Zoeken

Tip

Kees

Kees was jarig maar vond het zoals elk jaar een vreselijke opgave om in de woonkamer te gaan zitten met zijn familie. Hij had elk jaar gezegd dat ze niet zo'n roteind uit Almere hoefden te komen, maar zijn familie kwam elk jaar stipt, en dan ook altijd net iets te vroeg. De vrouw van Kees werd dan altijd een beetje gestresst van al het eten dat nog niet op tafel stond en de taart die nog moest worden opgehaald bij de Hema. Snel veegde ze de boel nog aan kant en probeerde ze nog wat van het eten te maken, maar de bel ging altijd eerder dan ze had verwacht. Lachend deed ze met haar ene hand de deur open en veegde ze met haar andere hand de troep van de hapjes af aan haar schort. Ze gaf elk familielid drie kussen en vroeg aan iedereen apart hoe het ging en of ze het nog konden vinden. Ze kreeg op elke vraag een “ja”, maar eigenlijk wist ze nooit of het dan goed met ze ging, of dat ze het nog konden vinden. De familie rook naar VanderBilt parfum. Een parfum waar Kees al vanaf kleins af aan een verschrikkelijke afkeer tegen had. Het deed hem denken aan verplichtingen en aan gesprekken die op niets uitliepen, maar dan penetrant en heel erg aanwezig. Zo'n geur wil je niet om je heen hebben, maar sommige mensen doen het toch. Vanaf de overloop boven keek Kees door het traphekje naar de familie die de jassen ophing aan de kapstok beneden. Ze vroegen allemaal waar hij was en sommige familieleden vonden dat wanneer er geen plek meer was op de kapstok, ze hun jas op de trap neer konden leggen. Vanuit de woonkamer hoorde Kees een woordenbrij waar geen enkel zinnig woord in werd gezegd en het ergste vond hij nog dat dat allemaal voor hem was gekomen. Het liefste zou hij zijn verjaardag niet vieren, of zou hij liever een eindje zijn gaan wandelen met de hond. Maar als hij dat tegen zijn familie zou zeggen, wist hij dat er nog heftiger op gereageerd zou worden en dan zouden ze suprise-party's organiseren en een tent in de tuin zetten. Zijn familie vond dat niemand zijn verjaardag voorbij mocht laten gaan en elk moment zou moeten aangrijpen om het leven te vieren en over niets te praten. Daarom deelde Kees zijn meningen over verjaardagen maar niet met anderen, en wachtte hij tot hij door zijn vrouw geroepen werd. Bij de eerste drie keer roepen deed Kees alsof hij nog druk in de weer was met allerhande belangrijke zaken. Hij wist dat de vierde keer roepen minstens twintig minuten langer zou duren en als er nog een vijfde keer kwam, dat de tijd daartussen nog langer zou duren. Als zijn vrouw naar boven kwam, deed Kees alsof hij er snel aankwam, en hij nog snel even zijn mooie kleren aan moest trekken. Ondertussen werd het gelach en geschel beneden steeds harder en hoorde Kees zijn naam tussen de muren van zijn huis klinken. Het feestgedruis werd onrustig. Inmiddels had zijn vrouw vier keer geroepen en stond Kees voor de spiegel. Hij keek zichzelf aan en zuchtte eens diep. “Gelukkige verjaardag Kees, de rest van het jaar is weer voor jou alleen,” had hij gezegd, en hij strompelde naar beneden.    

Julia Dobber
17 0

Wij de yeti U de mormels

  De reebok in het sprookje droeg geen schoentjes en de kleine appelaar, die wel eens grote rode vruchten draagt, heb ik stiekem toch de kruin gesnoeid. Het takkenstelsel is nu tekenbaar. Morgen pingpong in de kille avondhal, tegen de Chinees met linker wonderhand. Gelukkig speelt ie rechts, zijn moederkoekjes in de maak, een kooitje voor een beer met dronken tred, Russisch, ook de zelfgekleefde mig dient nog geschilderd en de tube heeft een ongesloten nacht doorstaan.   Ik kijk, het leven van de sneeuwman lijkt gered, de aanslag door de zuidenwind verijdeld door een koude dag. Gebeden heb ik, voor een yeti maar het is me niet gelukt. Des jongens fantasie nog even onderdrukt, door lome wolkjes, streepje heb ik op de muur getrokken, hopend dat een beter etmaal zich herhaalt.   Straks dan gaat het, naar het kleine stuwmeer, spaart zijn krachten voor wat knapen, messen onder voeten, stokken en een houten puk. Pietje heeft geen post, de wensen, kaartjes liggen in een weggereden trein, niemand die het weet, niemand die het wist, waarheen het moest. Sporen leiden door de witte poeder, ligt in lijntjes, naar het ongebarsten ijs. De sijsjes pikken zaad en koontjes uit de opgehangen bol.   Het scoort, het hakt erin, een meisje proeft wat, aan de zijkant van de stoere tijden, walm van warme adem en gelach. Ik wil die lauwe handen voelen, onder witte krassen kleuren vinden van de ongestorven vissen, hier bij ons en nooit meer wederkeren naar die mormels met hun pijnlijke evidentie, grijze cellen, dubbele tong en dertien vingers.    

