Zoeken

Wellness

Een groepje luidruchtige dames van middelbare leeftijd maakt kennis met de saunacultuur in het thermen- en wellness centrum. Ze slaken gilletjes van verwondering en opwinding omdat het in de zweetcabines warm is en het water in het afkoel bad ijskoud aanvoelt. In die ambiance waag ik een poging om zen te worden. Het zwembad, dat er dampend bijligt op deze winterse dag, lijkt rust te kunnen bieden. De kin steunend op de handen hang ik aan de scherpe rand van het bassin naar de wit berijmde dennen te staren. Mensen lopen in en uit de Keno, de Himalaya Grötte en de Finse sauna. De nep grot met de zoutkristallen is het meest in trek. De ruwhouten deur zwaait onophoudend open en dicht alsof er zich het toilet van een druk bezochte discotheek achter bevindt. Of je in deze kunstmatig paradijselijke omgeving tot innerlijke rust kunt komen is weinig plausibel, mijmer ik. Veel tijd krijgt ik niet om daarover door te bomen want ergens schijnt er een appelsien, munt, perzik of limoen opgietsessie afgelopen te zijn. Op zoek naar verkoeling komen rood aangelopen gezichten vanachter de plastieken lamellen, die het binnen- van het buitengedeelte van het zwembad afscheiden, te voorschijn. Een trio dertigers doet zich opmerken. Luidruchtige kerels met bruine basten en kitscherige tattoos op armen en rug. Twee patsers zwemmen vlot naar de verste kant, de derde vordert traag. Zich aan de boord krampachtig vasthoudend, beweegt hij zich naar zijn kameraden. Hij kan niet zwemmen, stel ik vast. Als hij hen eindelijk vervoegt zijn ze al druk bezig, met andere ploeteraars als ongewilde toehoorders, elkaar te overtroeven met namen van skistations waar nu zeker nog geen sneeuw ligt. Hij mengt zich in het gesprek en blijkt ook twee plaatsnamen te kennen waar al evenmin sneeuw ligt. “Het is de opwarming van de aarde”, concludeert er één. Hij heeft thuis een “digibakske van Telenet”, en heeft het gezien en gehoord op National Geographic, “Zelfs de gletsjers zijn aan het smelten.” De deur van de Kelo blijft lang dicht hetgeen me doet vermoeden dat er niet veel volk binnen zit. Ik hijs me uit het water, droog me oppervlakkig af en stap de, met 300 jaar oude Scandinavische vurenhouten bomen opgetrokken, constructie binnen. Twee vrouwen liggen op de bovenste banken. Voor de rest is de grote ruimte rond het knetterende haardvuur uitnodigend leeg. Ik kies een hoekje uit dat ver verwijderd is van beide vriendinnen, draai de zandloper om en ga met één been opgetrokken op de rug liggen. Met gesloten ogen laat ik de behaaglijk droge hitte bezit van mijn lijf nemen. Het piepend geluid van de deur verstoort het zalig soezen. De drie lawaaierige musketiers doen hun intrede. Op de laagste bankenrij gaan ze zitten, zuchtend en blazend. Hij-die-niet-kan-zwemmen kijkt rusteloos rond zijn schichtige blikken afwisselend richtend op mij, de twee jonge schoonheden en zijn maatjes. Door mijn wimpers loerend veins ik te dutten, vrezend dat hij het onzalige idee zou kunnen hebben een gesprek te willen aanknopen. In het oranje licht van de vlammen, die wapperende figuren op het schuine houten plafond tekenen, wrijven zijn beide handen onophoudend over zijn bovenbenen, knieën en buik. Hij lijkt niet in harmonie met zichzelf en schijnt nauwelijks innerlijke rust in deze isotone atmosfeer, te zoeken. De beide gratiën houden het voor bekeken, ze knopen hun handdoek rond de verleidelijke heupen en verdwijnen door de donkere deuropening. Je zou denken dat hij daar heeft op zitten wachten. Over zijn schouder heen monstert hij mij, net alsof hij zich er van wil vergewissen of ik wel echt slaap. Ik blijf doen alsof. Door de spleetjes van mijn oogleden sla ik een merkwaardig tafereel gade. Het drietal wisselt, nu enkele decibels zachter, natuurkundige gegevens uit. “Warm hé, ik zweet nogal.” “Ik ook, komt door dat vuur.” “Ja, mannekes, zie dat eens hier.” Hij wijst met de kin naar zijn onderbuik, de twee spitsbroeders volgen zijn blik, hoofdschuddend grimlachend. Zijn rechterarm maakt ritmische op- en neergaande bewegingen. Verdraaid, die vetzak zit zich hier af te trekken, daagt het mij. Om de zoveel rukbewegingen onderbreekt hij de activiteiten en bouwt hij een rustpauze in. De handen zijdelings achter de rug op de bank geplaatst leunt hij puffend en briesend achterover. De cyclus herhaalt zich enkele malen. Ik heb er genoeg van. Met gewild opvallend misbaar kom ik recht uit mijn horizontale positie, pak de haarklem die aan de bandhanddoek geklemd zit, steek mijn vochtige rode haren op en verlaat haastig, met grote schreden de sauna. Tien minuten later, rustend in een relaxzetel, hoor ik hen langskomen, richting Brasserie. “Een Leffe, dat zal deugd doen“, kan ik opvangen.   “48.000 Euro, dat is wat John Cleese vraagt voor een lezing plus acte de présence van 2 uur op een managers event. En hij wordt druk gesolliciteerd.” Twee high level leidinggevenden kennen de prijzen en openbaren ze, of die dat willen of niet, aan de andere bezoekers van het Turks stoombad. In een bizarre mengeling van Engels en pseudo Nederlands begeven ze zich in de betegelde ruimte op het modieuze pad van brainstorming en experience sharing. “Waar ik nu mee bezig ben is het zoeken naar een goede invalshoek. ” “Hoe ben je op dat idee gekomen?“ “Op een avond, ik was op een beurs, heb ik deelgenomen aan een work-shop over self-coaching en time management. In wat die Tine Walravens daar zegde over ayuverda heb ik direct onontgonnen opportunity’s gezien. Zeker als je dat specifiek uitwerkt voor hr afdelingen, die zijn gevoelig voor alles wat met absenteïsme te maken heeft.” “Ja, dat speelt mee voor hun bonus, vertel me wat. Maar dan kunt ge niet short term gaan denken vermoed ik. Zijt ge nog in de pre study phase of doe je al aan commercial development?“ “Als ik de topic aan een goede case kan linken begint de machine volop te draaien.” “Weet je dat ik jaloers op jou ben? Ik vind het razend interessant met wat je daar bezig bent. Ik Heb al spijt dat ik mijn sabbatical year niet voor zoiets gebruikt heb.” “In het begin heb je natuurlijk een try out nodig, zien of het werkt.” “Snap ik, maar dat zit je al direct in een scenario van “no cure no pay” en dan moet ge wel een risk-factor gaan incalculeren.“ “Je moet een financiële basis hebben, maar overschat dat niet, de investeringen zijn klein. Als ik een bedrijfje op naam van mijn vrouw zet kan ze fiscale voordelen krijgen en mij op de payroll zetten.” “Je kan je als kleine ondernemer flexibel opstellen en werken op a.w. basis, dat is een service die de groten niet kunnen bieden.” “a-w?“ “As wish, ken je dat niet?” “Oppassen daarmee, het wordt al snel bekeken als een “nice to have” hebbedingetje en zoiets geven ze wel eens in handen van een uitgerangeerde die veel tijd heeft maar niets kan beslissen.“ “Ik weet het, dat sneuvelt uiteindelijk bij de senior business controller. Niet bij de bc op een lager niveau, daar kan je al eens met gaan eten, maar op een hoger level pakt dat niet meer.“ “Neen, daar lukt dat niet, die zijn te veel met hun bonus bezig.” “Ben je nu al zelfstandig bezig? “ “Neen, ik sta nog op de payroll, mijn opzeg zogezegd.“ “Bij ons is business development bezig met een studie om te bekijken of er op de markt behoefte is aan een synergie tussen technieken voor transport en networking.” “Dat kan natuurlijk altijd maar ik denk dat het een kleine niche is, als die er al is.“ “Maar daar moet je het nu juist van hebben. Het is dikwijls zo dat die behoefte er wel is maar dat de consumer er nog geen weet van heeft. In feite moet je de markt boetseren naar je product, eens dat uw challenge is wordt het boeiend.” “Dan kom je op het terrein van sales, not my cup of thea, je moet het idee, het concept en uiteindelijk ook het product verkopen.” “Je zegt dat nu wel maar at the end moeten we onszelf toch ook altijd verkopen, Je employability moet van je uitstralen of je valt uit de boot.” “Daar heb je een punt, dikwijls komt het daar op neer, de perceptie die ze van je hebben geeft de doorslag.” “Het is psychologie en daar zitten ze bij ons slecht. Te veel oude universitairen. Daar kan je niet veel mee doen, zeker niet bij de commercials en in feite nergens.” “Ze hebben wel ervaring.” “Dat telt niet, het is eerder een weakness die als een rem op nieuwe ontwikkelingen werkt dan een uitdaging voor vernieuwing.” “Kan je volgen hoor, maar neem nu de Guy Vernoppen bij mijn bedrijf, die is toch al 49 en hij kan nog echt mee.” “Maar die heeft geen pedagogisch inzicht en voor onze doelgroep heb je dat juist nodig. Die mannen zitten vast in hun voorbijgestreefde cursussen. Ik ben sociaalvoelend en zeker geen liberaal van de harde lijn, maar bij downsizing moet er te veel rekening gehouden worden met de unions.” ”Zeg, heb je dat boek “self coaching” van Dimitri Pieters?” “Ja, Dimitri Pieters is voor het moment hot en sexy. Absoluut incontournable als je mee wilt zijn. Ik heb vorige week nog een artikel over hem gelezen in BusinessWeek.” ,,Als je het kunt missen zou ik het willen lezen.” “Dan voor een week of zo, want voor mij is dat een werkdocument.” “Dat is ok. Ik heb al twee boeken gekocht voor de vakantie, ik weet nu al dat ik er één op het vliegtuig zal uitgelezen hebben. Normaal is mijn ritme één boek per week.” “Dat haal ik niet, maar bij mij is het dan ook meer in de diepte lezen dat ik doe.” “Ik kan er wel niet meer zoveel kopen via de job, tenzij het boeken zijn die ik direct the day after kan gebruiken voor een practical use, een seminarie bijvoorbeeld. Anders wordt het te moeilijk om die aankopen te verantwoorden op de expense account.” “Jan Meyers is nog zo een kei, in network coaching dan. Een referentie dezer dagen, je met zo iemand associëren opent veel deuren.” “Networking is uiteindelijk mijn ding niet.” “Het is een openliggende markt, je kan me geloven. Ik zie dat in de bedrijven en op events, veel managers zijn overgekomen vanuit een kleinere field-unit en hebben de backgound en de ability niet om hun contacten tot een win win situatie uit te bouwen.” “Van het Peter principe vind je overal voorbeelden.” “Coaching, dat is de key, ze worden niet goed gecoacht en bij elke re-engineering duikt dat op als een negatieve factor.“ “Er zijn er genoeg die “het” niet hebben, bij screenings komt dat naar boven.” “Onderschat ambitie ook niet, veel mensen hebben te veel schroom. De ingesteldheid waarmee je aan networking doet moet zijn: Hoe kom ik met drie kruiwagens en niet met één kruiwagen contacten naar huis. “ “En dat bereik je niet met een meet and greet. Als je de lat niet hoog legt kom je er niet.” “Mij met enkele rake key-words duidelijk profileren bij de end-user is mijn belangrijkste target.” “Heb je daar een deadline opgeplakt?” “Voor ik op vakantie vertrek moet dat duidelijk zijn, ik wil met een gerust gemoed kunnen herbronnen en de batterijen opladen.” De rest van de verhelderende conversatie gaat verloren in het gekletter van de koude douchestralen tegen de betegelde vloer.   Een half uur later lig ik op de massagetafel, een luxe die ik me regelmatig veroorloof. De knedende en strelende handen wisselen fluwelen zachtheid af met gedoseerde stevigheid. Ik geef me over en geniet.   In de kleedkamer doe ik een poging om mijn haren te fatsoeneren. Het lukt niet echt. “Het viel me al op in het restaurant, hoe kom jij aan zo’n mooie, stevig gespierde benen?” De vraag wordt gesteld door de glimlachende vrouw in de lichtblauwe badjas die uit de cabine met het zonnekanon komt. Onzekerheid, gêne, gevoel van ontmaskering, betrapping. Ik voel hoe ik begin te blozen. “Goh, dat is omdat ik vroeger een man geweest ben, het zijn mannenbenen”. Meer is er niet nodig om de schenkster van het compliment op haar beurt met een ongemakkelijk gevoel op te zadelen. “Oei, sorry, dat wist ik niet, excuseer.” Ik stamel een flauw “Het is niets hoor, toch lief van jou.” en maak me, bijna vluchtend, uit de voeten. Mijn haarspeld vergeet ik op het tafeltje aan de spiegel.

