Zoeken

stepping stone theory.

In de jaren 70 van de vorige eeuw merkte ik iets op. De overheid, die destijds, en nu, totaal geen idee had, heeft, hoe ze het opkomende drugsgebruik moest aanpakken, opende overal de jacht op drugs. Omdat cannabis sterk ruikt en een groot volume heeft, was de jacht daarop zeer succesvol. Menig burgemeester en politiecommissaris stond destijds glunderend op de foto voor een tafel vol in beslag genomen kruiden — het ultieme bewijs dat hun beleid vruchten afwierp.Door deze harde aanpak verstoorden ze de cannabismarkt zodanig dat er een tijdlang bijna niets meer te vinden was. "Ik wil eens experimenteren met heroïne," zei mijn broer toen. Ik raakte in paniek. Jaren daarvoor had ik een vriendengroep waarin enkelen hetzelfde zeiden; na nog geen jaar was een normaal gesprek met hen niet meer mogelijk. Het enige waar ze het nog over hadden, was waar ze spul konden vinden, wat het kostte en of het van goede kwaliteit was.Ik overtuigde mijn broer om met me mee te gaan naar de grote stad, waar ik een horecazaak runde. Hij stemde toe en sprak niet meer over heroïne. Twee jaar later overtuigde mijn lieve moeder hem echter om terug te keren naar ons geboortedorp. Hij kreeg 300.000 frank, een nieuwe auto en zij zou een huurhuis voor hem inrichten. De enige voorwaarde was dat hij moest trouwen met zijn oude liefde. Wat mijn moeder niet wist, was dat zij inmiddels geen experimenteerder meer was, maar een heroïneverslaafde.Binnen korte tijd was het geld op en begon de ondergang. In 1999 is mijn broer overleden na jarenlang gebruik. Ik heb dikwijls gedacht: had men cannabis toen maar gelegaliseerd, dan was mijn broer misschien bij cannabis gebleven.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
4 0

Heroïne.

Die ochtend vond hij zijn vader in de zetel, schijnbaar in een diepe rust die nooit meer verstoord zou worden. De jonge man smeekte, schudde aan het levenloze lichaam, sloeg in wanhoop tegen de wangen die ooit warm aanvoelden. Niets. De stilte die volgde was oorverdovend. Zijn wereld stortte niet alleen in; hij verpulverde. De pijn die daarop volgde was zo ondraaglijk, zo allesverslindend, "Hier, adem dit in... alle pijn zal wegvloeien," fluisterde zijn vriend, als een misleidende engel van genade. Op een stukje aluminiumfolie danste een bruin poeder boven een vlam, een duivels brouwsel dat beloofde de rauwe randen van zijn ziel te verzachten. Hij inhaleerde, en inderdaad: de ijzige kou in zijn borst maakte plaats voor een verraderlijke, warme deken. In die jaren was er geen medeleven, alleen verstoting. De maatschappij keek weg en dreef mensen zoals hij naar de schaduwen, naar de vergeetputten van de ziel. Vijftien jaar lang overleefde hij in die ondergrondse duisternis. Hij kocht en verkocht. Terwijl anderen pronkten met blitse auto’s en gouden ketens, kocht hij slechts één ding: verdoving. Elke cent die hij verdiende was een offer aan de god van de vergetelheid, een wanhopige poging om de herinnering aan die ochtend in de zetel uit te wissen. Pas toen de wereld eindelijk leerde kijken met ogen van erbarmen, vond hij de weg terug via een netwerk van hulp. Hij vocht zich uit de klauwen van de roes en koos voor het leven, hoe kwetsbaar ook. Een nieuwe start, weg van de schaduwen. "Nu de overheid tekortschiet in het weren van deze producten, is een adequate opvang van slachtoffers, de verslavend, het minste wat zij kan doen. De epidemie kan alleen worden gestopt door de vraag naar deze producten te beëindigen." Vandaag de dag zien we de verwoesting nog steeds, vaak vermomd in een legaal jasje. Dagelijks bereiken ons 300 kreten om hulp vanwege fysiek geweld, meestal aangewakkerd door alcohol. Een middel dat we weigeren bij de naam te noemen, omdat traditie en dogma het heilig hebben verklaard. Want stel je voor dat we het 'bloed van Christus' zouden bestempelen als dat wat het voor zovelen is: een verwoestende drug die harten breekt en levens verwoest.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
8 0

“Je bent nog jong!”

