Zoeken

Koe met kind.

Nu gaan we poseren. Ons werk zit erop, de glimlach kan beginnen hoewel grazen nooit helemaal stopt. Er staat een man met lens, hij neemt de tijd om van beesten beelden te maken. Koe met kind, het wordt een foto mét titel. Merk je het aan mijn blik? In mijn ogen een boodschap die je niet kan ontcijferen als je een mens bent. Zie je dat jong, ooit van mijn uiers profiterend? Na het zogen veranderde het gedrag van dat kalf! Ze beet mijn melkklieren tot ik versomberde, tot ik pijn kreeg. De boer heeft een boerin, zij bezitten ons, in huis zijn er thuishulpen, wij zijn de weihulpen. Wij worden vet gemest, houden het gras kort, rijden op tijd naar de slacht maar zonder achter het stuur te zitten. Iemand rijdt ons naar de beul. Ik sta al dagen op dezelfde plek, met dat jong om op te leiden. Het observeert en imiteert. Het laat al wat onbruikbaar is vallen; allemaal kak. Stinkende kak waarvan de geur opstijgt in de lucht die ons omringt. Wij zijn als varkens of vieze vuile wezens op twee benen, wandelend of fietsend of plankgas gevend in moordwagens. Nu willen we op de foto omdat het schoon is dat iemand momenten vast wil leggen. Later komen die momenten terug, ze worden bekeken, ze worden besproken, wij komen weer los te liggen. Precies zoals het leven dat pas vastligt na de dood. Wij waren het onderwerp, het beeldmateriaal, ergens in een onbekend huis en op een onbekende tafel duiken we weer op. Naast het bord een vork, prikken in ons vlees.        

Ingrid Strobbe
0 0

hoe een pvda er denkt.

Ik had het er een paar jaar geleden over met een oud-Amadees, nu een PVDA'er. Ik zei tegen hem: "Jullie weten niet hoe een arbeider denkt." Hij was in zijn gat gebeten, zoals dat heet. Hij vond dat ik juist niet wist hoe een arbeider denkt. Hij wist het zogezegd wel, omdat hij een tijdje in een fabriek was gaan werken.Ik daarentegen ben op mijn 14e in een fabriek beginnen te werken. Vanaf mijn 21e als vrachtwagenchauffeur. Op mijn 29e maakte ik mijn eerste kunstwerk: een alternatieve ontmoetingsplaats voor de lgbtqia+-gemeenschap. Na tien jaar, op mijn 39e, ben ik weer op de camion gesprongen tot aan mijn pensioen.Volgens de PVDA'er was ik een anarchist en wist ik niet hoe een arbeider denkt. Daar stopte het gesprek. En toen ontvriendde hij mij. Toen ik zestien was en al twee jaar als arbeider in een fabriek werkte, hadden de Amadezen mij gevonden in de jeugdclub die ik destijds bezocht. Ze stelden me voor om deur aan deur te gaan om de voordelen van de revolutie met andere arbeiders te delen. Zo stond ik op een bepaald moment voor een arbeider die zijn auto stond te wassen voor zijn sociale woning. De student, een vurige Amadees, was met me meegekomen. Later vermoedde ik dat hij me moest controleren. Opeens begreep ik het. Die student was opgegroeid in een groter, vrijstaand huis met een enorme tuin eromheen. Hij werd rondgereden in een veel grotere auto, waar hij de opvoedingsregels van zijn ouders moest volgen. Misschien haatte hij hen wel. Ik ben het geklaag over het 'monster' dat kapitalisme heet grondig beu. Men blijkt te vergeten dat de emancipatie van de lgbtqia+ gemeenschap is begonnen in het meest kapitalistische land ter wereld. Ook de aanzet tot natuurbescherming vond daar plaats. Zelfs de armoede is wereldwijd massaal verminderd. Zo kelderde de armoede in China pas nadat het land het kapitalisme invoerde. Wat Cuba betreft, is het bijna misdadig dat men nog altijd weigert toe te geven dat het systeem daar totaal mislukt is. Maar volgens de aanhangers ligt dat niet aan hun eigen systeem, maar aan hun grote, kapitalistische buurman. Hoe blind kun je zijn? Iedere Amerikaan herinnert zich nog hoe ze leerden te schuilen onder de tafel bij een atoomaanval, toen Cuba Russische atoomraketten stationeerde. Misschien vergeven, maar niet vergeten. LEEF  In de oudheid had de mens angst voor de natuur. Hij aanbad die natuur zelfs. Tijdens de industriële revolutie wilde de mens de natuur echter overheersen. Nu weten we dat we geen angst hoeven te hebben, maar ook dat we de natuur niet kunnen controleren. Dus zullen we ermee moeten leren leven.    