Nancy Del Fuego-Costales
11 0

Knooppuntroute

We hadden ruzie, niet eens zo erg, over iets onbenulligs, een plank die kraakt en waar ik niet op mag stappen, want dan wordt de onderbuurvrouw wakker, of misschien iets nog onbenulliger. Niet erg dus, maar toch erg genoeg om het over ernstige dingen als vertrouwen te hebben. En erg genoeg om me af te vragen en zelfs hardop te vragen of we niet beter uit elkaar zouden gaan.   Daarna kookte jij eitjes en aten we een ontbijt van toast met eieren alsof de dingen die we gezegd hadden niet van belang waren.   We zouden met de fiets naar het kunstenfestival gaan. Ik had er wel zin in, en ook weer niet want ik was nog boos en ik was bang om bij al dat moois ontmoedigd te geraken. We zouden met de fiets gaan, hoewel het best een eind was en de ochtend al een stuk opgeschoten was door die ruzie en dat ontbijt, en ik nog een doos pralines moest gaan kopen voor de verjaardag van mijn moeder.   Na een kilometer had jij al dorst en toen ontdekten we dat we het flesje met kraantjeswater waren vergeten. Tenminste, jij vond dat ik het vergeten was, terwijl ik dacht dat jij het op het aanrecht had laten staan. Want jij had het gevuld.   Voor we verder reden betastte jij de achterband van je minifiets en stelde ik de overbodige vraag of we een fietspomp bijhadden. We reden nog een eindje verder en zagen een man en een vrouw die de fietsostrade zochten. Zij hadden een fietspomp bij.   Na het pompen leek de band nog platter te worden en we keerden terug. Ik dacht dat we naar huis zouden gaan en in bed zouden gaan liggen, maar jij vond een fietswinkel die open is op zaterdag en voor twee euro werd je band opnieuw opgepompt. Of er een scheurtje in de band was, kon de man niet zomaar zeggen. Je zou het wel merken zei hij.   En dus reden we nog niet naar huis, maar namen we een kortere weg naar het punt waar we rechtsomkeert hadden gemaakt. Ik reed achter jou om je achterwiel in het oog te houden. Soms reden we naast elkaar en bespraken we scenario’s waarin de band het begaf en we op een plek zouden zijn waar geen openbaar vervoer was.   De knooppuntroute die jij uitgestippeld had, bracht ons langs holle wegen, bospaadjes en smalle straatjes met veel lelijke en een paar mooie huizen, weiden met paarden en tuinen met caravans en plastic stoelen. Ik keek vooral naar je achterband.   Het flesje water dat we bij een benzinestation hadden gekocht was bijna leeg en we kregen honger. Ik dacht niet dat we bij het kunstenfestival zouden geraken als we niet eerst wat zouden eten. We verlegden ons doel en keken nu uit naar een café of een eethuisje waar we iets kleins maar voedzaams te eten zouden vinden.   In Boom vonden we een café met een prachtig terras aan het water. We gingen binnen zitten want we waren al een paar uur buiten geweest en het deed goed om even geen wind te voelen. We waren te hongerig om kieskeurig te zijn en aten dingen die we anders nooit in een café eten omdat we ze thuis zelf veel beter kunnen maken: jij pannenkoeken en ik croque monsieur. Ik bedacht dat ik je zelfs nog nooit ergens anders dan thuis pannenkoeken had zien eten. Het was alsof je weer een beetje nieuw voor me was.   Door het eten kwam er weer kracht in mijn armen en benen, en bemoedigd spreidde ik de kaart op de tafel. Het kunstenfestival was nog erg ver. We zouden er aankomen als alle gedichten al voorgelezen waren en de mensen hun spullen en kinderen al aan het verzamelen waren om naar huis te gaan.   Je stelde voor om naar huis te rijden over een andere knooppuntroute. Ik voelde spijt en opluchting en eerst meer spijt dan opluchting, maar daarna een soort kinderlijke blijheid dat we terug zouden keren.   We liepen naar onze fietsen en ik liep achter jou. Ik zag je naar het stuur van je blauwe minifiets grijpen en mijn blijheid werd plots groot en wijd en onbegrijpelijk intens en na een paar seconden kwam het gevoel mij bekend voor. Ik nam je gezicht in mijn handen en ik kuste je mond en ik zei dat ik helemaal niet van je weg wilde, dat jij mijn allerliefste bent.   We reden weer naar huis, langs het glinsterende water, langs bomenrijen en een veld waar kraaien opvlogen die in hun vlucht kleine spartelende vogels meenamen. Ik reed achter jou en de hele rit bleef ik me verbazen over wat mijn hart met me doet als ik naar jou kijk.  

