mensheid, op zoek naar resten goedheid.                      

Han Hartmoed
0 0

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0
Tip

Hotel Prestige

“Knoopt uw jasje schoon dicht”, sist zij kordaat. Haar mooie, diepe, donkere ogen staan scherp. Er valt met haar niet te sollen, zoveel is duidelijk. Haar lange haren golven op en neer terwijl ze stevig en vastberaden weg beent. Hij heeft zichtbaar moeite om haar bij te houden. Hij opent zijn mond even, maar lijkt zich dan te vermannen en doet dan, met enige tegenzin in zijn blik, gedwee wat ze zegt. Ze is niet makkelijk om mee samen te werken, weet hij, maar om één of andere reden krijgt ze toch altijd maar alles klaar gespeeld. En hij? Hoewel hij de hoofdrol speelt in dit verhaal, weten ze allebei dat hij het in zijn eentje nooit zou klaarspelen. Hij houdt even halt, haalt diep adem, en zet het dan op een lopen om haar in te halen. Oké. Showtime. Nog een laatste keer. En dan is het allemaal voorbij. Ze naderen de grote, zwarte, smeedijzeren deur. Alsof ze elkaar nooit gekend hebben, gaat zij links, en duwt hij de zware deur half open. Hij kucht geluidloos, recht zijn schouders en loopt daarna met een gladde zelfverzekerdheid het kleine trapje op, tot in de grote lobby. Het smakeloze zalmroze tapis-plain dat de hele ruimte bedekt, komt duizelingwekkend snel op hem af. Zelfs in de jaren zeventig kan dit niet mooi geweest zijn. Hij laat bij het voorbijlopen heel even voorzichtig, bijna lieflijk, zijn linkerhand rusten op de roze leren sofa in het midden van de lobby. Dat mensen hier vrijwillig blijven overnachten, en er dan nog een fortuin voor neertellen, daar kan hij met de beste wil van de wereld niet bij. Uit de muziekinstallatie kraakt ‘Private Dancer’ van Tina Turner, nog zo’n afgebleekt icoon uit vervlogen dagen. “Oké”, zegt hij tegen zichzelf. “Oké”. Met een Hollands accent. “Owkej”. Kom op man, draai die knop om, en ga ervoor. Niks te verliezen. Gewoon gaan. Haal die charmante lach nog eens boven, schud nog eens met die prachtige donkere haren. Laat je perfect gevormde haarlijn maar eens zien aan de smakeloze vrouwen in dit smakeloze etablissement. Binnen tien jaar is het te laat, dan zal je langzaamaan grijs geworden zijn, en zal blijken dat dat knappe gezichtje van je lang niet meer zo gaaf is als vroeger wel leek. Zorg vandaag maar voor dat appeltje voor de dorst. Hij merkt dat hij te lang heeft stilgestaan wanneer er langs achter zachtjes iemand tegen hem aan botst. “Excuseer,” zegt een vrouwenstem dicht bij zijn linkeroor. Te dicht. Er loopt instinctief een koude rilling over zijn nek bij het horen van de lage vrouwenstem. Bingo. Zou hij nu al beet hebben? Geluidloos haalt hij adem, knippert een fractie van een seconde met zijn ogen, en draait zich dan om. Nog steeds geluidloos, en traag. Ze is mooi. Erg mooi. Haar ogen staan levendig, haar wangen energiek rood. Dit is ongetwijfeld de dochter van graaf de Craene, zijn target voor dit weekend. Wat een toeval. Maar god, wat is ze mooi. Waarom is zij in godsnaam hier? Wat doet zij tussen deze onverdraaglijke elitaire oude zakken? Ze misstaat hier als een panter in een varkensstal. Ze glimlacht spontaan en vriendelijk, wat haar nog mooier maakt. Het duizelt hem even. Tina Turner reutelt ondertussen zeer overtuigend haar finale, maar de muziek stoort hem ondertussen niet meer. Hop. Hij is volledig in zijn focus. Eindelijk. “Mijn excuses”, lacht hij charmant. Zijn perfecte tanden steken fel af tegen het zalmroze interieur. “Ik weet dat ik in de weg stond, ik geloof dat ik even in gedachten verzonken was.” Hij zegt het opzettelijk geheimzinnig, iets zachter dan hij anders zou praten. Vrouwen houden van mannen die in gedachten verzonken zijn. Altijd. En aan de blik van dit exemplaar te zien, heeft hij prijs. Het mysterie van de man. Een succesformule.  “In gedachten verzonken? Ben je dan niet aan het werk?” vraagt ze terwijl ze terloops even op de twee grote koffers die naast haar staan wijst. Even is hij van zijn stuk gebracht. Hij heeft al veel meegemaakt in deze kringen, maar nooit eerder werd hij als loopjongen van het hotel aanzien. Hij knippert even verbaasd met zijn ogen. Is het zo duidelijk van hem af te lezen dat hij hier eigenlijk niet thuishoort? Voelt ze dat hij geen van hen is? Heel even dreigt zijn masker te vallen, maar hij herstelt zich razendsnel. “ Ik? Ik kom voor het congres van morgen. Maar zal ik even iemand roepen voor je koffers?” ze lacht even ongemakkelijk, en tuit haar lippen. Een zucht peperdure parfum overvalt hem. Dit, denkt hij, is de geur van geld. Dit moet hij hebben. Hij mag haar niet meer uit het oog verliezen. Subtiel toenadering zoeken, haar verleiden met zijn geoefende mysterieuze blik en zijn gedistingeerde houding. Het vertrouwen winnen, haar kop een klein beetje zot maken, en dan keihard toeslaan. Binnen vierentwintig uur is hij zo