Zoeken

Stom brood

We hebben een nieuw favoriet brood. Ik vermoed dat iedereen er eentje heeft. Maar na een tijd ben je dat brood beu gegeten en moet je op zoek gaan naar een ander.  Nu hebben we de stomme fout gemaakt om het tegen een paar mensen te zeggen. Een favoriet brood is zoals een onbekend idyllisch dorpje in Zuid-Frankrijk of Toscane, waar eigenlijk geen fluit te beleven valt, maar dat speelt geen rol want het is nog onbekend. Of een stuk strand waar de toerist zijn espadrilles nog niet heeft gezet. Zeg het thuis tegen een paar vrienden en volgend jaar zit de halve wereld er.   Zo verging het ook met ons favoriet brood. Ik zei het tegen dinges, waarna hij het tegen een andere dinges zei en de broodbal was aan het rollen. Het is niet langer een goed bewaard geheim. Het ligt op de straat.  Het moet gezegd, dat rond volkorenbrood is een topper. Ze verkopen het in de supermarkt (nee, ik vertel niet welke) en het is elke dag snel uitverkocht. Ik heb al gevraagd om er eentje te reserveren, maar dan kom ik op de wachtlijst en daar staan al 70 mensen op. Ze kunnen er ook geen extra bakken. Het strafste was dat een vriend afgelopen weekend me vertelde dat, jawel, ons favoriet brood in supermarkt x geweldig lekker was. “Ik heb een exclusieve tip gehad”, zei hij. “Niemand weet het.” Afijn, ik heb me er niet over uitgelaten. Vroeger had je dat niet, favoriete broden. Je had hooguit een favoriete wielrenner of voetballer. Of een favoriete nieuwslezer. Er was ook maar één soort biefstuk. Of één soort kabeljauw.  Nu heb ik geprobeerd om het recht te zetten en een ander favoriet brood in de kijker te zetten, maar dat plannetje is mislukt. Stom brood ook.

Rudi Lavreysen
0 0

Kaasplank

Ze at zo enorm graag kaas. Waarom ze zo graag kaas at, wist ze niet, kon ze niet zeggen. Eigenlijk had ze er ook nooit bij stilgestaan waarom ze zo enorm graag kaas at. Het was gewoon zo, net zoals haar haren blond en haar ogen bruin waren. In elk geval; van haar ouders had ze het niet, die aten liever charcuterie. Of misschien was het net daarom; omdat haar ouders zo ongelofelijk graag charcuterie aten, enkel maar charcuterie in huis haalden, dat ze, bij wijze van opstand, zich volledig overgaf aan alle mogelijke kaassoorten. Elke dag voorzag ze zichzelf een kaasplank. Er waren kazen die vaak de revue passeerden, andere kazen die zich maar eens om de zoveel tijd lieten proeven. ‘Sommige smaken moet je beperken om ze speciaal te houden’, zei ze. Tegen wie zei ze dat? Dat is niet geheel duidelijk, maar ze heeft het in elk geval gezegd. Of dat klopt kon ze niet met zekerheid zeggen zoals ze niets met zekerheid kon zeggen, maar proefondervindelijk bleek wel dat niet al te vaak geproefde smaken een soort aura rond zich creëerden en sommige kazen waren dat aura waard, waren de zeldzaamheid waard, waren het voorzichtig-omgaan-met waard en bewezen dat ook keer op keer. Af en toe stelde een stuk teleur, vaak waren dat nieuwkomers, maar af en toe betrof het oude gezanten waar ze zelf misschien wat te nonchalant mee had omgesprongen, te vaak de kaasplank had opgelegd. ‘Stelt de kaas, de smaak of ikzelf teleur,’ zei ze, ‘of de eindeloze herhaling?’ 

Lorin Clercq
12 0

Augurken met een grauw gemoed

  Wat als ik schraap. Mijn vel bevrijd van donderslagen. Wat als ik schreeuw. Mijn keel mij stikken laat. Hoop en kwaad. Ze dansen in mijn hoofd. Ze zullen enkel vallen wanneer moed vergaat. Beste Dimitri, ongeknoopte koorden zijn er voor de schepen, vaartuigen die wind vertrouwen. Noorderwind, wees kil en koud, durf wil en zout te proeven. Augurken liggen altijd dood in een bokaal.  De wereldbeker wreedheid is gewonnen door een Rus, terwijl Amerikanen zich verzuchten. Waar zijn die brave zielen, burgerdoelen, hebben wij nog bommen om hun onschuld te verdrijven? Leugens kleven op mijn netvlies, uit mijn lies stroomt zuiver bloed. Ik kan niet meer bewegen, gaan naar beterschap. In Dudzele is er een zot die deuken in uw ziel wil repareren voor een schele duit. Voorruit. Achterwaarts. Kelderraam. Ik zie niets meer, dit spookkot is ontvoerd door magere piraten. Zelfs Kaap de Goede Hoop gelooft de oceaan niet meer en in de Varkensbaai rilt er een zeekoe, aangespoeld en uitgeput. Kalfjes willen zalf op tere plekken leggen. Nodeloos want zeer hardnekkig zijn de moordenaars die volkeren bedriegen. Wat als ik schreeuw. Het einde stil aanbid. Wat als ik schraap. Mijn vel op die kadavers leg. Warmte is een teder goed. Ik moet echter gelatenheid aanvaarden. Anders pleegt de nacht een laffe daad en blaat het lam nooit meer. Moeder ooi maakt zich intussen mooi voor nog een slachting. Speld uitgedroogde vlinders op uw vest, meneer de generaal met vaal gemoed. Morgen komt die beul met blinde hoed en vindt weer alles wat nog lief zou willen zijn.     uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
7 0