Christine Van den Hove
16 1

Ledematenweegschaal

Tussen de wakke blaren plantte een trieste voet zich neer. De kuit rillend van inspanning. Een vochtige voet, hunkerend naar een handdoek en droge sokken.   In zijn armen de stukken van een zoon. Een zoon die hij nooit goed had gekend.   Als mensen beginnen schreeuwen en jij weet niet waarom.   Een tweede voet plantte zich neer, en twee knieën, geknikt door teveel aan volharding.   Doorheen de dikke flarden mist kon hij nauwelijks zien wat er in zijn handen lag.   Dat besef sijpelde koud door zijn ledematen.   Dagenlang al in deze bossen die hij dacht te kennen maar toch in verdwaalde.   Met zijn zoon in zijn handen, en zijn handen in zijn haar.   Afleiding is belangrijk, en de eerste dag had hij daar geen gebrek aan gehad. Zijn zoon had hem beschuldigd, met ogen vol angst, droog van paranoia, dat ze verdwaald waren door zijn schuld.   De jongen wist niet beter, hield de man zich toen voor. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje. En hij is zo snel moe.   Hij moet gedragen worden.   Paranoïde, droge ogen, het enige droge in deze vochtige vallei, hadden voor zijn afleiding gezorgd, en daar was hij nu dankbaar om, want afleiding is hetgeen een kostbaar goed zou worden.   Hij was meer dan een vader, hij was een man met trots in zijn leven, die macht had over anderen.    Hij beet op zijn kaken. Niet alleen omdat hij honger had, maar ook om die verdomde mist uit zijn mond te houden. Het gat van de tand die zijn zoon de eerste dag had uitgemept pikte als hij zijn mond opendeed.   Het is oorlog en we moeten vluchten of iedereen gaat eraan.   ‘Zie je wel,’ zou zijn wijlen moeder gezegd hebben moest ze niet jaren eerder in haar bed zijn gestorven. Met haar hoofd vol angst na een leven lang oorlog vrezen in vrede.   Maar nu was het zover. De aap in hem vluchtte terug naar waar ooit menselijkheid onstond miljoenen jaren geleden: de bossen. Maar dan in het verkeerde continent.   Zijn zoon woog terug even zwaar als toen hij drie jaar was. Zijn zoontje.   Hij kon niets zien in de witte massa voor hem, net als op skivakantie, en ook nu, kon hij elk ogenblik geen grond meer onder zijn voeten voelen. Geen zicht, geen smaak, enkel het ruisen van zijn adem door de mist, en het gevoel van zijn zoontje in zijn armen. Meer had hij nooit gewenst.    Zijn zoon was zwaar en oud geworden.   Zijn vrouw was zwaar en oud geworden.   Hij daarentegen, voelde zich hetzelfde, maar dan tussen oude mensen.   Zwaar, oud, en dood.   In de middeleeuwen zou hij gehandicapten en criminelen zijn tegengekomen in dit bos, maar nu enkel gestalten van geschaduwde bomen. Daar legde hij zijn zoon neer, die ooit zoveel kansen had gehad, maar nu een mens in stukken was.   Prachtig hoofd dat ooit naar hem had opgekeken, maar hem de laatste jaren had beledigd.   'Een tijdbom. Die jongen gaat nog eens ontploffen.'   Het hoofd moest vergaan maar het hart zou hij houden. Om hem te vergezellen door zijn tocht in de mist. Door het bos van de mensheid, op zoek naar resten goedheid.                      

