Zoeken

Blauwe olijven

Wat is het toch een prachtig fenomeen, onze seizoenen. Ze komen en gaan en bepalen elke dag ons doen en laten. Bij de eerste zon moet er een nieuwe korte broek worden gekocht, want die van vorig jaar is afgeschenen door de zon. Maar dan die tl-buizen onder de korte broekspijpen. Daar is nog werk aan.  Dan heb je het eten. In de zomer zetten we niet hetzelfde op het fornuis en op de tafel als in de winter. Alhoewel, sommige zaken smaken altijd.  In de supermarkt vind je altijd alles. Maar we proberen die seizoenen in ere te houden. Vader had in zijn hof ook niet hele jaar door prinsessenbonen. Die ging na de oogst de diepvries in, zodat we ook in de andere seizoenen een stukje zomer binnenkregen.  Onze olijfbomen geven elk jaar petieterige olijven. Mooi om te zien, maar niet geschikt voor consumptie. Ik fietste naar de winkel, want een spaghetti alla puttanesca zonder olijven is als een ochtend zonder koffie. Het werkt niet. In de koelkast stonden nog groene exemplaren, maar voor deze pasta zijn het de andere. Ik vond ze niet meteen in de supermarkt.  “Kan u me zeggen waar de blauwe olijven staan?”, vroeg ik aan de vriendelijke medewerkster. “Euh”, stamelde ze. “Kom maar even mee. De olijven in blik en glas staan daar.” We waren er vlakbij. “Kijk”, zei ze. “Dat zijn de groene en daarnaast de …” Ze pauzeerde even. Alsof ze op me wachtte. “De zwarte. Zoekt u die?”  Natuurlijk. Zwarte olijven. Welke idioot heeft het nu over blauwe olijven? Ik kon me wel met een blik olijven of het hoofd slaan. “Ja natuurlijk”, zei ik. “Zwarte olijven, die bedoel ik.” Ik stootte een schaapachtig lachje uit. Het was meer mekkeren dan lachen.  Mijn geheugen beleefde wellicht een zwarte zomerdag. Het kan gebeuren.

Rudi Lavreysen
7 1

In het tandvlees

  Omdat. Want ja. Het kwijlt. Het komt uit die wijsheidstanden. Zij hebben immers dat vermogen om te oordelen. Mij te beschouwen als te vreemd. Het is gelijk die paarden. Ze kunnen niet uit de weide en wreten gras volledig dood. Daarom. Ik ben op mijn hoede. Zelfs op hun platte land. En ik kan het slechts aanbevelen. Poets dat gebit. Bid tot de goden van het verre niets. Laat haar niet binnen in je hoofd. Die mensheid. Met dat scheef en wreed gedoe. Hun spreuken uit het weerbericht. Die heimwee naar de vaste grond. Aan mij., de zotverklaarde, zal het niet liggen. Ik mors niet met de regen. Ik dool niet zonder het te weten. De aap slaapt in mijn donker oog. Intussen en al deftig lang. Ik laaf me aan de wolken en ik overleef. Ik luister niet naar Martine Tanghe. Nooit gedaan. Het kan niet meer. Het ligt zo vast. Het fenomeen zoekt altijd weer naar wezens, hunkert naar dat voortbestaan. Gelijk hoe. Want ja. Honger is voor hen die dromen durven en echt. Chot. Poets dat gebit. Veeg dat rood van je lippen. Het droop immers als bloed over je neus tot op je mand. Heb je dat gehoord? Hoe ze stierven? Neen. Het beeld hield van gebroken klanken en de reporter sprak best luid. Hop paardje hop. Over de omheining. Door het mauve land vol zachte chocolade en nogmaals. Doe het. Poets je tanden. Kam je haren. Spreek met twee woorden. Stel je netjes voor. Niet aan mij. Dank u en ja. Ik durf dat. Zeggen dat het scheelt. Niet goed ziet. Stop en kuis ook die oren. Zodat het vlies de trommel hoort. De rouwstoet is op komst. Loop weg of was gewoon gebleven in je binnentuin. Las daar over zeepaardjes en bleef kinderliedjes zingen. Omdat. Want ja. Het kwijlt er al uit. Nu is het al te laat. Wat rest is al het wrede te negeren.  De mensheid die de mensheid wil ontvluchten en het kortste résumé over de tong laat glijden. Gelijk een haring zonder kop. De wijsheidtanden keken toe. Toen je hapte. Dat. Terwijl de mond wat dorst verkocht aan water in een glas. Bloed weer heimwee kreeg naar vlees.       uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'      

