Zoeken

Kaartenhuis

Ken je Spinvis, de Nederlandse zanger? Of band, daar is wat discussie over.  Ik ging naar een concert waar de band uit twee muzikanten bestond. De band bestond uit twee muzikanten, maar het was ongelooflijk hoeveel muziek ze maakten. Ken je Spinvis? Ik ging naar een concert waar ze met twee muzikanten een hele band leken. Ze werkten met loops. Ik ging naar een concert, waar ze met loops werkten. Ze speelden alles live, namen het ter plaatse op en maakten een loop. Waarna ze andere instrumenten namen en nieuwe lagen toevoegden. Echt knap. Ken je Spinvis? Ze werken met loops op hun concerten: eerst drums en bas, dan gitaar en keyboards. Twee muzikanten, maar ze spelen alles. Ze bouwen de muziek op in lagen. Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij, ik kon het allemaal goed zien. Eerst speelden ze drums en bas, dat namen ze ter plaatse op en maakten zo een eerste laag. Ze werkten met loops. Daarna speelden ze andere instrumenten. Ze waren maar met twee muzikanten. Echt knap. Je had erbij moeten zijn. Hun teksten zijn ook bijzonder. Het lijken allemaal losse zinnetjes. Net zoals de muziek. De lagen en de loops. Ze bouwen het op met twee muzikanten. Het wordt telkens meer. Ik had twee tickets, maar ben uiteindelijk alleen gegaan.  Ken je Spinvis? Ik was graag met je naar hun concert gegaan. Het was echt knap. Ze bouwden hun muziek op met loops. Ze speelden met twee muzikanten alle instrumenten. Met pedalen en computers namen ze alles op. Ik kon het goed zien, ik zat op de derde rij. Je had erbij moeten zijn. De plek naast me was vrij. Ik had twee tickets. Ik hou ook van hun teksten. De teksten waren… hoe zeg je dat? Jij weet altijd het juiste woord. Associatief? Is het dat? Je had erbij moeten zijn. Ik had twee tickets. Ze waren maar met twee muzikanten, die alle instrumenten speelden. Ze bouwden de muziek op met loops. Laag na laag na laag. Echt knap. Als een kaartenhuis, een muzikaal kaartenhuis. Soms moesten ze opnieuw beginnen, als één van de loops niet goed zat. Als ze niet in hetzelfde ritme zaten. Maar ook dat opnieuw beginnen hoorde erbij. Het knapste nummer was Kom terug. Je kent het zeker, dat wordt ook op de radio gespeeld. Maar dan is het natuurlijk af. Terwijl op het concert… Ken je Spinvis? Weet je hoe ze het doen? Ze zijn maar met twee muzikanten, ze bouwen samen een huis, met loops. Eenvoudige melodieën, vaste ritmes, maar toch, samen wordt het… meer? Je had erbij moeten zijn. Ik had tickets op de derde rij. Je kon perfect zien hoe ze het deden met pedalen en computers. Alsof ze telkens opnieuw begonnen aan hetzelfde nummer, maar toch werd het groter en groter. Een huis, een kaartenhuis. Echt knap. Kom terug. De muziek is mooi maar op een bepaalde manier droevig. Ik weet niet hoe dat werkt, ik ken niets van muziek. Mineur-akkoorden of zo? Je had erbij moeten zijn. Ik zat op de derde rij. De stoel naast me was leeg. De muziek is heel… jij zou zeggen fragiel… ze bouwen het op met loops. Soms ging het mis. Misschien was het daarom een beetje droevig? Het is niet hetzelfde op de radio of cd of Spotify… Jij hebt natuurlijk de vinyl. Past er wel bij. Beetje retro, knutselmuziek. De teksten zijn ook erg knap. Net als de muziek. Ze bouwen op met laagjes, het lijkt niet samen te hangen en toch wordt het groot. Ze zijn maar met twee muzikanten, maar door alles juist te doen lijkt het een heel orkest. Eerst speelden ze gewoon drums en bas. Ritme, een eenvoudige melodie. Ze waren maar met twee. Toch lukte het. Ze werkten met loops, ik kon het perfect zien vanop de derde rij. Pedalen, computers, de stoel naast me was vrij. Alles moest kloppen. Als het misging begonnen ze opnieuw… en opnieuw… en nog eens als het moest. Tot de melodieën klopten met het ritme, en de teksten aansloten op de akkoorden. Droevig maar mooi. Mineur-akkoorden misschien. Ze speelden Kom terug. Je had erbij moeten zijn. De teksten zijn echt knap, echt iets voor jou. Zo subtiel, bijna onbegrijpelijk. Elke zin apart betekende niet veel, soms valt het zelfs in herhaling. Maar de opbouw, de herhaling, maakt er iets meer van, iets groter. Net zoals de muziek. Het is opgebouwd in lagen, zoals een kaartenhuis. Kom terug. Ken je Spinvis? Kom terug. Dat is hun mooiste nummer. Vind ik. Ik ging naar het concert, weet je, ik had twee tickets, maar je kon niet. Jammer, want het was echt knap. Ik zat op de derde rij. Ze werkten met loops. Ze bouwden hun muziek en teksten heel voorzichtig op, laagje per laagje. Ze lieten elkaar nooit los. Ze waren met twee muzikanten, ze namen de instrumenten live op. Je had erbij moeten zijn. Kom terug. 

