Zoeken

Villa Pannenkoek en zo

Ge kunt dat! zeg ik tegen mezelf. Ge kunt. Ge kunt, omdat het moet. Ge wilt. La puissance de volonté. Ge wilt en ge moet. Ik ga een kinderboek schrijven. Dat zal wel lukken. Oefen. Experimenteer. Schrijf! Schrijf! Schrijf! Beduvel uw eigen kritikaster.    Villa Pannenkoek In villa Pannenkoek loopt alles fout. Oma is eenzaam en boos. Zoon Toon doet zijn best. Rocky de teckel is doof. Kanariepiet Piet is blind, maar muzikaal geschoold. Kleinkind kolonel Kivit is sterk en slim. Muilezel Nick doet AI in plaats van IA. De Koe van de Koestraat geeft geen melk. Ze werkt als flexi-jobber in de HORECA. De Koe van de Koestraat is ook gewoon een mottige doos. Hoofdstuk 1. Heeft zoon Toon longkanker? De huisdokter zegt: 'Quid?' De radioloog zegt: subtiele dunne bandvormige verdichting rechts basaal. DD atelectatisch, sequelair na eerder infiltraat. Zoon Toon zegt: 'Wat heeft dat te betekenen?' Sinds toen heeft hij een geheim. Hij maakt tekeningen met de letters en woorden 'Van sigaretten ga je dood.' Hij rookt al vijfendertig jaar. Vies. Bah. Hoofdstuk 2. Is Oma in staat zelfmoord te plegen? Neen, waarschijnlijk durft ze zelfs niet op de noodknop te duwen. Inloggen bij de bank lukt ook niet. Ze probeert te telefoneren met een gsm zonder SIM-kaartje in en geeft zoon Toon de schuld van alles. Haar TV en microgolfoven zijn stuk. De juffrouw die zorgt voor de service van de serviceflat heeft vakantie. Hoofdstuk 3. Waarom neemt kolonel Kivit zijn telefoon niet op? Geen idee. Hoofdstuk 4. Is de Koe van de Koestraat ooit verkracht? Ja, op een trouwfeest van een nichtje door een garçon.   Neen, denk ik. Dit snappen de kindjes niet. Het moet anders. Ik begin op nieuw. Vogel en vogeltje Ik ben een vreemde vogel. Ik eet graag vissen en chocolade. Soms verander ik van kleur en gemoed. Ik lust ook graag rode wijn en bloemkool. Vandaag regent het. Meestal schijnt de zon. Die lijkt dan op een pannenkoek aan de hemel. Vaak beleef ik leuke avonturen. Hier is er zo een. Op een morgen kwam er samen met de zon een andere vreemde vogel langs. Hij was moe en had zin in een sigaar. Ik nam de lichtbruine doos sigaren en gaf hem er een. Mijn luciferdoosje kon ik niet vinden. Ik zei: 'We zullen op zoek moeten gaan naar vuur.' Hij zei: 'Ja, is goed. Gaan we samen?' Ik zei: 'Ja, is goed.' We vlogen van de boom naar de dakgoot en terug. En terug van de boom naar de dakgoot en terug. De boom is een grote treurwilg. Plots begon de boom te praten. De boom zei: 'Jullie moeten de grote oceaan overvliegen naar het eiland Lapje LOem. Daar woont Koning Lucifer de lichtontvlambare. Hij kan jullie wel een doosje lucifers bezorgen.  Tot slot zei de boom: 'Het is die kant uit. Z bij ZO. Zuid bij Zuid Oost en hij wees met al zijn takken die kant uit. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot.  Plots begon de dakgoot te praten.  De dakgoot zei: 'Volgens mij moeten jullie de andere kant op. N bij NO. Noord bij Noord Oost.  Vogel en zijn vriend vogeltje keken elkaar verbaasd aan. Ik zei: 'Laat ons opnieuw aan de boom vragen welke kant het op is.' Hij zei: 'Ja, is goed.' En we vlogen naar de boom die ondertussen lelijk keek en zweeg. Ik vroeg: 'Welke kant is het uit?' 'Z bij ZO.' antwoordde de boom nors. Ik zei: 'De dakgoot beweert N bij NO.' 'Da's fout!' bulderde de boom bijzonder boos. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot na eerst een rondje rond de boze boom te hebben gedaan.  De hemel werd donker. Pikdonker. Pannenkoek zon verdween. De wolken werden zwart en het begon te regenen. Donder en bliksem sloegen toe.   Neen, denk ik. Dit boeit de kindjes niet. Het gaat ook te traag. Ik begin op nieuw.   