Ieder jaar mag ik tussen Kerst en Nieuw een kaarsje extra uitblazen. Vaak is het een vrij bescheiden dag, met een handjevol geliefden rondom me. We delen een drankje, een hapje, en lachen met de jaren die gepasseerd zijn en de jaren die nog gaan komen. Rond deze tijd neem ik ook graag een moment om te reflecteren. Eén van de zaken die ik al langer bezin, is de stijgende frequentie waarin ik te horen krijg dat ik ‘nog zo jong ben’, en ‘dat ik nog zoveel tijd heb om de zaken uit te dokteren in mijn leven’. Het lijkt haast dat hoe ouder ik word, hoe meer mensen mij op het hart drukken dat ik jong ben. Nochtans behoor ik als een eenendertigjarige man – volgens meerdere gehanteerde definities – niet meer tot de jeugd van tegenwoordig. Op mijn zesentwintigste verloor ik al meerdere jongerenvoordelen (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass), en dertig worden was de laatste nagel in de kist van mijn jeugd. Dus waarom hoor ik de afgelopen jaren steeds meer en meer dat ik ‘nog zo jong ben’?  Begrijp me niet verkeerd, de opmerking komt nooit vanuit het niets. Het is vaak een sussend antwoord op de voortdurende vraag van tijd. Ik durf mezelf omschrijven als een ‘laatbloeier’, en maak me dan ook zorgen over de gespendeerde en resterende tijd. Ga ik nu nog kinderdromen najagen wanneer ik me eigenlijk moet focussen te settelen? Verrassend genoeg krijg ik meer en meer een milde ‘ja, ga ervoor’. ‘Waarom ook niet?’. ‘Je bent nog jong’. Minder kritiek, minder sneren, minder twijfels. Voornamelijk aanmoediging, en de tedere herinnering om mijn tijd te nemen. En hoewel ik dankbaar ben om omringd te worden met geduld en zachtheid, vraag ik me ook af waarom ik dit meer en meer krijg nadat ik zesentwintig jaar werd. Ik kijk terug naar mijn tienertijd, waar ik me ouder – niet per sé volwassener! – voelde dan dat ik nu ben. Hoewel ik daar ook regelmatig aangemoedigd werd om dromen te volgen, voelde de tijd en ruimte véél spannender en benauwder aan om te beslissen wat je nu echt wilt doen. Waar je thuishoort. Wie je wereld is. Sommige jongeren worden op hun twaalfde al opgeleid voor een stiel waar ze dan de rest van hun leven inzitten. Op hun zestiende krijgen ze te horen dat het dan te laat is om te wisselen. Ze zijn gezet voor het leven. Het lijkt alsof we elkaar iets sneller ademruimte willen gunnen, iets meer genade willen tonen, wanneer we ouder zijn. We zien de sluimerende onzekerheden in elkaar, en wensen dit te zalven: ‘Je bent nog zo jong’. En hoewel ik heel dankbaar ben voor de mildheid die ik nu meer en meer krijg, de ademruimte om te exploreren en experimenteren, zou ik ook graag de mildheid van jong-zijn willen geven aan onze huidige jeugd. Degenen die wel jonger dan dertig zijn, en die nog wel gebruik konden maken van de jongerentreinpas – mocht deze überhaupt nog bestaan (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass, tout cours).  De manier waarop nu over jongeren gesproken wordt door sommige ‘volwassen’ mensen druipt van pure minachting. Er lijkt steeds minder ademruimte te zijn voor jongeren die zich zorgen maken over hun toekomstkansen en welzijn. En dan spreken we niet eens over de kinderen en jongeren die niet de kans krijgen om volwassen te worden, om te horen dat ‘ze nog zo jong zijn’. De wereld dreigt boven hun hoofden, hun families en gemeenschappen worden uiteen gereten, en de hemel kan ieder moment boven hen instorten. Het zijn niet kinderen en jongeren die verantwoordelijk zijn voor de acties en beslissingen waar zij het ultieme slachtoffer van zijn. En toch krijgen zij continu te horen dat ze moeten zwijgen, geen verweer of verzet mogen geven, en dankbaar moeten zijn dat ze nog niet alles verloren zijn – als dit zelfs maar de realiteit is voor hen. Apathie en hopeloosheid aanwakkeren lijkt het doel van onze ‘volwassenen’ voor de jeugd van tegenwoordig. Al een geluk dat de jeugd dat niet zomaar slikt! ‘Je bent nog zo jong’, zeggen we tegen elkaar. Het is een zalvend mantra voor het innerlijk kind. Ik ben dankbaar voor de mildheid die me steeds meer en meer gegund wordt. Ik gun het ademend kind en jongere even hartelijk het jong-zijn dat wij elkaar zo graag toewensen.