R.F.G. Vandenhoeck
3 0

Waar is de andijvie?

"Kan u dat herhalen, meneer? Ik versta u niet zo goed". Opnieuw fluistert hij, ditmaal iets nadrukkelijker. ” Weet u waar de andijvie ligt, mevrouw?” We bevinden ons in de groenteafdeling van de supermarkt. Schouders opgetrokken, alsof dat de kou zou wegnemen. Het gefluister klinkt vreemd en komt ook van een vreemde man. Hij is vreemd in alle betekenissen. Omdat ik hem niet ken, maar ook omdat hij vreemd aandoet. Ik herken hem nochtans. Ben hem al meermaals gekruist. Net als ik lijkt hij vrijdagavonden voor te behouden voor de supermarkt.  Hij beneemt me telkens de adem, zijn verschijning en wat hij uitschijnt: hopeloosheid. Hij lijkt zo grondeloos dat hij schuifelt, als wil hij grond zoeken, houvast. Een bergbeklimmer met hoogtevrees. Een vreemde vreemde. Een derde maal herhaalt hij zich, in een poging me uit mijn staren te verlossen. “De andijvie, mevrouw?” Een onhandige openingszin, gezien de andijvie als een groen juweel schittert in zijn verder lege winkelkar. Ik besluit het spel mee te spelen: “zelf ben ik geen fan van andijvie, meneer, maar ik vermoed dat u ze naast de kolen zal vinden.” Hij lijkt weinig moeite te doen richting kolen te stappen, schuifelt terplekke. Nog steeds bang voor zijn moeras. Het gesprek krijgt geen vervolg. Ik trek me uit het spel terug, nog voor de kaarten goed en wel geschud zijn. Ik knik vriendelijk en gebaar naar mijn boodschappenlijstje.  Toch voel ik me aangesproken. Het appèl vertraagt mijn winkelkar. De vreemde man zit in het moeras. Alleen dus. En schreeuwt op fluistertoon. “Waar is de andijvie, mevrouw?”  Hij voelt zich veilig bij me. En reikt uit. Hoewel het me ontroert, zet ik er de pas in.  Op naar de chocolade rayon, wat endorfines kunnen nooit kwaad.        

