Zoeken

Sneeuw

De sneeuw kraakt. Na een aantal stappen bereikt het haar binnenste en komt ze tot rust. Ze blijft staan en ontspant. Het is zo mooi. Kon hij dat ook maar zien. Maar hij ziet en voelt niets meer. Hij zei vanmiddag wel “ja” als ze opmerkte hoe mooi het was, maar het was die ja die haar de voorbije maanden steeds weer die pijn in haar buik bezorgde. Emotieloos. Hij, de man die vorig jaar één en al emotie was en haar muur voorzichtig steen per steen heeft afgebroken zodat haar emotie helemaal vrij kon komen. Nu zat hij zelf al 3 maanden achter een muur met hier en daar een kleine opening, net voldoende om te overleven. Het maakte haar intens verdrietig. Dus had ze de rest van de wandeling alleen verder gezet terwijl hij huiswaarts ging. Ze moest nog wat kunnen ademen. Haar hoofd stond onder spanning. Spanning doordat hij stil was. Ze hield van stilte, als kind al. Maar dan wel een rustgevende stilte. En rustgevend was het de voorbije dagen niet. De stilte voelde geladen. Het maakte haar onmogelijk om nog te genieten. Ze wist dat het niet goed zat, dat hij zich niet goed voelde. Ze voelde dat hij alleen wou zijn. Dat hij leeg was. Ze wou dat hij ook leeg bij haar kon komen. Maar dat lukte hem niet. Als hij leeg was wou hij haar niet. En als ze toch probeerde dichter komen verweet hij haar dat ze hem geen rust gaf. Ze begreep het wel, dat ze voor extra druk zorgde. Eigenlijk wilde zij de leegte en emotieloze toestand een stap voor zijn door hem het signaal te geven dat hij over zijn grenzen ging. Maar het lukte haar niet, zodra ze het opmerkte ging hij in de aanval of verdediging. Dus zei ze vaak niets meer. Ze liet hem doen. Ze liet hem afdwalen. En dan als het te lang duurde probeerde ze hem terug te halen omdat ze ziek werd van hem zo te zien worstelen. Soms lukte dat, maar de voorbije maanden had hij steeds meer uitgesproken dat hij een relatie niet meer zag zitten. En daarom liep ze nu alleen door de sneeuw. In de zomer had hij voor het eerst echt open met haar over de bipolariteit gepraat. Hij had uitgesproken dat hij hoopte dat ze op termijn konden voorspellen wanneer het de foute kant op ging om te voorkomen dat het extreem werd. Maar dat was in een helder moment. Zodra die heldere periode voorbij was kon ze zoveel voorspellen of signaleren als ze wou. Hij hoorde het niet. Integendeel, zij werd plots de bedreiging, de oorzaak van alle ellende, de verstoorder van zijn rust. En die boodschap meermaals per week horen had haar onzeker gemaakt. Het had haar adem afgesneden, haar buik verkrampt en haar brein oververhit. De sneeuwvlakte onder een stralend blauwe lucht gaf opnieuw zuurstof. Haar gedachten konden weer rustig vloeien in plaats van de kolken. Ze had echt alles geprobeerd, alles wat hij haar gevraagd had. Maar hij probeerde het nieuwe leven waar hij zo naar uitkeek met haar op te bouwen en tegelijk nog het oude in stand te houden. En dat lukte niet, want die twee levens stonden haaks op elkaar. Ze herkende het. Ze had ook jaren gezocht en geworsteld, maar ze bleef vasthouden aan alles wat ze kende. Natuurlijk lukt het dan niet om je leven een andere wending te geven. Natuurlijk blijf je dan vastlopen. Maar nu had ze wel gedurfd, ze had alles overboord gegooid en de toekomst die ze wou lag voor het rapen. Ze kijkt naar haar voeten die stap voor stap een spoor vormen en die cadans zorgt voor ruimte in haar hoofd. Af en toe roept ze de hond eens terug naast haar om te zorgen dat hij niet te veraf dwaalde. Zo kan ze op tijd ingrijpen wanneer hij onder de sneeuw toch een spoor van een fazant of haas te pakken krijgt. Maanden ervoor had ze voor het eerst gezien hoe een goede jager het was. De parelhoen zat in zijn muil. Ze had even gegruweld bij de gedachte dat het dier dood was, maar hij, de man van haar dromen had in al zijn rust en snelheid de parelhoen vanuit de muil van de hond bevrijd. Wat was ze verliefd op die man. En hij wist het, hij had het gevoeld, hij had ervan genoten, hij had eindelijk hoop op een beter leven. Maar plots was haar liefde een last geworden en had hij haar weggeduwd. Hij had gezocht naar een reden, maar geen enkele had haar overtuigd omdat hij zichzelf tegensprak. Op de duur zocht ze zelf een reden omdat het gemakkelijker zou zijn om hem los te laten. Ze begon zichzelf wijs te maken dat hij haar nooit mooi of aantrekkelijk had gevonden, dat hij haar eigenschappen eigenlijk niet bijzonder vond, dat hij gewoon verliefd was geworden omdat zij verliefd was op hem. Maar ook dat klopte niet, want hij had hààr veroverd. Dus ze wist dat ze niet anders kon dan aanvaarden dat het zijn verleden was die de kloof had veroorzaakt. En dat was moeilijk, want vechten tegen een verleden dat niet het hare was, hoe moest ze daaraan beginnen? Een kleine witte auto met een schattig meisje met bril aan het stuur komt de helling opgeklommen. Ze gaat even aan de kant met de hond. Als de auto zou slippen zouden zij veilig staan. De hond verliezen zou hij niet te boven komen en zij zou het zichzelf niet vergeven dat ze onoplettend was geweest. Ze vraagt zich af of dat meisje naar haar werk rijdt. Zelf mistte ze haar werk enorm. Het was nu bijna een jaar geleden dat ze haar ontslag kreeg. Het museum was haar eerste werkplek die als thuis aanvoelde. Het was ook de plek waar de liefde was ontstaan. Die magische werkplek achterlaten enkele maanden nadat ze haar gezin had in de steek gelaten