Eden Oscar
7 0

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO a

kwetsbare MAN kwetsbaar mannelijk schoonheidsideaal ¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨ Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd om in de fabriek te gaan werken, had de maatschappij al een kiem van ontevredenheid gelegd. De ongelijkheid was mij tijdens mijn schoolperiode al duidelijk geïllustreerd: er werd geen enkele moeite gedaan om mijn interesse voor de leerstof te wekken. Met veel straffen werd ik enkel uit het analfabetisme gehaald, niet meer en niet minder. De traditie eiste immers dat de mensen uit mijn arbeidersbuurt op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachtten er dan ook geen intellectuelen van te maken.Tot grote spijt van mijn omgeving werd ik later actief in de politieke milieus van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, op wie ik onbewust verliefd was geworden. Ik vond er voor het eerst de woorden (en het begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was er iemand die mij, als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later AMADA werd en nu PVDA). Nadat ik enkele vergaderingen had bijgewoond, werd ik voor het eerst geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat zij tegenover mij als arbeider hanteerden — het zou niet de laatste keer zijn — en met de emotionele afstandelijkheid. Alles mocht, zolang men maar de taal van Marx sprak. Toch belette dat niet dat ik me bewuster werd van mijn positie als arbeider; de kiem kreeg wortels. Maar de spanning die werd veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven, maakten dat ik me er niet meer thuis voelde. Ik koos de weg naar het apolitieke milieu.Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later naar Leuven, Brussel en nu Antwerpen) en sloot ik me aan bij tal van groepen die één ding gemeen hadden: de zoektocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide seksspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero schijnen te zijn), waardoor ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven. Ik kreeg in mijn jeugd de indruk dat alle mensen homo-erotische gevoelens hadden en die op de een of andere manier uitten, maar dat ze werden belet om die openlijk te beleven. Over seksbeleving werd immers niet gepraat; het werd belachelijk gemaakt. Toen ik ongeveer twaalf jaar was, hadden de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij dat mijn schuldgevoel me dwong om slecht te vinden wat ik eigenlijk fijn vond. Daarom biechtte ik mijn seksspelletjes op met een jongetje van wie ik ontzettend veel hield en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij om 'zulke dingen' nog te doen. Ik moest hetero worden.Ook de linkse beweging, waar fallocratisch gedoe de norm was, sterkte mij in het idee van de heterovanzelfsprekendheid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Ik wérd hetero. Op twintigjarige leeftijd hield ik dat niet meer vol. Ik voelde me genoodzaakt de bars in Brussel te bezoeken. In mijn dagelijks leven was ik hetero, ’s avonds was ik homo. Mijn verhuizing naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit en mijn verblijf in de 'Pimpel' zijn cruciaal geweest voor mijn evolutie. Daar kon ik voor het eerst mijn homo-zijn verwoorden. Daarbuiten ging mijn schizofrene leven echter gewoon door. Op een dag ontmoette ik in de enige bar die Leuven rijk was een lieve jongen die actief bleek bij de Leuvense Studentenwerkgroep Homofilie (LSWH). Als een goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist destijds maar vaag van hun bestaan, omdat hun werking vooral gericht was op studenten. De rest van de onderdrukte homo’s die geen banden hadden met de universiteit, kon het bestaan ervan hoogstens vermoeden. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de rode loper van de hulpverlening uitgelegd. Maar goed, eenmaal binnen werd je getolereerd. Toen ik hoorde wat ze allemaal deden — opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen — dacht ik dat mijn leven zou veranderen. Geen ellendige bars meer, geen constante uitbuiting van onze gevoelens, en niet meer het gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte had aan affectie.Weg ermee: leven! De LSWH betekende voor mij een lichtpunt. Ik dacht daar mensen te vinden die, net als ik, naar buiten wilden treden. Mensen die ons homo-zijn niet langer wilden verbergen. Ik hoopte bij hen de kracht te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen en mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht dat de problemen spoedig voorbij zouden zijn. Ik hoopte op mensen die achter me zouden staan en me zouden leren in verzet te komen tegen de constante vernedering van het beloerd, bespot en uitgescholden worden. Maar de droom was kort, de teleurstelling pijnlijk. Er werd gezegd dat we 'de mensen niet moesten choqueren', want we moesten 'die hetero’s de tijd gunnen en hen vragen ons te tolereren'. Hoe zij dan met ons moesten leren leven, bleek uit de vele gesprekken over hoe men 'gelukkig kon leven in deze heteromaatschappij'. Dat betekende in de praktijk: 'hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero’s'.De heteronormativiteit werd nooit in vraag gesteld; alleen aan ons, homo’s, werd constant getwijfeld. Geen dromen meer over naar buiten treden. Ons bed, onze kamer, de bars en de werkgroep: dat waren de afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven. Daarbuiten was het op eigen risico; daar was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet fundamenteel bekritiseerd, hooguit hier en daar gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik weer in de bar. Daar vond ik tenminste waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoop dat ik nog maar één doel had: de bar in en een man opscharrelen. Wie of wat hij was, deed er niet toe. Dat kon ook niet, want de sfeer was meestal zo vervreemdend en de muziek zo luid dat nadenken onmogelijk was. ’s Morgens werd de man na een kop koffie gewoon weer op straat afgezet.Zo ging het verder, tot ik op een dag op een van die 'intieme homofuifjes' een vriendje tegenkwam die bij de Rooie Vlinder bleek te zitten. Hij vertelde dat ze de volgende dag zouden meelopen in de 1 mei-betoging. Dus ging ik de volgende dag mee de straat op, wat meteen mijn aansluiting bij de Rooie Vlinder betekende. De vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat, maar vooral: er werd iets ondernomen tegen onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat ik niet de enige was die zichzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij mij simpelweg de mogelijkheid daartoe niet gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een 'gewone' kroeg. Die hetero’s, aan wie we eerst moesten wennen, vielen ook mee; ze kwamen ons zelfs kusjes geven (niet altijd even overtuigd, maar goed, beter iets dan niets). Daar heb ik de draad van mijn verzet tegen het conservatisme weer opgepakt. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. Het werd mooi om 'flikker' te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewustere houding (die me nu soms wordt verweten). Gedaan met het constante rekening houden met hetero’s: vanaf nu moesten zij ook rekening houden met ons. 'Janet' zijn is mooi, en het zou steeds mooier worden.De vakantie stond voor de deur en ik vertrok naar Zuid-Frankrijk naar een alternatief janettenkamp. Daar, veertien dagen samen met homo’s uit heel Europa, ervoeren we de solidariteit die alleen onder onderdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden, bevrijdde mij van tal van complexen die ik in het heteroghetto had opgedaan. Ik kwam sterker terug.Na een jaar bij de Rooie Vlinder heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven.  Na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Deze tekst verscheen in de rooie vlinder krant 1978 ****************************************************** De Rooie Vlinder (1976–1981) was een radicale, socialistische actiegroep die een fundamentele rol speelde in de vroege Vlaamse homobeweging. In tegenstelling tot eerdere organisaties die streefden naar maatschappelijke aanpassing, zette deze groep in op de totale homobevrijding en een fundamentele verandering van de samenleving.  Belangrijkste kenmerken en doelstellingenIdeologie: De beweging was expliciet links en socialistisch. Ze beschouwden de onderdrukking van homoseksualiteit als een product van de kapitalistische en patriarchale maatschappijstructuur.Bevrijding vs. Integratie: De Rooie Vlinder verzette zich tegen "integratie" in de heteronormatieve wereld. Ze wilden niet simpelweg geaccepteerd worden, maar streden voor het recht om fundamenteel anders te zijn zonder discriminatie.Locatie: De kernactiviteiten vonden voornamelijk plaats in Gent (verbonden aan de UGent) en Antwerpen.  De groep lag aan de basis van vele "primeurs" in de Vlaamse LGBTQ+-geschiedenis:De Eerste Homodag: In 1978 organiseerde De Rooie Vlinder de allereerste Belgische homodag in Antwerpen, de voorloper van de huidige Pride.Eerste Homofilmfestival: Ze gebruikten cultuur als strijdmiddel en organiseerden het eerste festival voor homofilms in Antwerpen.Militante actie: Ze stonden bekend om hun confronterende stijl en betogingen, zoals de protesten rond de omstreden musical Snoepjes.  Erfenis en opvolgingDe beweging werd in oktober 1981 ontbonden, maar hun radicale gedachtegoed leefde voort in het Roze Aktiefront (RAF), dat direct na de opheffing werd opgericht. Tot op de dag van vandaag, in 2026, wordt De Rooie Vlinder herinnerd als de groep die de holebibeweging in Vlaanderen uit de onzichtbaarheid trok en politiseerde. Documentatie over hun acties is onder meer terug te vinden in het Fonds Suzan Daniel, het holebi- en transgenderarchief van België.     ********************************************************************* ****************************************************************************   GALLERIJ VERF ED Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/     