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
18 0

Boot in B.

Met mijn penseel een tafereel kliederen, dat kan ik zeker, en met de hulp van gekleurde woorden wil het misschien wel een schilderij worden. Eerst teken ik de lucht met helder blauwe verf, veeg met wit de wolken. Bomen zijn groen dus kies ik het groen dat bij het huidige seizoen past; het zomert in het natuurgebied waar ik mijn ezel heb gezet. Om de vegetatie geloofwaardig neer te zetten, kijk ik in opengelegde natuurbladen, en focus op de vormen van verschillende bladeren. Er zijn enorme gekrulde bladeren bij waar een baby in past, de kleinere zijn rond en puntvormig, de tinten frisgroen of rijper groen met een donkere zoom. Ik denk steeds aan de kijkers die mijn tentoongestelde werk zullen beoordelen. Ze zullen als stammen bij de opgehangen canvassen staan met in hun ogen het verlangen naar de boot. Iemand zal zich indentificeren met de knaap, een man in wording die dat ene meisje in bikini heeft aangemoedigd haar jurk uit te doen. Het water schilderen lukt me aardig, er is geen tumult dus geen storm, de bootinzittenden eisen evenwel precisiewerk, ik neem een fijn penseel voor het kastanjebruine haar van de jonge mannen. Blonde lokken worden opgestoken door een vrouwelijk figuur, ik laat haar op de rand plaatsnemen vooraleer ze zich in de plas laat glijden. Ik herinner me nog goed hoe ik als beginnend schilder luid vloekte in mijn atelier omdat het maar niet wilde lukken; verf mengen tot de huidskleur van een Europeaan was tijdrovend en frustreerde me dagen lang. Tot op een dag dat de melanine me enig succes leek te gunnen! De torso zowel als de ledematen van de staande jongeman doopte ik tot Nederlander. Met meerdere verfuithalen liet ik hem aan het roer staan. Waarom zou ik het tafereel niet in het Nationaal park tot leven wekken? Zes mensen in een motorboot, zo had ik het in mijn hoofd. Om het meisje in bikini te laten bewegen diende ik een pen ter hand te nemen, ik moest schrijven wat haar overkwam in het ondiepe water dat niet zo waadbaar bleek te zijn. Ze had nog gevraagd: kan je er met de voeten bij de bodem?

Ingrid Strobbe
4 0

Een relaxed ongeluk.

In Drimmelen lopen we door een smalle straat. Klopt dat? In het historisch Drimmelen lopen we door een smalle steeg. Nee, dat klopt niet helemaal. We zijn in Nederland om zijn nakende pensioen te vieren. In Drimmelen overnachten we in een nieuw hotel met zicht op de jachthaven. Dat klopt! Als je het ontslag dat hij gaf als zijn pensioen kan zien, klopt het volledig. We willen het vieren in het Nationaal park de Biesbosch waar we ooit een bootsafari deden, waar we erg van hadden genoten, waarom niet? Waarom niet volop genieten nu we nog jong zijn én fit? In de smalle steeg loop ik achter hem aan maar niet als een hond, als zijn vrouw wandel ik in schaduw maar niet in het donkere gedeelte van mijn persoonlijkheid, ik kuier ontspannen want niets ergert mij. Ik voel me licht en blij en zie wat ik moet zien: een zwarte kat! Ze rent de weg over, zo snel rent ze de weg over, ze lijkt te willen dat ik haar (of hem) maar even zie, lang genoeg om te vermoeden dat er geloof mee is gemoeid. Ik ben jouw bijgeloof. Ik ben zwart, en wil geen affectie! Dat lijkt de kat te willen zeggen. 'Iemand die bijgelovig is, zou dit oversteken interpreteren als een ongeluk', zeg ik. Hij reageert niet. Ongeveer een uur later bereiken we het museum dat in het groen verscholen ligt. Er ligt een pak mos op het dak. We smeren ons in, trekken de veters strak aan. Ergens op de met gras omzoomde weg is een onzichtbaar putje waar mijn voet in terecht komt. Ik raak uit evenwicht, en val terwijl ik vloek. Mijn hele linkerbeen is geschaafd, het bloed druppelt uit de wonde, een buil manifesteert zich.  Wanneer we na tien kilometers stappen bij de auto zijn, is de buil verdwenen en het bloed droog. Ik wrijf over de wonde, voel iets zacht in mijn hand. Ik kijk maar zie niets dat mij verrast. In het restaurant is het moeilijk kiezen, we kunnen toch niet elke keer een slaatje eten met deze hitte? Hij vraagt hoe het met mijn been gaat. Goed, zeg ik. Zijn hand gaat onder tafel, grijpt naar mijn gekwetste knie, streelt de pels die daar als een relaxed ongeluk groeide. Klopt dat?