Bernd Vanderbilt
0 0

Koken met Thomas

  Driften, drank, een pretpark, death ride, ergens liggen schedels opgestapeld, vredig pintelieren, dronken bowlen met die dingen mocht er niet. Als het rijstwater me weer tot aan de lippen staat, een wereldreisje dan, als ik nog vliegen kan, het ruim bederven durf met mijn verkorven silhouet. De knoken zijn humaan.   Scheer. Boven de ongesnoeide treurwilg wordt de rust verprutst. Straks een mango of malaria misschien, papaya voor de fruitsla maandagavond laatste maaltijd hier met  malle vorsten, kronkels denken, hoe het zal verlopen. Manon komt ook. Nog ietwat hoger afgeknipt, het rokje dat zij dragen zal, ja veel te kort voor de beheersing van de os. Voor het geluk wil ze een kindje, achternaam met zeven letters en de mijne is te lang.   Nochtans. Geboorte, beperking, het zou een druppel helpen. Binnenkort fiscale voordelen bij een vervroegde dood, euthanasie. Denk liberaal, red de soort. Weerom quatsch uit mijn bek. Het lot zal men niet tarten, de mensheid zit al langer op het dode spoor want op de vele wellustdagen zal het toch gewoon weer in en uit gaan, overal, zelfs waar kinderen de hongerdood met weinig moeite ruiken kunnen. Elders zullen grijsaards zomaar verderleven, de enen baden bij een waterval versierd met goud en wat lianen, anderen verscholen in de holen, vledermuizen eten, van het zweven blijven dromen, Jetair, lekker slapen, weekje Benidorm, rugslag zwemmen in een ronde bakvorm.   Ik Thomas, de vierde koning, ik verkonding niets, ik kook maar wat. Verzachtende eieren om de harde tijden te doorstaan, sfeervol, wierook, winterwindje uit het warme westen waar ze ligt, uit te hijgen, nevelslinger, Manon is nummer vijf, Chanel slaapt zacht in een vergeten flesje, herinneringen aan genot, dolverliefd, holderdebolder, zij het in de heim, in vreemde, naaktgeverfde panden van de daad. We zullen later lekker verderrollen door de prikkels van de stro, bij wulpse maneschijn, a little walk of fame by night, glorieuze sterren, komeetje, camera, schier eindeloos vertier, zolang de bol hieronder tolt, zo lang de boom zich aan de lichtjes brandt.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Lokroep van de vogels

  Hij heeft gespoten noch gesproeid, de wortelen zijn rein. Mijn bio-ogen merken geen venijn of parasieten, alle comités om mij te redden zijn geliquideerd. Ik zeg nog wat. Dat een alterego straks mijn valscherm saboteren zal, omdat de nacht zo van me houdt, meer dan de vissen van het water, vlinders kunnen gewoon vliegen, weet ik, vliegtuigen die niet. Man met de pet, motoren aan, motoren uit.   We kunnen nog wat lagen wegdrinken, mijn liefste, zwanenzangvinyl in rondjes draaien, kijken of het middelpunt ook een illusie is. De hamster heeft mijn beukennootjes, ginds een zwanger hondje aan de lijn, man met vrouw die hij niet lossen kan, ze kreuken, stappen door het bos. Oranje sporen, de plataan staat stil, varens overleven zonder zon, weten nog hoe dinosaurussen voorbijliepen als heuvels in een kinderdroom.   Nog een week misschien. Het aanschouwen van de dans der wintermuggen, ik had het vogelkastje niet voorzien van internet. Ver weg, een kerel met een leeuwenlogo, rechterarm die kleingesneden Vlaamse Reuzen weggooit. Achteloos. Bederf oesters vele nullen arendseieren lijsterbessen overrijpe tijd. Daar in de container, beestig groot, die zonder honger stond te wachten naast het warenhuis.   Moeheid mensen geluiden sterven. Angsten scheefgetrokken beelden smelten als een ijsje in de zon. Voor mij de warme rust, ik wil nog een paar dagen in je armen slapen, tot ze weer passeren. Dan kan ik met hen meevliegen, de vogels van het laatste rijk. Oneerlijk zou het zijn.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Zeven lagen Echternach