Bim bam boterkoek

  Door een kraanvogel werd ik uit de goot getild. Zo gaat dat want Puk van de Petteflet, hij komt altijd veel te laat met zijn knalrode takeltuig. Intussen blijft het ruige dagen regenen. Enkel die volwassen, grotendeels gestorven zielen kunnen dit nog aan. Bim bam bom. Ballistische raketten en nog vele keren bom boem bam. De zwarte put is in de ban van stollend bloed. Ik wil hier weg. Ik kan dit niet meer aan. Mijn keldertje aanvaardt alleen nog maar kadavers. Spinnen moeten op de zolder broeden. Wrede plannen heersen. Webben vol vergeten vlinders worden vuil naar het verluidt. Er is geen teder noodlot meer. Ik vertrouw nog op mijn linkerpink die al het grauwe snot verwijdert uit die walvisneus en pas toch op, geslagen kind. Proef niet meer van bruine eieren. Mosterdgas is vluchtig en de lach van onze maan is zo oneerlijk als een koekoeksbrein. Mauve folie zit nu rond de lijken in het verre oosten. Dichtbij rot het platteland. Mol en veldmuis, wees gewaarschuwd. De lente met zijn zieke boeren, gif en scherpe ploegen zullen weer proberen overal hetzelfde groen te zaaien. Onraad zal gaan kiemen en de zon zal onverschillig schijnen. Denk maar niet dat echte warmte komt, wanneer je straks die stranden zoekt. Het blijft intussen maar gebeuren. Dood, vernieling en de waanzin heersen over alle grijze wolken. Daaronder botert niets. Schimmel en bedorven geesten zullen zich verspreiden. Intussen staart die kraanvogel me aan met lede ogen. Ik geef hem nog een stuk soldatenkoek en Puk rijdt een zoveelste toertje rond de kerk. Herhaling is het handelsmerk geworden van de gruwel en ik voel het, ruwe tijden willen zwellen in de zwarte klei.       uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
2 0