Ingrid Strobbe
0 0

Een echte man

Joost luistert ademloos naar zijn beste vriend Dave. Zijn vriend is al enige tijd fan van influencer Andrew Tate. ‘Je moet je gewoon gedragen als een echte kerel, Joost. De natuur heeft het zo bepaald. Vrouwen willen een leider. Geen watje. Joost heeft een paar dagen geleden een leuk meisje in de bibliotheek ontmoet. Hij heeft de stoute schoenen aangetrokken en haar vervolgens mee uit gevraagd. Ze gaan naar de bioscoop. De adviezen van Dave heeft hij goed in zijn oren geknoopt. Na afloop van de film drinken ze nog een drankje en hij biedt zijn date Estelle aan om voor de veiligheid mee naar haar huis te lopen. De buurt waar ze woont staat niet bepaald bekend als veilig. Eenmaal bij haar huis aangekomen vraagt ze hem spijtig genoeg niet mee naar binnen voor nog een drankje. Joost baalt, maar als echte man laat hij zich niet afschepen. Hij trekt Estelle naar zich toe en steekt zijn tong in haar mond.  Ze duwt hem van zich af. ‘Dit gaat wel erg vlug, Joost. Ik heb een heel gezellige avond gehad, maar ik ga nu naar bed. Ik moet morgen heel vroeg op.’ De woorden van Dave weergalmen in zijn hoofd. Vrouwen willen dat je dominant bent, Joost. Laat je niet afschepen.  Hij trekt Estelle opnieuw naar zich toe. Haar vuistslag treft hem vol op zijn neus. Hij hoort iets kraken. ‘What the fuck. Je hebt mijn neus gebroken, bitch.’ ‘Jij mag blij zijn dat het alleen jouw neus is, loser. En nou oprotten.’ Joost strompelt weg. Hij moet naar de eerste hulp. Als hij voor de ingang van het ziekenhuis staat belt hij zijn moeder. ‘Mama, ik sta bij het ziekenhuis, Ik heb verschrikkelijk veel pijn. Kun je alsjeblieft snel hiernaartoe komen.’  Hij barst in snikken uit. ‘Mama komt eraan, jongen.’    

Elle Hart
9 1

Mijn gezicht

Ik weet proefondervindelijk dat ik geen spontaan lachend gezicht heb.  Opmerkingen als 'Lach toch eens' of 'Kijk niet zo lelijk' komen hard aan, geloof me. Maar hoe krijg je dat, zonder op een uitgebluste clown te gelijken? Het toeval wil dat ik iemand met een uitgesproken lachend gezicht ken. Jeanke. Als hij een café binnenkomt, is hij zoals een magneet. Heel wat mensen toveren spontaan dezelfde lach als die van Jeanke op hun gezicht. “Hoe doe je dat toch?”, vroeg ik hem. “Simpel, de regel van drie”, zei hij. “Kent ge die? Nee, niet die van wiskunde. Wacht, ik zal het je tonen.” Hij kwam naast me staan en nam mijn schouders vast. “Laat je schouders zakken”, zei hij. “Je moet ontspannen, anders krijg je een geforceerde glimlach.” “Doe nu je ogen even dicht”, ging hij verder. “Ja, nu openen en naar mij kijken.” Ik deed wat hij me vroeg. “Zie je wel, je begint automatisch te glimlachen. Je moet op het juiste moment naar iemand kijken.” “Dan de laatste regel. Ook je kin mag niet te stijf staan. Dan kan je oplossen door je tong een beetje op je gehemelte te leggen. Zo gaat je mond wat openstaan en krijg je automatisch een glimlach. Je zal die regels overal terugvinden.” Na ze voor de spiegel te hebben geoefend (mijn huisgenoten hadden ei zo na geestelijke spoedgevallenzorg ingeschakeld) trok ik de straat op. Het liep al snel mis. Mijn buurman vroeg me wat er scheelde. Door de stress had ik regels door elkaar gehaald. Ik wist niet meer wat ik met mijn tong moest doen. Ik had ze ietwat uitgestoken. Mijn schouders had ik opgetrokken en ik had naar hem geknipoogd. Och, ik moet het ermee doen, met dat gezicht van mij. We hebben onszelf niet gemaakt, zei vader altijd.

Rudi Lavreysen
10 1