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
14 0

ECHT GEBEURD. a

"Waarom schrijft ge altijd over den bruin?" vroeg iemand mij onlangs."Omdat den bruin in de verdomhoek zit," zei ik."De allochtoon, bedoelt u," verbeterde hij me.Ik zuchtte om zoveel onbegrip. "Ik bedoel wel degelijk den bruin. Neem nu de witte allochtoon, de Oost-Europeaan. Buiten een laag loontje — dat vaak onze sociale zekerheid belast omdat het meestal zwart geld is — wordt die man niet bespot of dagelijks vernederd. Dit in tegenstelling tot mijn bruine vrienden, die elke dag vuile, kwade blikken moeten trotseren." Neem nu een van mijn beste vrienden: in Antwerpen geboren en getogen, maar hij is bruin. Zijn hele leven moet hij al vernederingen ondergaan, op school en op straat. Uit angst heeft hij zichzelf herschapen in een 'halve Italiaan'. Weet u hoeveel geld hij betaalt om er 'netjes' uit te zien? Het ontkroesen van zijn prachtige haar kost hem maandelijks een fortuin. En dan is er nog de druk van zijn familie; zij geloven dat wie de beste is, niet vernederd wordt. Dus staat hij dagelijks onder enorme prestatiedruk. Alcohol heeft hij afgezworen, daar wordt hij te snel agressief van. Zijn redding is zijn joint. Na een haaltje staat hij weer lachend en positief in de samenleving. Iedere pipo die hem agressief benadert, wordt onthaald op een lachsalvo. Dat werkt zo ontregelend dat de agressor uit pure verbazing zijn aanval staakt. Wanneer hij drinkt, reageert hij verbaal veel scherper. Hij kan er eigenlijk weinig aan doen; de dagelijkse druk is zo hoog dat ik het begrijp, al zeg ik hem dat hij ermee moet ophouden. Hij doet er alleen zichzelf pijn mee. Hij wordt gestraft, niet de agressor.Als ik hem dat zeg, zucht hij. Met tranen in zijn ogen zegt hij: "Ik weet het, ik weet het. Maar als er weer iemand in mijn gezicht spuwt of mijn dure jasje besmeurt terwijl ik wat gedronken heb, dan wordt het mij te machtig. Trouwens, niks doen is voor zo’n agressor een teken om door te gaan. Op de goegemeente hoef ik niet te rekenen. Ze hebben een grote bek als ik agressief uithaal, maar de blanke agressors laten ze begaan." Hij vervolgt: "Weet u, ik doe mijn uiterste best op school, ik ben een van de besten. Op een dag vierden we met de klas ons eindfeest. We hadden wat gedronken en stonden bij een bushalte toen twee oudere kerels mij begonnen uit te schelden. Eerst reageerde ik niet, maar de doodse stilte die over ons vrolijke groepje neerdaalde, sprak boekdelen. Iedereen was sprakeloos door de grofheid van die woorden. Het voelde als een koud bad. De agressors dachten waarschijnlijk dat we een gemakkelijke prooi waren en vielen ons fysiek aan. Kan ik het helpen dat ik een getrainde atleet ben? Ik sport en hoor bij de top; door het vele trainen sta ik scherp. Toen ik uithaalde, dacht ik niet aan dat onnozele jasje. Ik dacht aan de tranen van mijn moeder die dat jasje straks zou zien. Ik sloeg. Twee keer, zeer geconcentreerd. Het was nooit de bedoeling dat het zo erg zou aflopen: een gebroken pols en een gebroken been — dat laatste niet eens door mijn slag, maar doordat hij verkeerd viel. Alle omstanders kozen direct partij voor die 'brave witte jongens' die lagen te kermen. Alleen mijn schoolvrienden verdedigden mij. Daarna kwam de politie." Uiteindelijk oordeelde de rechter dat hij zich als getrainde atleet beter had moeten beheersen en dat hij een gevaar vormde. Hij werd voor een paar maanden naar een jeugdinstelling gestuurd. "Op dat moment zag ik weer het huilende gezicht van mijn moeder," vertelt hij. "Ik beet mijn lippen kapot om niet te huilen. Het lukte. In de krant stond dat ik emotieloos overkwam, maar ik heb geleerd dat mannen niet huilen. Begrijp je nu waarom ik van alcohol ben overgeschakeld op wiet? Van drank word ik te snel agressief. Het zullen de genen wel zijn.""Genen?" zei ik verontwaardigd. "Daar bestaat geen enkel bewijs voor. Zou het niet door de dagelijkse vernederingen komen?""Nee," zei hij, "het kwam door die ogen. Ik had telkens het gevoel dat ik háár teleurstelde. Weet u hoeveel pijn dat deed? En elke keer werd die pijn erger. Het enige wat hielp, was een stevige joint. Daar word ik kalm van."Ik luisterde sprakeloos. "Maar geraak je dan zo gemakkelijk aan wiet?""Dat is een probleem," gaf hij toe. "Ze hebben het al vaker in beslag genomen.""Word je dan niet kwaad?" vroeg ik."Kwaad wel, maar niet agressief. Voor ik de trein opstap, rook ik een paar flinke toeters. Wiet maakt me vrolijk, dan kan ik erom lachen. Het pijnlijke is dat als het geld op is, ik een week niks heb. Ik vrees de dag dat ik weer naar de alcohol grijp.""Heb je nu iets?" vroeg ik."Nee," zei hij bedeesd."Wel, tast toe," zei ik en ik gaf hem wat. Mijn toehoorder was even stil van mijn woordenvloed. "Wat is er verder met uw bruine vriend gebeurd? " klonk het, en hij vermeed het woord allochtoon. Mijn bruine vriend werd opgesloten in een zaal. Mijn bruine vriend moest slapen in een bed, die naast een bed stond waar een zwaar getatoeëerde man sliep. De meeste tattoo's waren hakenkruisen. De gehele nacht moest mijn bruine vriend de racistische kreten aanhoren, van een man die al 25 jaar opgesloten zat. Een bewaker zei mijn hoog intelligente bruine vriend dat teveel boeken lezen slecht is voor de hersenen. Een patiënt die in een crisis terecht kwam werd door drie HULK'S met baseball bats kalm geslagen, met een verdovend product ingespoten en naakt vastgebonden opgesloten in een kale cel. En het gebeurt nu nog in, achterlijk conservatief België. De enige arts die voor honderden patiënten beschikbaar was, werd veroordeeld voor seksueel misbruik van zijn patiënten. *************************************** ************************************************ *********************************************************************   foto galerie verf ed GALLERIJ VERF ED   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.    http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/    