rijk als de zee diep is. Dan kunnen Saskia en hij stoppen met dit dwaze vertoon. Een jacht kopen en eindeloos ronddobberen op de Stille Oceaan. “Focus! Hou je hoofd er bij!” sist Saskia opnieuw, dit keer door het oortje dat hij in zijn rechteroor heeft. Ze heeft gelijk. Hij moet bij de zaak blijven. Op het gezicht van de steenrijke dochter valt intussen af te lezen dat ze hem zonet een vraag stelde, maar hij heeft geen flauw idee wat. “Zullen we even buiten gaan zitten?” vraagt hij zo nonchalant mogelijk, “Ik krijg het hier zo benauwd van dat kunstmatige licht.” Om zijn rol af te maken, diept hij uit zijn linker broekzak een maagdelijk witte, gesteven zakdoek. Hij zucht te luid en te diep en dept zijn voorhoofd. Bingo. Op het voorhoofd van de mooie blondine verschijnt een diepe rimpel, instinctief neemt ze hem vast bij de ellenboog. “Gaat het wel? Je ziet er inderdaad een beetje bleekjes uit.” Hij knikt met dichtgeknepen ogen, terwijl de vrouw hem naar de patio loodst. Ook hier is de inrichting zo smakeloos dat hij er bijna echt onwel van wordt. Nog even doorzetten. Kom op, jongen, je kan dit. Nog één keer.  Denk aan dat jacht. Denk aan bodemloos rijk zijn. Denk aan die joekel van een verlovingsring om Saskia’s ringvinger. En aan haar verbaasde gezicht.  Hij ploft gespeeld vermoeid neer op één van de houten tuinstoelen die op het zalmkleurige terras staan. Ja. Nu komt het. Nu zal ze voorstellen om een glaasje water te gaan halen. Het moment om ervandoor te gaan met het tasje dat ze zal laten liggen. Één minuut heeft hij nodig. Één minuut, en hij is rijk. “Zal ik even een glaasje water voor je gaan halen?” Er klinkt een zekere ongerustheid door in haar stem. “Nee hoor, hoeft niet, het gaat zo weer beter.”, wuift hij haar voorstel weg, goed wetende dat ze toch naar de bar zal gaan om een glas water. En jawel, ze staat op, de diepe rimpel is er nog steeds. “Ik ben zo terug,” zegt ze, “water doet altijd wonderen.” Showtime. Hij kijkt hoe ze inderdaad haar tasje naast hem laat liggen, volgt haar met zijn ogen terwijl ze langzaam weg stapt, en maakt aanstalten om het tasje te nemen en weg te lopen. Maar dan ziet hij vanuit zijn ooghoek hoe een in het zwart gehuld figuur hem strak aankijkt. Fuck. Ze heeft verdomme haar eigen bewakingsagent bij. Dat maakt de zaken moeilijker, maar niet onmogelijk. Nadenken, jongen. “Saskia!” fluistert hij tegen het revers van zijn kostuumjasje. “Problemen. Ik heb de water-truuk boven gehaald, maar haar bodyguard staat mij hier aan te gapen. Heb jij haar in je vizier? Kan je voor afleiding zorgen?” Een seconde stilte. Even vreest hij dat graaf de Craene hun spelletje doorheeft en dat Saskia nu omringd is door een legertje ongure mannen, maar dan klinkt er heel droog “Check. Doe het nu.” in zijn oortje. Saskia. Redder in nood, altijd weer. Wat een wijf.    Zonder om zich heen te kijken of te aarzelen grist hij het tasje vast en zet hij het op een lopen, in de richting van de struiken rondom de patio. Uit het kletterende glas dat hij binnen hoort, maakt hij op dat Saskia inderdaad voor afleiding zorgt, en dat hij nog zeker een dikke minuut heeft vooraleer de diefstal opgemerkt zal worden. Zijn hart bonkt in zijn keel, de adrenaline bruist in zijn hoofd. Alles suist. Vooruit. Recht vooruit. Hij voelt ondertussen de ogen van de bodyguard in zijn rug priemen, maar hij maakt zich geen zorgen. Als hij rent voor zijn leven, komt alles goed. Hij is sneller dan die lome krachtpatser. Sneller en slimmer. Hoor die kerel maar eens stampen. En lopen maar. Daar, door dat gat in de haag, recht de wildernis der struiken in. Nog even en hij is veilig. Nog één minuut pompen en hij hoeft zich nooit meer zorgen te maken. De mouw van zijn jasje scheurt aan een tak waarachter hij blijft haken, maar hij blijft lopen. Zijn duurste aankoop ooit. Hugo Boss. Pure zijde. Getailleerd. Een echte investering, hij mocht immers niet opvallen. Met dit pak en zijn perfecte smile won hij altijd instant geloofwaardigheid bij de rijke vrouwen die hij bestal. Hij zal het toch niet meer nodig hebben, na deze catch. Het had zijn beste tijd toch al gehad.  Wanneer hij zeker is dat hij niet meer gevolgd wordt door de zwartgeklede kleerkast, zet hij zich hijgend op zijn knieën. Hij heeft de longen uit zijn lijf gelopen. Zijn vingers trillen van opwinding wanneer hij de portefeuille van dochter de Craene uit haar tasje haalt. Baar geld, een handvol platina creditcards en een stapel staatsbonnen, volgens Saskia’s research. Goed voor een paar miljard euro. Tergend traag opent hij de ritssluiting van de peperdure portefeuille. Zijn oren suizen. En dan…  Één kleine post-it. Verder is de portefeuille leeg. Een belachelijk klein papiertje met een smiley, begeleid door één zinnetje. “Kijk in je achterzak.” Hij krijgt het ijzig koud. Plots voelt hij het. Zijn hart begeeft het bijna. Leeg.  

Annelies Leysen
5 1