Zoeken

Blaf

De gewelddadigheid van het bestaan overvalt de teerhuidige reeds bij het ontwaken. Slapen heeft het voordeel dat die in zijn bewustzijnsverandering immuun is voor de terreur van het lawaai. Maar het geblaf en het gehuil van de aanfluiting voor een wolf dringt grensoverschrijdend hun oor binnen. Maar is het een daad van geweld? Is er een verschil met de nachtegaal die instinctief een lied baart? Die is de deur nog niet uit of de slijpmachine bijt zich vast in hun weke zenuwen. Zou een lobotomie helpen tegen hun misofonie? Toch wil die niet doof zijn. Ooit is er een dag dat die de zeurende autostrade eens niet zal horen door een nieuwe pandemie, en dan wil die naar de stilte luisteren. Afwezigheid van menselijk geluid is hun ijdele hoop. Kraaide de haan al voor die gedomesticeerd werd? De hond is een biologisch wapen, een ontaard wild dier, misbruikt voor ons gemak. Het blaffen een daad van passieve agressie als de vlooienmagneet het bezit bewaakt of prooi opjaagt. Van jacht- en waakhond naar gezelschapsdier is een kleine stap, maar geef hen de oeros, als die maar niet loeit. Die droomde van zuiverheid en was blind voor hun eigen gewelddadigheid. Vlees eten zou moeten beperkt worden tot van nature gestorven dieren, van ouderdom, van ziekte. Overhoop gemaaide egels maakte hen pisnijdig. Op een dag zou die werk maken van de Cosmopolitan Donkey, want ook balken vond die een misplaatste grap, een aberratie. Die miste de corona-lockdown, de dolfijnen in de Venetiaanse lagune, de zichtbare bodem, de zuivere lucht. Op een nacht met avondklok kwam uit het niets een wezen uit het ghetto van bomen. Te klein voor een vos, te gedrongen voor een kat. En vervolgens een tweede. Steenmarters, twee bruute mannetjes, begonnen te vechten voor zaadlozing en terrein. In elkaar gevlochten worstelden ze over het verlaten asfalt. Alstublieft, stop met elkaar de pik en de testikels af te bijten. Geef jullie over aan al de kabels van die salariswagens, vergrijp je aan de decadentie. Een pick-up met LNG-tank reed hen bijna van hun sokken. Zelfs op het zebrapad ben je je leven niet zeker. Die schudde met hun kontje, de hartslag schakelt een versnelling hoger om het in auto-mechanisch jargon te formuleren. Als binnenkort de eeuwenoude eiken moeten sneuvelen voor de overbodige keerlus, zal die zich vastketenen aan de bomen. Wanneer ben je een groene fascist? Als je meer geeft om de laatste blauwe vinvis dan om een verdronken zeemeerminnetje op de vlucht voor oorlog en honger? Die was woke en ijverde voor totale dekolonisatie, maar was ook ooit gedwongen opgenomen nadat die zich volledig ontkleed had in de winkelstraat. Red de schaamluis had die geschreven op hun naakte huid. Ik ben een harige symbiose van triljoenen cellen, hoe ouder de bultrug hoe meer zeepokken. Ik ben weerloos, alle teken en bloedzuigers mogen gedijen op mijn grenzeloosheid, tot ik wormstekig verga en opga in stuifzwammen en judasoren. Die zag hun stad voor wat ze werkelijk was: een reïncarnatie van Babylon, maar in plaats van sodomie was er de hersenspoeling van verdienste en een gehaaid verbod op openlijke jaloezie, terwijl de eendimensionale hebzucht alles dreef. De legale vastgoedmaffia en bouwterroristen waren de ware leiders van hun leefomgeving. Met overfokte pitbull terriërs bewaken ze hun bezit dat ze zonder scrupules en met meedogenloos geweld gecumuleerd hebben, niet wetende dat de wolvinnen terug zijn. De kinderen verstoten door de narcistische psychopaten omwille van hun zachtheid zullen zij zogen. Het geblaf, geboor en gehuichel wordt overstemd door hun gehuil. De hemelse vrede is altijd ondermaans geweest. Enkel de vergankelijkheid is eeuwig. Wolvinnen zogen de stichters van de nieuwe stad. Geweldig. Tjens Couter - Walking the dog (1978)

