Zoeken

Vignet

De avond was koud genoeg om een dikke mantel en handschoenen aan te trekken voor ik nog maar zou overwegen om naar buiten te gaan. Met een stevige tred liep ik door de straten van Leuven, de februariwind bijtend in mijn gezicht. Morgen zou het gaan sneeuwen. Onder de toren van de Sint-Geertruikerk zag ik haar, huppelend de Mechelsestraat af dartelen. Ze had een koptelefoon over haar wilde bos kastanjebruine haren en ze leek volledig op te gaan in de muziek die enkel zij kon horen. We zouden elkaar weldra kruisen en ik bedacht me of ik niet beter de straat zou oversteken, uit voorzorg. Voorzorg waarvoor? Ik was niet zeker, maar had geen zin in gedoe, in dronken mensen die je lallend aanspreken op straat. Terwijl ik me dit aan het bedenken was, was het al te laat. We waren elkaar al te dicht genaderd om nu nog de oversteek te maken. Nu zou het gewoon onbeleefd zijn. Haar blik kruiste die van mij en een glimlach doorbrak haar gezicht. Terwijl we elkaar passeerden stak ze resoluut haar hand naar me uit, kauwend op een kauwgom. Haar dieprode, bijna bordeaux of paarse lippenstift zag eruit alsof het al lang geleden was aangebracht, waarschijnlijk aan het begin van de avond. “Mag ik uw hand?” Gedurende een enkele tel aarzelde ik, maar dan legde ik mijn hand in die van haar, mijn hand omhuld door een zwarte handschoen, haar hand bloot. Ze bewoog haar lichaam heen en weer op de muziek die uit haar koptelefoon kwam, hief haar arm op en wilde me laten ronddraaien. Ik voelde me ongemakkelijk en onwennig, begon te zeggen dat ik helaas door moest. Zonder hier acht op te slaan, draaide ze dan maar zelf rond en zei lachend “Nu jij.” Hier kon ik niks tegenin brengen, werd geïnfecteerd door haar vrolijke zelf. Nog steeds een beetje ongemakkelijk draaide ik rond, haar hand nog steeds vasthoudend. Halverwege de omwenteling sloeg mijn hart een slag over, ik voelde haar goed gemoed oversijpelen naar mezelf en beantwoordde haar glimlach. Hierna maakte ze een diepe buiging en danste verder de nacht in. Ik bedacht me dat ik dit moment moest bijhouden, neerschrijven, niet vergeten. Terwijl ik mijn nachtelijke wandeling verderzette, werd ik overvallen door een gevoel van rouw voor de mensen die we ontmoeten en daarna nooit meer zullen terugzien. De rouw werd opgevolgd door de berusting in dat dat ook niet erg is, dat de schoonheid ervan net in die vluchtigheid zit. Toen ik achterom keek, was ze verdwenen, dat onbekende meisje dat samen wilde dansen deze nacht.

LeenB
2 1

Vriendelijke man

Onder het motto 'ook als het niet regent kan je schuilen' stap ik met mijn krant een bruin getinte horecazaak binnen. Mijn vrouw en het gezelschap vergapen zich aan de Antwerpse uitstalramen. Terwijl ik aan de toog een artikel uit de vuistdikke weekendkrant lees, komt er een struise man in een donkerblauw kostuum binnen. Hij mankt en heeft moeite om op de kruk naast me te klauteren. Hij bestelt net als ik een koffie. Ik haal mijn beste sociale zelf naar boven en vouw de krant dicht en leg ze voor mij op de toog. De man kijkt naar de krant en wijst ernaar. Hij zegt niets maar zijn mimiek is duidelijk. Of hij die mag lezen. “Het is niet de krant van het café”, zeg ik. “Wel die van mij, maar je die mag best lezen’. Hij slaat de krant open en neemt zijn tijd voor het eerste artikel uit de weekendbijlage. Daar zit ik. De patron heeft zijn stem nog thuis liggen. Er zijn geen andere klanten en mijn buurman leest mijn krant. Op zijn dode gemak. Een stroom aan onrustwekkende gedachten stapelen zich op. Ik kan hem die krant toch niet terugvragen? Wat als mijn vrouw en het gezelschap naar mij op zoek gaan? Hij is toch maar onbeleefd. Hij heeft nog geen woord gezegd. Kijk, nu maakt hij zijn vinger nat om de pagina om te slaan. Ondertussen is er een half uur gepasseerd. Ik zit al aan mijn derde koffie. Terwijl ik hem ietwat stuurs aankijk, verorbert hij nog een artikel. Drie kwartier al. Wat een asociaal geval. Wat kan ik doen? Plots slaat hij de verlossende pagina om. “Leuke krant”, zegt hij. “En er staat veel in. Dank je wel om ze even te mogen lezen. Mag ik een pintje patron?” Vriendelijke man, dat wel.  

Rudi Lavreysen
4 0

Dit!