Heleen en Coco in de Zoo of dierentuinen zijn gevaarlijk Heleen, de moeder van Coco, is moe en heeft geen zin. Vandaag staat de Zoo van Antwerpen op de planning. Coco kijkt daar al enkele dagen naar uit. Zoals iedereen weet zijn dierentuinen, net als pannenkoekenrestaurants, kinderlokkers. Allebei zijn ze grote trekpleisters. De olifanten, leeuwen, giraffes, okapi's, koala's, krokodillen, papegaaien, slangen, roofvogels, apen, … trekken de aandacht. Samenvatting: Heleen verliest heel even haar dochter uit het oog. De vierjarige klimt op een laag muurtje en over een plexiglas paneel en stort meters diep in het Gorillaverblijf. De klap is enorm. Coco blijft bewusteloos op de grond liggen. De omstanders kijken toe en Heleen is in paniek en schreeuwt het uit. Gorilla Gust, de grootste en brutaalste van het gorillaverblijf, stapt op het kind af. Het wordt een horrorscenario. Gust tilt Coco op en werpt ze enkele meters verder het verblijf in. Zijn vrouw, gorilla Binti Jua houdt de wacht aan de schuifdeur van de verzorgers, zodat er geen hulp voor Coco binnenkan. Ondertussen is Heleen ook het bewustzijn verloren door de stress. De brandweer en een dierenarts komen ter plaatse, maar zijn radeloos. Ondertussen gooit Gust Coco nogmaals enkele meters de hoogte in, waarna hij zich triomfantelijk op de borst klopt. En zo voort en zo verder. Dit verhaal eindigt met de zinnen: 'Ik zou zo graag pipi gaan doen.' En 'Op het kerkhof ruikt het naar frit.' Ik zei tegen mezelf:’Felix, het kan en moet beter!’ Yumi van de planeet Huppeldepup            Oma Ada rookt een sigaar in haar kamer in het rusthuis en praat tegen zichzelf. Ze is weduwe. Bompa dronk smeer -en lampenolie. Bompa is allang morsdood. “Dit is mijn favoriete pyjama! Ik vind vooral de kleur mooi. Het groen past helemaal niet bij het geel, maar hij is zo zacht.” Dokter Kunstvorlaget en een eigenaardig ding op kleine wieltjes komen plots binnen. “Ada, je mag hier niet roken. Verdomme. Dat weet je toch,” zegt hij boos. De dokter opent het venster. Oma: “Neen, niet doen. Het is veel te koud.” “Er hangt hier rook. Je moet af en toe je kamer verluchten, Ada,” zegt de dokter geïrriteerd.  “Ik heb goed nieuws. Je krijgt gezelschap,” vervolgt hij. Oma: “Ooh, hoe zo?” “Yumi, de robot zal vast en zeker een leuk vriendje worden. Het is een jongentje. Het is een humanoïde robot. Dat wil zo veel zeggen als: hij kan praten als een mens, hij kan lachen zoals een mens, … Alles wat een mens kan, kan deze robot ook. Hij komt helemaal uit Japonnnenland. Zeg eens iets Yumi.” Yumi: “Hallo, ik ben Yumi. Wat heb jij een leuke pyjama aan!” Yumi loopt, of beter, rijdt rond en maakt een piepend geluid. “Dat piepende geluid verdwijnt nog wel. Hij is nog spiksplinternieuw. Als hij bij jou blijft, wordt hij je beste vriendje.” beweert de dokter. “Hoe heet mijn nieuwe vriendje ook alweer?” vraagt oma Ada. De dokter en Yumi in koor: “Yumi!” “Ik heb ook nog slecht nieuws. De verpleegsters zullen minder vaak langskomen. Je kan vanaf nu met Yumi praten, lachen, turnoefeningen doen, tekenen en kleuren, spelletjes spelen, bijvoorbeeld vier op een rij, verstoppertje, Monopoly, klaverjassen, schaken, pingpong, ’schipper mag ik overvaren’, vogelenpik, dammen, tikketje, touwtjespringen, hoelahoepen, voetballen en tennissen, zwarten pieten, potteke stamp, Scrabble, Zeeslag en zo meer. “Yumi kan je ook helpen bij het aankleden, het wassen en als je naar de WC moet. Onze verpleegsters hebben helaas geen tijd meer voor jou.” gaat de dokter verder.   Dokter Vorlaget verdwijnt. Oma Ada kijkt naar de robot en probeert zijn naam te onthouden.   ‘Ja, dit wordt het!’ denk ik. Dit gaan de kindjes leuk vinden. ‘Ge kunt het!’ Ik neem me voor om ’s ochtends free writing oefeningetjes van dertien minuten te doen met ‘Yumi van de planeet Huppeldepup’ in mijn achterhoofd. ‘Dit wordt een prachtig kinderboek’ schrijf ik later in mijn dagboek. Ik ben opgetogen en content.                            