Kameraad 60
41 2

Bizar 300 woordenverhaal

Wat een gefriemel. Ik was duidelijk niet alleen op de plant waar het ene eitje na het andere uitkwam. Ik wilde niet meteen door een vogel verorberd worden en haastte mij naar de onderkant van het blad waar ik aan mijn spinselwerk begon om mijn buikje vol te vreten. Nu is de tijd rijp om mij te verpoppen en van gedaante te verwisselen. Het kleine harige rupsje wordt straks een prachtige distelvlinder. Net als mijn moeder zal ik fier zijn op mijn oranje vleugels met zwarte vlekken. Ik merk hoe een soortgenoot naast mij zich heeft ontpopt en kijk aan tegen de bruin met witte lijntjes in het fijne vakjespatroon van zijn machtige vleugels met ronde oogvlekken. Dan barst ik uit mijn cocon, maar hemel! Dat zijn geen vleugels maar twee uitpuilende schouderbladen. Waar fijne pootjes horen te zitten, zie ik twee armen en benen.  Alleen de kleur van mijn haren herinnert mij aan de bruinoranje vleugelkleur van mijn soortgenoten. Soortgenoten? Tot welke soort behoor ik nu? Ben ik nu ontpopt, neen ontaard tot een mens? Zal ik nu nooit kunnen vliegen? Is de kleurenpracht van de vlinder voortaan nog enkel zichtbaar in de iris van mijn ogen? Of moet ik mij voortaan kleden in de tinten van de regenboog om mijn verloren glans te evenaren? Waar moet ik als mens naar op zoek gaan om schoonheid te vinden in mezelf en in de medemens?Zou het volstaan om naar vlinders te kijken, die zich laten meevoeren door de luchtstromingen op aarde en neerstrijken waar ze  kunnen aarden en welkom zijn? Kan ik leven zonder een vlinder te zijn of wil ik kunnen wegvliegen van de pijn? Dan hoor ik het oude liedje van Boudewijn de Groot. Hij zingt: om te leven hoef ik echt geen vlinder meer te zijn.  

