Zoeken

By Proxy

“De nacht is rustig verlopen.” De verpleegster wijst naar de deur met nummer 308.  “Is de dokter al langs geweest?" Ze haalt haar schouders op. Ik zucht diep en duw zachtjes de deur open. Behalve het zachte geklop van de ventilator aan het plafond, is het er akelig stil. Er hangt een weeë geur van desinfectans met een subtiele toets van lichaamszweet.   De grauwe, grijze muren geven de kamer een mistroostige aanblik. Een leeg vierkant tafeltje en oude bruine relaxstoel lijken meer een stilleven dan uitnodigend voor bezoek. De vergeelde gordijnen hullen de kamer in duisternis. Enkele zonnestralen priemen zich een weg door enkele gaatjes in de doffe stof. Ze doorklieven de zware ziekenhuislucht, op zoek naar het lichaam. Roerloos ligt het daar. Enkel een oppervlakkige ademhaling en de dansende lijn van de hartslag op de monitor zijn de enige tekenen van leven. Een infuuszak druppelt langzaam naar de linkerarm. 3 weken lang…  ‘Onduidelijke oorzaak.’ ‘We doen ons uiterste best voor je dochter.’ Maar de uitleg wordt korter. Ontwijkende antwoorden. Ze begrijpen het niet. Ik knip mijn handtas open en haal er een lege injectiespuit uit. Geruisloos trek ik de stamper terug en koppel het aan op de bijspuitpoort. Zonder twijfelen duw ik de lucht door. Enkele centimeters luchtbellen verspreiden zich in de infuusleiding en migreren langzaam naar het lichaam toe. Geruisloos sluip ik naar het piepkleine badkamertje en sluit de deur. Ik werp achteloos de spuit in het toilet en ga plassen. Plots hoor ik het ritmisch gepiep van de monitor haperen. Een pauze. En dan één lange pieptoon. Ik hoor een peloton aan verpleging de kamer binnenstormen.  Dan sta ik gehaast op en trek het toilet door.

Sfieke
9 0

De broek

In het café zit een man wezenloos voor zich uit te kijken. Zijn koffie heeft hij half opgedronken. Het lijkt alsof zijn gemoed ook maar voor de helft gevuld is. De kastelein ziet me naar hem kijken. “Misschien vertelt hij het nog eens”, fluistert hij. Het klinkt alsof de man het verhaal ononderbroken heeft verteld. “Ik had het niet gezien”, zegt de man. De cafébaas droogt zijn handen aan een handdoek en gebaart van ‘even te wachten, de rest komt wel.’ De man neemt nog een slokje koffie en gaat verder. “Haal je mijn broek bij de naaister?, vroeg ze. Hier is het bonnetje. Wat kan er fout lopen? Ik deed wat me gevraagd werd. Ik bracht het tasje naar huis en legde het in de keuken. Een perfecte avond. Maar dan, na het avondeten. Ze nam het tasje en haalde de broek eruit. Ik zag ze kijken. Ze draaide de broek drie keer om. Ze keek me aan alsof ik een dictator ben die het leven van de helft van zijn bevolking op zijn geweten heeft. " "Zie je het niet?, riep ze. Dat is mijn broek niet. Zie hoe groot die is. Daar pas ik drie keer in.” "Nee, ik ga verdomd niet rechtstaan, ging ze verder. Dat je zoiets nog maar durft denken.” “Ze moet het in mijn ogen hebben gezien. Maar ik 'dacht' het alleen maar." De man denkt even na. “De naaister heeft die broek wellicht getoond, maar ik was er met mijn gedachten niet bij. Ze heeft zich vermoedelijk van bonnetje vergist.” “Thuis zou het enkel beeld en geen klank zijn. Dan maar naar hier.” Hij kijkt me aan. Nog steeds met diezelfde lege blik. Ik zeg niks.  Misschien is het geluid van de cafébaas die de glazen spoelt voor hem genoeg.

Rudi Lavreysen
13 1

Heel Brasschaat gaat kapot.