Hubert Grimmelt
0 0

De zevende prins

Er was eens een prinses. Een prinses die zich op haar zestiende verjaardag prikte aan een spinnenwiel. Een prinses die samen met haar hele koninkrijk in een diepe slaap viel. Een prinses die enkel gewekt kon worden door de kus van haar ware liefde. Dat verhaal ken je al. Wat men er zelden bij vertelt, is dat er nog iemand was. Een meisje. Een normaal exemplaar, zo eentje zonder magische krachten of schattig kroontje op het hoofd. En vergis je niet, eigenlijk gaat dit verhaal toch vooral over dat gewone meisje en niet over een of andere willekeurige kerel op een paard. Al begint het er wel mee. Hij heette Parcifal. Zijn paard was wit, zijn harnas blinkend en zijn zwaard scherp genoeg om een eik in twee te klieven. Hij reed door een donker woud toen hij op een kruispunt kwam. Rechts van hem lag een kasteel, bijna volledig opgeslokt door een muur van doornen; links meer bos. Parcifal zuchtte. "Vervloekt." Hij keek nog eens naar het kasteel, schatte de hoeveelheid ellende die er waarschijnlijk achter die doornen verscholen zat, en draaide zijn paard naar links. "Vandaag niet, Brutus. Vandaag niet." "Hej!" klonk het plots vanuit het struikgewas. Een roodharig meisje verscheen uit het niets en ging midden op het pad staan. Ze kon nauwelijks vijftien zijn. Ze droeg een broek in plaats van een jurk en hield een zware knots vast. Aan het uiteinde kleefde iets dat verdacht veel op bloed leek. "Waarom rij je weg?" vroeg ze. Parcifal wees naar het kasteel. "Dat daar is duidelijk een vloek." "Er zit een prinses gevangen." "Dat hoort bij een vloek." "Ze moet gered worden." "Dat ook." "Jij bent een prins." "Ja. En?" Het meisje keek hem aan alsof hij zojuist had aangekondigd dat water droog was. "Wel? Is dit niet het soort queeste waar jouw soort van begint te watertanden?" Parcifal haalde zijn schouders op. "Kind..." "Fiona." "Fiona dan. Luister. Verlaten kasteel betekent heks. Heks betekent monsters. Monsters betekenen lange werkdagen. En aan het einde mag ik waarschijnlijk een koninkrijk besturen waar ik nooit om gevraagd heb." "Maar de prinses..." "...zal ongetwijfeld erg mooi zijn." "De koning zal je rijk belonen." "...met verantwoordelijkheden." Hij glimlachte vriendelijk. "Er komt vroeg of laat wel een jongere prins voorbij die nog gelooft dat heldendom een goed carrièreplan is." Hij gaf zijn paard een tikje, maar dat bleef braaf staren in een paar helblauwe ogen. "Je begrijpt het niet," zei ze. "Ik begrijp het uitstekend." "Níémand anders komt." "Het spijt me, kind, maar mijn dagen van prinsessen redden liggen ver achter me. Ga naar een dorp, vind een mooie jongen en vergeet deze plek." Hij maakte opnieuw aanstalten om verder te rijden. Eventjes, heel eventjes maar, leek Fiona een stap opzij te zetten. Een tel later lag hij op zijn rug in het zand met een klein maar vlijmscherp mes tegen zijn keel aan. "Mijn naam," zei ze kalm, "is Fiona." Parcifal knikte voorzichtig. "En jij gaat dat kasteel binnen." Hij keek even naar het mes. Toen naar haar. "Goed," zei hij, al zuchtend. Fiona glimlachte opgelucht en hielp hem overeind, alsof ze hem niet net van zijn paard had gesleurd. "Kom." "Waarheen?" "Naar Talia." Parcifal fronste. "Wie?" "De prinses." Vervolgens liep ze met paard en prins in haar zog het pad op richting het kasteel. Het pad verdween even later al in het struikgewas. Parcifal baande zich zwijgend een weg met zijn zwaard. Fiona liep voor hem uit alsof ze iedere doornstruik, steen en boomwortel uit het hoofd kende. "Hoe lang leef je hier al?" vroeg hij. "Een half jaar." Hij bleef even staan. "Een half jaar?" Ze knikte. "Sinds de vloek." "En al die tijd ben je gebleven?" "Ja." "Waarom?" Zonder te antwoorden leidde ze hem dieper en dieper het bos in. Na enkele minuten wees ze naar iets tussen de doornen. Een harnas, of beter: wat ervan overbleef. De eigenaar was allang verdwenen. "Nummer drie. Prins Groothorst," zei Fiona. "Nummer?" vroeg hij. "Prinsen." Parcifal keek haar aan. "Je houdt ze bij?" "Ja” “En ik ben nummer…” vroeg hij, voor het eerst met wat onzekerheid in de stem. “7. Een geluksnummer toch?” Waarop ze vrolijk verder wandelde het bos in. Even later passeerden ze een slapende molenaar, nog steeds met zijn hand om een zak graan geklemd. Daarna een slapende hond. "De vloek," zei Parcifal zacht. Fiona knikte. "Alleen wie van buiten komt, blijft wakker." "En wordt opgegeten." "Meestal." Ze liepen verder. Pas toen vroeg Parcifal: "En jij?" "Wat ik?" "Waarom ben jij niet in slaap gevallen?" "Ik, euh... ik was hier niet." "Ah?" "Ik was, euh, weggestuurd." "Waarom?" "Omdat..." "Ah. En waarom ben je hier nu dan?" Fiona haalde haar schouders op. "Iemand moest blijven." "Waarom?" "Omdat..." Ze zweeg. Parcifal glimlachte. "Je maakt die zin opvallend vaak niet af." Nog voor Fiona kon antwoorden, klonk links van hen een schril gegil. Drie goblins stormden het struikgewas uit. Parcifal trok zijn zwaard, naast hem schoot Fiona vooruit. Ze