Lien Van Droogenbroeck😉
14 3

Hannah in zwart en wit

Ken je dat gevoel, wanneer je een oude zwart-witfoto ziet en er een verhaal bij verzint? Bijvoorbeeld deze jonge vrouw op een fiets, lach op haar gezicht, haren in de wind terwijl ze door de velden rijdt. In het landschap staan verwoeste boerderijen en uitgebrande legervoertuigen. De hemel – op de foto grijs, maar daar kijk je doorheen – is stralend blauw.  Hannah is onderweg naar het dorp. Maar ze ziet iets tussen het puin: een prille lentebloem die zich omhoog worstelt alsof ook zij jaren in schuilkelders verborgen zat. Hannah wil haar niet plukken, nee, dat zou wreed zijn, maar ze vertraagt om de rozerode en vanillegele blaadjes te bekijken. Zo gebeurt het: wanneer haar fiets snelheid verliest, verliezen de banden hun grip op de stoffige weg. Hannah slipt, ze wankelt en moet voet aan de grond zetten. Nu ze stilstaat, ziet Hannah de bloem, of wat ze dacht dat een bloem was: een gescheurd stuk kleding dat ritselt in de wind die door de ruïne waait. Geen bloem. Ze is voor niets gestopt. Verlegen kijkt ze rond. Over de weg lopen mensen met een kar, getrokken door een oude ezel. Ze schudden hun hoofden. Meisje toch. Je moet niet stoppen, er is geen nu, voorwaarts! Hannah trekt haar jurk recht, zet zich terug in het zadel en trapt alweer de toekomst tegemoet. De mensen met de ezelkar fluiten haar na. Dat is goed, toch? De brug is verwoest, maar soldaten hebben een veer aangelegd en Hannah sluit aan bij de rij: kinderen in versleten maar vers gestreken uniform, vrouwen met lege tassen en vale lippen, oude boeren die niet durven mopperen in aanwezigheid van de jonge soldaten. Een gebruinde sergeant steekt zijn hand uit om Hannah op het veer te trekken. Ze kijkt over haar schouder, bang voor de blikken, maar de vrouwen en de boeren vinden het helemaal goed. Ga maar voor, meisje, laat de tijd niet ontsnappen! Enkel de kinderen staan wat bedremmeld rond te draaien, maar zij weten niet beter. Hebben zij het verleden wel meegemaakt? In geen tijd is Hannah aan de overkant. Als eerste verlaat ze het veer. Wanneer de sergeant haar naroept, wendt ze lachend het hoofd en mist de put in de weg. Ze schaaft haar knieën, scheurt haar jurk, stoot haar hoofd tegen het stuur. Ze valt en blijft liggen. De sergeant kijkt niet meer, hij helpt de andere passagiers van het veer. Zij lopen Hannah nu voorbij. De vrouwen met de lege tassen fluisteren terwijl ze Hannah sluiks bekijken. De kinderen hollen als gekken de weg af, een van hen trapt op Hannahs hand. Enkel de ezel van de boerenkar houdt even halt om haar te besnuffelen maar zijn meester slaat hem met een zweep.  Hannah slaat het stof van haar kleren, maakt haar vlecht opnieuw en wil verder fietsen. Maar de ketting is losgekomen. Ze raakt de schakels aan – haar vingers meteen zwart van de olie. Ze kijkt om, maar het veer is teruggekeerd. De mooie sergeant kan haar niet helpen. Met de fiets aan de hand loopt ze de weg af. Door tegen het stuur te stoten heeft ze hoofdpijn gekregen. Af en toe voelt ze een steek van pijn en lijkt alle kleur uit de wereld weg te trekken. Goed dat ze op haar fiets kan steunen.  Wanneer ze bijna bij het dorp is, valt de eerste druppel. Eerst is de regen verfrissend voor Hannahs bonzende hoofd, maar dan wordt haar vlecht zwaar en plakt de jurk aan haar magere lijf. Ze versnelt, natuurlijk versnelt ze. Als ze nooit gestopt was, nooit had omgekeken, was ze er al geweest. Ze rent, de fiets aan de hand, haar sandalen pletsen op de natte weg. De mensen voor haar kijken om. Ze moedigen Hannah aan. Komaan, meid, je kunt het. Versla de tijd en schuil in het dorp! Het rennen windt haar op, ze voelt een blos op haar wangen, haar opengesperde mond vormt een lach. De geüniformeerde kinderen zingen een lied – Nooit meer nu, altijd later! –, de boeren met de ezelkar roepen iets over een snelle meid met snelle benen, zelfs de oude vrouwen knikken goedkeurend. Je kunt het, Hannah, je zal het halen! Maar dan: opnieuw die pijn, de flits die de kleur wegneemt. Ze moet haar fiets loslaten en smakt neer in de modder. Ze hoort de donder die rolt en huilt, schudt en schatert. Voorzichtig opent ze haar ogen. Het is geen donder. Het zijn de mensen aan de dorpsrand. Ze lachen, ze wijzen