Vic de Bourg
9 1

De nageling

Een woning ergens te velde. Deurbel 23. “Veel jongens slabakken. Het zijn geen goeie onderdanen,” brak Wiene koddig bij haar neven aan, “Toch niet die jongens van school. Veel liever ben ik bij jullie dan op die dwaze school.” Ze was nog maar net het warme, vertroostende huis binnengewaaid. Ze woei met woorden thuis binnen en struikelde, op de deurmat, potverdomme, over twee-drie zeven-acht opgepoetste Airjordans, het sportschoenmerk van Hermes. De neven, zoals vaak, glimlachten om haar. Wreven haar de voetjes schoon met tere vaste handeling. Kusten haar het haar en zetten haar een kroon op, die klaarlag in de nevenkast. Allevier knielden ze voor haar en zoenden haar het handje. Het beroerde haar. Het ontroerde haar in de hoedanigheid van prinses, maar ook gewoon als mens, werd ze gewaar, om warmbloedig aanbeden te worden door vier woeste moedige krijgers, die er bij wijlen aan dachten om plechtig te herbevestigen de trouw die ze haar bij de Geboring hadden gezworen. Toch voelde ze hun overmacht, kreeg ze hen vaak niet om de vingers gewonden zoals ze dat gewild zou hebben. Hun trouw aan haar bestond maar omdat zij haar die schonken, deze vier jongens, niet uit slaafsheid of behekstheid, maar simpelweg uit liefde. Vrijwel de enige liefde waar ze vrij zuiver over Liefde zou uit leren. Een wolk van schijnbaar onvoorwaardelijke liefde kwam van de Vier en Mama afgerold en vlij als een warme dekmantel over haar heen. Vier dravende ruiters, leken ze wel, die de ochtendgloed meebrachten. DAt zijn ridders, vond ze. De scharlaken brigade. De rode ridders van haar hart. --- Niet het ergerlijkst aan de schooljongens van vroeger waren hun weke smoezen geweest, de nonchalante houding, het schenden van alle etiquette, het buffelen van vetzakkerij, het scharten aan dat klerekruis of altijd maar dat speelgedoe. Het ergste, het choquerendste, gebeurde voor het eerst toen ze nog steeds prinses was maar de lat terwijl naar boven toe verschoven had, de meetlat dan in jongenstaal. Jongens meten zich graag wekelijks, zag ze, met de rug tegen een bleekversleten deur, waarop ze met rode stift een streep trekken die toont hoe flink gegroeid ze zijn. Rond die tijd ongeveer, in een bevallige outfit die zorgvuldig was samengesteld, begon Wiene te lanterfanten in de buurt van vuile deuren. --- Belachelijk, vond ze, tellen met centimeters. Groeien moet je in je hoofd doen en per eenheid van grootheid. In slúwheid moet je groeien, tiens. Exile, silence & cunning zou ze later van hem leren, de ergerlijkste, de liefste, haar ondergang als ze niet oplet.  Het ergste, het choquerendste gebeurde toen de verse nieuwe jongens, die ze leerde kennen bij een deur, buiten om haar vochten. Uit de verte klonk een dof geronk, de jongens keken om. Ze vergaten Wiene even. Er naderde iets dat ze bOven haar verkozen om te bewonderen, om lief te hebben. Een haan kraaide vanuit de struiken. Alweer. Verduveld schijtebeest. En boomtakken wierpen een gekruiste schaduw over haar neer. Perplex stond ze, uit de lucht geplukt en in de aarde neergenageld. Elk geloof trok weg uit haar. "Hij heeft m-mij verlaten, de Heer, Azathoth, de Alvader.." stamelde ze. "Ik ben weer niet dan van de Aarde." --- Ze zou het nooit meer vergeten, dat moment, te meer daar er publiek aanwezig was: het verlepte ouderkoppel Olm dat langsliep met de hond, en gniffelde, ook de hond deed mee, dat meende ze duidelijk te zien, daar waar zij beschaamd te staan stond als een pruilende, ontkroonde wanhoopsprinses.  Sinds die dag verbood ze haar moeder nog voor te lezen uit de kinderbijbel van Andersen, bang om herinnerd te worden aan die ene episode, beducht voor de kille rilling die haar telkens bekroop wanneer ze hoorde vertellen over dat belachelijk ijdel keizertje, die kleine blaaskaak, die blootstond aan een honend gniffelend publiek met grijnzende rottige hondjes. Wienes moeder, Abanja, houdt van nederigheidsverhalen. Modest, heet haar hondje. --- Niet omdat er een bom op bakkerij Carolus viel, zag Wiene, staakten de riddertjes hun slaafse meelijwekkende vechtlustige aandacht voor haar. Nee. Ze verslapten, de jongens, omdat er een grote blinkende vrachtwagen passeerde. Een ordinaire strontvrachtwagen! Er stond DUVEL op in 't gRood. Witte camion, een bruine, een paarse. “Boeie,” dacht ze achteraf, wat er nu speciaal aan was: die camions zijn alle evenzo grijs, en voor de rest stinkende meurende schijtmachines. Niks gaf ze om voertuigen. Steek allemaal maar in brand! De Audi waar ze nu in rijdt krijgt best veel te verduren.    