merggevoel, Ulrike snijdt het liefst frietjes uit verlaten fruit vuurwerk, bommetjes in haar tas   de Betlehemse sterrenchef, hij snoert een boutje lam terwijl ik driedimensionele debielen zie in een voertuig met vier wielen wereldsmoel mensengewaad wat goud, twee kettingen   zij die dubbele dagen zonder meer verdragen kunnen lokken we in een tentje vol ijs, nietsnootjes, winterslaap voor een ritueel   ik ben de liefde Echternachromantiek met veenbessen Plato bij de breuklijn lacht het beest van de bevrediging heeft lompe poten als een beer die toastjes smeert, paté van ronde varkens, everstaart en niemand die het merkt hoe dagen sterven kunnen in een glas   doorheen gipskarton hoort men wel eens het smekken van verzadigde vetten een vrouwenpruim druppelende ellende, mans gedoe ik zing de nacht wel uit om bij het krieken wat te staren naar het kruis besneeuwde dorpskern, vredig leeggedronken Kneipe   Ulrike, voor straks zijn zeven lagen ondergoed wat veel hoity-toity-truitje kan volstaan om tepeltuintjes te verhullen voor de misdienaar die ik niet ben   onzin alles verzonnen zwijgen ligt me zoveel beter dan het spreken over nachtmerries, beschaving hybride autos zonder kleverige achterbanken   alles verzwegen over die automaat antikinderfolieïndevormvaneenbanaan over de kansen, wonderen voor Jos, mijn Kalashnikov, Trotsky, Armani zijn soms bijnamen   des anderendaags geen koffie, zuivere keramiek, zwarte mannen zullen resten rapen, voelen aan de zak, weten hoe de warmte werd verwekt   kom, geschifte dromer want zij is het brein, ze wenkt dat het tijd is voor die rode kerst op het kleine plein       uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
31 0

De bijsmaak van de zeep

  De taxidermist bracht mij door nevelige lanen naar de plek waar ik moest zijn, of dacht. Moeder was niet opgezet, de hondenbrokken die ze meegegeven had, helaas, ze bleken niet te lijmen. Zeer verscheurd, zoals zoveel, een volkje, wat gezinnen hier en daar, een overreden ooievaar. Ik liet hem maar, tussen die glazen ogen, ijzerdraad die het verleden recht probeert te houden.Te voet terug, waar ze nog altijd zat, vergroeid haast, met die grasgroene fauteuil en toen ze weerom hoorde van die kinderen in Syrië, heeft ze Gertje opgebeld, of hij nog Samsonkoekjes had, snoepjes. Mayadebijsmaak, honingzoet. Ze prevelde nog in mijn dichtgroeiende oren dat ik helpen moest, de wereld zat te wachten op een nodig brood, Messias die het tij nog keren kon, of ik geen kerel kende met een walvishart.Ik zweeg en ik verzweeg, streelde een handpalm, probeerde rust en zacht bedaren uit te stralen, wat mij zelden lukt, sprak niet van vier ruiters en het eindig pad, roerde suiker, beetje hoop ook door de zondagpap. Haar ogen stil, er kroop een spin over de muur, kocht geen ticketje voor een ritje op de slinger van de klok, spon een web rondom de tijd, trok nog wat de dag.Toen niemand keek, liet ik de witte duiven, grijsblauwe parkieten los. Terwijl een presentator vrij hard lachte op tv -vraag met niet waarom- viel het decor dan toch in duigen, sprong een kerstlampje kapot, stal Minou de poes dat kindje uit die kribbe, was de ganse boel om zeep.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Witte neuzen valse leuzen