Bernd Vanderbilt
3 0

By Proxy

“De nacht is rustig verlopen.” De verpleegster wijst naar de deur met nummer 308.  “Is de dokter al langs geweest?" Ze haalt haar schouders op. Ik zucht diep en duw zachtjes de deur open. Behalve het zachte geklop van de ventilator aan het plafond, is het er akelig stil. Er hangt een weeë geur van desinfectans met een subtiele toets van lichaamszweet.   De grauwe, grijze muren geven de kamer een mistroostige aanblik. Een leeg vierkant tafeltje en oude bruine relaxstoel lijken meer een stilleven dan uitnodigend voor bezoek. De vergeelde gordijnen hullen de kamer in duisternis. Enkele zonnestralen priemen zich een weg door enkele gaatjes in de doffe stof. Ze doorklieven de zware ziekenhuislucht, op zoek naar het lichaam. Roerloos ligt het daar. Enkel een oppervlakkige ademhaling en de dansende lijn van de hartslag op de monitor zijn de enige tekenen van leven. Een infuuszak druppelt langzaam naar de linkerarm. 3 weken lang…  ‘Onduidelijke oorzaak.’ ‘We doen ons uiterste best voor je dochter.’ Maar de uitleg wordt korter. Ontwijkende antwoorden. Ze begrijpen het niet. Ik knip mijn handtas open en haal er een lege injectiespuit uit. Geruisloos trek ik de stamper terug en koppel het aan op de bijspuitpoort. Zonder twijfelen duw ik de lucht door. Enkele centimeters luchtbellen verspreiden zich in de infuusleiding en migreren langzaam naar het lichaam toe. Geruisloos sluip ik naar het piepkleine badkamertje en sluit de deur. Ik werp achteloos de spuit in het toilet en ga plassen. Plots hoor ik het ritmisch gepiep van de monitor haperen. Een pauze. En dan één lange pieptoon. Ik hoor een peloton aan verpleging de kamer binnenstormen.  Dan sta ik gehaast op en trek het toilet door.

Sfieke
9 0

De broek

In het café zit een man wezenloos voor zich uit te kijken. Zijn koffie heeft hij half opgedronken. Het lijkt alsof zijn gemoed ook maar voor de helft gevuld is. De kastelein ziet me naar hem kijken. “Misschien vertelt hij het nog eens”, fluistert hij. Het klinkt alsof de man het verhaal ononderbroken heeft verteld. “Ik had het niet gezien”, zegt de man. De cafébaas droogt zijn handen aan een handdoek en gebaart van ‘even te wachten, de rest komt wel.’ De man neemt nog een slokje koffie en gaat verder. “Haal je mijn broek bij de naaister?, vroeg ze. Hier is het bonnetje. Wat kan er fout lopen? Ik deed wat me gevraagd werd. Ik bracht het tasje naar huis en legde het in de keuken. Een perfecte avond. Maar dan, na het avondeten. Ze nam het tasje en haalde de broek eruit. Ik zag ze kijken. Ze draaide de broek drie keer om. Ze keek me aan alsof ik een dictator ben die het leven van de helft van zijn bevolking op zijn geweten heeft. " "Zie je het niet?, riep ze. Dat is mijn broek niet. Zie hoe groot die is. Daar pas ik drie keer in.” "Nee, ik ga verdomd niet rechtstaan, ging ze verder. Dat je zoiets nog maar durft denken.” “Ze moet het in mijn ogen hebben gezien. Maar ik 'dacht' het alleen maar." De man denkt even na. “De naaister heeft die broek wellicht getoond, maar ik was er met mijn gedachten niet bij. Ze heeft zich vermoedelijk van bonnetje vergist.” “Thuis zou het enkel beeld en geen klank zijn. Dan maar naar hier.” Hij kijkt me aan. Nog steeds met diezelfde lege blik. Ik zeg niks.  Misschien is het geluid van de cafébaas die de glazen spoelt voor hem genoeg.

Rudi Lavreysen
13 1