om met hem een nieuw leven te starten was zwaar geweest, misschien wel te zwaar had ze deze week bedacht. Zelf was ze nooit met de auto gaan werken. Waar ze 45 jaar gewoond had zat ze vlakbij de stad en alles was te voet of met het openbaar vervoer bereikbaar. Maar hier moest ze wel terug leren rijden. En hij was erin geslaagd om haar zelfvertrouwen terug op te bouwen. De laatste weken vond ze het zelfs opnieuw fijn om met de auto te rijden. De angst was weg. Ze stapt verder en kruist een oudere man. Ze zeggen elkaar goedendag. Eigenlijk zou ze wel willen praten, want ze kent hier nog niemand. In haar vroegere thuis kwam ze om de haverklap wel iemand tegen waarmee ze een praatje kon maken. Maar de man ziet er niet aanspreekbaar uit. Dus loopt ze verder naar beneden en dan linksaf en terug naar boven. Die weg hebben ze deze zomer samen gelopen. Ze dacht dat ze het nooit zou uitlopen in die hitte, maar het lukte. Lopen was iets wat ze nooit wou doen. Ze zag het plezier niet. Haar broer, zus en schoonbroer liepen marathons, maar zij was altijd gewoon een wandelaar geweest. Hij spoorde haar aan om het eens te proberen en het beviel haar zo erg dat zij uiteindelijk diegene was die vroeg om te gaan lopen. Maar na een paar keren kwam daar ook een einde aan. Hij schrapte alles: boksen, lopen, culturele uitstapjes, uitnodigingen bij vrienden. Hetgeen overbleef waren verplichtingen: de zorg over de kinderen, het werk, verbouwingen en wat tijd voor de relatie. En dat was wat haar zorgen baarde. Dat tijd voor de relatie de voorbije maanden ook als opgave werd gezien. Dat hij niet meer zag dat dit misschien nog het enige was waar hij evenveel of meer bij terugkreeg dan hij erin stak. Ze wist dat hij te diep was gegaan en ze voelde haar mislukt dat ze het niet had kunnen tegenhouden. Het enige wat ze nu kan doen is zichzelf niet verliezen. Ze is gevoelig aan sferen. Te lang in de buurt van depressieven of nee-zeggers of pessimisten kan het licht uit haar ogen halen. De sneeuw is er echt wel op het juiste moment. Al drie dagen zorgt het steeds weerkerend proces van dikke vlokken en dan weer een helblauwe lucht voor hoop, een houvast. Haar leven had er anders uitgezien hadden haar ouders hun hart gevolgd. Maar haar ouders waren twijfelaars, uitstellers. Ze herinnert zich nog hoeveel keren ze op het punt stonden hun leven om te gooien. Op een avond zat daar een vreemde man met foto's en een kaart aan de livingtafel. De avonden erop werden alle pro's en contra's opgelijst. Zij was een jaar of 14 en probeerde zoveel mogelijk info mee te pikken. Het ging over een huis in Carcasonne. Ze snapte het allemaal niet goed. Waarom zouden haar ouders nu plots naar daar verhuizen en niet naar de bergen? Was het iets zoals een paar jaren eerder toen het aanbod kwam om een functie in Afrika te gaan uitoefenen? Nee, daar had het niets mee te maken. Hoe gingen ze dan werken vroeg ze zich af. De plannen werden van tafel geveegd net nadat zij toch een beetje enthousiast was geworden. Niet veel daarna kwamen de zwarte jaren. Er werd niet meer gesproken over naar de bergen verhuizen. In de plaats daarvan zaten bankdirecteuren aan de livingtafel en werd alles in het werk gesteld om de woonst en het buitenverblijf aan de kust uit handen van de deurwaarders te houden. Ze wou graag verder studeren en ging een studielening aan. In de weekends werkte ze en de eerste maanden loon van haar allereerste job in Antwerpen ging naar de afbetaling van de studielening. Het faillissement van haar vader, de problemen met haar zus en broer en de zorg over haar grootmoeder zorgden er uiteindelijk voor dat haar ouders nooit hun droom waarmaakten. En toen in 2020 haar moeder door een trombose volledig hulpbehoevend werd verdween ook de droom om veel te reizen achter slot en grendel. En nu waren het haar ouders die haar motiveerden om haar hart te volgen. Haar ouders die altijd hard gewerkt hadden en luiheid afgekeurd hadden zeiden nu dat ze op het werk niets moest bewijzen, dat ze er toch niets mee ging winnen. Dat ze haar tijd beter stak in profiteren, verlof nemen waar het kon, niet teveel verantwoordelijkheden nemen en meer voor zichzelf in plaats van voor een ander zorgen. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als ijverigheid, verantwoordelijkheid en naastenliefde er met de paplepel ingegoten werden of aangeboren waren. Als kind hadden maatschappelijke problemen haar al wakker gehouden. De enige momenten waar ze echt helemaal tot rust kwam waren de twee weken paasvakantie in de bergen en de twee zomermaanden aan zee. Op die momenten kon ze ademen en in alle rust alles verwerken. Ook daarom was ze zo gelukkig toen ze iets meer dan een jaar geleden voor het eerst bij hem thuis kwam. Een huis op een helling met zicht op de lichtjes van de stad, een bos naast het huis en overal in de omgeving weiland en hellingen. De bergen in het klein. En een man waar ze met elke vezel van haar lijf van hield omdat hij voor haar simpelweg perfect was. Hier en met hem zou ze beter ademen. Haar rondje is uit. Ze gaat het huis terug binnen. De haard brandt. De avond valt. Straks verschijnen de lichtjes in het dal. Morgen is een nieuwe dag. En als ze opstaat en de living binnengaat, dan is daar die geur van 40 jaar geleden in haar favoriete huis in de bergen. Ze begrijpt er niets van, hoe die geur hier geraakt is. Maar waar die geur is, daar is haar thuis.            

