Zoeken

Mijn schuld

Onder het motto 'Er is geen betere leerschool dan het leven zelf' brachten we in onze studentenjaren minstens evenveel tijd door op caféstoelen als op de schoolbanken. Ik heb niet alles onthouden van die jaren (mocht u iets anders denken: het is gewoon te lang geleden), maar Staf staat me nog helder voor de geest. Hij was barman in een van die etablissementen en gaf Nederlands in een middelbare school, maar in de avonduren kluste hij wat bij. Als barman, maar ook als filosoof en politicus. Als we op het einde van de avond vroegen wat onze schuld was, antwoordde hij vaak met dit: “Jullie schuld? Dat is 750.000 frank per persoon, hè mannen. Ge weet toch dat elke Belg met dat schuldbedrag geboren wordt?” Op een avond, toen we als laatsten aan de toog zaten, ging hij verder over dat woordje schuld. “Jullie weten toch dat schuld een prachtig homoniem is?” Als we het al wisten, konden we er die nacht zeker niet opkomen. “Een woord dat exact hetzelfde is, maar een totaal andere betekenis heeft. Zoals een kater, dat kennen jullie wel. Het is een kat, maar ook datgene wat jullie morgenvroeg gaan hebben. Bij schuld is dat ook zo. Ge hebt de juridische term, waarbij iemand schuldig is aan een overtreding of een misdaad. Maar er is ook een financiële betekenis. Het bedrag dat jullie nu moeten betalen. Dertig frank de pint, maal tien, dat is 300 frank per man.” Ik speelde in die jaren op zondag nog voetbal. Als er iemand langs de zijlijn riep dat het mijn schuld was dat die aanvaller had kunnen scoren, had ik veel zin om te antwoorden dat vooral de regering veel schulden had. Maar ik zei het natuurlijk niet. Dat was voor de weekdagen, aan de toog, bij Staf.

Rudi Lavreysen
6 1

Verboden vrucht

De zaal zat stampvol. Een kakafonie van lachende stemmen weerkaatste tegen het hoge plafond van de eventhal, en rond de hoge bartafeltjes klonken glazen tegen elkaar. Het oktoberzonnetje maakte overuren boven Oostende. In de Wellington renbaan hing een drukkende warmte, en af en toe wapperde een weeë geur van zweet langs mijn neus. Ik had haar meteen gespot. Al mijn zintuigen sprongen op scherp. Ik voelde de bekende hitte in mijn onderbuik opkomen. De laatste jaren lukte het me steeds beter om mijn driften te onderdrukken, maar vandaag wist ik het zeker: dit ging ik niet winnen. Ik draaide me demonstratief om en probeerde de buikademhaling die ik van de psycholoog had geleerd. In. Uit. Een zacht kreungeluid ontsnapte tussen mijn stembanden. Een vrouw van middelbare leeftijd keek me hooghartig en geschrokken aan. Ik gaf haar een blik terug die zei: bemoei je met je eigen zaken. Het hielp niets. Mijn verdrongen roofdierinstinct was terug van weggeweest. Ik moest haar hebben. Nu. Als in slow motion laveerde ik tussen de bezoekers door. Mijn prooi bevond zich aan de stand van restaurant North. Ik kende die zaak goed. In mijn vorige leven at ik er bijna elke dag. Nee, niet eten. Schrókken. Ik schudde mijn hoofd. Daar wilde ik niet aan herinnerd worden. ‘Dag meneer, wilt u proeven?’ Ik keek op, recht in de vragende ogen van mevrouw Peeters, de eigenares. Haar blik wekte een steek van schaamte en woede in me op. Ze herkende me niet. ‘Nee, dank u. Ik snuister wat rond.’ Ze knikte beleefd. Ik grijnsde. Honderdtwintig kilo minder en volledig incognito. Leve meneer Ozempic! Maar mijn zelfbeheersing brokkelde af. Ik voelde haar brandende aanwezigheid in mijn rug. Vanuit mijn ooghoeken hield ik haar in de gaten. Nog heel even. Nog heel even. Plots hoorde ik een enorm gekletter vlakbij. Een lichtjes aangeschoten vrouw had de ober met haar elleboog gestoten, en zijn volle plateau spatte uiteen op de grond. Scherven vlogen in het rond, alle hoofden draaiden die kant op. Niemand keek naar mij. In een milliseconde greep ik mijn kans. Ik graaide haar ruw mee en sleurde haar naar het toilet voor mindervaliden. Ik sloot de deur, vouwde mijn beide handen om haar heen en beet toe. Als in een slapende vulkaan ontwaakten alle verlangens en dromen die ik jarenlang had onderdrukt. Haar knapperige, roestbruine schil brak open en het heerlijke sap droop over mijn kin. Kreunend bereikte ik een ontploffing van genot en zeeg neer tegen de wand. Met het geduld van een seriemoordenaar verorberde ik haar tot de laatste kruimel. Ik had geweten dat ze me niet teleur zou stellen. Mevrouw Peeters maakte nu eenmaal de beste garnaalkroketten van Oostende.

Sfieke
4 0

Vergissingen

Als kleuter presteerde ik het ooit om na het rinkelen van de schoolbel achter op de fiets van een mevrouw te springen van wie ik abusievelijk dacht dat het ons ma was. Ze droeg dezelfde beige regenjas. Toen ik haar aanspoorde met een "Allez, ju ma", keek ze achterom en viel ik van het verschieten bijna van het stoeltje. Een mens kan zich vergissen. Ondertussen is die lapsus opgeborgen in de nevelen van de tijd en dacht ik alles gezien en gehoord te hebben. Maar ook daarin vergiste ik me. Zo ging ik afgelopen zomer op een warme ochtend nietsvermoedend puffend de deur uit. Met een ovenvers brood in de ene hand en een zakdoek in de andere om het vroege zweet te deppen, liet ik kort daarna diezelfde neusdoek van het schrikken bijna vallen. De oorzaak was een uitroep van een voorlopig verborgen mevrouw. "Doeme, Rudi, luister nu toch." Het kon natuurlijk zijn dat een naamgenoot op dat ochtenduur al naar zijn voeten kreeg. Er bekroop me een gevoel van compassie, want wij Rudi's steunen elkaar. Kort daarna stootte diezelfde stem een tweede reprimande uit. "Zit, Rudi. En wel nu meteen." Dat ging me toch wat ver. Ik besloot de stem van de mevrouw te volgen. Ze kwam van achter het steegje. Maar daar zag ik alleen een mevrouw die in de weer was met haar hondje. Pas toen ik "Allez Rudi, kom" hoorde en het hondje vervolgens traag op gang kwam en me droevig aankeek, alsof het dier ook besefte wat er gaande was, begreep ik het. De hond was een naamgenoot. Dat had ik niet zien aankomen. Daarom een oproep aan alle Eriken, Danny's en Patricken. Verschiet niet, want binnenkort zijn jullie aan de beurt. Al is het van den hond, laat daar geen twijfel over bestaan.

Rudi Lavreysen
12 0