naar Hannah en lachen. Ze kijken naar haar blote benen, haar vuile vlecht, haar onvermogen en bulderen. Tot de echte donder komt en boeren, vrouwen en kinderen het dorp in vluchten. Hannah klautert recht. De fiets is stuk. Het dorp is te ver. De regen wist alles uit. Dan is er het huis – Hannah kijkt op – het huis voorbij de openstaande poort – Hannah wandelt er doorheen – het huis aan het eind van het pad vol glimmende kasseien – Hannah doet haar sandalen uit om niet uit te glijden – het huis waarvan de voordeur op een kier staat – Hannah gluurt – het huis dat warm is – Hannah gaat binnen en trekt de deur achter zich dicht. Ze kijkt rond in de hal: de tegelvloer als een schaakbord, de in twee splitsende trap naar boven, de deuren met glas-in-lood decoraties, het modderige schoenspoor dat leidt naar een deurtje onder de trap. Hannah volgt het spoor en opent de deur: de keuken. In de hangende koperen pannen weerspiegelen vlammen. Ze gaat naar de haard en steekt haar handen uit. Langs haar vingers, polsen en ellebogen verspreidt de gloed zich door Hannah. Haar huid, haar haren, haar jurk, alles verdroogt en verhardt. Ze sluit haar ogen om het huis te horen. Regen en donder overstemmen het knetteren van de haard, het kraken van de houten kasten, het wiegen van de kroonluchter. Hannah opent de volgende deur en komt in een eetkamer. Op tafel staat een bord met broodkruimels en een kop met koffiedik. Hannah opent een kast. Geen eten, alleen dekens. Ze slaat er een om haar schouders en zoekt verder: een rode appel, blauwe druiven, een geel stuk kaas misschien? Maar er is geen kleur in de kamer. De grijze tafel staat op arduinen tegels, het servies is glansloos wit. Door een raampje ziet Hannah de tuin. Bomen worden door de storm heen en weer geslingerd en door de bliksem slechts af en toe belicht: een reeks onscherpe foto’s. Ze opent de volgende deur. Ze is nu in de gang tussen de achterdeur en de bediendentrap. Aan een haakje hangt een druipende regenjas, eronder staan vuile laarzen en versleten pantoffels. Hannah steekt haar klamme voeten in de pantoffels en gaat de trap op. Halverwege maakt de trap een bocht en vanaf hier is het donker. Op de tast waadt Hannah door duisternis en spinnenwebben. Het rag klit aan haar haren als een sluier. Op de overloop laat ze haar hand langs de muren glijden op zoek naar een lichtschakelaar, maar ze vindt enkel een deurklink. Ze drukt die naar beneden en betreedt een nauwe ruimte, niet meer dan een inloopkast. Ze stoot haar hoofd tegen het lage plafond. Vanaf nu moet ze voorovergebogen lopen. Door een vuile ruit werpt de storm nu en dan een bliksem. Bij elke flits staat ze dichter bij een stapel dozen. Ze opent de bovenste doos. Oude zwart-witfoto’s. Onbekende mensen in onbekende tijden. De foto’s hebben mooie gekartelde randen, als immense postzegels. Het licht in het kamertje wordt zachter, de storm buiten is geluwd. Het huis wordt stil. Hannah houdt de foto’s dicht bij haar ogen, op zoek naar herkenning. Een bloem, mensen op een boot, een paard – of een ezel? Kromgebogen schuift ze op de pantoffels, bibberend onder het omgeslagen deken, haar haren grijsdooraderd door het spinnenweb. Ze stopt wanneer ze iets hoort. Ze gooit de foto’s in de doos en kruipt weg in de donkerste hoek van het kamertje. Ik ga op mijn sokken de trap op. Hier kom ik niet graag: spinnen, de kapotte lamp, vocht in de muren. Maar juist daarom moet ik checken of de storm het niet erger heeft gemaakt. Het enkel glas moet ik eigenlijk laten vervangen. Straks eens kijken op de website van de jongens die het schuifraam in onze nieuwe keuken hebben gestoken. Voorlopig lijkt alles in orde. Die barst in het raam was er al, ik zie geen plassen op de vloer. Maar er moet toch wind zijn binnengekomen, want de deur van de berging staat open. Die oude fotodozen van moeder. Het deksel ligt op de grond, ik raap het op en hoor een kreun uit het donkere hoekje. Dat vond ik als kind de engste plek van het huis. Misschien is het maar vijf centimeter diep, maar evengoed is het een gat waarin je blijft vallen. Ik sta op met het deksel, stoot zoals steeds mijn hoofd en kijk dan in de doos. De wind heeft de foto’s door elkaar geschud. Bovenaan ligt een foto van een meisje op een fiets. 