Fien SB
18 2

Leven met twee polen

Zij ligt buiten in de hangmat, hij boven in een donkere kamer.Ze krijgt een sms of ze even bij hem wil komen liggen.Hij voelt zich doodop en is bang dat hij doodgaat.Ze streelt hem tot hij weer rustig is.Wat houdt ze van deze warme bijzondere man.En hoe boos is ze op diegenen die van hem misbruik gemaakt hebben.Al weken stroomt de liefde van de ene naar de andere.Teder, intens, echt. Een paar dagen later vraagt hij om een valies te maken voor 3 dagen.Ze vertrekt vol spanning, enerzijds nieuwsgierig, anderzijds angstig.Verrassingen zijn voor haar altijd dubbel.Wat als ze hem teleurstelt? Wat als ze bang is? Wat als ze niet goed genoeg is?Na enkele uren staan ze in de Ardennen bij een prachtig kasteel.Hij is weer zijn schattige onzekere warme zelf bij aankomst en zij is verliefd. Hij staat in de kasteeltuin en staart naar boven, naar het raam, waarachter zij in bad zit.Zijn ogen schieten vol. Ze moest eens weten hoeveel hij van haar hield.Zij zit in bad en geniet van muziek. Haar speels en vrolijk kantje komt naar boven.Samen aan het ontbijt is het alsof er altijd al een wij was en altijd een wij gaat zijn.Ze wandelen en zien een huis te koop.Ze beginnen weer te dromen. Over de zoektocht naar de ideale plek, de juiste spullen voor de inrichting.Ze lacht als ze aan zijn perfectionistisch kantje denkt en ziet het helemaal voor zich.Hij heeft smaak, ze houdt van zijn smaak. Er is een hoekje af, bij hem en bij haar.  Weken later, zonder duidelijke aanleiding, zonder signaal is hij weg. Zijn blik is wazig en op de grond gericht of in het ijle. Als ze vraagt om oogcontact ziet ze alleen die verdomde spoken, hem vindt ze niet.Ze kruipt tegen hem in de zetel omdat woorden nu niet helpen, zachtheid misschien wel.Hij duwt haar van zich af. Ze schrikt. Wat heeft ze niet opgemerkt? Wat heeft ze gezegd? Wat heeft ze gedaan?Weken gaan voorbij. Geen zoen, geen aanraking, geen hand, niets.Ze wordt gek in haar hoofd en stelt vragen, ook aan externen.Ze mist hem, haar fantastische man die haar aanvult, opvult en laat vullen.Ze luistert, probeert te doen wat hij vraagt. Maar niets helpt. En dan plots komt er weer opening, even onverwachts als de sluiting.Hij kijkt naar haar en de liefde loopt over.Nog voor hij zegt hoe graag hij haar ziet heeft ze die woorden al gevoeld.De druk gaat van haar borst en ze huilt vanbinnen.De weken die volgen zitten vol van die echte liefde afgewisseld met afstand. Zij heeft het niet door en reageert soms te intens op beide. Zij wil genieten, vooruit gaan, leven, niet teveel moeten, niet teveel nadenken.Vertrouwen op de liefde en elkaar. Ze gaan regelmatig wandelen en eten. Ze liggen ook af en toe wat langer in bed zacht te praten. Hij beschrijft de verre toekomst, maar maakt ook plannen voor de dichtbije.Zij zit overal in die toekomst en de kinderen ook, dus ze is gerust. Maar hij blijft doodop, doodop van het verlies van zijn vader, doodop van de verantwoordelijkheid over de kinderen, doodop van het werk waar hij vanaf wil, doodop van het verlangen naar een plekje in de natuur met haar aan zijn zijde, doodop van zijn mentale en fysieke gezondheid, doodop van de angst om de liefde weer te verliezen, doodop van het gevoel maar de helft meer te zijn, doodop van het verleden die hem niet loslaat. Het jaar was gewoon te zwaar. De jaren ervoor ook. Dus grijpt hij naar zijn vertrouwde houvast: werken en voortdoen en niet meer aan de toekomst denken, niet meer dromen, niet meer voelen, gewoon dag per dag overleven. Dat zorgt voor spanning en spanning bovenop het diep dal veroorzaakt kortsluiting, rare reacties die haar uit balans brengen omdat ze het allemaal nog niet goed kent.  Eén keer, twee keer, drie keer. Muggen die in olifanten veranderen en teveel olifanten kunnen een ruimte verwoesten.Ze weet dat ze beter kan, dat ze nog wat kennis en ervaring mist om de muggen gewoon dood te meppen zodat de mooie ruimte heel blijft.Ze gaan slapen. Ze omhelst hem, voelt zijn liefde onder die zware last die hij al jaren draagt.Ze staat op en vertrekt met de kinderen, hij naar het werk. Ze krijgt een bericht: ik wil niet dat je terug naar huis komt vanavond.Het is definitief voorbij. Laat me nu gerust.We spreken nog over hoe we het praktisch regelen.Ze gelooft het niet, maar weet dat het nu geen zin heeft te reageren. Ze wil kijken in zijn agenda wanneer hij vrij is om te gaan wandelen of ergens naartoe te gaan zodat ze hem kan terughalen met zachtheid en rust. Maar het paswoord is gewijzigd.Haar buik krimpt in elkaar.Even denkt ze dat ze zich heeft vergist, even komen haar spoken ook boven.Dat hij toch geheimen heeft, niet is wie hij is.Maar al gauw voelt ze dat het niet klopt. Haar man is weg.De spoken uit het verleden hebben hem weer de dieperik in getrokken.Ze is bang.Bang omdat ze niet weet hoe lang.Bang omdat ze weet dat zowel zijn als haar gezondheid ook in gevaar is als hij niet terugkomt.Ze wil hem aan haar zijde.Samen zijn ze gewoon zoveel beter.Ze vullen elkaar aan, laden en ontladen elkaar, lopen in elkaar over, gaan in elkaar op.In alles, overal, elke dag dat hij hij is en zij zij.

Fien SB
25 3

Jorre*

Jorre* hield van stevige feestjes. Het liefst met een lijntje coke, liters bier en roken als een ketter. ' Zonder bier geen plezier ' was zijn levensmotto. En natuurlijk veel seks, heel veel seks.... Op één van zijn stevige nachtjes ontmoette Jorre een bloedmooie jongedame. Ja, hij had wel zin in zo'n deerne. Met zijn smooth dansmoves probeerde hij haar het hof te maken, wat hem ook lukte. Het is niet alleen het uiterlijk dat telt, ook het karakter en persoonlijkheid nietwaar? Jorre was niet knap, maar je kon moeilijk zeggen dat ie echt lelijk was. Gewoon een modale man, zoals de meeste mannen. Maar hij reeg de vrouwtjes bij elkaar, als trofeeën uit zijn trofeeënkast. Hoe hij het doet is mij een compleet raadsel, maar goed. Terug naar het bewuste tafereel op det bewuste nacht. Jorre had goesting, de dame had zin. Seks met wederzijdse toestemming weet u wel. De dame nam hem mee naar haar thuis in haar Corvette. ' Ik heb het getroffen ' dacht hij. Na een passionele nacht en de nodige koffiekoeken nam Jorre afscheid van haar. Een naam was niet nodig en casual sex moest kunnen. Bye bye schat! Een kleine week later voelde Jorre, onze arme man, een enorme plasdrang en had hij moeite en pijn bij het plassen. ' Oei oei, ik moet naar de dokter ', dacht hij in paniek. ' Ik kan je gerust stellen Jorre ' zei de arts. ' Je hebt een goeie SOA te pakken, proficiat. Maar daar bestaan effectieve pilletjes voor.' 'Weet je haar naam?' ' Geen probleem kerel', antwoordde de arts. ' Neem je medicijnen en verzorg je goed.' Verbouwereerd nam de Jorre afscheid van zijn huisarts. Als raad en advies vertrouwde de dokter hem nog toe:' het komt allemaal goed man. En als je later longkanker hebt of levercirrose ben ik er om je te helpen. Prettige dag verder hé.' Tja, casual sex....   * Fictieve schuilnaam 

Canniball
6 0

De 'waarom vraag'