  Op de naamdag van Silvester zullen we hen niet gaan tellen, hen die stierven, hen die blij geboren werden, de mensen en de beesten in het oude jaar. Verontschuldigt U mij want ik ken ze niet. Sommigen van horen, van een liedje, eer toevallig, maar echt kennen, neen dat niet.   Mijn aquarium, het is best treurig, uitgekuist, de piranha koos het vrije sop. Onder een boom liggen de cadeautjes, zo onnozel ben ik dan. Een boete uit de ruimte voor mijn laks gedrag, een doosje pleisters voor een nieuwe kruistocht. Een gammel Russisch spel, quartet met vaantjes, wrede prentjes van gemolesteerde steden, een gestorven vliegtuig, Afrika verkracht.   Te dwaas, het bonnetje voor zonnestralen, straks in februari, zit in deze evenloppe. Dat ze mogen schijnen op het veldje vlak hiernaast. Gemanipuleerde zonnebloemen blijven heerlijk groen. Gele vlinders slapen in het doosje leopoldsigaren. De laatste heb ik opgerookt, de dag dat Fabiola en haar kapsel vredig stierven.   In een mandje glimmen vrijgevochten appelen die nu al minder vrezen dat er straks een wezen kruisjes in ze kerft, iemand achteloos hun klokhuis rotten laat, ergens in een vuilbak naast een muf kapelletje. Negen maanden na de storm, de aprilvis laat ik liggen in de vriezer, trek de straat op, zoek een sukkelaar, een ongeschoren baard.   Ik vind hem niet, hij ligt er niet onder de brug en trek dan naar de noodopvang, waar hij verlegen zit, aan een stenen tafeltje met harde rand. Ik zet me, groet de man die niet van smurfen houdt. Dat het niet erg is, kerel. Albert II, Mitterand, buitenechtelijke kinderen, beste Abraham, het is echt heel gewoon. En toch. Ismaël en Isaak, is het toen al fout gegaan?   Hij zwijgt en ik zal hem niet vragen wat hij van ons vindt, hoe wel het onze planeet tot heden is vergaan. “2015 meldt zich, laat ons weer gewoon vaagweg het beste wensen”, zou een dwaze uitspraak zijn. Bij de kerstverlichting staan de dozen met de zwarte vaandels voor de witte leuzen, valse neuzen voor een vrolijk feest.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Aarslicht

  In mijn nieuwjaarsbrief, ergens begin maart, als ook Chinezen weer beseffen dat kalenders en de dagen van papier gebleven zijn, als nergens nog een bubbel ijdelvocht, een druppeltje komediesnot te likken valt, maak ik het officieel bekend : ik ben een zot, die liefst onder gespaarde sparren slaapt. Bij Heidenrijk.com weet men er alles van : een boom, die onderhoud je best. Laat hem staan, daar in zijn bos, leg ze in de watten, op de zolder, zalf ze wat die glitterballen, klinkt niet eens zo gek.   Bestel nog snel een doos met grappen, grollen, brolcadeautjes van een ziek plastiek desnoods. Mij deert het niet. Want straks, dan speel ik. Kerstnar, naakte clown met blinkerklootjes, steek een slinger diep tot in mijn endeldarm. Het kuist de aars veel beter dan je denkt. Wildsteak, oesterschimmel, kaas, doe mij wat tamme praatkroketten en die cavia’s, mijn schatjelief, ze mogen op de barbecue, ik vil ze wel.   Voor de rest, schenk mij oranje legoblokken of een pakje eetbare condooms. Je kunt dan lekker kauwen, bellen blazen, schat. Vergeet heel even dat gezuig, terwijl ik desalniettemin toch even aan je sapjes nip, fruities, barbapapamilkshake, in de oven zwelt een nagerecht. Mystieke frisco’s lust ik ook, liefst ver weg en in de mist loopt er een schim voorbij die voor zijn leven vecht, als ik opnieuw een schaduw steel, een afgewreten kwartelbotje naar hem werp. Ik hoor hem al, ’t is Geert. Hij lacht als ik het toon hoe je een goudvis piercet, een kerstbal aan zijn staartje hangt.   Azijngeur, antigel is zoveel beter dan goedkope wijn en in de lucht hangt er een rare waas, tijdverdrijf is aan mijn glas geplakt. Ik martel hem alvast een beetje. Kurksmaak, Christus in zijn kribbe. Zodat hij alvast weet wat leven is. Gespoten wordt er niet die dag. Graffiti op een taart, een bontwinkel, wordt zelden gewaardeerd. Sneeuw en glinstertjes dat willen ze de wezentjes die alle wereldquatsch, verhalen over opwarming, die duizend hongerdoden op een halve dag voorgoed vergeten zijn, me dunkt. Ochot, we laten het gebeuren dezer dagen, want alle obers, restauranten vol rosbief, romantici, de vetsmelters en butlers in het beterdom, ze weten, zelfs met kaarslicht gaat de nacht voorbij.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt' 