vocht zonder enige sierlijkheid — geen elegant zwaaien zoals de ridders aan het hof, maar slaan, stoten en duwen, alsof ieder gevecht een ruzie in een achterafstraatje was. Binnen enkele ogenblikken lagen de goblins stil. Doodstil. Even later weken de doornen uiteen en maakten plaats voor een oude weg die ooit naar de hoofdpoort van het kasteel moest hebben geleid. Mos groeide tussen de stenen, onkruid had de scheuren gevuld. In het poortgebouw sliepen twee wachters, nog steeds rechtop, de hellebaarden in de hand, alsof ze ieder moment de wacht konden aflossen. Een spin had tussen hun helmen een web geweven. Parcifal bleef even staan. "Dat went nooit." "Wat?" "Vloeken." Hij keek naar de slapende mannen. "Met monsters weet je tenminste waar je aan toe bent." Fiona zei niets. Ze liep tussen de wachters door zonder hen nog een blik waardig te gunnen. Ze had dat duidelijk al vaker gedaan. De poort stond open. Het kasteel daarachter was oorverdovend stil. Geen stemmen, geen voetstappen — alleen het zachte tikken van water dat ergens diep in de gangen van het plafond droop. Parcifal maakte Brutus vast aan een paal alvorens Fiona te volgen. Hun laarzen weerklonken over de stenen vloer terwijl ze de grote hal binnenliepen.  Terwijl ze zich een weg baanden door de zaal viel er een schaduw over de vloer. Niet langzaam. Plotseling. Alsof iemand de zon had uitgeblazen. Parcifal keek omhoog. Het glasraam boven de troonzaal vulde zich met een donkere vorm. Een vleugel. Nog één. Toen brak het loodwerk met een oorverdovende knal uiteen en regenden duizenden stukjes gekleurd glas naar beneden.Midden in de troonzaal landde een draak. Hij was groter dan Parcifal gehoopt had. Het monster hief langzaam zijn kop op. Zijn gele ogen gleden eerst over Parcifal, daarna over Fiona. Het bleef bij haar hangen. "Dat," zei Parcifal zacht, terwijl hij zijn zwaard trok, "is zelden een goed teken." De draak snoof. Een dunne rookpluim kringelde tussen zijn tanden omhoog. Fiona zette instinctief een stap naar voren. Parcifal hield haar tegen. "Nee." "Ik kan hem aan." "Dat betwijfel ik niet." Hij keek de draak strak aan. "Maar dit is mijn werk." Ze wilde protesteren. Hij was al vertrokken. Met een luide kreet stormde Parcifal vooruit. De draak kwam hem tegemoet. Staal botste op klauw, vonken schoten door de troonzaal. Parcifal dook onder een uithaal door en sloeg naar de voorpoot van het monster. De draak brulde, draaide zich razendsnel om en zwiepte met zijn staart. De prins vloog dwars door de zaal en kwam hard terecht tegen een zuil. "Dat," kreunde hij terwijl hij overeind krabbelde, "was onbeleefd." De draak antwoordde met vuur. Parcifal wierp zich achter een marmeren pilaar terwijl de vlammen langs weerszijden naar boven likten. Hij keek vluchtig de zaal rond. Geen opening. Te zwaar. Te sterk. Zijn blik bleef hangen bij de enorme kroonluchter die hoog boven de draak aan een dikke ketting hing. Natuurlijk. Waarom ook niet. In kastelen hing er altijd wel iets gevaarlijks boven een draak. Hij sprintte naar de muur, sprong op een bank en bereikte net de ketting. Met één krachtige slag hakte hij haar door. De kroonluchter stortte naar beneden, het gevaarte kwam recht op de rug van de draak terecht. De vloer beefde, een wolk stof vulde de zaal. Parcifal glimlachte tevreden. "Zo." Hij zette een stap dichterbij. De kroonluchter begon te bewegen. Eerst zachtjes dan met schokken. Toen tilde de draak langzaam zijn kop weer op. "Ach." Meer kreeg Parcifal niet gezegd. De vuurstraal trof hem vol in het schild. Hij werd achteruit geslingerd en bleef versuft op de vloer liggen. Door de suizende stilte heen hoorde hij voetstappen. Niet de zware stappen van een draak. Lichte. Snelle. Woedende. Fiona. Ze kwam niet aangerend. Ze stormde. Haar rode haar golfde achter haar aan terwijl ze het zwaard, zijn zwaard, met beide handen vasthield — niet hoog boven haar hoofd zoals de ridders uit de verhalen deden, maar laag voor zich uit, alsof ze een ploeg voortduwde. "Fiona!" riep Parcifal. Ze hoorde hem niet. Of ze koos ervoor hem niet te horen. De draak draaide zich traag naar haar om. Zijn aandacht was nog altijd bij de prins, die versuft tegen een zuil zat, en precies dat ene ogenblik van aarzeling had Fiona nodig. Ze botste tegen het monster op met het zwaard nog steeds voor zich uit. Het verdween tot aan het gevest in de borst van de draak. Het monster bleef verstijfd staan. Even leek het alsof niemand nog durfde te ademen. Toen zakte de draak langzaam door zijn poten. Recht boven op Fiona. "Verdomme." Parcifal krabbelde overeind, rende naar het karkas en zette zijn schouder eronder. Met veel meer moeite dan waardigheid wist hij het loodzware lichaam een eind opzij te rollen. Vanonder de draak verscheen eerst een rood plukje haar. Daarna een arm. En uiteindelijk Fiona, die hoestend overeind kroop. "Leef je nog?" Ze knikte. "Mooi." Parcifal stak haar een hand toe. Ze nam die aan en liet zich overeind trekken. Pas