De 'waarom vraag'.   Ik hou zoveel van de waarom vraag dat ik hem haat. Peuters zijn daar kei-straf in. "Waarom is dat bord rood met een witte streep?" "Omdat dat een stop bord is", zegt va. "Waarom is dat een stop bord?" "Omdat je moet stoppen dan." "Waarom moeten we dan stoppen?" "Omdat we anders botsen als iedereen door rijdt", antwoordt va geërgerd. Kid vangt de nervositeit op, kid is geen moeilijk kind. Kid kijkt wat verder in haar lievelingsboek. Toch blijft kid denken: waarom is het bord niet paars met een groene streep? Dat is toch veel vrolijker vind ik. Waarom laten we elkaar gewoon niet voor met de wagen? Dan hoeven we geen lelijke stopborden. Terwijl ze naar Rubio, de kabouter, op haar mooie prent kijkt moet ze glimlachen want Rubio weet het ook niet, ziet ze aan zijn blik. Kid wordt puber meid. Heel de tijd krijgt ze waarom vragen, al jaar en dag en het stopt maar niet. "Waarom is je kamer zo slordig", zeurt moeke? "Waarom was je gisteren zo laat van school?" "Waarom ruikt je jas naar sigaretten", tiert va? Alles, echt op alles moet ze wat gaan verzinnen. Na een tijd snauwt ze: "daarom" en gaat stampend naar haar kamer. Ze gooit de deur dicht en kid vraagt zich af waarom ze niet vragen of ze zin heeft om te praten over die domme geur in haar jas, bij een lekkere kop ,liefst warme, chocolade melk? Waarom doen volwassenen zo dom? Ze snappen kid niet en kid begrijpt de wereld niet. Ze zet mega luide muziek op: rap; daar vloeken ze veel bij en dan vloekt ze luidkeels mee. Kid is kwaad. Ze weet 't vast niet meer dat ze met Rubio lachte omdat de grote mensen haar geen uitleg konden geven. Meestal vond ze dat best grappig en deed ze er nog een paar schepjes waarom vragen bovenop. Nu moet kid zich verantwoorden voor alles, ja echt alles. Opeens hoort ze va de trap op rennen. Gauw toontje lager zetten die muziek. Va vindt rap trouwens geen muziek, waarom weet ze niet.   Jaren gaan voorbij. Kid studeerde en is maatschappelijk assistente. Ze werkt voor het OCMW in de gemeente waar ze opgroeide. Ze krijgt veel mensen over de vloer. Meestal vragenstellers. Zij stelt vragen. "Waarom werken jullie niet?" "Waarom heb je de huur niet kunnen betalen?" "Waarom heb je je wagen verkocht en voor welk bedrag?" "Waarom verhuis je zo vaak?" "Waarom hebben jullie gekozen voor 5 kids?" ... Ze noteert de antwoorden in een pc systeem. "We bellen zo gauw we kunnen." "Waarom heb je geen gsm?" "Kom dan maar terug donderdag om 14.15u."   Deze mensen gaan zenuwachtig en wanhopig naar huis. Binnen 2 weken staan ze op straat. Kleinste kid huilt, groter kid fluistert dat 't heus goed komt en neemt een prentenboek en vertelt over Rubio de kabouter. Donderdag staan ze paraat. Ma, pa en de 5 kids. Oudste kid houdt kleinste kid in de armen. Ze zijn 20 minuten te vroeg. Het is pas 13.55u. De minuten tikken langzaam voorbij. Welke vragen zullen er nu weer zijn? De assistente komt tevoorschijn en met z'n achten gaan ze zitten in een veel te klein lokaal. Ze halen nog wat stoelen bij.   "Op de commissie werd beslist...", ma houdt haar adem in, kijkt angstig haar man aan. De 4 oudere kids kijken vragend hun ouders aan. Jongste's oogjes zijn net toe gevallen.   Even is er stilte. Er rolt een traan over ma'ke haar wang dat ze in één snelle reflex weg veegt met de mouw van haar kapotte jas. Ze kan niet meer. Ze is op, bang dat de 5 geplaatst worden indien er geen oplossingen komen, bang om haar man te verliezen ook omdat ze denkt dat ze gefaald heeft als moeder en als vrouw en dat verstopt ze in haar mouw. Sterk als ze is herpakt ze zich gauw.   De maatschappelijk assistente zit er wat verbouwereerd bij. Ze zag de traan en meteen denkt ze in zichzelf: "waarom huilt ze?" "Omdat ik het niet meer weet", antwoordt ma terwijl pa zenuwachtig wiebelt met zijn benen en het oudste puber kid de hand van haar ma vast neemt en slikt. Ze had zonder te weten de 'waarom vraag' luidop gesteld. Ze vraagt of ma en pa een watertje wensen en of de kids haar willen volgen naar de speelhoek? Dan pas ziet ze het prentenboek, met Rubio, dat de tweede jongste in zijn handen klemt. "Hadden jullie graag warme chocolademelk?", vraagt ze. De kids kijken een beetje vertwijfeld op en knikken. De assistente gaat naar de automaat, graait kleingeld uit haar tas en brengt de bekers. "Pas op, 't is warm", zegt ze. "Ik kom zo terug, ik ga naar het lokaal bij jullie ma en pa en als er wat is kom dan maar naar daar." De assistente gaat weg. Ze praat lange tijd met de ouders. Deze vertellen wat er allemaal gebeurde: hoe de kids school liepen en over hun hobby's van voor het faillissement zoveel jaren terug.   Een hele poos later, de bekers leeg en al samen heel wat gespeeld, gaat puber kid eens piepen. Nu is zelfs pa emotioneel en ma lacht haar dochter om de hoek toe. "Kom erbij mijn lieverd", zegt ze zo zacht en kid weet niet goed wat doen. Voorzichtig stapt ze de volwassenen tegemoet. Ze is nog niet in het lokaal, of ma vertelt het allemaal. "We gaan verhuizen, eerst naar een noodwoning en ondertussen zullen ze helpen bij het zoeken naar een huis, we mogen voedselpakketten en de assistente brengt zo gauw ze kan een gitaar." Puber kid schiet in huilen en hoort de rest niet meer. Het was zo lang geleden dat ze nog had kunnen musiceren. Ma praat en legt vanalles uit, maar puber kid weet niet wat er gezegd wordt. Ze kijkt naar de assistente en vraagt: "een gitaar, waarom?" "Daarom".       Céline M.