Dit huis liet hij voor me neerpoten. Na acht maanden stond het er. Van bouwplan naar realisatie. Echt, dit! Je vraagt je af of hij rijk is? Hij deed het uit liefde! Bepaalde hij de vorm, de ligging? Ik bezat geen grond. En ik, ontvang dit met open handen? Met een open hart! Vanavond krijg ik de sleutel. Het huis krijgt een naam, ik mag erover fantaseren. Hij wil geen naam bedenken. Luister, zeg ik tegen mijn dode moeder, hij weet er echt veel vanaf. Je moet je geen zorgen maken. Ze kent me, en weet dat mijn vingers nooit groen zullen zijn. Ik draag de nagels en de lak. De hakken van mijn schoenen zullen als naalden in de ons omringende natuur, ze maakt zich postuum zorgen. We kijken naar de foto, zitten zij aan zij in onze roze sofa. Poes snurkt. Hij streelt mijn blote been. Deze foto, en nog één met een hoekig tiny huis. Maar hij heeft je ooit geslagen! En nu dit? Mijn moeder haalt met haar assige lijf de oude koei van stal, ze laat ze loeien tot ik ontplof. Ik heb teruggemept, dat weet je toch nog? Ik roep het in haar linkeroor: ik heb hem toen dat blauwe oog! Ze trekt haar hoofd weg, drukt een handpalm tegen het geschrokken schelpje. Links. Prachtige oortjes heb je, ik hoor er de zee in. Dat zei hij op onze eerste date. Ik kuste hem, nam hem bij de hand, zocht het hoge gras, liet me vallen, hij viel naast me neer. Dit huis! Tiny krijgt een woning. Dit nest wil ik voor je neerpoten, dat beweerde hij al na een maand. Hij trok uit de achterzak van zijn jeans een verfrommeld papier. Deze foto liet me dromen. Dromen mag, zei hij. In een berichtje schrijft hij: kom je gauw naar de narcissen kijken? De naam 'narcis' vind ik zeker een optie. Jij?  Geen reactie.          

Ingrid Strobbe
2 1

De blaat-het-schaap-route

De vennen, de bomen, de bewegwijzering, dat alles ligt en staat in Oisterwijk. Geef toe, je denkt toch meteen aan oesters, een wijk vol oesters die in open monden verdwijnen. Met een  coupe champagne staat dat erg chique. Oisterwijk in Nederland dus, het is niet zo heel ver rijden.  We zijn met z'n drieën. Een vierde dame ligt in bed met migraine. Ik parkeer de auto aan Wout waar we allen plassen. Niet samen zoals van vrouwen wordt beweerd, maar iedereen apart. Niet samen bij de spiegel om de lippen te stiften, huidkleurig is oké vandaag. Tegen de dienster zeggen we 'tot straks' en wuiven erbij. De route telt 15km, dat is voor onze getrainde benen haalbaar. De gele cirkel aan de hemel warmt de aarde op, mijn bril met uv-bescherming komt van pas. Onmiddellijk valt de charmante omgeving op; rijhuisjes baden in decoratie en de straatstenen lijken vers gebakken. Het ruikt naar anjers in de bocht die we nemen. Besef nr.1: het plannetje vertoont enkele verrassingen. De cijfers links komen niet overeen met die aan de rechterzijde. Ik moet even herbekijken en draai het plan een keer op z'n kop, Martine neemt het over en concludeert in sneltempo, zij ziet dat al wat links staat horeca is, ik ben traag en moe. De route biedt ons een groene kijk op de wereld zodra we het dorp verlaten. Groen het gras met daarin een smalle beek. Een afgetopte boom zonder vogels, voorlopig horen we geen liedjes uit snavels ontsnappen. Het eerste ven duikt op, we lopen er langs. Ilse in een jeans, Martine en ik dragen een wandelbroek. Ik ben de enige met wandelschoenen van een merk dat wandelschoenen maakt, en toch word ik niet gezien als wandelaar. Ik ben het schaap. Dat zie je aan de vest die ik draag, een reden om mij vaak te knuffelen. Ze vinden dat belangrijk. Is dit een bijzondere dag? Het is een zondag zonder regen, het is een dag om natuurgebieden op te zoeken. Heel veel mensen doen het. Het is ook complimentendag. Het is een dag om te praten over mannen, kleinkinderen, borsten, baarmoeders, ex-en, en nummers. Er klopt iets niet na nummer 38. Na een koffiestop zoeken we nummer 62. Ergens te vinden? Nergens te vinden. Met drie bekijken we het plannetje, dan de omgeving, het plannetje, de wijdere omgeving waar we op de paaltjes enkel pijltjes zien, geen nummers.  Ik herinner me vaag dat ik jaren geleden, die richting uitging, dat kan toch niet kloppen, de herinnering wordt vager zodra ik ze uitspreek, het is echt jaren geleden, die richting is niet voor wandelaars. Hoopvol kijk ik in het rond. Martine neemt de leiding. Gelukkig neemt zij het van me over, ze vraagt het aan een man die bij zijn auto, hij bekijkt het plannetje. Hij kijkt achterom, bedenkt drie zadels die onder onze zitvlakken, hij zegt dat we via het fietspad, we doen wat hij ons vertelt. Zonder wanhoop geraken we verder. Nummer 42 straalt in het zonlicht. Is dat een paard? Ik kijk naar Ilse, dan in de verte, ik zie de rug van het dier, een ruiter ernaast. Kop richting grond, ze nam ons niet te grazen. Verderop lag het Diaconieven, een ven met een wel erg interessante naam. Martine wilde absoluut weten, het googlen begon, het ven was groter dan het Brandven, kleiner dan het Kolkven. We leerden dat het kloosterzusters betrof, we misten nummer 44 wegens onze blik op het scherm. Voor mijn part was het landgoed Lot met de Rosep het meest bijzondere gebied waar we doorheen wandelden; een privé-natuurgebied dat opengesteld voor iedereen nu voor een vijtiental minuten van ons was. Er lag een bruggetje over de Rosep, ik nam er een foto. Een elfde foto die in 2027 zal wissen. In dat jaar zal ik de beek onbelangrijk achten.  

Ingrid Strobbe
0 0