Zoeken

Flitsverhaal over jou

Ze bewoog heen en weer als een strohalm in de wind. Ze leek wel te vliegen op een hemelse melodie. Het deed me denken aan een vogel, vrij in de hoge lucht. De felle pasteltinten in haar kledij in combinatie met haar mooie en ergens ook zuivere lach, herinnerden me aan een eenhoorn die ik als kind zag. Ze was één met de tijd, gaf antwoorden op vragen die het leven vergat te stellen, terwijl ik samen kon smelten met haar en haar passen. Ze danste zo prachtig dat ik bijna stopte met ademen en nog beter, ik zag dat zij reeds bij me hoorde, dat wij al een koppel waren. Ik keek en zag het publiek. Ook zij stonden verbijsterd. Ik kan me niet voorstellen dat ik me op dat moment afvroeg of iemand wenste om met haar naar huis te gaan. Ongetwijfeld en heel waarschijnlijk koesterden velen een droom over een vrouw als haar. Ik weet dat ik uitverkoren ben, alleen al voor vandaag en alle dagen dat ik bij haar ben en zij naast me loopt. Wanneer ze zo in de spotlights glundert, vergeet ook ik alles. Het is magisch wanneer zij danst. Klokken stoppen met tikken, hongerigen worden gespijsd en daklozen staan in de duurste kostuums te kijken wanneer zij ons op het podium ontroert. Er is geen moment, en het einde is altijd te vroeg terwijl ze meningen vervoert en ons gedachteloos aanschouwen verroert. Haar bewegingen zouden berekend zijn, maar noch ingewikkelde, noch gemakkelijke formules zijn de uitkomst. Het enige antwoord dat steek houdt, zou liefde zijn. Echter weet een onbekende dat niet. Ze vertelt wel eens over de sterkste kracht. Je kan het vinden in de donkerste zwaarte van het bestaan. Het is het stralende licht, wanneer je ontdekt dat niets is wat het lijkt, wanneer het tegenovergestelde klopt en alles is wat het was. Je kijkt naar haar en vraagt je af wat ze bedoelt. Haar heldere ogen kijken je aan en je weet dat ze gelijk heeft, je kan het voelen in je hart. Net dan legt ze haar hand op je borstkas en ze zegt zacht: “daar merk je dat”. Het is als thuiskomen na een ernstige ziekte. Het is als terug kunnen gaan naar je land waar oorlog woedde. Het is misschien als opstaan uit de dood of als herboren worden. Het is weten hoeveel geluk je hebt haar te kennen en de grote droefheid wanneer je beseft dat niet iedereen haar kent zoals jij. Het is je handen vouwen en dankbaar bidden in ongeloof. Het is ontvankelijk geven op het ritme van het leven dat niet bestond. Het is je verliezen in een eenvoudige aanraking met haar ziel. Het is onbeschrijflijk mooi. Het is iedereen en niemand, maar bovenal is het gewoon jij.     Céline M.

Céline M.
0 0

De Daktylovorax

“Mijn naam is Daktylovorax. Dat betekent ‘tenenverslinder’, maar eigenlijk is die naam een grove misvatting. Zie je, ik heb die naam ooit gekregen omdat ik nu eenmaal graag aan mensen hun tenen sabbel wanneer ze ‘s nachts hun voetjes nietsvermoedend over de rand van hun bed laten hangen. Ik kan je eerlijk zeggen dat ik werkelijk nog geen één keer een teen heb afgebeten en opgepeuzeld. Misschien ooit eens een kleintje, maar dat was echt waar per ongeluk. Mijn tanden zijn te scherp en daar kan ik persoonlijk niets aan doen.   Tegen het schemerdonker sluip ik muisstil naar dat donkere plekje onder je bed en dan ga ik daar klaarzitten; rillend, watertandend en handenwringend. Wanneer je de slaapkamer binnenkomt zit ik daar dan te wachten. Ik kauw gespannen op het uiteinde van mijn lange, harige staart tot die bloedig is, om maar geen geluid te maken. Je heerlijke voeten verschijnen aan het bed en ik houd mijn adem in. Het bed kraakt en piept wanneer je gaat liggen, de lakens ruisen zachtjes over je heen. Weldra zullen ze te warm worden, voel je je klamme lijf bezweten, en dan is het zo ver. Dan komt daar één voetje onschuldig van onder het laken uit piepen.   Onbewogen wacht ik tot je wegdommelt. Een waar engelengeduld leg ik hierbij aan de dag. Je kan niet geloven hoe zeer ik mezelf beheers. Ik ben de stilte en de sereniteit en de duisternis zelf. Ik ben onaandoenlijk. Ik ben het hoogtepunt van bedaardheid. Ik…   Het is zover!   Je snurkt. Ik likkebaard.   Je beweegt even in je slaap. Ik kwijl over je tapijt.   Je ronkt vredig verder. Ik krabbel aan mijn behaarde navel en negeer de golf van pluizen die eruit komt.   Je beweegt je voet nog verder van onder het laken vandaan. Ik kan het al bijna aanraken.   Nu kom ik langzaam tevoorschijn van onder je bed. Het maanlicht weerspiegelt kortstondig in de donkere poelen van mijn ogen, maar trekt zich even snel weer terug. Ik buig me over je uitgestrekte been en besnuffel voorzichtig alle kanten van je voet. Ik glijd met mijn tong over mijn scherpe tanden. Wat een heerlijke teentjes in het vooruitzicht! Voorzichtig steek ik mijn tong uit richting je grote teen. Wanneer je ademhaling stokt, houd ik halt. Mijn ogen schieten richting de grote slapende bult onder het laken, mijn tong nog uit mijn mond hangend. Dan adem je verder en adem ik ook geluidsloos uit.   Trillend van de anticipatie ga ik ervoor. Ik slurp de kwijl die van mijn tong hangt stilletjes terug op en lik aan je dikke teen. Je proeft heerlijk zout en aromatisch, als een lang gerijpte Parmezaanse kaas.      