Céline M.
3 1

ECHT GEBEURD. a

"Waarom schrijft ge altijd over den bruin?" vroeg iemand mij onlangs."Omdat den bruin in de verdomhoek zit," zei ik."De allochtoon, bedoelt u," verbeterde hij me.Ik zuchtte om zoveel onbegrip. "Ik bedoel wel degelijk den bruin. Neem nu de witte allochtoon, de Oost-Europeaan. Buiten een laag loontje — dat vaak onze sociale zekerheid belast omdat het meestal zwart geld is — wordt die man niet bespot of dagelijks vernederd. Dit in tegenstelling tot mijn bruine vrienden, die elke dag vuile, kwade blikken moeten trotseren." Neem nu een van mijn beste vrienden: in Antwerpen geboren en getogen, maar hij is bruin. Zijn hele leven moet hij al vernederingen ondergaan, op school en op straat. Uit angst heeft hij zichzelf herschapen in een 'halve Italiaan'. Weet u hoeveel geld hij betaalt om er 'netjes' uit te zien? Het ontkroesen van zijn prachtige haar kost hem maandelijks een fortuin. En dan is er nog de druk van zijn familie; zij geloven dat wie de beste is, niet vernederd wordt. Dus staat hij dagelijks onder enorme prestatiedruk. Alcohol heeft hij afgezworen, daar wordt hij te snel agressief van. Zijn redding is zijn joint. Na een haaltje staat hij weer lachend en positief in de samenleving. Iedere pipo die hem agressief benadert, wordt onthaald op een lachsalvo. Dat werkt zo ontregelend dat de agressor uit pure verbazing zijn aanval staakt. Wanneer hij drinkt, reageert hij verbaal veel scherper. Hij kan er eigenlijk weinig aan doen; de dagelijkse druk is zo hoog dat ik het begrijp, al zeg ik hem dat hij ermee moet ophouden. Hij doet er alleen zichzelf pijn mee. Hij wordt gestraft, niet de agressor.Als ik hem dat zeg, zucht hij. Met tranen in zijn ogen zegt hij: "Ik weet het, ik weet het. Maar als er weer iemand in mijn gezicht spuwt of mijn dure jasje besmeurt terwijl ik wat gedronken heb, dan wordt het mij te machtig. Trouwens, niks doen is voor zo’n agressor een teken om door te gaan. Op de goegemeente hoef ik niet te rekenen. Ze hebben een grote bek als ik agressief uithaal, maar de blanke agressors laten ze begaan." Hij vervolgt: "Weet u, ik doe mijn uiterste best op school, ik ben een van de besten. Op een dag vierden we met de klas ons eindfeest. We hadden wat gedronken en stonden bij een bushalte toen twee oudere kerels mij begonnen uit te schelden. Eerst reageerde ik niet, maar de doodse stilte die over ons vrolijke groepje neerdaalde, sprak boekdelen. Iedereen was sprakeloos door de grofheid van die woorden. Het voelde als een koud bad. De agressors dachten waarschijnlijk dat we een gemakkelijke prooi waren en vielen ons fysiek aan. Kan ik het helpen dat ik een getrainde atleet ben? Ik sport en hoor bij de top; door het vele trainen sta ik scherp. Toen ik uithaalde, dacht ik niet aan dat onnozele jasje. Ik dacht aan de tranen van mijn moeder die dat jasje straks zou zien. Ik sloeg. Twee keer, zeer geconcentreerd. Het was nooit de bedoeling dat het zo erg zou aflopen: een gebroken pols en een gebroken been — dat laatste niet eens door mijn slag, maar doordat hij verkeerd viel. Alle omstanders kozen direct partij voor die 'brave witte jongens' die lagen te kermen. Alleen mijn schoolvrienden verdedigden mij. Daarna kwam de politie." Uiteindelijk oordeelde de rechter dat hij zich als getrainde atleet beter had moeten beheersen en dat hij een gevaar vormde. Hij werd voor een paar maanden naar een jeugdinstelling gestuurd. "Op dat moment zag ik weer het huilende gezicht van mijn moeder," vertelt hij. "Ik beet mijn lippen kapot om niet te huilen. Het lukte. In de krant stond dat ik emotieloos overkwam, maar ik heb geleerd dat mannen niet huilen. Begrijp je nu waarom ik van alcohol ben overgeschakeld op wiet? Van drank word ik te snel agressief. Het zullen de genen wel zijn.""Genen?" zei ik verontwaardigd. "Daar bestaat geen enkel bewijs voor. Zou het niet door de dagelijkse vernederingen komen?""Nee," zei hij, "het kwam door die ogen. Ik had telkens het gevoel dat ik háár teleurstelde. Weet u hoeveel pijn dat deed? En elke keer werd die pijn erger. Het enige wat hielp, was een stevige joint. Daar word ik kalm van."Ik luisterde sprakeloos. "Maar geraak je dan zo gemakkelijk aan wiet?""Dat is een probleem," gaf hij toe. "Ze hebben het al vaker in beslag genomen.""Word je dan niet kwaad?" vroeg ik."Kwaad wel, maar niet agressief. Voor ik de trein opstap, rook ik een paar flinke toeters. Wiet maakt me vrolijk, dan kan ik erom lachen. Het pijnlijke is dat als het geld op is, ik een week niks heb. Ik vrees de dag dat ik weer naar de alcohol grijp.""Heb je nu iets?" vroeg ik."Nee," zei hij bedeesd."Wel, tast toe," zei ik en ik gaf hem wat. Mijn toehoorder was even stil van mijn woordenvloed. "Wat is er verder met uw bruine vriend gebeurd? " klonk het, en hij vermeed het woord allochtoon. Mijn bruine vriend werd opgesloten in een zaal. Mijn bruine vriend moest slapen in een bed, die naast een bed stond waar een zwaar getatoeëerde man sliep. De meeste tattoo's waren hakenkruisen. De gehele nacht moest mijn bruine vriend de racistische kreten aanhoren, van een man die al 25 jaar opgesloten zat. Een bewaker zei mijn hoog intelligente bruine vriend dat teveel boeken lezen slecht is voor de hersenen. Een patiënt die in een crisis terecht kwam werd door drie HULK'S met baseball bats kalm geslagen, met een verdovend product ingespoten en naakt vastgebonden opgesloten in een kale cel. En het gebeurt nu nog in, achterlijk conservatief België. De enige arts die voor honderden patiënten beschikbaar was, werd veroordeeld voor seksueel misbruik van zijn patiënten. *************************************** ************************************************ *********************************************************************   foto galerie verf ed GALLERIJ VERF ED   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.    http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/    

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
9 0
Tip

De koffer (een kerstverhaal)

