Zoeken

Brugse schurken

We stappen door Brugge. Het is altijd fijn terugkomen in de stad van ridders, heiligen, schurken en ander geboefte. Er is veel volk op de been. Niet zozeer de mensen uit de vorige zin, dat is lang geleden, maar eerder toeristen uit alle windstreken. Wat ook opvalt? Het gemotoriseerd verkeer blijft samen met de koetsen door smalle straten rijden. Het is uitkijken geblazen, of ze maaien je van de weg. Een fietser zie ik ei zo na gekneld raken tussen een vrachtwagen en de rand van het voetpad. Moeilijk om te begrijpen, net zoals hun taaltje. Als we de volgende ochtend voor dag en dauw in de Wulfhagestraat wandelen, zien we voor ons door de ochtendmist de toren van de Sint-Salvathorskatedraal opduiken. Ik kan me voorstellen dat zoiets in de middeleeuwen een nog meer mystiek beeld was.  Iets later gaan we de supermarkt met de leeuw binnen, brullend van de honger bijna. Ik wacht in het portaal om de zaak wat af te kijken. Een afwijking van mezelf, genezing is niet nodig. Een man rekent af aan de kassa. Zijn boodschappentrolley staat naast hem. Hij ziet niet dat een binnenkomende man een ‘sssst’-gebaar maakt naar de kassière. Met zijn wijsvinger op de lippen. Hij neemt de trolley van de man en zet die opzij. De eerste man wil zijn portefeuille in de trolley steken en schrikt dat die niet op zijn plaats staat. Hij kijkt opzij en daar ziet hij de andere man lachend staan. Ze kennen elkaar. “Maar gij schurk”, zegt hij. Samen met de mevrouw aan de kassa lach ik met het vrolijke tafereel. Daarna zeggen ze iets dat ik niet begrijp, enkel ‘tot straks’ versta ik. Vervolgens gaan ze elk hun weg, met de trolley achter zich aan. Zoals moderne ridders in Brugge. Schurken zijn het niet.