Han Hartmoed
0 0

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0
Tip

Hotel Prestige

“Knoopt uw jasje schoon dicht”, sist zij kordaat. Haar mooie, diepe, donkere ogen staan scherp. Er valt met haar niet te sollen, zoveel is duidelijk. Haar lange haren golven op en neer terwijl ze stevig en vastberaden weg beent. Hij heeft zichtbaar moeite om haar bij te houden. Hij opent zijn mond even, maar lijkt zich dan te vermannen en doet dan, met enige tegenzin in zijn blik, gedwee wat ze zegt. Ze is niet makkelijk om mee samen te werken, weet hij, maar om één of andere reden krijgt ze toch altijd maar alles klaar gespeeld. En hij? Hoewel hij de hoofdrol speelt in dit verhaal, weten ze allebei dat hij het in zijn eentje nooit zou klaarspelen. Hij houdt even halt, haalt diep adem, en zet het dan op een lopen om haar in te halen. Oké. Showtime. Nog een laatste keer. En dan is het allemaal voorbij. Ze naderen de grote, zwarte, smeedijzeren deur. Alsof ze elkaar nooit gekend hebben, gaat zij links, en duwt hij de zware deur half open. Hij kucht geluidloos, recht zijn schouders en loopt daarna met een gladde zelfverzekerdheid het kleine trapje op, tot in de grote lobby. Het smakeloze zalmroze tapis-plain dat de hele ruimte bedekt, komt duizelingwekkend snel op hem af. Zelfs in de jaren zeventig kan dit niet mooi geweest zijn. Hij laat bij het voorbijlopen heel even voorzichtig, bijna lieflijk, zijn linkerhand rusten op de roze leren sofa in het midden van de lobby. Dat mensen hier vrijwillig blijven overnachten, en er dan nog een fortuin voor neertellen, daar kan hij met de beste wil van de wereld niet bij. Uit de muziekinstallatie kraakt ‘Private Dancer’ van Tina Turner, nog zo’n afgebleekt icoon uit vervlogen dagen. “Oké”, zegt hij tegen zichzelf. “Oké”. Met een Hollands accent. “Owkej”. Kom op man, draai die knop om, en ga ervoor. Niks te verliezen. Gewoon gaan. Haal die charmante lach nog eens boven, schud nog eens met die prachtige donkere haren. Laat je perfect gevormde haarlijn maar eens zien aan de smakeloze vrouwen in dit smakeloze etablissement. Binnen tien jaar is het te laat, dan zal je langzaamaan grijs geworden zijn, en zal blijken dat dat knappe gezichtje van je lang niet meer zo gaaf is als vroeger wel leek. Zorg vandaag maar voor dat appeltje voor de dorst. Hij merkt dat hij te lang heeft stilgestaan wanneer er langs achter zachtjes iemand tegen hem aan botst. “Excuseer,” zegt een vrouwenstem dicht bij zijn linkeroor. Te dicht. Er loopt instinctief een koude rilling over zijn nek bij het horen van de lage vrouwenstem. Bingo. Zou hij nu al beet hebben? Geluidloos haalt hij adem, knippert een fractie van een seconde met zijn ogen, en draait zich dan om. Nog steeds geluidloos, en traag. Ze is mooi. Erg mooi. Haar ogen staan levendig, haar wangen energiek rood. Dit is ongetwijfeld de dochter van graaf de Craene, zijn target voor dit weekend. Wat een toeval. Maar god, wat is ze mooi. Waarom is zij in godsnaam hier? Wat doet zij tussen deze onverdraaglijke elitaire oude zakken? Ze misstaat hier als een panter in een varkensstal. Ze glimlacht spontaan en vriendelijk, wat haar nog mooier maakt. Het duizelt hem even. Tina Turner reutelt ondertussen zeer overtuigend haar finale, maar de muziek stoort hem ondertussen niet meer. Hop. Hij is volledig in zijn focus. Eindelijk. “Mijn excuses”, lacht hij charmant. Zijn perfecte tanden steken fel af tegen het zalmroze interieur. “Ik weet dat ik in de weg stond, ik geloof dat ik even in gedachten verzonken was.” Hij zegt het opzettelijk geheimzinnig, iets zachter dan hij anders zou praten. Vrouwen houden van mannen die in gedachten verzonken zijn. Altijd. En aan de blik van dit exemplaar te zien, heeft hij prijs. Het mysterie van de man. Een succesformule.  “In gedachten verzonken? Ben je dan niet aan het werk?” vraagt ze terwijl ze terloops even op de twee grote koffers die naast haar staan wijst. Even is hij van zijn stuk gebracht. Hij heeft al veel meegemaakt in deze kringen, maar nooit eerder werd hij als loopjongen van het hotel aanzien. Hij knippert even verbaasd met zijn ogen. Is het zo duidelijk van hem af te lezen dat hij hier eigenlijk niet thuishoort? Voelt ze dat hij geen van hen is? Heel even dreigt zijn masker te vallen, maar hij herstelt zich razendsnel. “ Ik? Ik kom voor het congres van morgen. Maar zal ik even iemand roepen voor je koffers?” ze lacht even ongemakkelijk, en tuit haar lippen. Een zucht peperdure parfum overvalt hem. Dit, denkt hij, is de geur van geld. Dit moet hij hebben. Hij mag haar niet meer uit het oog verliezen. Subtiel toenadering zoeken, haar verleiden met zijn geoefende mysterieuze blik en zijn gedistingeerde houding. Het vertrouwen winnen, haar kop een klein beetje zot maken, en dan keihard toeslaan. Binnen vierentwintig uur is hij zo rijk als de zee diep is. Dan kunnen Saskia en hij stoppen met dit dwaze vertoon. Een jacht kopen en eindeloos ronddobberen op de Stille Oceaan. “Focus! Hou je hoofd er bij!” sist Saskia opnieuw, dit keer door het oortje dat hij in zijn rechteroor heeft. Ze heeft gelijk. Hij moet bij de zaak blijven. Op het gezicht van de steenrijke dochter valt intussen af te lezen dat ze hem zonet een vraag stelde, maar hij heeft geen flauw idee wat. “Zullen we even buiten gaan zitten?” vraagt hij zo nonchalant mogelijk, “Ik krijg het hier zo benauwd van dat kunstmatige licht.” Om zijn rol af te maken, diept hij uit zijn linker broekzak een maagdelijk witte, gesteven zakdoek. Hij zucht te luid en te diep en dept zijn voorhoofd. Bingo. Op het voorhoofd van de mooie blondine verschijnt een diepe rimpel, instinctief neemt ze hem vast bij de ellenboog. “Gaat het wel? Je ziet er inderdaad een beetje bleekjes uit.” Hij knikt met dichtgeknepen ogen, terwijl de vrouw hem naar de patio loodst. Ook hier is de inrichting zo smakeloos dat hij er bijna echt onwel van wordt. Nog even doorzetten. Kom op, jongen, je kan dit. Nog één keer.  Denk aan dat jacht. Denk aan bodemloos rijk zijn. Denk aan die joekel van een verlovingsring om Saskia’s ringvinger. En aan haar verbaasde gezicht.  Hij ploft gespeeld vermoeid neer op één van de houten tuinstoelen die op het zalmkleurige terras staan. Ja. Nu komt het. Nu zal ze voorstellen om een glaasje water te gaan halen. Het moment om ervandoor te gaan met het tasje dat ze zal laten liggen. Één minuut heeft hij nodig. Één minuut, en hij is rijk. “Zal ik even een glaasje water voor je gaan halen?” Er klinkt een zekere ongerustheid door in haar stem. “Nee hoor, hoeft niet, het gaat zo weer beter.”, wuift hij haar voorstel weg, goed wetende dat ze toch naar de bar zal gaan om een glas water. En jawel, ze staat op, de diepe rimpel is er nog steeds. “Ik ben zo terug,” zegt ze, “water doet altijd wonderen.” Showtime. Hij kijkt hoe ze inderdaad haar tasje naast hem laat liggen, volgt haar met zijn ogen terwijl ze langzaam weg stapt, en maakt aanstalten om het tasje te nemen en weg te lopen. Maar dan ziet hij vanuit zijn ooghoek hoe een in het zwart gehuld figuur hem strak aankijkt. Fuck. Ze heeft verdomme haar eigen bewakingsagent bij. Dat maakt de zaken moeilijker, maar niet onmogelijk. Nadenken, jongen. “Saskia!” fluistert hij tegen het revers van zijn kostuumjasje. “Problemen. Ik heb de water-truuk boven gehaald, maar haar bodyguard staat mij hier aan te gapen. Heb jij haar in je vizier? Kan je voor afleiding zorgen?” Een seconde stilte. Even vreest hij dat graaf de Craene hun spelletje doorheeft en dat Saskia nu omringd is door een legertje ongure mannen, maar dan klinkt er heel droog “Check. Doe het nu.” in zijn oortje. Saskia. Redder in nood, altijd weer. Wat een wijf.    Zonder om zich heen te kijken of te aarzelen grist hij het tasje vast en zet hij het op een lopen, in de richting van de struiken rondom de patio. Uit het kletterende glas dat hij binnen hoort, maakt hij op dat Saskia inderdaad voor afleiding zorgt, en dat hij nog zeker een dikke minuut heeft vooraleer de diefstal opgemerkt zal worden. Zijn hart bonkt in zijn keel, de adrenaline bruist in zijn hoofd. Alles suist. Vooruit. Recht vooruit. Hij voelt ondertussen de ogen van de bodyguard in zijn rug priemen, maar hij maakt zich geen zorgen. Als hij rent voor zijn leven, komt alles goed. Hij is sneller dan die lome krachtpatser. Sneller en slimmer. Hoor die kerel maar eens stampen. En lopen maar. Daar, door dat gat in de haag, recht de wildernis der struiken in. Nog even en hij is veilig. Nog één minuut pompen en hij hoeft zich nooit meer zorgen te maken. De mouw van zijn jasje scheurt aan een tak waarachter hij blijft haken, maar hij blijft lopen. Zijn duurste aankoop ooit. Hugo Boss. Pure zijde. Getailleerd. Een echte investering, hij mocht immers niet opvallen. Met dit pak en zijn perfecte smile won hij altijd instant geloofwaardigheid bij de rijke vrouwen die hij bestal. Hij zal het toch niet meer nodig hebben, na deze catch. Het had zijn beste tijd toch al gehad.  Wanneer hij zeker is dat hij niet meer gevolgd wordt door de zwartgeklede kleerkast, zet hij zich hijgend op zijn knieën. Hij heeft de longen uit zijn lijf gelopen. Zijn vingers trillen van opwinding wanneer hij de portefeuille van dochter de Craene uit haar tasje haalt. Baar geld, een handvol platina creditcards en een stapel staatsbonnen, volgens Saskia’s research. Goed voor een paar miljard euro. Tergend traag opent hij de ritssluiting van de peperdure portefeuille. Zijn oren suizen. En dan…  Één kleine post-it. Verder is de portefeuille leeg. Een belachelijk klein papiertje met een smiley, begeleid door één zinnetje. “Kijk in je achterzak.” Hij krijgt het ijzig koud. Plots voelt hij het. Zijn hart begeeft het bijna. Leeg.  

Annelies Leysen
5 1
Tip

Avocado

Net voor ze de avocado in tweeën gaat snijden, aarzelt het mes in haar hand bij de schil. Nooit heeft ze hem deze vrucht zien eten. Hoe zou dat zijn? Misschien zoals toen, tijdens de trekking, die avond op de pas. Waar landschappen als decorstukken elkaar verdrongen om een streling van het laatste licht op te vangen. Terwijl ze even uitrustten bij de top van een kleine heuvel, had ze een appel in stukken gesneden en met hem gedeeld. Stil nam hij de stukken van haar over en hoewel hij volledig in zijn schrift opging, at hij ze gretig op. Hij smakte erbij. Toen ze hem daar voorzichtig op wees, zei hij dat hij erover aan het schrijven was. Over de tocht door de bergen, over de appel, over haar. Luidop had hij alles vertaald voor haar. Met dezelfde gretigheid had hij medicijnen gegeven aan de zieke vrouw in het kleine donkere keukentje van de familie bij wie ze die nacht zouden verblijven, had hij geprobeerd zijn gasvuurtje te verkopen op de camping, had hij in het grote krentenbrood gebeten en haar voor het eerst gekust. Het is de eerste avocado die ze eet sinds ze terug is. De vrucht is perfect rijp. Het mes valt bijna door het vlees. Ze ziet het satijngroen al voor zich. Zoals de gerstvelden die oogstklaar lagen als tapijten rond de dorpjes op de hellingen. Temidden die velden had ze lange gesprekken gevoerd met hem. Eerst zonder hem. Toen hij nog op haar aan het wachten was in een stoffig dorp. Vlug genoeg met hem, toen de kleine riviertjes rood werden als slagaders bij zwellende harten. (Waar ze hem moest uitleggen dat het door de pigmenten van de textielverven kwam en niet door het bloed van slachtingen.) Maar misschien had hij haar veel meer bijgebracht. In die korte tijd. Eerst en vooral had hij haar een nieuw scheppingsverhaal gegeven. Daarna werd hij ziek en leerde hij haar om bij hem te zijn. Ze leerde op hem te wachten. Op andere dagen had hij uit haar verhalen gepuurd. Dan luisterde hij met al zijn oren. Wanneer hij terug aan het praten ging, kwam soms een oud verdriet tegen de oevers van zijn ogen gerold. Ook al spraken ze een andere taal en proefden de woorden soms vreemd, ze dacht dat ze elkaar begrepen en samen konden reizen. De laatste helling waren ze rennend en rollend naar beneden gekomen, joelend als kinderen. Geen zinnen meer. Ze scheidt de helften van de avocado en voelt hun weerstand. De militair in het kleine luchthaventje moet het ook gevoeld hebben toen hij hen afscheid zag nemen. Tegen alle regels in liet hij hen samen in de passagiersvertrekken toe. Prachtige woorden vonden ze uit. Afscheid en afwezigheid zouden niet gelijk zijn. Ze neemt het zoutvat. Te veel zout regent neer op het glanzende vruchtvlees. Hoe vaak heeft hij haar er niet voor gewaarschuwd. En ook voor te veel zon. Ze glimlacht. De gepolijste pit glijdt uit haar handen. Ze probeert hem nog op te rapen, ze krijgt er geen vat op. Als in het midden van een verhaal voelt het.