Zeg nu zelf, de kans dat je op de rommelmarkt aan het begin van de lente een kerstverhaal oppikt, is zo klein als een jongen die een gouden toegangskaart vindt in een chocoladereep en zo een bezoek aan een chocoladefabriek van een excentrieke eigenaar wint. Toch was dat wat er afgelopen jaar gebeurde op de eerste zondag van april. Het kerstverhaal, niet de chocoladereep. ************************ Er ligt nooit meer op de houten schragen dan op die eerste verkoopdag. De verkopers hebben plaats tekort. Er liggen zelfs spullen op de grond. Alsof ze op die eerste zondag van april al grote lenteschoonmaak hebben gehouden op hun zolder. Ze verkopen er hun eigen verleden. Van een oud schommelpaard, tot prentenboeken, gezelschapsspellen, tinnen schotels en gereedschap.  Een nieuwe lente, nieuwe rommel.  De voddenmarkt - dat woord gebruikte mijn vader - is maar een halve koopmarkt. Er wordt gekocht, maar nog meer gekeken. Snuisteren. Ik snuister zoals altijd van kraampje naar kraampje. Rondkijken, ook naar het terras van het café dat om tien uur opengaat. Zit er al volk? Nog niet. Met het lentezonnetje is het er perfect om te lezen en om naar de snuisteraars te gapen.  De Nederlandse boekenverkoper spreekt me aan. Dat hij van deze en andere auteurs nieuw werk bij zich heeft. Na enkele jaren kent hij mijn smaak. En we spreken elkaar aan met de voornaam. "Dag Rudi, goedemorgen. Hoe is ie?" "Heel goed Herman. En met jou?"  Hij stalt ze voor me uit. Vijf boeken. Het is wikken en wegen. Dat laatste bijna letterlijk. Allemaal samen zijn ze te zwaar om mee te nemen. Twee van de vijf boeken gaan mee naar huis. Nee, eerst naar het terras van het café. Ik zie Rita de deuren al opendoen. Het is exact tien uur.  Elk jaar staan er nieuwe verkopers. Aan het beginpunt van de markt (om de een of andere reden begin ik altijd bij het einde, maar het einde kan ook het begin zijn), net voor de hotdogkraam, zie ik een man die ik er nog nooit heb gezien.  Terwijl de man nog wat spullen uitstalt, met zijn rug naar mij, valt mijn oog op een kleine rode koffer van pakweg 60 centimeter breed en 40 hoog.   De koffer lijkt uit de jaren '40 of '50 te komen. Geplukt uit een film over de Tweede Wereldoorlog. "Vijf euro en de koffer is van jou Rudi”, zegt de man. Ik heb hem in eerste instantie niet gehoord. Ik weet niet meteen waar hij het over heeft. Het lijkt alsof ik ben vergeten dat ik die kleine koffer in mijn handen heb. Nu zag ik pas wie het is. Hendrik. Ik heb bij hem in de lagere school gezeten. Hij was enig kind thuis. In het middelbaar is hij naar een andere school gegaan en daarna weet ik dat hij naar Antwerpen is verhuisd. Dat was nog voor de brand in zijn ouderlijk huis. Zijn ouders waren thuis, maar ze hebben de brand gelukkig overleefd. Maar later niet het verdriet en de pijn. Ze hadden niets meer. Ik zie duidelijk dat het dezelfde Hendrik is die bij mij in de lagere school zat, maar het valt me ook op dat een mens toch ontzettend verandert in de loop van een leven. "Die koffer is voor mij wel wat waard”, zegt Hendrik. “Maar voor 5 euro heb je die. Plus een gratis verhaal. Als je dat graag wil horen natuurlijk." "Een verhaal?" "Jawel. Als je tijd hebt, vertel ik het je. Ik vraag mijn buurman of hij even op mijn kraam let. Als er kopers komen mag hij zelf de prijs bepalen", lacht Hendrik. "Kunnen we ergens een koffie gaan drinken? Ik heb er behoefte aan, want ik sta hier al van 7 uur deze morgen." "Daar, bij Rita" zeg ik. "Buiten in de zon kan al net. Ofwel binnen. Het is een bruin café.” "Prima voor mij. Kom." ************************ "Het is eigenlijk een kerstverhaal", zegt Hendrik. We zitten aan het tafeltje bij het raam. We voelen er de warmte van de lentezon. "Al is verhaal niet het exacte woord, want het is echt gebeurd. Het is meer een gebeurtenis." "Bwa, een verhaal mag je ook zeggen als het echt is gebeurd. We spreken toch ook over het verhaal van iemand zijn leven." "Juist, dan is dit het verhaal van het koffertje dat naast je staat. Waar zal ik beginnen? Misschien bij de eerste keer dat ik Raf heb ontmoet. Ja, laat ons daar beginnen. Dat moet ergens begin jaren '70 zijn geweest. Bij ons thuis. Het was nog niet met Kerstmis, dat komt dadelijk." "Wie is Raf?" "Geduld Rudi. Laat me nu eerst van mijn koffie drinken. Dank je wel Rita." "Ik ben de jongste van de hele familie. Ik bedoel van alle neven en nichten. ‘Onze kakkenest’, zei grootvader altijd. Hij woonde heel wat jaren bij ons in huis, nadat zijn vrouw, oma dus, was overleden. Ik was zijn kleinste kleinkind en hij kon het niet laten om het telkens te benadrukken als er iemand op bezoek kwam. Daar had ik een hekel aan. Wellicht om die 'kak' in het woord. Wist ik toen veel dat het een echt woord was, geen plat dialect. Het staat gewoon in het Groene Boekje. Dat zag ik pas veel later." "Maar we hadden, of hebben, een grote familie. Al zijn er veel overleden." Hij lijkt even in gedachten verzonken te zijn. Ik reageer niet op zijn zwijgen. Ik begrijp dat hij ook heeft afgezien van de brand in zijn ouderlijk huis. Het is toch ook of je eigen jeugd in de vlammen opgaat.  "Van de broers van ons vader leeft er nog maar eentje. Nonkel Staf. Hij is er nu bijna negentig. Straks gaan we nog langs het woonzorgcentrum. En dan te denken dat ze met zes broers waren." "We gaan verhuizen in Antwerpen. Mijn vrouw An en ik. Die ken je wellicht niet. En we willen wat spulletjes kwijt. Het leek ons een goed idee om de camionette vol te laden en nog eens naar hier te komen. Het thuisfront. We hebben ook spullen van de ouders van An bij. Die leven nog. An is nu bij hen." Ook al heb ik daar niet naar gevraagd, toch benadrukt hij het. Onbewust wellicht. Alsof het lot hem slechtgezind is. ************************ "Maar Raf dus. Ik was de kleinste van de hele bende en met de feestdagen of met de verjaardag van grootvader kwam iedereen op bezoek. Voor mij was het natuurlijk dolle pret. Al die neven en nichten over de vloer. Sommige waren een paar jaartjes ouder, maar sommigen waren ook tien of vijftien jaar ouder. Ik denk dat ik Raf voor het eerst heb gezien toen ik zes was. Mijn nicht Hilde was er toen 19. Dat herinner ik me nog omdat ze toen ging verder studeren. Raf was de vrijer van Hilde van nonkel Fons. De oudste van de zes broers." "Raf was een speciale gast. Hij was een paar ouder dan Hilde en hij werkte als dakwerker. Hij was een van de vrijers van mijn nichten. Die vonden me denk ik wel een schattig