Rudi Lavreysen
10 1
Tip

Ctrl+Alt+Del liefde

‘Verdomme. Wie had bedacht dat dit een goed idee was?’ Ik keek naar mijn broek. Mijn moeders skinny jeans. Hij zat zo strak rond mijn middel dat ik er vrijwel zeker van was dat mijn ingewanden inmiddels in alfabetische volgorde lagen. Ik miste mijn afhangende skaterbroek. Mijn skaterbroek en ik hadden een gezonde relatie gehad. Hij accepteerde mijn buik, ik accepteerde zijn gebrek aan ambitie. We hadden elkaar nooit proberen te veranderen. Deze broek daarentegen leek persoonlijk beledigd door mijn bestaan. Op de sleehakken die ik van Tina had geleend – ‘Ze maken je benen echt lang!’ – navigeerde ik als een dronken flamingo over de kasseien van de Binnenstraat. Voor me doemde de verlichte gevel van pizzeria Saporito op. Mijn maag maakte een salto. Ik kon nog omkeren. Niemand zou het weten. Ik zou gewoon naar huis gaan, mijn pyjama aantrekken en de rest van mijn leven doen alsof internetdating een vreemde rage uit een ver verleden was. Mijn broekzak trilde. Mama. Veel succes vanavond! Probeer vooral niet jezelf te zijn. xx mama Ik las het bericht twee keer. Daarna grinnikte ik. Fijn. Mijn eigen moeder had blijkbaar ook al vastgesteld dat ‘mezelf zijn’ vanavond niet bepaald de winnende strategie was. Ik voelde me inderdaad allesbehalve mezelf. Ik droeg haar broek, Tina’s schoenen en een persoonlijkheid die voor de gelegenheid ergens tussen ‘zelfverzekerde vrouw’ en ‘vrouw die waarschijnlijk over haar eigen voeten gaat struikelen’ schommelde. Maar ik had besloten dit te doen. Of toch te proberen. Er moest iets veranderen in mijn leven. Dit was de eerste stap. Een kleine stap. Op een paar gigantische pumps. Maar toch. De vraag was alleen: hoe zou híj eruitzien? Zijn datingprofiel hielp niet echt. De enige foto was een soort Manga-lookalike. Een gezicht met de perfecte kaaklijn, grote ogen en ongeveer evenveel emotionele diepgang als een emoji. Nerd, dus. Maar zijn berichtjes hadden me verrast. Hij was grappig. Scherp. Uitdagend. En, wat ronduit verdacht was, hij kon tegen mijn droge opmerkingen. Sterker nog: hij leek ze leuk te vinden. Al snel waren onze gesprekken behoorlijk flirterig geworden. Na een paar dagen begon ik zelfs uit te kijken naar zijn berichtjes. Wat op zich al een alarmsignaal was. Wanneer zou hij terugsturen? Waarom duurde het zo lang? Had hij mijn bericht gelezen? Had hij het grappig gevonden? Was die punt achter zijn laatste zin misschien een teken van emotionele afstand? Stop. Ik moest mezelf dringend tot de orde roepen. ‘Niet onnozel doen, Lolo.’ Ik voelde mijn wangen warm worden. Fantastisch. Ik was nog niet eens binnen en mijn lichaam gedroeg zich al alsof ik een tiener was die voor het eerst oogcontact had met een jongen. Zou onze conversatie in het echt even spontaan verlopen? Waarschijnlijk niet. In het echte leven kon ik namelijk niet gewoon drie minuten nadenken voor ik een gevat antwoord stuurde. Ik moest mijn woorden onmiddellijk produceren, met mijn mond. Een nogal beperkende technologie. Bovendien had ik zelf ook niet bepaald open kaart gespeeld. Mijn profielfoto was een gepolijste, door ChatGPT opgekalefaterde versie van een vijf jaar oude pasfoto. Het was technisch gezien mijn gezicht. Alleen had ChatGPT blijkbaar besloten dat ik meer weg had van een vrouw die op een reclamebord staat te glimlachen alsof ze nog nooit in haar leven een slechte haardag had gehad.  Bewust hadden we nog niet te veel concrete informatie gedeeld. We waren allebei IT’er – gemeenschappelijke interesses, altijd een pluspunt. We hadden allebei gevoel voor humor – uniek! En we waren allebei op zoek naar gezelschap. Dat laatste klonk achteraf gezien misschien iets te veel als een advertentie voor een gezellige seniorenclub. Mijn zenuwen raasden inmiddels door mijn lijf alsof ze een eigen Uber hadden besteld. Ik bleef voor de pizzeria staan en gluurde door het raam. Was hij er al? ‘Je zult me wel herkennen,’ had hij gestuurd. Nou. Dat hielp. Ik scande de tafeltjes. En toen zag ik hem. Een knalgele pet. Met het logo van Google. Ik moest lachen. Natuurlijk droeg hij een Google-pet. Waarom zou een volwassen man met een blind date ooit gewoon een neutrale jas aantrekken als hij ook kon rondlopen als een wandelende zoekbalk? Hij moest mijn lach gehoord hebben, want plots draaide hij zich om. En toen zag ik zijn gezicht. Of liever: ik zag wie het was. Als door een wesp gestoken dook ik weg achter de muur. ‘Dit. Dit kan niet waar zijn.’ Ik bleef stokstijf staan. Mijn hersenen probeerden de informatie te verwerken, maar liepen vast op een soort intern 404-scherm. Had ik het wel goed gezien? Ik gluurde opnieuw. Jawel. Hij. Van alle mannen op deze godvergeten planeet. Ik vluchtte naar de overkant van de straat en verstopte me achter een dikke populier. Van daaruit had ik vrij zicht op de man met de gele pet. Ik kende dat silhouet maar al te goed. Mijn collega. Mijn ex-collega. Mijn persoonlijke professionele nachtmerrie. Van alle mannen op Tinder. Van alle mannen op deze planeet. Van alle levende organismen met een penis. Hém. De man die vorig jaar mijn promotie voor mijn neus had weggekaapt. En die daarna, alsof dat nog niet genoeg was, wekenlang vernederende mopjes had gemaakt waar ik telkens beleefd om had gelachen omdat ik nu eenmaal volwassen was. Nou ja. Meestal. Hij pakte zijn telefoon. Zijn vingers bewogen over het scherm. Ik herkende zijn gsm. Ik had exact dezelfde. Mijn broekzak trilde. Een bericht van hem. Ik ben er al. Apérol-time! Ik kijk uit naar jou! Ik staarde naar het scherm. Mijn teleurstelling maakte plaats voor iets anders. Een heel aangename vorm van helderheid. Geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht om met die eikel op date te gaan. Ik begon te typen. Nou, ik niet meer. Ik keek even naar de knipperende cursor. Misschien was dit kinderachtig. Misschien was het onprofessioneel. Misschien zou ik hier later spijt van krijgen. Ik glimlachte. Polyamorie is minder mijn ding. Doe de groetjes aan je vrouw! Versturen. Ik stopte mijn telefoon weg en draaide me om. Geen idee hoe hij reageerde. Al zag ik nog net door het raam dat hij zich verslikte in een flinke slok Apérol. Ik glimlachte en zette het op een lopen. Zo snel als die verdomde sleehakken mij konden dragen. Kijk. Sommige dates eindigen met een kus. Sommige met een tweede afspraak. En sommige eindigen met een vernederende hoeveelheid Apérol in het decolleté van een serveerster. Persoonlijk vond ik de laatste optie een prima afsluiter.