Marjanne Sevenant
29 1

Uit

Hij voelde dat hij nu iets moest zeggen. Dadelijk was ze weg. Hij zou haar nooit meer terugzien, dat wist hij nu wel zeker. Ze zou met de regen mee wegstromen uit zijn leven. ‘Straks val je van de bank.’ Hij liet het zo luchtig mogelijk klinken. Ze gaf geen krimp. ‘Kom, schuif eens wat dichter,’ probeerde hij nog eens, sussend nu. ‘Zo moeten we naar elkaar roepen.’ Ze hield de paraplu gekneld in haar hand. Haar vrije hand lag als een gewond vogeltje in haar schoot. Haar vingers vormden een bleke vuist. Hij wist dat ze het koud had. Hij wist ook dat ze lang, heel lang kon zwijgen. Gedempt zuchtte hij. Provoceren, dat moest hij doen. Het was zijn enige kans. ‘Straks komt er iemand tussen ons in zitten, dan kunnen we helemaal niet meer praten.’ Ze bleef strak voor zich uit kijken, toen ze schamper zei: ‘Er zit iemand tussen ons.’ Ze zuchtte. Hij had zoiets verwacht, ze hield ook van metaforen. ‘Neen,’ zei hij, ‘die zit er niet meer.’ Hij wist dat het zwak klonk. Wild verpakte ze de paraplu in haar andere hand en draaide haar hoofd weg. Er stoven druppels op zijn lederen jasje. Hij vloekte in gedachten. Waarom konden ze niet gewoon ergens binnen een koffie gaan drinken. ‘Ach,’ snoof ze,’en hoe weten we dat zo zeker?’ Nu, dacht hij. Hij wist dat hij nu terug moest tennissen. Een magisch woord. Zekerheid, dat wou ze. Een stukje brood op zijn uitgestrekte handpalm. Alles komt goed. Aarzelend zou ze dichterbij gesprongen komen. Het kon eenvoudig zijn gegaan. Een sms. Gisterenavond, na het eten, rustig op de bank. Mobieltje bij de hand genomen. Het nummer ingetikt dat hij vanaf het begin vanbuiten heeft gekend. Ik heb gekozen, tikken. Voor haar. Hij keek naar de punten van zijn schoenen. De regen vormde er kwikbolletjes op, zo goed waren ze gepoetst. Zijn gedachten kreeg hij niet rond. De woorden waren een kudde opgejaagde herten. Niet één kreeg hij te pakken. ‘Hé?,’ met een ruk draaide ze haar hoofd weer zijn kant op, ‘hoe kunnen we dat zo zeker weten?’. Hij moest iets zeggen. ‘Je schreeuwt,’ zei hij stil. Ze wreef een druppel van haar neus. Kalmer nu. Ze keek hem aan. ‘Ik heb het altijd al geweten.’ Nu pas hoorde hij hoe ritmisch de regen op hun paraplu’s tikte. Zou ze er nu ook een liedje bij bedenken? Ze had gelijk. Sinds kort was er een ‘voor’ en een ‘na’. En het hele stuk ‘voor’ was eigenlijk een voorbereiding op het ‘na’ geweest. En ‘na’, dat was nu. Nog bezig. Voor altijd. Niet te stelpen. Dat moest hij haar nu zeggen. ‘Ja,’ zei hij alleen maar. Ze keek nog altijd zijn kant op. ‘Nu weet jij het ook,’ zei ze. ‘Je hoeft niet meer te liegen, dat is het belangrijkste.’ Net voor ze opstond tikte haar paraplu even tegen de zijne. ‘Ook niet tegen hem.’ Ze wandelde weg. In de plassen vormde zich een kielzogje achter haar sneakers.

Marjanne Sevenant
14 0

Ik ben een halfbloedje en haat het...

Ik ben niet zwart en ik ben niet wit, ik ben “een halfbloedje” zoals men dat netjes zegt. Maar eigenlijk betekent dat gewoon dat ik een mens met een bruin kleurtje ben; een halve neger of een halve blanke, het is maar hoe je het zelf noemen wilt.   Ik ben een halfbloedje en ik haat het dat blanke mensen ons discrimineren. Dat ons zwarte deel op jullie blanken scam 419 gebruiken omdat we jullie dom vinden moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat jullie me afrekenen op mijn huidskleur. Dat in het zwarte Afrika de helft van de bevolking niets van halfbloedjes of blanken moet hebben dat moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat blanken mij een neger noemen. Dat ik mijn zus een neger noem en dat zij mij ook een neger noemt dat moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat blanken mij een zwarte noemen. Dat wij jullie een witte noemen of zelfs ‘roze’ moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat die blanken met hun zwarte piet. Dat wij jullie cultuur doen laten verdwijnen moet kunnen én dat in jullie sinterklaasverhaal het paard ‘wit’ is laat ons allemaal smakelijk lachen. Ik ben een halfbloedje en haat het wanneer mensen mij terechtwijzen, dat is racisme. Dat die blanken wel terechtgewezen worden moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het dat mijn professor mij een slecht punt geeft omdat ik geen reet uitgevoerd heb, dat is discriminatie. Dat mijn blanke medestudenten wel een slecht punt krijgen omdat ze met me mee gefeest hebben moet kunnen. Ik ben een halfbloedje en haat het nog méér dat blanke moeders van gekleurde kinderen doen alsof plotseling alles en iedereen, henzelf en hun gezin discrimineert of dat de omgeving racistisch is. Ik ben een halfbloedje en haat het dat diezelfde blanke moeders van die gekleurde kinderen niet doorhebben dat hun kinderen ettertjes worden of misschien wel al zijn zoals ze hen opvoeden, dat die blanke moeders denken méér afrikaan te zijn dan hun afrikaanse partners, dat die blanke moeders hun kinderen alles maar dan ook alles toelaten omwille van ‘een huidskleur’ maar mooier nog, dat die blanke moeders hun kinderen wel mooi hun vaders én gezinsleven afnemen want… die blanke moeders hebben niet door dat hun zwarte partners niet op zoek zijn naar een fake zwarte maar naar een trotse blanke die, net als hen, een mooie inbreng zou kunnen leveren aan de maatschappij.   En dan op zulke momenten ben ik een halfbloedje die het niet haat dat mijn blanke moeder me nooit met fluwelen handschoentjes aangepakt heeft, dat zij mijn tekortkomingen of fouten nooit bedekt heeft met de mantel der racisme en dat ze me geleerd heeft de waarden en normen van eender welke cultuur te respecteren. Want alleen dat maakt mij nu een persoon die een voorbeeld kan zijn voor niet één, niet twee maar héél véél culturen.