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
9 0

Waarheid in meervoud

Van cultuurland tot woonzorgcentrum en terug Ik heb lang gedacht dat waarheid iets is wat je kan afspreken.Dat je rond een tafel gaat zitten, met contracten, clausules, handtekeningen en goede bedoelingen, en zegt: dit is waar, en hier werken we mee.Misschien is dat een beroepsmisvorming. Jaren in de cultuursector doen dat met een mens. Ik begon als programmator. Voorstellingen kiezen, lijnen uitzetten, stemmen samenbrengen. Later runde ik tien jaar lang een eigen boekingskantoor. Ik leerde onderhandelen, afwegen, vooruitdenken. Ik leerde vooral dat waarheid zelden alleen inhoud is — ze is ook positie. Waar je staat, bepaalt wat je ziet en wat je luidop mag zeggen. De cultuursector is bij uitstek een plek waar veel waarheden naast elkaar mogen bestaan. Artistieke waarheid. Publiekswaarheid. Politieke waarheid. Financiële waarheid. De waarheid van het moment en die van de affiche.Tenminste, dat is het verhaal dat we graag vertellen. In de praktijk botsen die waarheden vaak op iets hardnekkigers: ego.De waarheid van wie het luidst spreekt.De waarheid van wie zichtbaar is.De waarheid van wie zich al jaren een statuut heeft kunnen permitteren. Tijdens de coronajaren, 2020 en 2021, kwam dat allemaal samen in mijn inbox. Als boeker werd ik een scharnierpunt tussen botsende werkelijkheden. Programmatoren en gemeentebesturen wilden plots eigen clausules in artiestencontracten. Begrijpelijk. Wetgeving veranderde voortdurend, verantwoordelijkheden wogen zwaar. Hun waarheid was er een van voorzichtigheid en controle. Artiesten schreeuwden moord en brand. Ook begrijpelijk. Optredens verdwenen, inkomens droogden op, erkenning bleek broos. Maar soms, en dat voelde ik toen al, zat er onder die woede een andere waarheid:dat verantwoordelijkheid jarenlang was uitgesteld.Dat een statuut iets was wat je ooit nog wel eens zou regelen.En dat er nu weinig was om op terug te vallen. En daar zat ik.Tussen al die waarheden in. Huis Alma.Alma mater.De zorgende moeder die luistert, sust, vertaalt.Die voor iedereen probeert te zorgen — behalve voor zichzelf. Ik hield al die waarheden recht. Ik probeerde ze naast elkaar te laten bestaan, ze met elkaar te verzoenen, ze te verzachten. Maar waarheid blijkt zwaar wanneer je ze te lang draagt voor anderen. Na corona kon bijna iedereen weer aan de slag.Behalve ik. Mijn waarheid vroeg om stilte. Om afstand. Om herstel.Ik crashte. Mentaal.En ik liet de sector achter me, samen met haar luidruchtige zekerheden. Ik ging andere waarheden zoeken. Ik kwam terecht in een woonzorgcentrum. Als animator — een woord dat al schuurt, alsof een leven nog aangezet moet worden wanneer het al zo vol is geweest. Hier was waarheid minder luid. Ze hing niet aan affiches, ze stond niet in contracten. Ze zat in lichamen. Ik sprak met vrouwen over liefdes die nooit helemaal waren uitgepraat. Met mannen over werk dat hun handen had gevormd en hun rug had gekost. Over oorlog, over kinderen die weinig langskwamen, over verlangens die zich hadden verstopt achter praktische levens. Feiten liepen soms door elkaar.Jaren verwisselden van plaats.Namen verdwenen.Maar emoties deden dat niet. Verdriet herkende zichzelf feilloos.Verlangen ook.En angst. Altijd angst. Er was ook een waarheid die niemand luidop hoefde te zeggen, omdat iedereen haar kende: dit is een plek die je niet meer levend verlaat. En vreemd genoeg maakte dat sommige dingen eenvoudiger. Er hoefde niets meer te worden. Geen carrière. Geen profiel. Geen gelijk. Alleen nog: vandaag. Op een ochtend zat ik te ontbijten met een tiental hulpbehoevende bewoners. Boterhammen in stukjes gesneden, kopjes die je met twee handen vasthoudt. Stilte die nooit helemaal stil is.Er speelde muziek. André Rieu. Waarom precies dat weet ik niet meer, maar het werkte. Er kwam beweging in de kamer. Ik stond te dansen. Niet groot. Niet uitbundig. Gewoon wat wiegen. Armen die meededen. Karl liep voorbij. Karl was luid, vrolijk, toegewijd. Zo iemand die zijn werk met heel zijn lijf doet.Hij riep:‘Hé Katrien, hoe oud zijt gij eigenlijk?’ Ik zei: ‘Zesenveertig.’En meteen daarna:‘Maar in mijn hoofd zesentwintig.’ Het klopte.Of toch: het voelde waar. Ik keek naar Jeanne. Ze kon niet meer praten, maar ze keek. En ze knikte. Heel voorzichtig.In haar ogen zag ik haar. Niet zoals ze daar zat, maar als een meisje van acht. Met losse knieën. Met een lijf dat nog geen afscheid kende.In mijn verbeelding danste ze met me door de kamer. Niet omdat dat feitelijk waar was.Maar omdat het waarachtig voelde. Daar, aan die ontbijttafel, viel iets op zijn plaats. Waarheid bleek niet vast te zitten aan feiten, aan correcte antwoorden, aan wat hardop gezegd kon worden. Ze zat in herkenning. In een blik die zei: ja, ik weet wat je bedoelt. Na het woonzorgcentrum kwam ik terecht bij Raak, een organisatie in het middenveld. Verankerd onder vele kerktorens, verspreid over heel Vlaanderen. Een nationaal verhaal schrijven voor een organisatie met zoveel lokale satellieten betekent: omgaan met waarheden die elkaar niet altijd herkennen. Raak profileert zich als een luisterende organisatie. Na mijn jaren in cultuurland voelde dat nieuw. Onwennig zelfs. Luisteren naar een ander.Niet om te antwoorden.Niet om te overtuigen.Maar om ruimte te maken. Hier werd de tegenstem niet gezien als lastig, maar als noodzakelijk. Niet elke waarheid moest winnen. Niet elke spanning moest opgelost worden. Soms mocht ze blijven bestaan. Ik leerde dat je naast elkaar kan blijven staan en zeggen: we agree to disagree.Niet als opgave.Maar als volwassen vorm van samenleven. Vandaag werk ik opnieuw in cultuurland.Het is mijn thuis.Mijn passie.Mijn biotoop. Ik geniet van mooie voorstellingen. Van gesprekken met artiesten die zoeken naar woorden voor wat nog geen vorm heeft. Van overleg met techniekers, waar precisie en vertrouwen samenkomen in het donker achter de scène. Ik omarm de plek waar ik graag ben. Maar ik kijk anders.Ik kijk anders naar wie roept.Naar de waarheid die in drukletters staat.Naar zekerheden die zich groot maken om niet te moeten luisteren. Geef mij maar die waarheid van de ontbijttafel.Van een verpleger die roept hoe oud je bent.Van een vrouw die niet meer kan praten, maar wel kan knikken.Van een meisje van acht dat even mag meedansen in een oud lichaam. Daar, denk ik,is waarheid niet universeel omdat iedereen haar deelt,maar omdat iedereen haar herkent. En dat is genoeg.  