Lucien Haentjens
395 4

Suisse

Het heeft Wiene altijd al ge-ergerd. Het heeft haar altijd geënerveerd, vroeger eerst als meisje, dat de koene wilde jongens die aldoor rond haar rokken vochten, de plooirokjes en tutu’s die ze droeg, onder slechts een paar van haar gebaren al veranderden in een gehoorzaam sliertje ringkussers dat ze elastisch rond de vinger wond.  Het was een toverkracht die zij niet wou, en die ze niet bedwingen kon, want telkens het gebeurde deed ze helemaal niks bijzonders. Handenwassen met een koersbidon vol wijwater, weggeschoept uit de Onzelievevrouwenkerk, het volstond kennelijk niet om toverkrachten af te spoelen, en haar blonde kopje stiekem in de doopfontein douwen bleek evenzeer iets vruchteloos. Die slappe wakke jongens raakten helemaal rond haar verstrengeld en aan haar verknoopt, nog voor zij enige echte moeite op hen maar kon oefenen! De kans niet, kreeg ze. Kon zo niet langer, wou ze. “Ik wil meer meemaken,” dacht ze. Ze wou mannen in de ban slaan, beheksen. Ze was altijd al een willer, zij, dat zeker. Een willige, zegt men rond Kerelbeke. Het werd als jonge vrouw een van Wienes wensdromen dat er later een feliciterend adjectief naar haar gestijld zou worden: “een wienige dag vandaag” bijvoorbeeld, wat zou willen zeggen: een prachtige frisse dag, of “wow welk wienig kleedje!”, een jurkje wil dat zeggen waar alle vrouwen jaloers van zijn, of nog: “een wienige zin”, een zin namelijk die zo uitstekend in mekaar steekt van de leugens en galanterie dat je er alles mee bereikt en iedereen bedondert. --- Dromen lukt Wiene als de betere, liegen gaat haar zeer goed af, maar een doel te stellen is wel haar grootste talent. Haar eerste echte doel in ’t leven is geweest om jongens bij de les te krijgen. Manieren leren er vanzelf maar weinig, had ze afgeleid van televisie. De etiquetteprogramma’s waar Meeke soms naar keek, zelfs de Heilige Eucharistie, de sacrale toneelzaal waar toch enigszins vergelijkbare ingetogen voorschriften golden, er werd door jongens op de speelplaats nooit eens over nagepraat. Wiene wou ’t graag anders. Ze had zin om zich door jongens hOffelijk te laten bejegenen, galant zoals men zegt. “Tutut,” zei ze tegen de vriendjes op school, “Zal ik vandaag misschien eerst de klas betreden, terwijl gij de deur wijd openhoudt? Gaan we dat twee-drie keer oefenen? Dan krijgt ge misschien een zoentje..” De pummeltjes, ze deden het allemaal. Toch vergaten ze ’t soms of kleurden elders uit de lijnen. ‘t Begon haar bovendien op te vallen dat veel van die snotterige etters lastig tot de vervulling van hun beloftes kwamen. De belofte om de volgende week een gouden oorbelletje voor haar mee te brengen, bijvoorbeeld, of een speld met fonkelende steentjes, ter decoratie van de strooien engelenhaartooi. Maar het kon nog erger. Op een dag vroeg ze een jongen om voor haar bij de bakker een Lange Suisse te halen. Twee boterkoeken later kwam hij terug, de kruimels nog op zijn trui. Suisse vergeten! "Lomperik!" ontplofte ze, "Boertigaard! Halve schoenzool! Een teleurstelling zijn jongens. Trouweloos." Hoe fatsoenloos en beschamend vond ze, gebrek toch aan respect, zo voelde het stérk aan, om een prinses iets te beloven onder de schone schijn van ridderschap, en het een boterkoek later lompweg te vergeten zijn. "Belzebub!"    