Ze steekt van wal: heel Brasschaat gaat kapot. Iedereen wordt daar weggehaald. Alle mensen moeten naar het buitenland.  Echt, vraag ik. Ik kijk verbaasd. Ik ga mee in haar verhaal, wil van verbazing omvallen maar de stoel onder mij laat dat niet toe. Ja, zegt ze. Mijn zus hebben ze meegenomen, hup, de auto in, en mee naar Holland. Daar stopte de auto aan een huis waar een man stond, op de eerste verdieping aan het raam, en daar moest mijn zus wonen. Dat is vreemd, zeg ik. Ik werd toen dikwijls misselijk. In de kerk begon ik over te geven, en ik viel flauw, gewoon op de grond lag ik, en dan droegen ze mij naar buiten, ze legden me op het gras, daar kon ik dan bijkomen van die misselijkheid. Zo ziek dat ik werd in een kerk. De dokter zei dat dat door de geur kwam. In de kerk hing een geur waar ik niet tegen kon. Wat raar, zeg ik. Ik kwam vroeger ook in kerken, nooit meegemaakt, zoiets als flauwvallen van een geur.  Brasschaat zal niet meer bestaan, vervolgt ze. Heel dat dorp zal leeglopen (als een bad, denk ik maar ze zegt het niet) terwijl dat toch een chique dorp was. Alles was daar. Veel winkels, een mooi park. Alle mensen hadden geld. Ik knik. Hij zal dan toch ook worden meegenomen? Wie, vraag ik. Juul. Ah, Julien! Mmmm, dat weet ik niet. Ik heb daar niets over vernomen. Volgens mij bestaat dat dorp toch nog. Ik ben er nog geweest.  Ja? Ja, ik was in Klina.  (stilte, zou ze nog weten dat Juul in het ziekenhuis lag?) Ik open mijn iphone en toon de bloemen. Ze kiest de mooiste. Ze wijst naar de details, het puntje van het penseel heeft daar een puntje verf gezet, dat zie ik terwijl ze wijst en geen moment laat liggen om het woord te nemen.  

Ingrid Strobbe
17 1

Nieuwe verhalen van vroeger

“Ga je erover schrijven?”, vroeg ze. “Ik weet het niet”, zei ik. Wat schrijf je over een familiereünie, zoals mijn nicht me vroeg. De verhalen die verteld werden? Toch was er iets. Het was een tante die het quasi achteloos zei. Het voelde ongeveer zoals een verrassingsfeest, waarbij de genodigden verstopt zitten en plots tevoorschijn komen. Ik zag het niet aankomen. “Ge lacht helemaal zoals uw vader”, zei ze. Ik weet eerlijk gezegd niet meer wat ik heb geantwoord, maar wel dat ik er even later over nadacht. Hoe lachte hij alweer? Zoals ik dus. Maar hoe is dat? Mensen nemen soms stemmen op, om later te horen hoe de stem van hun geliefde klonk. Dat snap ik. Voortaan kan ik dus lachen zoals vader. Het gaat vanzelf. We hadden voor placemats gezorgd, met daarop een foto van de stamvaders en -moeders. Alle acht met een voorzichtige glimlach op hun gezicht. Het moet een foto van eind jaren '60 geweest zijn. Ik was er toen nog niet. Wie heeft de foto genomen? Wat zeiden ze tegen elkaar, alvorens de fotograaf de knop indrukte? Besliste iemand waar ze moesten staan? Gingen ze achteraf terug aan het werk? Of was het op een zondag? Het zijn vragen waar we de antwoorden niet van weten. Wat ik wel weet, is dat in elk kind of kleinkind een ander familieverhaal schuilt. Iemand vertelde dat grootvader haar nog van school kwam halen. Bij mij was hij al enkele jaren ouder. Dat deed hij toen niet meer. Ze vertelde ook dat ze als kind wegens omstandigheden enkele weken bij ons had gewoond. Ik heb het nooit geweten, wegens nog te klein. Daarom luister ik graag naar die verhalen. Het zijn nieuwe verhalen van vroeger. Ik vind ze soms beter dan de oude verhalen van nu.    

Rudi Lavreysen
10 0