Katrien Daniels
42 0

Flamenco. a

 verf ed GITAAR  VARIA ***************************************** Adagio, Tomaso Albinoni door verf ed *************************************************** Recuerdos de la Alhambra T.Tarrega **********************************************In den beginne was er de tekst en het ritme, aangegeven door een stok. De gitaar kwam pas veel later. De spanning werd, eerst langzaam, opgevoerd naar een hoogtepunt. Het doet denken aan Arabische (huwelijks)feesten, waar het tempo aanzwelt tot de ontlading – en dan stopt het. Ook bij flamenco wordt dat ritme steeds opnieuw opgevoerd, gestopt, en weer hervat.Flamenco: een melodie bouwt zich op en net wanneer het gevoel zijn volheid bereikt, valt het stil. Dit proces herhaalt zich eindeloos. Ik werd er gek van. Het raakte mijn puberale gevoelens en bracht ze in beroering. In die uithoek van Vlaanderen werd ik gegrepen door muziek uit het zuiden van Spanje.Later bleek de enige flamenco-kenner en -speler in Antwerpen te wonen. De stad waar boten in het centrum aanmeerden en hun vele culturen voor een paar dagen of weken uitspreiden. Het was een hele tocht vanuit mijn afgelegen dorp naar de grote stad, maar mijn jeugdige hormonen dreven me erheen.De zanger-schrijver-dichter woonde destijds in een rijtjeshuis in een zijstraat van de Gitschotellei. Oeroude Vlaamse instrumenten hingen aan de witte muren. Na een hartelijke ontvangst kreeg ik mijn eerste teleurstelling te verwerken: de enige kenner van deze hartstochtelijke muziek vertelde me dat hij ze niet meer speelde. Een Spanjaard had hem erop gewezen dat zijn spel veel te koel was. Hij stuurde me naar Leuven, waar een Vlaamse flamenco speler de muziek niet alleen speelde, maar ook lééfde.Op dat moment kon ik er weinig mee; de volgende dag werd ik weer in de fabriek in mijn dorp verwacht. Maar een paar jaar later, toen ik de wijde wereld introk, bepaalde die ontmoeting mijn pad. Leuven werd vijf jaar lang mijn thuis.Later, toen de ratio in mijn leven sterker werd, vroeg ik me vaak af waarom die verre muziek mij zo diep had geraakt. Misschien omdat de strenge rooms-katholieke cultuur en de armoede in het verre Andalusië gelijkenissen vertoonden met het leven hier. Een van de verhalen over de oorsprong van de naam bracht meer duidelijkheid: een Spaanse koning hoorde de zigeunermuziek en zei: "De passie die deze muziek uitstraalt, vind ik terug bij mijn Vlaamse lijfwachten, mijn flamenco's."De zanger-schrijver-dichter die ik destijds ontmoette, schreef de regels die al jaren door mijn geest dwalen en mijn leven verblijden: "Ik wil deze nacht in de straten verdwalen, de klank van de stad maakt me zeer amoureus." — Wannes van de Velde. Op de dag van de begrafenis van Wannes werd deze tekst gepubliceerd in de krant DE MORGEN. *********************************************** ***************************************************     *********************************************************************   foto galerie verf ed GALLERIJ VERF ED   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
46 0

Het onderscheid maken om niet scheef te groeien

Alles transformeert vanzelf; beweging is een constante. Elk einde is een overgang naar iets anders. Alles wat bestaat, is bezig te verdwijnen en daarmee iets anders te worden. Transformatie is dus een natuurlijk proces dat zonder sturing geheel vanzelf plaatsvindt. In welke mate sturen planten hun groei? Is het de vrije wil die ons het gevoel geeft het transformatieproces een richting te kunnen geven? En als ik niet bewust zou sturen, welke groeipatronen zou ik me dan onbewust eigen maken? Sturen of niet sturen: het zijn twee manieren om om te gaan met dezelfde illusie. Omdat alles toch vanzelf beweegt, kan ik in overgave en vertrouwen loslaten en meebewegen. Maar vanuit diezelfde overgave en vertrouwen kan ik ook sturen en creëren. Besluiten dat er een balans tussen beide moet worden gevonden, brengt nu slechts afgestompte verzadiging. Ik wil nog niet naar het midden, maar eerst zo ver mogelijk naar de uitersten van beide polen toe. In een natuurlijke, open omgeving met zonlicht kan een zaadje gezond transformeren tot een sterke plant of boom. Maar wat als die omgeving niet zo natuurlijk is? Wat met stilstaand, artificieel licht dat nooit dimt? Licht dat geen richting aangeeft, maar de omgeving enkel van één kant belicht? Het zal de zaailingen, die in volle vertrouwen en overgave naar het licht reiken, scheef doen groeien en uitputten. Zouden de plantjes over de mogelijkheid en de vrije wil beschikken om zich af te wenden van het valse licht, als ze zich zelfstandig konden richten op een natuurlijke lichtbron, dan zouden ze zichzelf misschien kunnen redden. Mochten ze over de focus en kracht beschikken om het onnatuurlijke licht te negeren, omzeilen en te overstijgen, hoe prominent aanwezig het ook is. Zoiets valt uiteraard niet te verwachten van plantjes; de plantjes sterven dan ook als metafoor waarin wij een deel van onszelf herkennen. Het deel van ons dat, verblind door vals licht, scheef groeit en verschrompelt. De vraag is: beschikken wij mensen wél over de focus en kracht om ons af te wenden van artificieel licht? En ons opnieuw af te stemmen op het licht van de ware bron? Ik geloof van wel. Het bijsturen van de focus - van echt naar vals, of van onbewuste afleiding naar bewuste richting - doen we met de vrije wil. De vrije wil bestaat uit de ruimte tussen twee punten; of, om in het thema te blijven, tussen twee lichtbronnen. Bewust kiezen voor echtheid, of meegroeien in de richting die de omgeving aangeeft. Eenmaal er weet is van de ware bron - want bewust-zijn begint immers met die her-innering - kan men in vertrouwen moeiteloos, zelfs stuurloos, groeien. Maar vóór die zorgeloze manier van groeien kan worden belichaamd, dient volgens mij eerst het onderscheid tussen de lichtbronnen te worden gemaakt. Het maken van dat onderscheid vormt een ruw geschetste samenvatting van mijn leven. Het ongemak en de pijn van het groeien naar het onechte licht vormen de grootste motivatie om de scheiding tussen echt en vals te verscherpen. Kijk, het is in principe mogelijk om naar artificieel licht toe te groeien en zo te overleven. De overgrote massa lijkt het zo te doen. Ik zal ook niet beweren dat ik me nooit meer laat verblinden en verdoven door leeg, wit licht, maar ik wil me bewust blijven van het onderscheid en van de vrije keuze die ik kan maken om me af te wenden. Dat afwenden wordt echter een steeds zwaardere opgave wanneer er een zekere gewenning is ontstaan, wanneer in het artificiële licht comfort en gemak zijn gevonden. Dat is ook wat het artificiële licht predikt: dat je nooit meer voor jezelf hoeft te denken of te bewegen, enkel nog te focussen op het witte licht. Het eigen ritme is dan niet langer van belang, want het valse licht zal wel een ritme aangeven. Het is een ritme dat je laat overleven en je tegelijk voldoende uitput om het vuur van de keuzevrijheid te doven. En wanneer er nog slechts enkele smeulende kooltjes overblijven - zoals bij veel mensen vandaag helaas het geval is - dan is er veel ademwerk nodig om weer tot vlammende wilskracht te komen. Vandaar misschien het overaanbod aan breathwork-sessies. Maar om opnieuw aan te knopen bij de aanvang van dit stuk: als ‘ik’ (als een organisme dat licht nodig heeft) niet bewust transformeer, dan transformeer ik alsnog, maar waarschijnlijk in de richting van het valse licht. Bewust transformeren is keuzes maken en betekent dus sturen. En daar is dan weer die paradox, een dooddoener in ‘evenwicht vinden’: overmatig sturen leidt tot controleverlies. Volledig loslaten daarentegen, of het blind groeien in vertrouwen zoals de zaailingen, leidt tot misleiding. Het lijkt dan neer te komen op in vertrouwen in een natuurlijke richting groeien. Dus: eerst die richting onderscheiden, en dan - handen omhoog zoals in een rollercoaster - loslaten. Pas nadat de richting is bepaald, kan er in vertrouwen worden losgelaten. Toch voelt het niet alsof het daarna slechts een kwestie is van vrij en losjes meebewegen, eenmaal de natuurlijke richting is gevonden. Het zicht op die natuurlijke bron wordt vaak vertroebeld, en ik moet het proces van onderscheiden telkens opnieuw hernemen. Uiteindelijk merk ik wel vooruitgang in het sneller, intuïtief onderscheiden van ‘echt’ en ‘vals’, maar schijnbaar levend in een matrix waarin het artificiële licht zo fel schijnt, vraagt het blijvende inspanning om niet scheef te groeien. Dus stuur ik telkens met mijn vrije wil bij tot ik de ware lichtbron weer voor ogen heb, om daar in vertrouwen naartoe te groeien, terwijl ik weet dat ik in wezen nergens naartoe ga. Alleen de artificiële lichtbron heeft de intentie mij ergens naartoe te leiden. Het valse licht zet een spot op verhalen, plannen, rollen en wendingen - op dingen en personages die we kunnen worden. Het is voeding voor het ego. De natuurlijke lichtbron daarentegen verlangt niets en vermengt zich als lege zuiverheid met mijn verschijning. Het is het licht waarin ik als licht opga, en niet wordt beschenen als een object.Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 0