R.F.G. Vandenhoeck
2 0

als vrienden (tekst 2)

Ik hou van je.  Onmiddellijk had ik spijt.De wereld stond enkele minuten stil.Je ogen stonden groot, wenkbrauwen hoog, je mond, lippen licht van elkaar.Ik keek weg. Schaamte.  We zaten in mijn favoriete kroeg. Weet je nog? Op het terras, ‘s avonds.Naast ons een tafel met vrienden. Met z’n allen onder de warmtelampen. Eén van de eerste koelere avonden na een zwoele zomer. Jij dronk een glas Ice Tea Green, geen bubbels voor je maag. Ik dronk routineus een pint en rookte een sigaret. Licht dronken.  Het gebeurde niet vaak dat wij met twee samen op café zaten, zonder andere kennissen of vrienden.Natuurlijk praatten we vaak. We noemden elkaar beste vrienden, maar dat was vooral via het scherm, de intimiteit van onze generatie; Nooit geleerd echt te praten. Enkele minuten ervoor was het gesprek stilgevallen. Ik was in gedachten verzonken. Dronk mezelf wat moed in en zei wat ik altijd al had willen zeggen.  Terwijl ik wist dat het nooit wederzijds zou zijn. Jij zou dat nooit zeggen. Net zoals je nu niet wist wat te zeggen.  In de verte briesde een auto voorbij.Ook de tafel naast ons was gestopt met praten, afwachtend hoe dit genant gedoe zou eindigen. Iets moest er gebeuren.  Ik denk dat we beiden wisten in dat moment dat de vriendschap voorbij zou zijn.Jij en ik, nooit meer op dezelfde golflengte.  Niets zou dit nog kunnen redden, maar iets moest wel nog gezegd worden.  Kom, iets, allez, iets, maar wat wat wat Allez bon, ik bedoel uh, als vrienden eh. Het lachen barstte uit.  

Wout
3 0

Pensioenleeftijd

Ik las in de krant een interview met de voorzitter van een politieke vereniging die zich anders wil opstellen. Hij stelde zelf een vraag. ‘Waarom bestaat er een pensioenleeftijd? Dat moeten ze me toch eens uitleggen.’ Ik begrijp wat hij bedoelt en ik zou daar samen met u een boom over kunnen opzetten, maar het nadeel van het opzetten van een boom is dat het nogal snel op ‘zagen’ uitdraait. Dat wil ik u niet aandoen beste lezer. Ook de boom niet. Ik heb, net zoals u, nogal wat gepensioneerden gekend in mijn leven. Mijn vader ging al op jonge leeftijd met brugpensioen en dat was nergens goed voor. Dan zou ik op mijn leeftijd nu ook al thuiszitten. Daar zie ik het nut niet van in. En iedereen werkt tegenwoordig toch zolang als hij of zij wil. Afijn, tot daar deze boom over het pensioen. Maar ik wil daar nog iets anders over kwijt. Daarvoor heb ik uw eerlijke mening nodig. De vraag is eenvoudig. Schat u me ouder in? Ik vraag het omdat ik – weeral eens – iemand tegenkwam die dacht dat ik al met pensioen was. Ik passeerde een oud-collega en het weerzien was hartelijk. “Ik ben blij je nog eens te zien”, zei ze. “Zo gepensioneerden onder elkaar.” Ik heb haar toch moeten overtuigen van het feit dat ik nog niet aan mijn pensioenleeftijd zit. Ze keek me ongelovig aan. Maar het moet dus iets te maken hebben met het feit dat mensen me ouder inschatten. De vorige keer dat het gebeurde is zelfs al enkele jaren geleden. Misschien ben ik oud geboren? Een oude ziel heb ik altijd gehad. Misschien uit zich die oude ziel nu ook aan de buitenzijde. Wie zal het zeggen? Misschien de voorzitter van de politieke vereniging die zich anders wil opstellen.