Meneer K. Goossens

Meneer K. Goossens parkeert zijn Opel Corsa binnen de lijnen. Hij stapt uit, sluit de wagen af en loopt een keer helemaal rond. Ja, hij staat in het vak, het rechterachterwiel op de witte lijn, maar dat is nog binnen. Toch, zoals in het voetbal? Hij twijfelt even, de autosleutel nog in zijn hand, maar besluit het zo te laten. De Opel Corsa is de enige wagen op het parkeerterrein. Hij knoopt zijn petroleumkleurige mantel dicht – te laat om de koude rilling over zijn rug te voorkomen – en wandelt in de richting van het water. Zijn stadse schoenen soppen in het drassige gras tussen het parkeerterrein en de rivieroever. Meneer K. Goossens tracht er niet aan te denken hoe het zachte, glimmende leer in aanraking komt met modder of vuiligheid. Hij zet grote stappen om snel op het jaagpad te zijn. Dan ziet hij een eind verderop een kiezelpad dat hij had kunnen nemen. Hij keert zich af van het hinterland en richt zijn blik op de stroom. Het water vloeit als vanouds; de tegenwind laat nu en dan een golfje oprijzen dat snel, met een zachte plons, weer opgaat in de watermassa. Geen nieuws hier. Aan de overzijde liggen akkers en weiden, de gesloten fabriek en het huisje van Deirdre. Meneer K. Goossens schuift zijn linkermouw lichtjes omhoog om de tijd af te lezen van zijn Ruckfield-horloge: twintig voor vijf, bijna. Te vroeg natuurlijk, zoals altijd. Hij neemt nooit het risico om te laat te komen. Hij vreest de rampen en cataclysmen die verborgen liggen achter de tijd. Hij zet zich schrap, ademt diep in, ruikt de geuren van de andere oever: omgespitte aarde, koeienmest, tractordiesel. Hij probeert de rivier zelf te ruiken, maar die mikt op zijn andere zintuigen. De laaghangende zon die hard in het water kaatst, de kilte van de wind die tegen de dijk op kruipt.  Op het water drijft een plastic fles, voor de helft gevuld met een bruine vloeistof. Meneer K. Goossens volgt de fles op haar reis naar zee. Even wordt ze opgetild door wind en golven. De vloeistof ontploft, schittert in de zon. Het doet hem denken aan mazout, zoals het mengsel van bier en cola vroeger werd genoemd. Hij lustte het toen wel. Net genoeg alcohol om een beetje te ontspannen, maar het bleef toch onschuldig en zoet. Zoals hijzelf had kunnen zijn. Hij proeft de smaak nu in zijn mond: peperkoek, of nee, karamel. Moet een chemische reactie geweest zijn tussen de suiker en de alcohol. Het plakte aan je tanden.  Opnieuw raadpleegt hij de Ruckfield. Er zijn nauwelijks vijf minuten voorbijgegaan. Om vijf uur wordt het donker, dan kan hij zien of er licht brandt in het huisje van Deirdre. Meneer K. Goossens recht zijn kraag, graaft zijn handen diep in zijn zakken en geeft de wind vrij spel met zijn haren. Het ene moment stijgen zijn lokken ten hemel, meteen daarna valt een gordijn voor zijn ogen. De duisternis. Niets meer zien. Hij laat het gebeuren. Het overkomt een ander, een vreemde man aan de rand, de benen lichtjes uit elkaar om de schokken op te vangen. De windschokken. Hij aanschouwt zichzelf, pas wanneer de kou zijn lippen uitdroogt wordt hij weer één. Hij likt zijn lippen, proeft karamel. De wind die zijn mond verdort, maakt zijn ogen vochtig. Hoe vreemd is de wereld. Het landschap valt uiteen in duizend facetten. De vogels sluiten de dag, de tractor trekt een laatste voor. Het water borrelt en bruist. Plots is alles luid. Hij hoort hoe Deirdre de deur opent en het licht aanklikt. Zijn mouw wrijft zijn ogen droog. Het is waar: er brandt licht in het huisje waar hij had kunnen zijn. Maar hij is hier, niet aan gene zijde. Meneer K. Goossens bewaart afstand. Deirdre weet niet langer wie hij is. Laatst zag hij haar bij het postkantoor. Ze haalde een pakje uit de muur, ja, zij gaat mee met de tijd. Hij zei geen woord, knikte of glimlachte zelfs niet. Ze liep hem zonder boe of bah voorbij, spoedde zich naar haar Toyota vol modderspatten en miste bij het uitrijden maar net de slecht geparkeerde Opel Corsa. Hij keek haar even na, ging dan het kantoor binnen om postzegels te kopen. Hoe donkerder de rivieroever wordt, hoe lichter en warmer lijkt het leven achter Deirdres ramen. Meneer K. Goossens ziet beweging. Ze bergt haar boodschappen op, denkt hij. Ze zet de kachel hoger, denkt hij. Ze neemt een boek uit de kast, denkt hij. Dan loopt ze naar het raam en sluit de gordijnen. Dag Deirdre. Gaat ze het avondmaal bereiden, of zet ze zich met haar boek dicht bij de kachel? Hij knijpt zijn ogen bijna dicht om iets te kunnen onderscheiden achter de gordijnen. Even snel als het stromende water gaat een gedachte door hem heen: hij kan in de Opel Corsa stappen en naar de noordoever reizen. Van het parkeerterrein naar de hoofdweg, twee kilometer tot de brug, net voor het dorp links afslaan, de onverharde weg door het bos, plassen, spatten, takken, krassen, de lichten gedimd om dieren en Deirdre niet te verontrusten, de open plek in het bos, parkeren voor de slagboom, huiveren in het maanlicht, te voet het laatste deel van het pad naar de rivier, halt houden voor het huisje, twijfelen, woorden zoeken, ken je me nog?, betere woorden, ik was toevallig in de buurt, mooiere woorden, je huisje is bouwvallig, andere woorden, bevallig, bedoel ik, vragende woorden, waarom?, doorvragende woorden, waarom wou je niet mevrouw K. Goossens zijn? Onbewogen laat hij zijn blik een laatste keer de rivier oversteken. De nacht neemt het landschap in bezit. Alleen het zwakke licht achter de gordijnen zweeft als verloren vierkantjes door het zwart. Meneer K. Goossens besluit het hierbij te laten en loopt terug naar de Opel Corsa. Hij doet zijn vuile schoenen uit en legt ze in de koffer. Wanneer hij vertrekt, bedient hij de pedalen met kousenvoeten. Het doet een beetje pijn.

R.F.G. Vandenhoeck
21 0