toen keek ze naar de draak. Naar het zwaard dat nog altijd in zijn borst stak. "Ik..." begon ze. Meer kreeg ze niet gezegd. Parcifal glimlachte. "Gefeliciteerd." "Waarmee?" "Met je eerste draak." Ze keek hem ongelovig aan. "Dat was toch jouw draak?" "Nee." Hij schudde zijn hoofd. "Ik heb hem hoogstens hoofdpijn bezorgd." Hij liep naar het karkas, trok met een stevige ruk het zwaard los en gaf het terug aan Fiona. "Die overwinning is helemaal van jou." Ze nam het zwaard zwijgend aan, alsof ze niet goed wist wat ze ermee moest. Parcifal keek de grote zaal rond. De slapende koning zat nog altijd onbeweeglijk op zijn troon. De wachters sliepen. Zelfs het stof leek hier al honderd jaar niet meer bewogen te hebben. Fiona keek naar de trap. Voor het eerst sinds ze elkaar ontmoet hadden, leek ze te twijfelen. "Wat is er?" "Niets." "Dat geloof ik niet." Ze zweeg. Parcifal wachtte. Na een tijdje zei ze zacht: "Stel dat..." Ze slikte. "Stel dat we te laat zijn." Hij keek haar lang aan. "Ben je daar echt bang voor?" Ze knikte. Hij glimlachte flauwtjes. "Nee." "Waarom niet?" "Omdat je hier al zes maanden bent." Ze keek hem niet-begrijpend aan. "Als de vloek haar had willen doden, was dat allang gebeurd." Hij legde een hand op haar schouder. "Kom." "Waarheen?" "Naar de prinses." Hij zette zich in beweging. Na een paar passen merkte hij dat Fiona hem niet volgde. Ze stond nog altijd midden in de troonzaal, met haar blik op de trap gericht, alsof iedere trede zwaarder woog dan het gevecht met de draak. Uiteindelijk zette ze zich in beweging en klom ze tergend traag de trap op. De stenen treden waren uitgesleten door honderden jaren voeten die eroverheen gelopen hadden — koningen, dienstmeisjes, wachters, de prinses zelf. Nu klonk alleen het zachte schuren van twee paar laarzen. Parcifal liep een paar treden achter Fiona. Halverwege bleef Fiona staan. "Ik ben hier nog nooit geweest." Parcifal keek verbaasd op. "Nooit?" Ze schudde haar hoofd. "Ik mocht vroeger niet in de toren komen." Hij glimlachte. "Prinsessen." "Ze glipte soms wel naar buiten." Fiona glimlachte zelf ook, al was het nauwelijks zichtbaar. "Naar de stallen." "Dat klinkt al minder als een prinses." "Ze vond paarden interessanter dan etiquette." "Een verstandig meisje." "Ze haatte borduren." "Nog verstandiger." Fiona liet haar hand over de stenen muur glijden terwijl ze langzaam verder klom. "Ze was nergens goed in waar prinsessen goed in horen te zijn." "En waarin was ze dan wel goed?" Fiona dacht even na. "Lopen." Parcifal keek haar vragend aan. "Lopen?" "Ja." "Dat lijkt me een tamelijk nutteloze koninklijke vaardigheid." "Niet als je probeert weg te lopen van je gouvernante." Heel even lachten ze allebei. Het geluid galmde de trap op en af.Boven hen verscheen een houten deur. Massief eikenhout. Onversierd. Alsof zelfs de timmerman vergeten was dat achter die deur een prinses woonde. Fiona bleef ervoor staan. Haar hand rustte op de ijzeren klink. Maar ze duwde niet. Parcifal wachtte. "Je bent bang." "Nee." "Jawel." Ze sloot haar ogen. "Ik ben bang dat ze mij niet meer kent." Parcifal zei niets. "Of erger." Ze slikte. "Dat ze me wel kent." Hij fronste. "Is dat erger?" "Misschien." "Waarom?" Ze antwoordde niet meteen. Toen ze eindelijk sprak, klonk haar stem zachter dan hij haar ooit gehoord had. "Toen de vloek begon..." Ze zweeg. "...had ik ruzie met haar." Parcifal voelde hoe er iets op zijn plaats viel. Niet alles. Maar genoeg. "Waarover?" "Dat doet er niet toe." "Voor jou blijkbaar wel." Ze bleef naar de deur kijken. "Ze zei dat ik moest vertrekken." "En jij?" "Ik ben vertrokken." De stilte die daarop volgde was langer dan alle vorige samen. "Hoe lang?" "Nog geen uur." Ze glimlachte schamper. "Toen begon de vloek." Parcifal keek naar haar rug en zette een stap dichterbij. "Fiona." Ze draaide zich niet om. "Je bent niet gebleven om haar te redden." Ze kneep haar ogen dicht. "Je bent gebleven omdat je dacht dat dit jouw schuld was." Er rolde één traan over haar wang. Ze veegde hem haastig weg. "Misschien." Parcifal glimlachte verdrietig. "Je bent een verschrikkelijke leugenaar." Heel voorzichtig legde hij een hand op de klink. "Al die tijd dacht je dat je een prins nodig had." Ze knikte nauwelijks zichtbaar. "Waarom?" "Omdat..." Ze haalde diep adem. "...zo gaat het verhaal… toch? Parcifal keek haar lang aan. Toen glimlachte hij. "Fiona." Ze keek eindelijk op. "Volgens mij had deze queeste een pak korter kunnen zijn dan zes maand. Hij haalde zijn hand van de klink. Zette een stap achteruit. "Ik denk alleen niet dat je dat zelf al doorhad." Langzaam maar zeker daalde hij de trap af, eerst in stilte dan vrolijk fluitend. Ergens boven hem ging een deur piepend open en tegen de tijd dat hij bij de poort was leek alles en iedereen te ontwaken. Wachters, honden, molenaars, … Van ver boven hem leek iemand zijn naam te roepen. Hij zwaaide zonder om te kijken. Zocht Brutus op, steeg in het zadel, en reed het sprookje uit.