LeenB
0 1

De buitenbeller

Tijdens het wandelen kom je wonderbaarlijke mensen tegen. Kijk, daar staat een echte buitenbeller. Op het terras van een taverne met een telefoon aan zijn oor. Het is behoorlijk koud, maar toch heeft hij enkel een trui aan. Tja, als je gebeld wordt, heb je geen tijd om snel een jas aan te trekken. Een echte buitenbeller rept zich meteen naar buiten. Hij neemt binnen zijn telefoon op en zegt tegen de persoon aan de andere kant van de lijn iets in de zin van 'Wacht, ik ga naar buiten'. Eenmaal buitengekomen deelt hij eerst zijn locatie met de persoon die hem gebeld heeft. Het is geen nieuw fenomeen, maar je ziet ze minder vaak, de buitenbellers. Dat heeft met de draadloze oortjes te maken. Dan valt het niet zo op en lijkt het alsof ze tegen zichzelf praten. Een buitenbeller kan ook een buitenroker zijn. Dan profiteren ze van het buitenbellen om meteen te gaan buitenroken. Andersom zal het ook wel eens gebeuren, maar toch beduidend minder.  Ik ken deze buitenbeller. Hij zwaait uitbundig. Misschien zegt hij tegen zijn gesprekspartner dat hij naar mij zwaait, want die kan natuurlijk niet zien dat de buitenbeller aan het zwaaien is. Maar zo duurt het gesprek wat langer en kan hij bij het terug binnenkomen tegen zijn tafelgenoten 'sorry, dat was dinges' zeggen en zo een gesprek over dinges op gang brengen. Het lijkt een tegengesteld gegeven, maar buitenbellen kan een meerwaarde voor het sociale gebeuren zijn. Nu steekt hij zijn duim naar mij omhoog. Dat weiger ik pertinent. Gewoon terugzwaaien is genoeg. Destijds waren er alleen binnenbellers. Je zag pas buitenbellers toen de eerste generatie draagbare telefoons eraan kwamen. Die kon je in het begin alleen thuis gebruiken, op het terras. Soms lijkt het alleen maar zo, dat de tijden veranderen.

Rudi Lavreysen
14 0

Wat ik niet begrijp

'De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.' Dat dacht ik op het vliegtuig toen we van Lissabon terugkwamen. Gerard Walschap komt niet vaak in mijn hoofd spoken, maar deze prachtige zin van hem was hier toch van toepassing. Laat me beginnen met het gegeven dat we op Portela Airport serieus hadden moeten wachten wegens een vertraging. Zitten, zitten, zitten. Zo lang dat je spijt begon te krijgen dat je geen koersbroek droeg. Met een zeemvel om je achterste te beschermen.  De eetwinkeltjes waren bijna uitverkocht en de rij bij de hamburgerzaak was zo lang dat je het einde niet zag. Mobiele telefoons werden aan de laadpalen massaal opgeladen en ik zag zelfs enkele koppeltjes ruzie krijgen.  Maar eindelijk verscheen het verlossende bericht op het bord met het nummer van de gate. Allen daarheen. Op het vliegtuig zat ik gescheiden van mijn familie. Ik zat naast een koppel. Zij hadden nog geen ruzie gehad. Het vliegtuig was nog aan het taxiën toen de vrouw naast me haar rugzak opende. Ze haalde er een grote bak met - denk ik – quinoa uit. Het deksel ging eraf en de geur van het goedje verspreidde zich over de aanpalende rijen. Ik moet hierbij aanvullen dat ik een vorm van misofonie heb. Het geluid van etende mensen of krakende chipszakjes jagen me behoorlijk op de kast. Daarom had ik bij het instappen al oortjes ingedaan. Want op de een of andere manier beginnen mensen altijd te eten als ze net in het vliegtuig of in de trein zitten.  Maar waarom was die grote bak quinoa niet verorberd tijdens het wachten op Portala Airport? Er was toch tijd genoeg. Dat is wat ik niet begrijp.  Daarom dacht ik aan die zin van Walschap. ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.’ Alsmaar minder.

Rudi Lavreysen
6 0