Brown Pearl
461 1

FLOR

    Een luide KNAL… de bliksem is vlakbij. Marieke nipt van haar rode wijn en aanschouwt de pracht van een naderend onweder. Haar blik dwaalt even af naar Tink, haar hondje, dat rustig ligt te slapen in zijn mand, onbevreesd bij al dat geweld. De natuur rommelt, kraakt en knarst. Bomen zwiepen en regen valt als één groot gordijn uit een lucht die donkerpaars kleurt. Het geluid van een SMS bericht verstoort de harmonie van haar gedachten, één met de temperamentvolle Moeder Aarde. Hoe luchtig leest het: 'Terraske Oude Pastorij, wat bijpraten, zou dat kunnen?' Marieke negeert het bericht en kijkt koppig verstoord naar het schouwspel buiten. Enkele minuten later nog luchtiger…:  'Denk slecht moment gekozen, stormt hier!' De telefoon rinkelt! God, nee… niet weer! Laat me toch met rust! Mariekes’ hand beeft terwijl ze de hoorn afneemt, laten rinkelen heeft geen zin. Het verleden leerde dat dit enkel ontaardt in een spelletje van jager en prooi. “Marieke?” “Ja… waarom bel je? Waarom laat je me niet met rust, zoals afgesproken?” Marieke vervloekt haar trillende stem. “ Tja, ik weet dat het niet mag Scha… oei, sorry, ik kan het niet helpen, het is alweer zo lang geleden, en je zit me in het bloed, ik wil gewoon nog eens praten, dat recht heb ik toch, na al die jaren.” Marieke glimlacht grimmig : Dipje, Gerry?” “Neen!”  Gespeelde verontwaardiging ”Ik wilde weten hoe het met je gaat, ik weet dat ik je niet netjes behandeld heb, maar we kunnen er toch nog altijd over praten?” Een laatste felle bliksemschicht verlicht de tuin en het grote terras… het onweder trekt geleidelijk aan verder, zoals hij dat ook zou moeten doen. In het felle lichtschijnsel bemerkt Marieke een eenzame figuur die discreet onder het afdak staat te schuilen…: Flor! Een warm gevoel omhelst haar…, en met een nieuwe kracht hervat ze het slopende gesprek. “De tijd van praten is voorbij, Gerry, het is te laat. Ik heb een nieuw leven nu, ik ben gelukkig en zou het waarderen als je mij de beloofde rust schenkt.” “ Je hebt iemand anders…” Marieke grinnikt in stilte, hoe voorspelbaar toch! “ Ja, Gerry,” zegt ze vastberaden, terwijl ze naar de stille figuur onder het afdak kijkt die zich nog steeds beschermt tegen de aanhoudende regen. ”Ik heb iemand ontmoet waarmee het echt klikt, en deze nieuwe kans laat ik me niet ontnemen door onnozele gesprekken te voeren met iemand die zelfs dàt niet meer verdiend.” “ Ik geloof je niet, hoe kan je… je liegt. Zeg me zijn naam, ken ik hem?” Zijn stem klinkt gebroken in ongeloof. “ In feite heb je ook dat recht niet maar goed, zijn naam is Flor, en neen je kent hem niet, ik ontmoette hem hier in het dorp in het tuincentrum waar hij op dat moment werkzaam was.” “Pfff… een klusjesman” klinkt het wrang aan de andere kant van de lijn. “ Niet direct. Enfin, Flor geeft me de rust die ik nodig heb Gerry, bij hem voel ik me volledig mezelf. “Goed, als jij kiest voor het saaie bestaan met een boerke, dan kan ik daar niets aan verhelpen.  Ik heb altijd al geweten dat je zou verkwezelen in dat boerengat van je. Het gaat je goed!” Met een stevige smak wordt de hoorn venijnig opgegooid. Marieke glimlacht…lacht…en buldert het uit tot de tranen over haar wangen lopen. Nog nahikkend neemt ze haar glas wijn en opent de deur. Ze snuift de opgeklaarde avondlucht diep in, de geur van natte bladeren en fris gras bevestigingen haar in dat nieuwe gevoel van Vrijheid , bevrijd van de jarenlange verstoffing. De lichtjes van het terras zijn aangefloept en in het zachte schijnsel staat nog steeds die trouwe figuur te wachten. Flor… Ze neemt een stoel en installeert zich naast hem met haar glaasje wijn, terwijl Tink, haar hondje zich knorrend op haar schoot nestelt, blij dat de rust is weergekeerd. “Zo, Flor” zegt Marieke zachtjes, terwijl ze over zijn geruite mouw wrijft, “hebben wij dat niet prachtig gedaan daarnet?” Twee guitige donkere ogen kijken haar aan. “Eén ding moet je toch wel weten, Flor, nu dat onze relatie kenbaar gemaakt is…, ik vind je heus de knapste man van héél de wereld.” Ze geeft hem een speelse tik, terwijl hij stoïcijns kalm blijft zitten, de knieën opgetrokken in een ontspannen houding van onverstoorbare onverschilligheid. “Laat het leven maar op ons afkomen, Flor, ik kan nog veel van je leren.”   De eerste sterren verschijnen in een opgefriste donkere hemel. Op het terras weerklinkt nog lang een nieuwe, klaterende lach. Een triomf over de ernst van het leven, aangeleerd dooreen vrolijk manneke van steen. Wie zegt dat tuinkabouters geen ziel hebben…?

Bosfee
26 1

Achter de heuvels

‘Ik vertel je een verhaaltje Daniek, eentje voor het slapen gaan, een korte dat wel’. Ik knikte met slaperige ogen en trok mijn blauwe deken nog wat verder over me heen. Papa leunde tegen de muur en schoof zijn benen onder zich. ‘Ken je dat verhaaltje van de mevrouw tussen de groene heuvels?’ Hij wachtte mijn antwoord niet af. ‘In een land hier ver vandaan woonde tussen de groene heuvels een jonge vrouw. Lange golvende blonde haren had ze en haar ogen straalden altijd, alsof de lente in haar woonde. Ze was geliefd onder de mensen tussen de heuvels, vooral onder de mannen en ze vielen als blokken voor haar mooie verschijning. Vaak werd ze meegevraagd naar feesten of andere gelegenheden, maar ieder wees ze af. Eén man wist maar niet van ophouden, hij was donker en knap, elke zondag liep hij langs haar huis om haar een bos prachtige bloemen te brengen en met haar mee te lopen naar de kerk. De vrouw nam de bloemen aan en accepteerde zijn gezelschap, maar wanneer hij haar vroeg om ’s avonds met hem mee te lopen zodat ze de ondergaande zon konden bekijken op de hoogste heuvel van het land, weigerde ze. De tijd verstreek en de jonge vrouw werd ouder, haar glanzende ogen straalden niet meer altijd, ze was eenzaam geworden. Vaak zat ze in haar huisje op een stoel naast het raam en staarde naar de groene heuvels, fantaseerde over de wereld erachter. Ze droomde van de perfecte man, die haar kwam redden uit dit saaie gehucht en haar mee zou nemen naar de mooiste plekken op aarde, met vrolijke mensen die altijd feest vierden en nooit verdriet hadden. Nog steeds kwam elke zondag de donkere man om bloemen te brengen en met haar mee te lopen naar de kerk. De jaren verstreken, de blonde haren van de vrouw kleurden grijs en ze verloor het laatste restje glans uit haar ogen. Ze zat de hele dag op haar stoel met een hart dat groot en zwaar was van de verlangens die erin rondwaarde. Haar hart was zo zwaar dat ze nauwelijks nog uit haar stoel kon komen. Haar rug was krom getrokken en haar gezicht gerimpeld van de opgesloten dromen die tegen de binnenkant ervan duwden en smeekten om een uitweg. Het was zondag en de donkere man kwam aan de deur, de oude vrouw deed niet open. Toen de man naar het raam liep zag hij haar roerloos zitten in haar stoel, haar ogen nog geopend, staarden naar het niets. Hij opende de deur en ging naast haar zitten en wachtte. Toen de middag bijna aan zijn einde was gekomen tilde hij haar uit haar stoel. Ze was mager geworden en haar stijve lichaam was makkelijk te tillen. Hij droeg haar in zijn armen, helemaal naar de hoogste heuvel van het land. Daar legde hij haar neer en keek met haar hoe de zon langzaam naar beneden zakte. In het laatste licht waren huizen te zien uit een land ver weg van de groene heuvels. Duizenden lichtjes waren te zien daar beneden, alsof de hemel zich daar bevond en niet pal boven hun hoofden. Het was een grote stad, met hoge kerken en mooie gebouwen. Het was een stad waar de mensen altijd vrolijk waren en feest vierden en daar in die stad had geen mens ooit verdriet. De donkere man liet zijn bloemen bij haar achter en liep in het donker terug naar huis.' Papa zweeg. Ik zweeg ook, want ik sliep.   Nu ik hem jaren later tref, op dit donkere station, waar hij onderuitgezakt tegen de muur zit op de vieze koude grond, met zijn ogen halfopen starend naar het niets, met de naald nog in zijn arm. Precies nu snap ik wat mijn vader bedoelde met het verhaaltje, wat ik toen maar verdrietig vond en een beetje eng. Ik kijk naar zijn uitgemergelde lichaam, zijn hangende gezicht en het enige wat ik kan bedenken is dat ik hoop dat hij het gevonden heeft in het duister. Zijn paradijs achter de heuvels. De agent naast me kucht ongemakkelijk. ‘Is..of ik bedoel misschien uh..was dit uw vader?’ Ik kijk de agent recht aan en glimlach. ‘Ja, dit is mijn vader’.