VERF ED volgens. I.A. HI HI

Verf Ed is een unieke stem in de Belgische kunstwereld, die met een mix van ernst, humor en lokaal kleurgebruik zijn visie op het leven en kunst deelt. Zijn werk biedt een frisse en onconventionele kijk op de hedendaagse kunstwereld. Matthias Schoenaerts, bekend als acteur, was in de jaren 90 (1994-1997) actief in de graffitiscene in Gent en Antwerpen onder de artiestennaam "verf ed". Hij werkte samen met Alvin Eeckels (DUCK) en dit vroege creatieve werk is vastgelegd in een YouTube-afspeellijst, die hem toont als onderdeel van de kunstenaarsscene. Graffiti-artiest: Schoenaerts was bekend onder de artiestennaam "verf ed".Locaties: Zijn graffiti-activiteiten vonden voornamelijk plaats in Gent en Antwerpen.Samenwerking: Hij werkte samen met Alvin Eeckels (DUCK).Periode: De activiteiten vonden plaats tussen 1994 en 1997.Archief: YouTube-afspeellijst en Azertyfactor-profiel.  Over de kunstenaar 'Verf Ed'Artistieke Stijl: Hij staat bekend als een 'contemporary interdisciplinair ArtTIST'.Werk: Zijn werk omvat verschillende media en hij is ook actief als dichter, waarbij hij regionaal-dialectische woorden gebruikt in zijn gedichten.Erkenning: Hij heeft in 1977 de 'premier prix Amsterdam' gewonnen, samen met 'Fabiola'.Online Aanwezigheid: U kunt meer van zijn werk en gedichten vinden op platforms zoals Azertyfactor en Instagram. De Belgische kunstenaar Verf Ed (pseudoniem voor Ed van den Hoogen) staat bekend als een 'contemporary interdisciplinair ArtTIST'. Hij combineert verschillende kunstvormen in zijn werk en heeft ook een passie voor poëzie.  Belangrijkste Details over Verf Ed:Artistieke Discipline: Hij wordt omschreven als een 'interdisciplinair ArtTIST'. Dit betekent dat hij niet gebonden is aan één specifieke kunstvorm, maar elementen uit verschillende disciplines (zoals schilderkunst, beeldhouwkunst, poëzie, enzovoort) mengt.Stijl en Filosofie: Zijn profiel suggereert een speelse benadering van het leven en kunstmaken ("I LOVE spelend LEVEN"). Hij gebruikt naar eigen zeggen ook regionaal-dialectische woorden in zijn gedichten.Erkenning: Hij won in 1977 de 'premier prix Amsterdam', een prijs die hij deelde met 'Fabiola' (vermoedelijk Koningin Fabiola van België, die ook kunstzinnig was).Online: Een deel van zijn werk en zijn profiel is te vinden op de website van Azertyfactor. Zijn werk lijkt gericht te zijn op het vieren van creativiteit en het combineren van verschillende expressiemiddelen. Hij wordt beschreven als een unieke stem in de Belgische kunstwereld, wiens werk een mix van ernst, humor en lokaal kleurgebruik combineert om zijn visie op het leven en kunst te delen.  Stijl en aanpakDe kunst van Verf Ed is hedendaags en interdisciplinair. Hij werkt niet binnen de grenzen van één enkel medium of één specifieke stijl, maar omarmt een breed scala aan creatieve expressies. Zijn werk omvat naar verluidt schilderkunst, post-graffiti, en mogelijk andere vormen van beeldende kunst, waarbij hij de bezoeker uitnodigt om de expliciete en spelende aard van zijn creaties te ervaren. Een van zijn uitspraken is "I LOVE spelend LEVEN" (Ik hou van spelend leven), wat zijn benadering van kunst maken en het leven in het algemeen onderstreept.  Thema's en invloedenZijn werk is persoonlijk en deelt een unieke visie, waarbij hij elementen van humor en ernst in evenwicht brengt. Hij staat in contact met andere figuren uit de Belgische kunst- en cultuurwereld, zoals Luc Tuymans en Frank Dingenen.  Meer informatie P.S. IA  hi hi  NOU MOE