Veulen
0 0

Het boek van Wolfstee

Die dag fietsen Mare en ik pas veel later naar huis dan normaal.  De lucht voelt ook anders.  Alsof er iets staat te gebeuren.  Tegen dat we de brug aan de Nete willen oversteken is het al aan het schemeren. Het water ligt er stil bij.  De maan weerspiegelt op het oppervlak.  Plots zie ik iets, een klein lichtje. Bewegend boven het water. ‘Mare, kijk’ fluister ik. Ik wil me net naar haar omdraaien wanneer ik een zachte plof hoor, gevolgd door een vloek en dan een korte gil. Ik rem en gooi mijn fiets op de grond om te kijken wat er gebeurt is. Mare ligt languit op de grond, haar fiets bovenop haar. ‘Alles ok?’ Vraag ik haar voorzichtig. Een korte kreun is het antwoord. Ik neem de fiets van haar over en zie onmiddellijk het probleem.  Haar band is gescheurd. ‘Tanne …’ Mare brengt het er op fluistertoon uit. ‘Heb jij dat ook gezien?’ ‘Wat gezien?’ Vraag ik verbaasd. ‘Dat licht boven het water. Het zweefde boven de Nete. Plots vloog het mijn richting uit en een seconde later knapte mijn band. Het dringt tot me door dat ze hetzelfde lichtje bedoelt dan wat ik net ook zag.  Maar dat kan toch niets met haar band te maken hebben? Bedenkelijk knik ik ter bevestiging. We staren allebei naar de Nete, rechts van ons. ‘Kijk’ fluistert ze ‘daar heb je het weer.’  Het lichtje verplaatst zich nu richting de brug.  ‘Ik denk dat het wil dat we het volgen.’ Het geluid dat uit mijn keel komt klinkt erg schor. Alsof er een brok vastzit. Het kleine, magische, lichtje gaat nu richting het bos. ‘Maar, Tanne, het bos is donker en eng. Mama zegt altijd dat het gevaarlijk is in het bos wanneer het donker is. Dat mogen we echt niet doen.’  Ik zie de angst in haar ogen. Toch zegt alles binnen in me dat we het moeten volgen. ‘Kom’ ik neem haar hand vast ‘we gaan kijken!’ Ondanks de schrik die ze uitstraalt trek ik haar mee. De brug over, richting het bos. ‘Ik blijf bij je, er gaat ons heus niets gebeuren.’ Ik probeer mijn tweelingzus met een vastberaden gezicht aan te kijken. Om haar ervan te overtuigen dat ik zelf niet bang ben. Maar vanbinnen voel ik me net iets minder stoer. ‘En onze fietsen dan?’ Stamelt ze. ‘Die laten we hier wel liggen. Niemand komt hier als het donker is. We halen ze straks wel op.’ Zeg ik schouderophalend.  Terwijl we het bos inlopen schrik ik van iets dat rakelings voorbij me vliegt. Ik draai me om en zie een Havik op de grond zitten, tussen zijn poten zie ik nog net de staart van een rat bewegen. Ik voel Mare’s lichaam trillen maar toch besluit ik verder te wandelen. Het licht achterna. Wanneer het plots van het pad afwijkt twijfel ik toch even of we het wel moeten blijven volgen. De nieuwsgierigheid wint het van de angst en ik loop er achteraan.  Met een bevende Mare naast me. Zo diep zijn we nog nooit de bossen in gelopen. Zelfs niet op klaarlichte dag. Voor ons zie ik een klein houten huis, het lijkt uit het niets te verschijnen. Het ziet er erg oud uit. Met houten muren en een rieten dak. Ik zie één raam en een zware houten deur. Ondanks dat ik geen licht zie branden moet er wel iemand binnen zijn, want door de schoorsteen dwarrelt rook naar buiten. Het lichtje is vlak voor de deur gestopt. Mare grijpt mijn arm nog steviger vast. ‘Tanne’ haar stem is bijna geluidloos, ‘je gaat toch niet naar binnen gaan? Wie weet wie daar woont. Alleen een gek woont zo diep in het bos.’  Ik moet een glimlach onderdrukken voor haar woordkeuze, maar eigenlijk heeft ze wel een beetje gelijk, toch voel ik dat het moet. ‘Sorry zus, ik voel dat we dat toch moeten doen. Iets of iemand wacht op ons.’ Mijn stem klinkt vastberadener dan ik me voel. Terwijl ik de deur open duw zie ik het lichtje doven.  Binnen schijnt een lichte gloed. Hij is afkomstig van de open haard die zachtjes brand. Verder kan ik niets ontwaren. Ik zie niemand in de kamer dus doe ik een stap naar voren om beter te kunnen rondkijken. Mare volgt met op de voet. Achter haar valt de deur met een klap toe, waardoor ze een klein sprongetje maakt en tegen me opbotst.  Dan hoor ik een warme stem uit de hoek van de kamer komen ‘Welkom’. Het geluid vult de hele ruimte. De warmte ervan dringt door in mijn hele lichaam. Ik kijk opzij, naar Mare die naast me is komen staan. Ze staart me aan. In haar ogen zie ik een gloed waardoor ik weet dat ze het ook gevoeld heeft.  In mijn ooghoek zie ik uit het donker een kleine vrouw naar voren stappen. Ze draagt een lange jurk en haar grijze haar zit in een losse knot. En in het haar zie ik een kleine bril, met ronde glazen zitten. ‘Welkom Tanne, Welkom Mare’  ‘Hoe weet u onze namen?’ Stamel ik een beetje verbaasd.  ‘Ik weet veel Tanne’ antwoord ze met een warme stem. Dan stelt ze zichzelf voor. ‘Ik ben Josyne. En ik ben blij dat ik het bij het rechte eind had. Jullie zijn degene die ik zoek.’ ‘Degene die u zoekt?’ Het is alsof Mare uit haar angstige trance ontwaakt.  Haar stem is plots heel fel, en ik zie in haar ogen de nieuwsgierigheid opborrelen.  ‘Ja Mare, en het feit dat jullie hier staan, bewijst dat.’ ‘Heeft u ons dan naar hier gelokt?’ Nu ben ik het die op felle, verbaasde toon reageer. ‘Had dat lichtje er iets mee te maken?’ ‘Dat is inderdaad wat ik heb gedaan. Maar alleen doordat jullie de gave hebben konden jullie het lichtje zien.’ ‘Wat voor gave?’ Mare barst nu helemaal van de nieuwsgierigheid en kan zichzelf amper nog bedwingen. Ik merk aan haar houding dat ze nu het hele verhaal wil weten, alle angst lijkt verdwenen te zijn. ‘De gave die nodig is om mij op te volgen.’ De stem van Josyne klinkt nog steeds zacht en warm, maar ook erg uitgeput. Ik bekijk haar een beetje beter, het lijkt alsof ze in de laatste minuten ineens twintig jaar ouder is geworden. Plots ziet ze er heel oud uit. Haar schouders zijn gaan hangen, haar gezicht staat vol rimpels en haar grijze haar is spierwit geworden. Ze staat helemaal voorover gebogen en ik zie dat ze niet meer recht kan blijven staan. Snel neem ik de stoel die ik achter haar had zien staan en schuif hem dichterbij. Met een licht geforceerde duw dwing ik haar om even te gaan zitten. Met een plof laat ze zich vallen. ‘Dank je’ zucht ze vermoeid. ‘Het lijkt erop dat jullie net op tijd zijn. Ik heb alle kracht die ik nog in me had opgespaard tot ik jullie zou vinden.’  Ze draait zich om richting de hoek van de kamer en wijst ergens naar. ‘Neem dat boek eens.’ Ik loop in de richting naar waar ze wijst en zie een héél oud boek liggen. Er staan tekens op die ik niet kan lezen. Wanneer ik het wil vastnemen ontstaan er een soort gloed omheen. Het boek lijkt wel licht te geven. Snel trek ik mijn hand terug en kijk Josyne verbaasd aan. ‘Niet bang zijn.’ Hoor ik haar zwak zeggen ‘ dat is normaal, dat wil zeggen dat het boek nu bij jullie hoort. Het wordt jullie binnenkort allemaal wel duidelijk.’ Terwijl ze dat zegt sterft haar stem weg.  Toch een beetje angstig neem ik het boek op, ik wil me niet verbranden. Onmiddellijk voel ik de warmte door mijn lichaam stromen. Het is dezelfde warmte die ik daarstraks ook al leek te voelen. Ik loop er mee naar Mare, met een schittering in haar ogen kijkt ze me aan, alsof het de grootste schat is die ze zich kon wensen. ‘Mag ik het vasthouden?’ Fluistert ze. Snel geef ik het boek aan haar aan en draai me dan om naar Josyne voor meer uitleg.  Haar ogen vallen bijna toe van vermoeidheid. Mare ziet het ook en met het boek in haar handen geklemd stoot ze me aan. ‘Zullen we morgen terugkomen? Ze is doodop. Zolang ze geen fut heeft gaat ze ons toch niets meer vertellen.’ ‘Wat doen we met het boek?’ Fluister ik. ‘Meenemen’ ze zegt het zo kordaat dat ik er van schrik. ‘Ik voel gewoon dat het moet. Het boek wil het zo.’ Antwoord ze wanneer ze me bedenkelijk haar kant ziet opkijken. Een boek kan niets willen, wil ik nog antwoorden maar hou me snel in, want uiteindelijk voelde ik ook dingen die niet normaal zijn. Door mijn gevoel zijn we hier in het huis. Ik kijk nog even naar Josyne die in een diepe slaap lijkt te verkeren dus geef ik Mare gelijk en vertrekken we zo stil als we kunnen. Ik trek zachtjes de deur achter me toe en begin in het bos te turen naar de weg terug. ‘Ik heb geen enkel idee van waar we gekomen zijn’ zucht ik diep. Het bos strekt zich helemaal uit richting Vorselaar en Herentals. Ik zou niet weten welke kant ik op moet naar huis. Mare ziet mijn vertwijfelde blik en laat een diepe zucht ontsnappen. En dan roept ze plots enthousiast ‘Daar’ en wijst richting het bos. Ik volg haar hand en dan zie ik het ook, een klein lichtje tussen de bomen.’ Zou het ons de weg uit het bos wijzen?’ Vraagt ze. ‘Ik weet het niet, maar laten we het gewoon volgen. Zelf vinden we de weg toch niet terug. En als Josyne het lichtje gebruikte om ons hierheen te lokken dan gok ik dat ze er ook voor zal zorgen dat we terug naar huis raken.’  Het lichtje loodst ons tussen de bomen door, tot we terug op het pad zijn. Nog geen tien minuten later staan we opnieuw naast onze fietsen. Aan de rand van het bos. Het lichtje is verdwenen maar het boek dat Mare dicht tegen zich aandrukt is het bewijs dat dit geen droom was.