Bernd Vanderbilt
20 0

Ik was al onderweg

  Wat zand, ik loop een storm voorbij, een glas. Achter het stuur, het mocht van nonkel Bob, zolang ik zijn woestijn maar niet verliet. Adieu terras, café daar aan het Noordzeestrand. Er hing een wezen aan de toog met rond zijn nek een zelfgeknoopte das. Hij sprak me aan, zoals dat gaat. Een netwerkzot, die overal zijn dogma’s predikt over onbenul en het sociaal geluk. Die lifestylesul, luchtverkoper. Dat mijn blaas volliep, dat het bij doodtij veilig plassen is daarginds, dat het dringend is en weg was ik.   Bijna koekenbak naast het gelag, wat verder vandaag verse bloedworstjes en Pol in zijn frituur steekt weer bouletten op een spies. Daar waar ik ooit een gocart heb gehuurd, verkoopt men nu een brommer met twee vijzen los. Ik heb geen tijd, expresweg op.   Er liggen kuipen op de linker rijstrook. Ergens bij een kilometerpaal. Van een metser, dat verzwijgt de fm-stem. Specie voor het zetten van een duivelkot, schuilplaats, afdak voor de natte dromen van een volk of twee. Ze wacht op mij, nogal geluk, de overzet in Breskens vaart niet meer. Mijn eikel wist het niet. De koningin had er een grijze foto, zachte kuthaartjes, vermoed ik, ook een mooie adelkrul.   Vergane boelwerfbootjes, vleeskrokettennostalgie. Die 23 letters schrijf ik later in een hangmat. Tussen ja, een baobab, een knuffelboom voor mij alleen. Nu niet, ze is er al, bij Borssele, daar waar ik uit die tunnel rijd, de wereldlucht mij weer bevangt. Aan de afslag, in haar pas gewassen Lotus. Ze kent me amper. De liefde heeft de foutjes in de lak nog snel verhuld. God en alles voelt, er werd gewacht. Vijftig miljoen zevenhonderddrieënvijftigduizend achtenzeventig. Sterren. Omgekeerd, op haar rekenmachine. De rechter zetel fluistert niet. Sorry schat, ik was al onderweg. Bijna zoiets. Gemist, van dag, een bocht.       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
1 0

Bram zonder zebra

Het is een raar uur maar de tijd weet het niet. Een LED-lampje knippert zijn laatste adem, disco-achtig. Ik denk weer eens. Aan oprechte mensen. Alleen mensen die oprecht zijn zonder het te weten, zijn echt oprecht. Ik heb ze ook niet wijsgemaakt dat ik niet gek ben en Bram zingt een liedje. Hij zingt nog altijd, deelt ook mij nog altijd in de onzin in, zonder me te kennen.Van rode wijn kan ik niet goed slapen en laat ons vrolijk zijn... ik weet het niet, trek me dan, over die streep. De angst dat ik dan een zebra word, is controleerbaar. Probeer het maar, gerust, oprechte mens.Hij verschijnt dan toch zomaar, die zebra met die ronde strepen en sadistisch als ik ben, denk ik dan aan vogelepik. Het zou een bijbetekenis kunnen hebben en één of andere taalfreak zou kunnen beginnen neuten over de tussen-n. De tussen-n en het tussenin. In het tijdperk van het tussenin ben ik geboren. De anekdote dat het vroor dat het kraakte en de nonnetjes van het kleine ziekenhuisje niet wilden opendoen, is nog levende. Was ik maar buiten geboren, in de vorst. Ik zou met een voorsprong geboren zijn, meer gehard. Nu moet ik soms bier drinken. Sorry Bram, echt geen rode wijn, dank je. Dat spul is me te hard. Ik ben een mietje, toegegeven, onmiddellijk na mijn geboorte in de zachte dekentjes gestopt. Daarna, door de jaren heen, voorzichtig ontzwachteld. Nog later, minder voorzichtig. Men lette er niet meer op. Het streeploze leven, het was voorbij. Iemand had zwarte verf, ezelsoren gekocht, voor het witte paard en de meeste kelderdingen zaten niet eens in dozen. Ze leefde, hij leefde, de gedachte, de schilder, de smeerlap. Doe zijn vriezer niet open. Daar zult ge de zebra niet vinden. Daar ligt de poney, ik weet het nog, een dermate overbodig zinnetje, versneden in stukken van één kilogram, voor de honden. Nu durf ik, naïef als ik ben, soms nog te twijfelen of destijds alles niet minder bewust gebeurde als ik dacht.Ik heb mezelf vast gewoon wijsgemaakt dat de schilder gek was, hij de strepen niet eens zag, zichzelf niet meer zag zoals hij was. Dat voordeel heb ik dan wel, ik heb een voorbeeld gehad, laat de kelder leeg, versnipper alles wat gestreept lijkt, heb geen diepvriezer, in mijn kadaverloze tuin een put, voor de zwarte dingen en ik schilder niet, geen zebra die over zijn strepen valt, geen eenhoorn met ezelsoren. Ik kriebel het vol, het rare uur, dat wel, ben gek en krijg een knalrood pasje met de vroege post, net nu het lichtje niet meer flikkert.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Verandering 1: Kabels