Rudi Lavreysen
0 0

Flitsverhaal over jou

Ze bewoog heen en weer als een strohalm in de wind. Ze leek wel te vliegen op een hemelse melodie. Het deed me denken aan een vogel, vrij in de hoge lucht. De felle pasteltinten in haar kledij in combinatie met haar mooie en ergens ook zuivere lach, herinnerden me aan een eenhoorn die ik als kind zag. Ze was één met de tijd, gaf antwoorden op vragen die het leven vergat te stellen, terwijl ik samen kon smelten met haar en haar passen. Ze danste zo prachtig dat ik bijna stopte met ademen en nog beter, ik zag dat zij reeds bij me hoorde, dat wij al een koppel waren. Ik keek en zag het publiek. Ook zij stonden verbijsterd. Ik kan me niet voorstellen dat ik me op dat moment afvroeg of iemand wenste om met haar naar huis te gaan. Ongetwijfeld en heel waarschijnlijk koesterden velen een droom over een vrouw als zij. Ik weet dat ik uitverkoren ben, alleen al voor vandaag en alle dagen dat ik bij haar ben en zij naast me loopt. Wanneer ze zo in de spotlights glundert, vergeet ook ik alles. Het is magisch wanneer zij danst. Klokken stoppen met tikken, hongerigen worden gespijsd en daklozen staan in de duurste kostuums te kijken wanneer zij ons op het podium ontroert. Er is geen moment, en het einde is altijd te vroeg terwijl ze meningen vervoert en ons gedachteloos aanschouwen verroert. Haar bewegingen zouden berekend zijn, maar noch ingewikkelde, noch gemakkelijke formules zijn de uitkomst. Het enige antwoord dat steek houdt, zou liefde zijn. Echter weet een onbekende dat niet. Ze vertelt wel eens over de sterkste kracht. Je kan het vinden in de donkerste zwaarte van het bestaan. Het is het stralende licht, wanneer je ontdekt dat niets is wat het lijkt, wanneer het tegenovergestelde klopt en alles is wat het was. Je kijkt naar haar en vraagt je af wat ze bedoelt. Haar heldere ogen kijken je aan en je weet dat ze gelijk heeft, je kan het voelen in je hart. Net dan legt ze haar hand op je borstkas en ze zegt zacht: “daar merk je dat”. Het is als thuiskomen na een ernstige ziekte. Het is als terug kunnen gaan naar je land waar oorlog woedde. Het is misschien als opstaan uit de dood of als herboren worden. Het is weten hoeveel geluk je hebt haar te kennen en de grote droefheid wanneer je beseft dat niet iedereen haar kent zoals jij. Het is je handen vouwen en dankbaar bidden in ongeloof. Het is ontvankelijk geven op het ritme van het leven dat niet bestond. Het is je verliezen in een eenvoudige aanraking met haar ziel. Het is onbeschrijflijk mooi. Het is iedereen en niemand, maar bovenal is het gewoon jij.     Céline M.