ventje. Ik liep zomer en winter in mijn korte broek en ik was dol op spelletjes. Voor mij was het hebben van een lief iets onbegrijpbaar. Ik zag me zo later nog niet rondlopen. Als ik er nu op terugkijk was het zo'n beetje als in de Odyssee, een huis vol vrijers. Maar die waren natuurlijk niet op ons ma uit, zoals in het verhaal van Homerus." Hij zag dat ik op een bepaalde manier naar hem keek. “Ik heb in Antwerpen klassieke talen gestudeerd”, verduidelijkt hij. “De Ilias en de Odyssee van Homerus zijn een beetje mijn woordenboeken.” "Maar van alle vrijers was Raf de tofste. Hij had, en nu komen we tot een belangrijk aspect van het verhaal, een opvallende hobby. Afijn, hobby. Meer een kunst. Ik weet niet meer wanneer hij dat kunstje voor het eerst gedaan heeft. Wellicht tijdens een gezamenlijk spelletje verstoppertje. Iedereen was gevonden, maar Raf bleek onvindbaar. Het heeft een uur geduurd en toen zag een neef hem op het dak van de schuur liggen. De schuur naast het kippenhok. Vol rommel, oud gereedschap maar ook met een gasfornuis waar ons vader de aardappels kookte voor zijn vethaantjes." "Omdat het dak wat naar achter helde, zagen we hem niet. Hij lag helemaal achteraan op het dak." "Dat spelletje werd bij het volgende familiefeest een variant op het klassieke verstoppertje. We gaven Raf de kans om zich te verstoppen en dan moesten wij hem overal vinden. Hij klom overal op. Op een keer zat hij in de kersenboom van de buurman. Terwijl wij ons daar niet waagden, want zijn Duitse herdershond blafte onze oren van ons hoofd als we er onze bal moesten halen, die vaak over de wal verdween tijdens het voetballen. Hoe hij die stil gekregen heeft heb ik nooit begrepen." "Maar zijn strafste truc moest nog komen. Het was met nieuwjaar. Dat herinner ik me nog goed. Zelfs het jaar weet ik nog. Het was 1978. Dan kwam altijd dezelfde traiteur langs en die was dat jaar te laat, zodat we ook later aan tafel konden. Een drama, want we wilden natuurlijk ons spel spelen. Op zoek naar Raf. We waren benieuwd wat hij dat jaar uit zijn hoed zou toveren." "Het werd zijn meesterwerk. Dat kan je wel zeggen." Hij verstaat duidelijk de kunst van het verhalen vertellen. Een stukje van de apotheose meegeven zodat de luisteraar een en al oor is. Een meesterwerk, dat moet een straffe stoot zijn. "Een stukje van de spanning was natuurlijk altijd dat het donker was tijdens de zoektochten naar Raf. Gewapend met zaklampen trokken we naar buiten. Raf had zoals altijd 15 minuten gekregen om zich vlakbij te verstoppen. Hij moest normaal aan het huis blijven, maar de kersenboom van de buurman hadden we ooit door de vingers gezien." "Exact vijftien minuten later trokken we naar buiten. We hadden de groepjes vooraf ingedeeld. Maar je kan het wellicht al raden. Na een half uur hadden we hem nog niet gevonden. Iemand van de nichten was binnen al iets gaan zeggen, zodat er al enkele tantes naar buiten kwamen." "Na nog een half uur bracht er lichte paniek uit. Vooral bij nicht Hilde. Ze begon hem al te roepen. Toen kwamen de nonkels ook kijken. Ik denk dat de hele straat het hoorde." Na anderhalf uur zoeken was de pret er voor iedereen af. We besloten naar binnen te gaan want moeder had al geroepen dat de koninginnenhapjes koud werden." "Jij nog een koffie?", onderbreekt hij het verhaal. "Twee koffies nog graag Rita. We hebben ze nodig", lacht hij. ************************ "Was dit nu die straffe truc? Hij werd niet gevonden? Maar waar zat hij dan?" "Wacht, ik ga het je vertellen. Maar eerst wil ik je zeggen dat ik hem na die straffe truc niet meer heb gezien. Tot Kerstmis vorig jaar. Niet lang na dat nieuwjaarsfeest met de familie, waarbij hij onvindbaar was, is het uitgeraakt met Hilde. Of dat voorval er iets mee te maken had, weet ik niet. Maar Hilde is ondertussen getrouwd met een andere man en ze heeft twee kinderen." "Maar terug naar nieuwjaar 1978. Iedereen was 's avonds naar huis. Zonder Raf gevonden te hebben. De dag erna kwam de apotheose. Moeder was zoals gewoonlijk vroeg in de weer. Ik lag nog in bed, na te denken over de avond voordien. Waar zat hij? Ik wist het snel daarna." Om de spanning nog wat op te drijven neemt hij eerst een slok van de verse koffie die Rita voor hem neerzet. "Moeder liep naar de kelder en ik denk niet dat ik ooit zo'n harde gil heb gehoord. Ik ben ook nooit zo snel naar beneden gelopen. Het was geen gil van 'er zit een muis in de kelder' maar veel erger. Meteen daarna was er een stem die ik uit de duizenden herkende. Ik had die stem de hele nacht gehoord. Gedroomd van de verstopplaats van Raf. Hij vertelde ons, in mijn droom, waar hij gezeten had. "Ik ben het maar tante Anna", hoorde ik Raf in de kelder vertellen. Ik stond bovenaan de trap te luisteren.  "Het bleek achteraf dat hij op de grond lag te slapen. Op een dekentje en met een dekentje over zich. Die lagen nog in de rekken. Omdat ons moeder zo geschrokken was, hebben we die dag niet meer gevraagd hoe hij dat gelapt. Hij vertrok meteen naar huis, na zich uitgebreid geëxcuseerd te hebben bij ons moeder." "Hoe bedoel je? Hoe hij dat had gelapt?", zeg ik. "Hij had zich toch duidelijk in de kelder verstopt." "Nee, zeker niet. Want wij waren zelf al tijdens onze zoektocht in de kelder gaan kijken. Hij moest op de een of andere manier naar binnen zijn geslopen." "Maar dan heb je nooit geweten hoe hij dat heeft gedaan?" "Jawel, ik zei het toch daarnet. Het antwoord kwam met Kerstmis vorig jaar. Ik heb Raf na dat nieuwjaarsfeest in 1978 niet meer gezien. Dat zei ik al, het was uit tussen Hilde en Raf. Ik weet niet wat hij al die jaren heeft gedaan. Waar hij heeft gewoond of gewerkt. Tot ik hem met Kerstmis vorig jaar tegenkwam in Antwerpen." "Toevallig?" "Tja, dat weet ik dus niet. Het leek alsof hij naar mij op zoek was. Want raad eens wat hij bij zich had." Hoe kan ik dat nu weten, dacht ik. Maar toen hij naar het voorwerp op de grond keek, wist ik het. “Deze rode koffer?” “Absoluut." ************************ “Ik zat met An een koffie te drinken in een van die hippe koffiebars in de stad. We zaten aan het raam en keken uit over het plein. Tot ik plots iemand zie voorbijkomen met een koffer in zijn hand. Deze rode koffer. Het leek wel alsof hij uit een film over de Tweede Wereldoorlog was geplukt.” “Daar deed de koffer me ook al aan denken”, zeg ik. “Maar ik had helemaal niet gezien dat het Raf was. Het was zoveel jaren geleden. Een mens verandert toch wel in al die