Wat dacht James Ensor toen hij zijn oude dame met maskers schilderde? Ik vraag me af wat er eerst was: de vrouw of de maskers. De oude dame, die bij nader inzien helemaal niet zo oud is maar eerder een veertiger – die diepe lijnen in het voorhoofd en rond de lippen lijken wat kunstmatig, alsof er later aan toegevoegd – staat pal in het centrum van het doek. Zij was er dus waarschijnlijk eerst. Maar waarom de maskers? Wat gaat er door het hoofd van een schilder de minuten voor hij het penseel in verf doopt en dingen begint te schilderen die ogenschijnlijk niets met het centrale gegeven, in dit geval een ‘oude’ vrouw, te maken hebben? Kwamen de maskers uit een droom of een verre herinnering? Misschien sloop er iets uit het penseel wat hij net daarvoor nog had gezien. Hoe komt iets uit een penseel op een doek? Hoe komt ooit iets ergens uit? Mijn laptop is opengeklapt, zover ben ik. Maar er gebeurt nu al een hele tijd niets op het scherm, tenzij ik het knipperen van de tekstcursor als een gebeurtenis beschouw. Het zou mij beter uitkomen als ik iets anders kon doen. Schilderen, om maar iets te zeggen. Voor een canvas staan, dat zou ik nu het allerliefst willen. Want een doek heeft randen, het is beperkt in de ruimte. Schrijven deint altijd uit. De mogelijkheden zijn schier eindeloos en dat brengt mij in ademnood en houdt de cursor gevangen, knipperend als een vuurtoren. Schilderen is anders. Overzichtelijker. Ik zou een portret kunnen schilderen van een oude - of jonge, of iets daartussen - vrouw. Zonder dat ik daar opeens, als mijn gedachten verschoven, een berg van kon maken of de gieren die daar boven wieken of het speeksel dat van hun snavels drupt als ze zich op hun aas storten of de angst die daarvoor bezit had genomen van het dier dat uiteindelijk een kadaver werd of de vraag of angst ook emoties impliceert. De act van het schilderen bergt de beperking in zich. En beperking is op dit moment een noodzakelijke voorwaarde om wat dan ook te doen. Mijn gedachten vonken blauw, groen en rood tegen de wanden van mijn hoofd. En tegelijkertijd ligt het, ondanks al dat geweld, zo voor de hand alles onder de schedelpan te houden. Het hoofd is ook zo gebogen, bijna vastgeklonken op de schouders, de pezen aangespannen als stalen kabels van een brug over een Duitse rivier. Schrijven is bedrieglijk. Vaak beeld ik me in dat mijn gedachten zich moeiteloos over hersenbanen voortbewegen, naar een blinkende buitenwereld. Maar meestal rollen ze over de band, tussen twee opslagplaatsen in. Er gaat niets buiten, er is niets veranderd. Het procedé is zelfs verraderlijk rustgevend. Nee, dan schilderen. De schouders hangen sereen laag, de ruggengraat staat trots als een vlaggenstok, het hoofd is vrij, de armen zwaaien met wijde bewegingen over het canvas. De vingers toetsen dansend, strelend de verf op het doek. Misschien is het een goed idee een groot blad papier te gebruiken, rechtstaand voor een lezenaar. Ik zou daarvoor een vette zwarte stift kunnen kiezen, en een zwierig handschrift. Ik zou de lussen naar boven en naar beneden met grote uithalen in het papier kerven zodat de inkt door de poriën op het houten blad loopt. Ik zou de inkt in de nerven van het hout zijn weg zien zoeken. Dat zou een verandering zijn. Alleszins heb ik daarvoor een muts nodig, van dikke groene wol, met luchtige steken.

Jools
0 0