anemonemaan
0 0

Terug naar de kust

Laatst was ik nog eens in België. Ik ben het landje in 2003 ontvlucht maar kom er nog af en toe.  Mijn moeder woont er namelijk. In Knokke dan nog wel. Het mekka van de nieuwe rijken. Waar mannen op zondag in de rij gaan staan bij de bakker en vogue omdat ze gehoord hebben dat daar  de beste pistolets worden gebakken.  Waar Lippens het al jaren voor het zeggen heeft. Waar ik van zijn leven geen voet zou zetten maar door omstandigheden al 48 jaar af en toe verblijf. En mijn  moeder woont er dus.  En ze moest naar het ziekenhuis. Genoeg redenen om dat vermaledijde oord nog eens op te zoeken. Dat ziekenhuis, een angstige moeder, een vochtige kelder, het platte land.  Het mondde uit op een vriendelijke confrontatie met het verleden. Nieuw waren de ooievaars, de uit het niets opduikende kunstwerken en een labrador pup die naar de naam Sean luisterde. En ik heb ook het schoonste strand van Nederland ontdekt, heb er zelfs een wijntje gedronken en ik heb een wereldvredesvlam gevonden in een onooglijk polderdorpje. Misschien heb ik zelfs een vlucht regenwulpen gezien. Het gelijknamige boek heb ik in een vorige leven gelezen. Een vorig leven. Dat is 40 jaar geleden. Het strand aan de Lekkerbek, vlak voor het Zwin natuurreservaat in Knokke-Zoute leek immens. Nee, het WAS immens. Je moest immers wel 20 treden af voor je op het zandstrand stond. En bij laagtij moest je echt wel een eindje stappen alvorens je voeten het zilte nat konden voelen. Hoe dichter je bij de zee kwam, hoe natter en donkerder het zand. Je voeten werden erdoor opgezogen. Het leek wel drijfzand. En je wist dat er een leven bestond net onder dat laagje zand. Dat zag je aan de zandslangetjes die overal verspreid lagen. Slangetjes zand. Afkomstig van een of andere krab. Er waren krabben en massa's schelpen. En amper mensen. Toen waren er ook nog "brislams" (verbastering van het Franse brise-lame) zoals mijn neefjes en ik ze noemden. Golfbrekers zijn dat. Het was er eigenlijk gevaarlijk vertoeven vanwege de stromingen errond. Je gleed er ook ontzettend makkelijk af. Maar het was er zo heerlijk om op avontuur te gaan. En je kon er als het ware de zee opwandelen want als je op het einde van de brislam stond, was de dijk heel ver weg en leek je heel even een deel van de zee te worden. En wat was er veel leven in die plasjes die overbleven nadat het hoogtij was geweest! Mosselen, krabben, scheermessen (je weet wel, die langwerpige schelpen), af en toe een vis. En op het strand zelfs regelmatig haaientanden. Die zouden 40 miljoen jaar oud zijn. Ik herinner me nog erg goed een legendarische storm. Het moet ergens eind jaren zeventig geweest zijn. Mijn oudste neef en ik hadden onze skateboarden boven gehaald. En op de dijk, skateten we, met een plastic zak als windzeil boven onze hoofden. Het ging ontzettend snel! En we lachten als gekken en waren oprecht gelukkig. De zee kwam toen tot aan de dijk, tot aan de bovenste van de 20 treden en nog veel verder ook. In een mum van tijd was de dijk ondergelopen. Die golven tot net achter het huis waren een fantastisch zicht.  Ik keek naar de grijze zee en zag het nog grijzere water kolken. Ik voelde ontzag. En werd bang. Mijn neef maakte het nog erger door me vreselijke verhalen te vertellen over drijfzand, draaikolken en dolgedraaide kwallen. Het regende, woei en kolkte dat het een lieve lust was en het eindigde met een verplichte terugkeer naar ons familiehuis, op de Lekkerbek, aan de Zoutelaan. Want het werd te gortig. Zelfs voor twee tieners met een skateboard.  Ten Putte heette het huis van mijn grootouders. Met op de veranda een emmer water waar we onze voeten in moesten wassen als we van het strand terugkwamen. Dat deed mijn oma natuurlijk om te vermijden dat het hele huis tot zandbak zou verworden. Dat huis met de vele geheime en niet gebruikte kamers staat er al lang niet meer. In de jaren tachtig begon namelijk de waanzinnige immobiliënrace aan de Belgische kust. En oma en opa hebben het nog lang kunnen tegenhouden, tot ook zij overstag gingen en Ten Putte verkochten aan een of andere genadeloze makelaar. De villa, onze villa, een parel uit de jaren dertig, een schoonheid, een familiehuis, een karakterkop moest verdwijnen. Om plaats te ruimen voor zielloze appartementen. Ik ben laatst nog eens gaan kijken naar Ten Putte (ze hebben de naam behouden), naar de Lekkerbek, naar Het Strand. Was het misplaatste nostalgie (ik ben niet echt een nostalg, maar Ten Putte ligt gevoelig, ik geef het toe) dat me dreef, of een denken aan mijn grootouders die al lang gestorven zijn, aan mijn neven en nichten die ik op een enkele uitzondering na nooit meer zie, of was het een gevolg van mijn recente scheiding van een man waar ik meer dan 20 jaar lief en leed mee heb gedeeld, of was het gewoon een opwelling? Ik weet het nog steeds niet. Het huis is weg. Maar onze buren, de ouders van Jacky Ickx, de F1 chauffeur, hebben stand gehouden. Hun huis staat er nog. Dat deed me plezier.  Ik heb jaren een hekel gehad aan Knokke, aan de m'as tu vus, aan de nieuwe rijken, de absoluut niet discrete charme van de bourgoisie, aan de truien op de schouders van mannen met foute schoenen, van de bontjassen en de kakmadammen, van de Avenue Lippens (zoals de Lippenslaan steevast wordt genoemd) die zo leeghoofdig is dat je haast spijt krijgt van die paar neuronen in je hoofd omdat ze je zo verloren laten voelen, aan de volgebouwde dijken enz. En kijk, anno 2014 is dat er allemaal nog steeds. En op de dijk is het nog erger geworden. Hele stranden zijn nu privé domein van de bar-en of restauranthouders. De golfbrekers zijn weg, het strand is opgehoogd; daarvoor zijn miljoen kilo's zand nodig geweest. Dat hebben ze moeten doen om dat de stormen uit de jaren zeventig en tachtig levens hadden geëist. Maar ik heb toch nog het Knokke van mijn kindertijd kunnen terugvinden. Neen, ik ben geen wafel gaan eten bij Marie Siska zelfs al bestaat dit legendarisch eethuis nog, ik heb ook de ijsjes van De Post niet gegeten (die bestaan namelijk niet meer) en zelfs mijn boekhandel Corman is verhuisd en heb ik ook niet bezocht. Maar...en ik geef het node toe...  ik moet toegeven dat Knokke ook wel meer is dan al dat vreselijke dat ik hierboven beschreef.  Ik heb gefietst door het Zoute met de unieke witte huizen met rode daken. En ja, er staan vreselijke Porsches en andere Cayennes voor de deur en waarschijnlijk wil ik 85 % van de eigenaars zelfs niet kénnen, maar de wirwar van straatjes afgebakend door knotwilgen, de prachtige Engels cottage stijl , de eenheid van kleuren en de klank van de meeuwen en de zoute zeelucht...ik geef toe, het is uniek. En dan nog verder naar het Oosten:  het Zwin reservaat. Eigenlijk een oude verzande zeearm dat al sinds de 18de eeuw privé bezit was van de Lippensfamilie maar sinds 2006 een Provinciaal Domein is. Vandaag is het gesloten om weet ik veel wat voor reden, maar het is gelukkig toch deels toegankelijk. Het Zwin is een uniek natuurgebied dat Nederland met België verbindt. Het was 20*c die dag in Knokke. De lucht was knalblauw, de ooievaars van het Zwin in een decadent sociale bui en het strand aan het Zwin was leeg. En als kers op op de taart doemt er totaal onverwacht een gigantische haas op. Het blijkt een kunstwerk van de Britse beeldhouwer Barry Flanagan te zijn.  Eventjes lijkt het alsof kunst de natuurelementen kan verbinden: de Noordzee, de lucht,  het strand en de schorren.  Ik fiets doodgelukkig naar het huis van mijn mama. Overtuigd dat het wel goed met haar komt.En vermijd daarbij zorgvuldig de Avenue Lippens.