Sfieke
39 4

Verzamelde gevallen

  Nu er zo veel doden zijn. Onder de strijders. Onder de voorruitvliegen. Ook onder de zoden en onder de bomen liggen noten stil te drogen. Het komt door die vlammenzee. Door die golven. Door die wolven. Water en vuur. Alles en iedereen. Het komt terug. Christus als een brandweerman. De oerknal wordt een vuurwerkfeest.. Vrees niet. Vecht voort. Loop over dit koord. Vermijd de val. Wacht er iets gespannen op geluk en beterschap? Verzamelde gevallen. Getallen die zich niet gewonnen geven. Het lot. Onvermijdelijke zonsopgang en lottoballetjes. Ze stuiteren verblind. En dit alles. Terwijl hij daar zit. Het is een kikker met een roze parasol. Twijfel op een zwembadrand. Larven of toch maar die zeer magere muggen. Straks. Dan komt die bange vlucht. Wees jezelf. Wees geduldig. Weet alvast dat vele satellieten observeren. In het rapport aan de systemen staat de boel beschreven. Echt. Er zijn geen zwarte vlekken meer en vlinders van de onschuld wachten zelden op de eerste sneeuw. Leef nu. Word blij. Kruip niet diep. Volg de mol niet langer. Staar niet in de blik van regenwormen  Gelukkig wordt het alziend oog nu dichtgeknepen. Tranen worden schoon bewaard. Tot die rooklucht is verdreven. De einder plooit gerust. Het ochtendgloren en het licht. Zij keren altijd weder. Die strijders evenzeer en achter deze heuvelrug broedt er een phoenix op een koppig ei. Het geel. Het groen. Het beukenland. De kikvors op een modderpad. Het komt terug. Gelijk een hik die zich herhaalt omdat het kriebelt in de keel van elke toekomst. En. Er was eens. Dit sprookje. Die veel te korte zonsverduistering. De brandweerman. Hij wrijft zich in de stoppels, in die milde baard. Ja. Het gaat weer zo verduiveld snel. Van levend naar de dood. Van geboorte tot opnieuw kreupele hoop. Er was eens. Een voorruitvliegje. Die snelweg door de vlammenzee. Een noodopvang voor wandelende takken. Er was die kans om te verdwalen in dat bos met wolven die het huilen zouden leren van de maan. Zij joegen niet meer op dat mensenkind met dolle sproeten. Het mochten daar drijven in die rubberband. Straks begint die barbecue. Proef die kikkerbillen. Koteletten van een edel schaap. Schelpen zijn er vol met parels voor een vrouwenhals. Schenk maar in. Tot slot. Twee vingers schuim. Ja goed. Een Mort Dubite. Nu die rooklucht is verdwenen.     uit de reeks 'Waanhoop'      

Bernd Vanderbilt
5 0

De spiegel

We zitten te puffen op een Antwerps terras, niet ver van het Rubenshuis. Het is een van de warmste dagen van de zomer. Al zeggen ze dat bijna elke dag. Om enige verkoeling te zoeken zetten we onze pollen aan een fris bolleke.  “Wat gij nog Jaak?”, vraagt de waardin aan het tafeltje naast ons. “Ah, nog een bolleke hè Marion”, antwoordt hij met een smakelijke Antwerpse tongval. Ooit zie je dat iemand zijn naam niet gestolen heeft. Deze Jaak doet me aan Jacob (of Jacques) Jordaens denken. Niet aan de kunstschilder zelf, maar wel aan de koning op één van de versies van het schilderij ‘De koning drinkt’. Het heeft lange grijze haren en als hij even later dat bolleke aan zijn lippen zet, met een even smakelijke lach als de koning van het schilderij, is hij het helemaal. Dat doet me weer denken aan een ander prachtig werk van Jordaens. ‘Mozes en zijn Ethiopische vrouw’ uit 1650. Hierop maakt Mozes een ‘et alors’ gebaar met zijn rechterhand. Daarmee zegt hij iets aan ons, de kijkers. Hij houdt ons een geniale spiegel voor. "Maakt het iets uit, dat ik met een zwarte vrouw ben getrouwd?'  Het werk is door het Rubenshuis uitgeleend aan een museum in Balimore. Tot 2030, dan gaan de deuren van Peter Pauls woonhuis terug open. Blijkbaar hangt het niet zomaar in Baltimore, want gemengde huwelijken waren daar lange tijd verboden. Opnieuw, die spiegel. De heren naast ons slaan zich ondertussen op de dijen van het lachen. Ik weet niet waar hun gesprek over gaat, maar amusant is het zeker. Alsof het toeval niet zomaar iets is dat af en toe voorvalt, maar eerder iets dat het leven bepaalt, zegt Jaak plots vrij luid tegen zijn compagnon: “Et alors?”, waarna ze terug in de lach schieten.

Rudi Lavreysen
1 0