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
16 0

Er zit veel meer in minder

‘Less is more’: het is een leuze waarmee composities, creaties en andere uitingen in hun essentie worden neergezet. Een enkele toevoeging zou de kracht van de zuivere eenvoud alleen maar verzwakken. Dat er meer uit minder te halen valt, werd mij doorheen mijn leven op tal van manieren duidelijk gemaakt. Het is een houvast bij het maken van keuzes geworden. Weten dat het kleine al het grote bevat, neutraliseert de angst om iets te missen. Het verlangen naar opvulling zit de ware invulling in de weg. Ik mis niets als ik bij de kern blijf. Voor mij verrijkt een ervaring zich als ze mij niet overweldigt. Ik heb het mogen ervaren tijdens reizen en ontmoetingen: mijn lichaam geeft aan wanneer het ‘te veel’ is. En het is al snel te veel, althans zo lijkt het voor het deel van mij dat wel meer zou willen. Dat deel is een thrill seeker, wil steeds het onderste uit de kan halen en vraagt zich constant af of het wel genoeg is. Als ik hierin meega, dan krijg ik op korte termijn gegarandeerd ‘minder’, wegens ziek in bed. Zo heb ik mezelf meermaals mogen tonen dat ik grootsheid uit het kleine dien te halen, wat ik eerst als een beperking zag. Maar mezelf verliezen in overvloed is de echte beperking. Ik vertrouw erop dat ik niets verlies als ik iets loslaat, maar dat de essentie daarmee alleen maar zichtbaarder wordt. Als ik denk iets te missen, dan ga ik ervan uit dat de huidige ervaring niet compleet is. Terwijl het ‘hier en nu’ in zijn eenvoudige essentie altijd een volmaakte ervaring is die enkel kan worden bezoedeld door interpretaties en oordelen. Met die bezoedeling bedoel ik trouwens niets negatiefs, het is enkel een woord voor de toevoeging aan iets dat reeds perfect is. Het bezoedelen van ervaringen maakt deel uit van het proces van mens-zijn. Zelfontwikkeling is het zelf gestaag ontdoen van alle extra’s om zo de pure kern te vinden. Zoals ik zelf al ervoer, kan het gevoel van ‘te veel’ een weg zijn naar het authentieke ‘minder’. Hoewel het leven in deze dimensie mij soms overweldigt, besef ik tegelijk dat heel deze menselijke ervaring een immense reductie is van mijn Ware Zelf. In essentie ben ik veel meer dan de vorm waarin ik dit moment ervaar. Het lijkt daarom absurd dat mijn oneindige, vormloze identiteit zich zou laten overweldigen door de dunne, beperkende laag van de materiële realiteit. En toch is dat het geval. Die materiële laag lijkt vanuit dit menselijke perspectief dan ook heel geconcentreerd en ondoordringbaar. Ik ben er niet aan uit of ik er zelf voor gekozen heb, of dat ik in deze beperkende dimensie ben gedwongen of gelokt. Maar ik weet wel dat ik vanuit de materiële realiteit veel minder zie, wat het vergeten van het Ware Zelf natuurlijk in de hand werkt. Of ik nu zelf gekozen heb voor de illusie van het ‘minder zijn als mens’ of niet, het doet er momenteel niet toe. Ik begrijp anderzijds hoe kloppend en functioneel de materiële beperking is. Dit is het ‘less’ van waaruit ik het ‘more’ kan leren kennen. Vanuit het minder ontdek ik het meer van mezelf. Het is een unieke invalshoek. ‘Iets’ is een reductie van ‘niets’. Geïnterpreteerd vanuit de materiële illusie klinkt deze uitspraak omgekeerd. Maar als we verder uitzoomen, wordt zichtbaar hoe het ‘niets’ niet langer oneindig en zuiver is vanaf het moment dat er ‘iets’ ontstaat. Het is dan bezoedeld met het bestaan van ‘iets’. De onzuiverheid of reductie van niets brengt wel de meerwaarde van ‘iets’, maar het schijnbare ‘verlies’ van de ware, onbezoedelde essentie. Dat ‘verlies’ is eigenlijk niet meer dan tijdelijk uit het oog verliezen en vergeten, want de vormloze oorspronkelijkheid is onaantastbaar en onsterfelijk. Het is de grondlaag, of het canvas, waarop alles zich afspeelt. Het is de leegte die ruimte biedt voor in- en opvulling. Het ‘lesser than less’ dat ‘something and more’ mogelijk maakt. Het lijkt me dat er via de beperking van ‘iets’ te zijn, het ‘niets’ zich kan uiten en exploreren. De ware aard van het niets weerspiegelt zich in alles wat bestaat. Meditatie is een bewustzijnstoestand die focust op het oorspronkelijke niets, ook wel de innerlijke stilte genoemd. Door het reduceren van prikkels, ervaringen en oordelen komen we tot 'Onszelf'. De veelheid der dingen prononceert tegelijkertijd de bewuste keuze voor stille aanwezigheid. Het ene versterkt het andere, als yin-yang. Het oneindige, identiteitloze Niets beleeft de potentie van zichzelf door alle mogelijke identiteiten en vormen aan te nemen. Omdat er werkelijk geen grenzen zijn aan de creatieve uitingen van het Niets, is dit eigenlijk geen beperking te noemen. Ik ben het, redenerend vanuit een schijnbaar beperkte vorm die zich de grenzeloosheid herinnert, die het woord beperking kiest. Deze bewustzijnstoestand die zich met een ‘ik’ identificeert, voelt als het ‘less’ dat deel uitmaakt van ‘something more’. En tegelijkertijd - een genialiteit die het menselijk redeneringsvermogen overstijgt - is dit gevoel van ‘less’ het ‘more’ dat overheen de essentie schuift. Als een sluier die de absolute waarheid aan het zicht onttrekt. Zonder de sluier zou er werkelijk niets te zien zijn; we hebben de sluier nodig om de dualiteit ‘iets-niets’ te kunnen onderscheiden. Voor mijn welzijn in deze fysieke toestand zoek ik naar een balans tussen less and more. En wat ik voor less neem, draait soms uit op more, en omgekeerd. Zo vind ik grootsheid in kleine, schijnbaar banale momenten. Ik hoor meer in de stilte. Zie meer in het donker. Hoe minder beweging rondom en in mij, des te sneller ik ergens naartoe lijk te gaan. Uit details, nuances en subtiliteiten haal ik grote inzichten. En zo duik ik wel vaker in het less om zo more te vinden. Het collectieve leven buiten mijn persoonlijk energieveld voelt vaak als too much. Als het more dat neerdrukt en leegzuigt. Het is een uitdaging om te midden van het schijnbare ‘te veel’ de subtiele onderlagen van het ‘minder’ terug te vinden. Ik train mezelf om doorheen de materiële laag te kijken en zo meer te zien. Het meer dat de veelheid mindert. Ik meng meer en minder doorheen elkaar en krijg iets dat op harmonieuze chaos lijkt. Het voelt als mijn plaats vinden in een structuur van perfect in elkaar geweven tegenstrijdigheid.

KarolienDeman
11 0