S.J. Elisa
8 0

Geluid in de schoorsteen

Het was een ijskoude, sfeervolle winteravond. Buiten gierde de wind om het huis en dwarrelden er dikke sneeuwvlokken naar beneden. Binnen was het juist heerlijk warm en gezellig. Sam en Beer zaten in hun pyjama voor de open haard. Ze vierden hun eigen kleine winterfeestje. Er stond een grote mok warme melk met een dikke laag slagroom op tafel, omringd door een schaal vol zelfgebakken kerstkoekjes. Net toen Sam een hap wilde nemen van een koekje in de vorm van een kerstboom, klonk er een angstaanjagend geluid uit de schoorsteen.KRAK! BOEM! SKIEEP-SKIEEP-FLAP! Sam liet zijn koekje van schrik in de melk vallen. "Beer... hoorde je dat?" fluisterde hij met grote ogen.Beer kroop dicht tegen Sam aan en hield zijn pluche oren vast. "Ja! Het komt uit de haard! Zou... zou het de Kerstman zijn die veel te vroeg is en klem is komen te zitten met zijn dikke buik?""Of een hongerig, harig schoorsteenmonster dat dol is op kerstkoekjes en warme melk?" beefde Sam. Het geluid werd steeds luider. KRAB-KRAB-KRAB. De spanning was om te snijden. Plotseling viel er met een enorme PLOF een gigantische wolk van zwart roet en as uit de schoorsteenopening, recht op het tapijt. Sam en Beer hielden hun adem in en deden een stap achteruit. Toen de zwarte stofwolk een beetje optrok, zagen ze een gedaante zitten. Het wezen was van top tot teen gitzwart. Zelfs de ogen waren nauwelijks te zien. Maar het wezen droeg geen rode kerstmanjas en het had ook geen monsterlijke klauwen. In plaats daarvan hield het een grote, felroze plumeau en een plumeauborstel vast. Het zwarte figuurtje knipperde met zijn ogen en schudde zichzelf uit, waardoor er nog een extra wolk roet door de kamer vloog. Hatsjoe!"Karel?!" riep Sam verbaasd.Het zwarte wezen glimlachte, waardoor er een rij witte tanden zichtbaar werd. "Hallo jongens! Ik dacht: het is winter, we stoken de open haard vaak op, dus de schoorsteen moet blinkend schoon zijn voor de gezelligheid. Ik ben via het dak naar binnen geklommen!" "Je bent helemaal zwart, Karel!" lachte Beer, wiens pluche buik weer ontspande. "Je lijkt wel een levend stuk steenkool!"Karel keek naar zijn eigen groene pootjes, die nu pikzwart waren. "Ah, een kleine beroepsdeformatie van een topassistent. Maar kijk eens hoe mooi schoon het daarboven nu is!" Hij liep direct naar de tafel, liet een zwart roetspoor achter op het kleed en nam een grote slok warme melk. Binnen een minuut had hij een witte melksnor over zijn zwarte gezicht.

Deejay
0 0

Metselen

In de achtertuin was het een drukte van jewelste. Meneer Metsel, een echte bouwer met een feloranje helm en een gereedschapsriem, was op bezoek. Hij had een grote kruiwagen vol met zware, rode bakstenen bij zich en een glanzende troffel. Sam en Beer stonden er met grote ogen naar te kijken. "Kijk eens jongens," zei meneer Metsel trots, terwijl hij op een baksteen tikte. "Als je deze recht op elkaar stapelt, kun je van alles maken. Wat zouden jullie willen bouwen?"Sam sprong in de lucht. "Wij gaan een reusachtig ridderkasteel metselen! Met een ophaalbrug en kantelen om te verdedigen!""Nee, een herrie-toren!" juichte Beer, die dol was op muziek. "Een hele hoge toren waar we bovenin op trommels kunnen slaan zodat de hele buurt het hoort!" Meneer Metsel knikte enthousiast. "Goed plan. Laten we beginnen. Ik ga het cement mengen om de stenen aan elkaar te lijmen." Hij liep naar zijn kruiwagen, maar bleef toen plotseling verbaasd staan. Hij krabde op zijn oranje helm. "Hé... dat is vreemd. Mijn grote zak met cementpoeder is weg. Ik weet zeker dat ik hem hier had neergezet."Zonder cement konden de stenen niet blijven plakken. Sam en Beer zochten achter de struiken en onder de tuintafel, maar de zak was spoorloos verdwenen. De hele bouwdag dreigde in het water te vallen. "Geen paniek! De assistent-bouwer is hier!" klonk een luide stem.Karel de Kikker kwam vrolijk de veranda op gehuppeld. Hij droeg een omgekeerd bloempotje als bouwhelm en sleepte een enorme, loodzware plastic emmer met zich mee. Toen hij bij de stapel bakstenen stilstond, liet hij de emmer met een luide PLONS zakken. Er steeg een heerlijke, zoete geur op in de tuin. Meneer Metsel keek in de emmer en trok een wenkbrauw op. "Karel... is dat wat ik denk dat het is?""Pindakaas!" riep Karel trots, terwijl hij een grote klodder met zijn poot omhoogschepte. "Met extra stukjes noot voor de stevigheid! Ik vond het cementpoeder veel te saai en grijs. Pindakaas plakt ook supergoed aan je gehemelte, dus waarom niet aan bakstenen?" Sam en Beer moesten giechelen. Meneer Metsel bekeek de dikke, kleverige substantie, haalde zijn schouders op en zei: "Nou ja, we kunnen het proberen!"Met de troffel smeerden ze dikke lagen pindakaas tussen de rode stenen. Binnen een uur stond er een prachtig, klein kasteeltje in de tuin. Het was misschien niet stormbestendig, maar het rook wel ongelooflijk lekker en de vogeltjes in de tuin hadden er wekenlang plezier van.

Deejay
0 0