Nathalie
14 0

Gebroken lint

Je schreef elke dag naar me. Honderden briefjes heb ik bijgehouden. Stukken papier met gekke droedels, schattige tekeningen en lieve boodschappen. Die eerste jaren ook geile boodschappen, maar eigenlijk niet zo vaak.  We waren jong en de wereld lag aan onze voeten. Alles, echt alles, was nog mogelijk. Muziek spreekt meer dan woorden. Daarom wisselden we cassettes uit. K7 in het Frans. In deze tijd van smartphones kan je je dat amper noch voorstellen. Het is toch allemaal zo veel simpeler geworden! Net als de jongeren van nu maakten we zelf onze muziekmix. Het verschil met anno 2014 is dat je dit in de jaren '80 echt uren duurde. Het was een ambacht. Want als je het goed wou doen, moest je precies afmeten hoelang een nummer duurde. Het vergde echt wel wat vaardigheden om de juiste songs mét de juiste lengte te zoeken, deze dan op een platenspeler afspelen, meteen het goede nummer vinden (en de naald op de juiste plaats weten te plaatsen én er weer afhalen als het liedje gedaan was), op REC duwen en dan weer op PAUSE. En dan weer opnieuw op REC. En dan terug PAUSE. Het moeilijkste zat 'm in de staart. Je had K7tjes van verschillende lengtes. De meest gangbare waren die van 60 of 90 minuten. Ik had een voorkeur voor de langere. Van het merk Maxwell. Goudkleurig. Zo cool. Je had twee kanten op die plastic dingen: een A-kant en ja, ook een B-kant dus. Ieder 45 minuten. Begin maar eens liedjes te kiezen die allemaal samen precies 45 minuten duren! Onmogelijk. Dus werd de laatste song vaak spontaan geaborteerd. Of hij ging gewoon lustig verder op kant B. Ik ben altijd nogal lui geweest. En ik werd er zowaar slecht gehumeurd van. Maar dat was nog helemaal niks vergeleken met een cassette die in de speler bleef steken. Oh helse brij van lint! Je moest dan een potlood of een pen zoeken die precies in één van die 2 gaatjes van de cassette paste om dat lint terug in de muziekdrager op te rollen. En vanaf dan wist je ook pertinent zeker dat je met een verzwakt exemplaar te maken had. Het kon ook nog erger: dat was als er een stuk lint helemaal verkreukt was. Dan werd het stuk totaal onbruikbaar. Dan kwam er papier en plakband aan te pas. Je moest het slecht stuk eruit knippen en vervolgens zeer netjes, om te vermijden dat het lint terug bleef steken, de twee uiteinden aan elkaar plakken. Ja ja ja, dat waren nog eens tijden! Jij en ik wisselden vaak zulke cassettes uit. We hadden zo ongeveer dezelfde smaak. Vaak hadden we trouwens dezelfde nummers. Er was immers nog geen overvloed van muziek beshcikbaar zoals dat nu, in de 21ste Eeuw wél het geval is. De videoclip was pas uitgevonden. Het kostte toen een fortuin om een clip te maken.  We waren aangewezen op hippe Britse bladen zoasl de NME om op de hoogte te blijven van goede muziek. Of van het Hollandse 'OOR". Een Belgisch alternatief was er niet. We ontdekten groepen via festival zoals het fameuze Seaside Festival in De Panne of via hippe nachtclubs in Leuven of Brussel. Iemand nog bekend met de Beau Bruxelles of met de Atelier in Leuven? De inhoud van de cassetjes schreven we op die mini papiertjes die erbij staken. Ik heb er zo eentje bijgehouden. Daar stonden o.a. volgende songs op: -Angie (The Rolling Stones) -The Tide is High (Blondie) - Our lips are sealed (The Gogos) -You better you bet (The Who) - Your kiss is on my list (Hall&Oates) -Rescue (Echo and the Bunnymen) - Spend the night with me (The Kids) Je had heel subtiel (nou ja...) "Spend the night with me" onderlijnd. En ik had de boodschap begrpen. Ik heb die nacht niet met je doorgebracht. Maar wel de volgende. Je maakt geen cassetjes meer voor me. Veel van de muziek die we toen beluisterden heeft de tand des tijds niet doorstaan. Ik luister nu nog meer naar jazz dan ik toen deed. Zo krijg ik bijvoorbeeld niet genoeg van Chet Baker's versie van The Thrill is gone. Uit elke noot stroomt een verlangen naar dat wat voorbij is. Een verlangen naar het verlangen. Naar de eerste van die vele nachten. Maar we zijn 30 jaar verder. En meer dan 9000 nachten. De wereld ligt niet meer aan onze voeten. En niet al onze dromen zijn in vervulling gegaan. Zou het niet leuk zijn, moest ik vanavond een briefje onder je hoofdkussen leggen?

Nathalie
0 0

Voor de eerste maal

Het is vrijdagavond en ik zit aan de bar in mijn geliefkoosd bruin café. Onverwacht ontmoet ik Annabel. Vorige week was ze er nog niet. Maar nu is ze er wel, samen met haar zusje en pas gearriveerd uit Frankrijk. Ze verbleef er vier jaar omwille van haar werk. Maar nu is ze definitief terug in het land. Ze is blij. Ze miste haar stad en haar vrienden. Maar die zijn er deze keer niet bij. Enkel dus haar zusje en die stelt mij aan haar voor.„Hallo Rob. Dit is mijn oudste zus Annabel. Zij logeert enkele dagen bij mij”.Het is nog vroeg op de avond en nog niet onder de invloed van enkele glazen alcohol, die mij soms helpen om de juiste woorden te vinden, wil ik haar inpakken met een onbeholpen:„Enchanté Anne, wat ben je belle”.Nog maar net hebben deze woorden mijn mond verlaten of ik heb al spijt dat ik ze uitgesproken heb. Waarom stel ik mij toch aan als een idolate tiener? Maar, wonder boven wonder, heeft mijn puberale begroeting toch een gevoelige snaar geraakt.„Je bent wel direct moet ik zeggen, maar geef toe welke vrouw gaat een complimentje uit de weg” antwoordt zij mij onverwacht. Het ijs is gebroken en de rest van de avond krijgt het ijs in haar longdrinkglas niet de kans om te smelten. „Zonde om die lekkere drank aan te lengen met water. Een beetje ijs mag maar het hoeft enkel te dienen om wat af te koelen” zegt ze verrukkelijk. Ik merk dat ik nog veel kan opsteken van haar. Als haar zus aanstalten maakt om een ander cafeetje op te zoeken, stel ik voor dat ik Annabel naar huis zal brengen. Ik vergeet met opzet te vermelden welk huis ik dan wel bedoel. Mijn thuis dus. Een gezellig appartement in de stad op slechts enkele minuten lopen van de uitgangsbuurt. Annabel is fantastisch en bij momenten hilarisch als ze vertelt over gebeurtenissen in haar jeugd of voorvalletjes tijdens de jaren die ze doorbracht in Toulouse. Voor de eerste maal sinds mijn scheiding ben ik weer verliefd. Smoor op haar zoals die puber van daarstraks. Zij is het einde. Zij is een nieuw begin. Onze handen laten even los als we thuis toekomen en ik de sleutel in het deurgat steek. Voor de eerste maal kus ik haar. Vier verdiepingen lang tot de lift abrupt stopt en onze lippen scheiden. Voor even maar. In mijn appartement vinden we dadelijk de weg naar mijn slaapkamer. Voor de eerste maal sinds ik alleen ben, ben ik niet meer alleen. Annabel is bij mij. In mij. Op mij. Van mij. Wat ben je mooi. Wat ben je lief. Wat ben je niet? Je bent alles. Voor mij. Van mij. Na de liefste vrijpartij van mijn leven, gaan we samen in bad. Het grote gietijzeren tweepersoonsbad. Mijn pièce de résistance. Het veelkleurige badmatje dat er al veel te lang ongewassen ligt schop ik in een hoek. Ik doe beide kranen open en zoek naar de ideale temperatuur. Annabel zoekt een lekker badschuimpje uit en we verdwijnen onder de belletjes. Haar tenen wriemelen aan mijn neus en ze schatert het uit. Voor de eerste maal ben ik weer gelukkig, weer gelukkig sinds lang.„Ik hou van het kuiltje in je kin en van het zout en peper in je haar” hoor ik haar graag zeggen.„Dan moet ik het zeker wassen” antwoord ik en verdwijn met mijn hoofd onder water. Terwijl ik mijn ogen sluit en mijn kruin met shampoo bewerk, hoor ik haar zeggen:„Ik stap er al uit en wacht op je in ons warme bedje”.Haar rechtervoet schuurt even langs mijn been als ze uit het bad stapt. Ik dompel mijn hoofd onder water en hoor een zware dreun. Als ik rechtkom bengelt Annabel’s linkerbeen over de badrand. Terwijl ik probeer recht te komen zie ik haar hoofd in een grote bloedplas liggen op de kale, zalmroze marmervloer. Ik verlies mijn evenwicht en val achterover terug in het bad en stoot mijn linkerslaap met volle kracht tegen de kraan. Mijn bloed vermengt zich met de laatste verdwijnende zeepbelletjes. Voor de eerste maal zijn we samen dood.

Marc M. Aerts
0 0