jaren.” Exact wat ik dacht toen ik Hendrik op de markt zag, een uurtje geleden. “Het was pas na de derde keer dat hij voorbij wandelde, dat hij me aan iemand deed denken. In de jaren ’70 had hij blonde lokken, echt een knappe gast. Nu was hij bijna kaal. Wat wil je, na bijna vijftig jaar schiet er van jonge gasten niet veel meer over”, lacht hij. “Ook niet van ons Rudi.” "Net toen ik de link legde met 1978, kwam hij naar binnen en stapte meteen op ons af. Alsof hij nog perfect wist wie ik was.” "Misschien heeft hij je al die jaren op de een of andere manier gevolgd?” “Dat kan ja. Hij wist alleszins meteen wie ik was en hij – dat zei ik al – was precies naar mij op zoek. Hij zette zich meteen bij ons aan tafel. Geen vraag of het mocht, geen handjes geschud. Niets van dat. Het was meteen van ‘Dag Hendrik, ik heb iets voor jou'." "Maar wacht eens even Raf, zei ik meteen, je bent me nog een verhaal verschuldigd. Hoe ben jij met de eindejaarsfeesten van 1978 in de kelder geraakt? Hoe ben je iedereen gepasseerd? We zijn zelfs nog gaan kijken in de kelder.” “Ik had me eerst op het dak verstopt”, vertelde Raf in het koffiecafé. “Achter die dakkapel van jullie. Maar dat was eerlijk gezegd een beetje saai. Want jullie hadden de zoektocht naar mij al opgegeven. Ik ben toen wat met de antenne op jullie dak gaan schudden, in de hoop dat iedereen dan naar de living zou vertrekken om te kijken wat er met de tv aan de hand was.” “En ja hoor, dat klopte helemaal”, zegt Hendrik. “Dat herinner ik me nog van 1978. Op een gegeven moment begon de tv heel raar te doen. Opa was natuurlijk ongerust, want als hij geen tv had, kon hij ook niet naar het nieuws kijken. Zelfs ons ma is vanuit de keuken komen kijken wat er aan de hand was. Met al die commotie is hij stiekem de keuken in geslopen en vervolgens naar de kelder.” Hendrik is duidelijk wat vermoeid van het vertellen. Alsof er heel wat herinneringen dichterbij komen, dat gevoel geeft hij me. Ik ben natuurlijk benieuwd naar het vervolg, het verhaal van die rode koffer en het waarom van die koffer. Vooraleer ik Hendrik laat verdergaan met zijn verhaal, bestellen we eerst nog iets om te drinken. “En toen gaf hij me meteen deze rode koffer”, gaat hij verder, na eerst van zijn trappist te hebben gedronken. “Voor het overige is er toen niet zo veel gebeurd. Hij heeft nog een koffie gedronken en hij heeft ons nog een fijne Kerstmis gewenst. Natuurlijk had ik gevraagd wat de bedoeling van die koffer was, waarom ik die van hem kreeg, maar hij bleef daar allemaal heel mysterieus over.” “En wat zat er dan in de koffer?”, vraag ik meteen. “Of het was het gewoon een lege koffer?” “Ja, dat is nu net het mooie van het verhaal. En daarmee komen we tot de apotheose van het verhaal. Odysseus die terug thuis komt van zijn lange reis.” Ik kijk hem niet begrijpend aan. “Ik ga je niet vervelen met die verhalen uit de Griekse mythologie”, zegt Hendrik. “Maar na zijn lange reis was Odysseus gelukkig om terug zijn vrouw en zijn familie te zien. Met die koffer is me iets gelijkaardigs overkomen.” Mijn blik is opnieuw niet begrijpend. Ik zit er werkelijk met mijn mond open. “Wacht, ik vertel je alles. Maar het is niet meer zoveel. Raf is vertrokken uit het koffiecafé. We mochten de koffer pas opendoen als hij was vertrokken. Dat had hij nog gezegd. Maar wat bleek? We kregen de koffer niet open. Het was met een sleuteltje. Tja. An en ik dus met die koffer naar huis. Helemaal verbaasd. Want ik had An dat hele verhaal nog moeten vertellen van onze familie, nicht Hilde en Raf die zich overal verstopte. Het gaf me een soort van warm kerstgevoel, dat ik dat allemaal nog eens mocht vertellen." "Een tijdje later komen we thuis en An gaat nog even naar de brievenbus, om te kijken of er nog kerstkaarten inzitten. Ze komt roepend terug in de woonkamer. Er zaten geen kerstkaarten in, maar wel een envelop met daarin een briefje en een sleuteltje. Het briefje was van Raf en het sleuteltje paste op de koffer.” Mijn mond staat nog altijd een beetje open van verbazing. Hendrik drinkt de rest van zijn trappist uit en gaat verder. “Ik zal je ongeveer vertellen wat er op het briefje stond. Hij schreef dat hij die nacht in de kelder van ons huis ontzettend goed had geslapen. Hij had ergens twee dekentjes gevonden. Het was wel koud, maar hij was pas wakker geworden toen ons moeder naar de kelder kwam. Hij had die nacht iets gevonden in de kelder, schreef hij nog, en dat had hij in zijn jaszak gestoken. Met de bedoeling om het me ’s morgens te geven. Maar dat was hij vergeten en hij had het pas na enkele maanden teruggevonden in zijn jas en toen was het al uit met Hilde.” “En?”, zeg ik. “Wat was het dan?” “An en ik deden met het sleuteltje de koffer open en er zat maar één ding in. Het was een foto. Op de foto staan ons vader, ons moeder, opa en ik, voor de garage van ons huis. Afgaand op mijn leeftijd, moet het ongeveer in het jaar zijn geweest dat hij bij ons is komen wonen. Het was een mooie foto met mij in de armen van opa, aan wie ik warme herinneringen heb, en mijn ouders, die er ook al niet meer zijn.” “De foto was mij totaal onbekend. Ik heb mijn geheugen al gepijnigd, maar ik weet er niks meer van. En waarom die foto in de kelder lag, is me helemaal een raadsel. Maar je begrijpt dat ik totaal ontdaan was toen ik de foto zag. Ik heb werkelijk geen foto’s van vroeger. Die zijn allemaal in de brand gebleven. Alle albums zijn in de vlammen opgegaan." “Maar hij had je die foto toch ook gewoon kunnen geven”, zeg ik. “Waarom het mysterie met die koffer?” “Tja, dat weet ik ook niet. Hij is toch altijd die 'verstopper' gebleven denk ik. Ik heb Raf sinds Kerstmis ook niet meer gezien. Dat moet ook niet meteen. Het is goed zo. Ik koester die foto als het meest waardevolle wat ik heb, naast An natuurlijk”, lacht hij. “En het voelt toch alsof ik na al die jaren een beetje thuiskom, nu ik die foto heb. Dat bedoelde ik daarnet. Het is maar een foto, maar het voelt toch als een hereniging met mijn familie.” ************************ Na die laatste woorden van Hendrik was er al heel wat tijd gepasseerd in het café van Rita. Hendrik vertelde nog waarom hij die koffer niet meer nodig had. “Daar heb ik geen herinneringen aan. Aan die foto wel. Raf heeft die koffer wellicht gebruikt om het wat spannend te maken, afijn, dat vermoed ik. Daarom verkoop ik die. Je mag hem gratis hebben. Misschien kan je er nog iets mee doen.”   (einde)

Rudi Lavreysen
209 2