Céline M.
5 0

De Daktylovorax

“Mijn naam is Daktylovorax. Dat betekent ‘tenenverslinder’, maar eigenlijk is die naam een grove misvatting. Zie je, ik heb die naam ooit gekregen omdat ik nu eenmaal graag aan mensen hun tenen sabbel wanneer ze ‘s nachts hun voetjes nietsvermoedend over de rand van hun bed laten hangen. Ik kan je eerlijk zeggen dat ik werkelijk nog geen één keer een teen heb afgebeten en opgepeuzeld. Misschien ooit eens een kleintje, maar dat was echt waar per ongeluk. Mijn tanden zijn te scherp en daar kan ik persoonlijk niets aan doen.   Tegen het schemerdonker sluip ik muisstil naar dat donkere plekje onder je bed en dan ga ik daar klaarzitten; rillend, watertandend en handenwringend. Wanneer je de slaapkamer binnenkomt zit ik daar dan te wachten. Ik kauw gespannen op het uiteinde van mijn lange, harige staart tot die bloedig is, om maar geen geluid te maken. Je heerlijke voeten verschijnen aan het bed en ik houd mijn adem in. Het bed kraakt en piept wanneer je gaat liggen, de lakens ruisen zachtjes over je heen. Weldra zullen ze te warm worden, voel je je klamme lijf bezweten, en dan is het zo ver. Dan komt daar één voetje onschuldig van onder het laken uit piepen.   Onbewogen wacht ik tot je wegdommelt. Een waar engelengeduld leg ik hierbij aan de dag. Je kan niet geloven hoe zeer ik mezelf beheers. Ik ben de stilte en de sereniteit en de duisternis zelf. Ik ben onaandoenlijk. Ik ben het hoogtepunt van bedaardheid. Ik…   Het is zover!   Je snurkt. Ik likkebaard.   Je beweegt even in je slaap. Ik kwijl over je tapijt.   Je ronkt vredig verder. Ik krabbel aan mijn behaarde navel en negeer de golf van pluizen die eruit komt.   Je beweegt je voet nog verder van onder het laken vandaan. Ik kan het al bijna aanraken.   Nu kom ik langzaam tevoorschijn van onder je bed. Het maanlicht weerspiegelt kortstondig in de donkere poelen van mijn ogen, maar trekt zich even snel weer terug. Ik buig me over je uitgestrekte been en besnuffel voorzichtig alle kanten van je voet. Ik glijd met mijn tong over mijn scherpe tanden. Wat een heerlijke teentjes in het vooruitzicht! Voorzichtig steek ik mijn tong uit richting je grote teen. Wanneer je ademhaling stokt, houd ik halt. Mijn ogen schieten richting de grote slapende bult onder het laken, mijn tong nog uit mijn mond hangend. Dan adem je verder en adem ik ook geluidsloos uit.   Trillend van de anticipatie ga ik ervoor. Ik slurp de kwijl die van mijn tong hangt stilletjes terug op en lik aan je dikke teen. Je proeft heerlijk zout en aromatisch, als een lang gerijpte Parmezaanse kaas.      

LeenB
0 1

De buitenbeller

Tijdens het wandelen kom je wonderbaarlijke mensen tegen. Kijk, daar staat een echte buitenbeller. Op het terras van een taverne met een telefoon aan zijn oor. Het is behoorlijk koud, maar toch heeft hij enkel een trui aan. Tja, als je gebeld wordt, heb je geen tijd om snel een jas aan te trekken. Een echte buitenbeller rept zich meteen naar buiten. Hij neemt binnen zijn telefoon op en zegt tegen de persoon aan de andere kant van de lijn iets in de zin van 'Wacht, ik ga naar buiten'. Eenmaal buitengekomen deelt hij eerst zijn locatie met de persoon die hem gebeld heeft. Het is geen nieuw fenomeen, maar je ziet ze minder vaak, de buitenbellers. Dat heeft met de draadloze oortjes te maken. Dan valt het niet zo op en lijkt het alsof ze tegen zichzelf praten. Een buitenbeller kan ook een buitenroker zijn. Dan profiteren ze van het buitenbellen om meteen te gaan buitenroken. Andersom zal het ook wel eens gebeuren, maar toch beduidend minder.  Ik ken deze buitenbeller. Hij zwaait uitbundig. Misschien zegt hij tegen zijn gesprekspartner dat hij naar mij zwaait, want die kan natuurlijk niet zien dat de buitenbeller aan het zwaaien is. Maar zo duurt het gesprek wat langer en kan hij bij het terug binnenkomen tegen zijn tafelgenoten 'sorry, dat was dinges' zeggen en zo een gesprek over dinges op gang brengen. Het lijkt een tegengesteld gegeven, maar buitenbellen kan een meerwaarde voor het sociale gebeuren zijn. Nu steekt hij zijn duim naar mij omhoog. Dat weiger ik pertinent. Gewoon terugzwaaien is genoeg. Destijds waren er alleen binnenbellers. Je zag pas buitenbellers toen de eerste generatie draagbare telefoons eraan kwamen. Die kon je in het begin alleen thuis gebruiken, op het terras. Soms lijkt het alleen maar zo, dat de tijden veranderen.

Rudi Lavreysen
14 0