Lucien Haentjens
202 4

Het morsende melkwoud

«Het melkwoud van een jonge hond» Opgedragen aan Katleen, Helen & Laïs ֎   Onder het melkwegwoud van haar Hubble-beeldprojector kan de slaapkamer van Wiene in andere nachten een ruimteschip worden, een vehikel van verbeelding, een ruimterups, een reisbus richting nergens. Reizen richting nergens, daar scheept ze vaak op in, de melkwegastronaute. Speeskroezen, ze heeft er zelfs een woord voor bedacht, voor het vele reizen ’s nachts. Spacecruisen in feite. “Het gigantische universum,” giechelt ze soms, “Is een gigagiga-uitvergroting van mijn eigen kop! Rotkop. Pukkelkop. Blondekop. Boemmm.” Kola had Wiene geholpen de sterrenprojector uit het doosje halen en aan te sluiten, het ging maar om een kabeltje. Niks om het geduld bij te verliezen. Toch had ze de driftige Wiene moeten gebieden om het jachtmes neer te leggen waarmee die de verpakking te lijf wou. “Dat kakplastiek altijd!” had Wiene gekeft. Maar Kola heeft wel vaker een kalmerend, temperend effect op haar nicht. Ko’tje vindt van Wiene dat de zenuwen dikwijls veel te strak staan aangespannen.  “Nergens voor nodig,” sust Kola dan, “We lopen hier toch maar niks te doen. We lopen gewoon ons leven uit te zitten. Het enige wat gebeurt is dat we 'n paar keer moeten wisselen van krakkemikkige vorte kruk.” "Troon," verbetert Wiene. De glorieuze Hubble-hemeltaferelen zijn projecties van een kinderlijke rêverie die ze koestert in het donker. Thuis laat ze de sterrensluiers elke nacht verschijnen op de vlakte van een kraaknet wit plafond, schuinboven het hemelbed, een gezegend erfstuk van haar grootmoeder -het enige. Verscheidene heelalplaatjes kwamen bijgeleverd met het dia-apparaatje op de nachttafel, wel een stuk of twintig plaatjes, alle nogal flou. Maar ze heeft, Wiene, zoals in alles, maar twee-drie favorieten gevonden. --- “Mijn neef,” denkt ze voorvoelend, ze denkt hem zelden bij de voornaam, een naam die zelden voorkomt, “Mijn kozijn is nog niet ver gegaan, te weten van dat Boek. Hij weet nog bijna niets. Dat boek kan veel kapotslaan. Wil hij het wel weten? Hij heeft het mij beloofd. Moét dat willen weten. Hij zal mij toch alleen niet laten?" Ze strijkt met de vingers over het onsterfelijke hart dat tussen twee bleke pronte borstjes rust. Het geneest. Ze herneemt: "Wacht maar: ’t zal verrevan een goeie worden, die verse dag van hem. Daar zal ik voor zorgen, voor de zoveelste keer. Maar hij vergeeft het wel. Hij moet.” De knop gaat om. In de chique dure stadswinkel, herinnert ze zich, lag er granola voorbereid met appeltjes. Geroosterde nootjes, had ze verder gezien, droge bessen, Medjouldadels, gedroogde vruchten, Goji-bessen, amandelbrokjes, en al van die gezonde kleine pitten.. "die samenverzameld Pitten heten." "Zaden en pulp en pitten die apert bekendstaan tegenwoordig," gniffelt Wiene, "Bij al die aardse hippe moestuinvrouwtjes die mij met een bakfiets pogen de baan afrijden. Schijthipsters alom." Aan camionfietsbakken, dieselbrommerkes en reisvaliezen heeft ze evenzo de hekel als aan hipsters. Poseurs, vindt ze. Geef haar nu eens ongelijk? Wiene joepert fluks uit bed, schikt haar peignoir, tippelt naar de keuken, prutst haar broekje vantussen de billen. “Kakstof!” kat ze luidop tegen zichzelf. En vervolgt: “Tijd toch voor een nieuwke, ze. ‘t Begint op uw systeem te werken van almaar tussen uw gat te friemelen, hé Wickie? Ja dat ís gewoon. Maar wie verkoopt er zulk een kakstof toch? We zullen vandeweek bij Hunkermöller kijken voor zo’n broekske. Ge kunt zien dat ge ’t eerst aanpast. Of misschien keer een deftige pyjama kopen, Wiene? We zal mama vragen mee te gaan. Zij weet veel van stof af.” Geen granola in huis, wist ze. Ze graait naar een selder, breekt een stronkje af, flikkert de rest terug de koelkast in. Stukje selder, mosterd bij en zilveruitjes, ook soms een augurk. “Snoepkes van de natuur,” smekt ze, lost een boertje, laat een bokske los. Slikt een slordige twintig druiven weg. Ze heeft altijd honger maar weet niet goed naar wat. “Zou hij nu ook nog eten?” denkt ze. Maar Wiene ziet de melkmaan vol verschijnen. Ze kijkt weifelend om zich heen. Welwetende dat hier weerwolven niet werkelijk bestaan, dat wel, maar je weet nooit in deze uithoek. Er bestaan tenslotte al die onverklaarde gruwelgetuigenissen uit de diepe wouden van Amerika, die vandaag nog aanzwellen. Men weet nooit op deze wereld. Hij is er niet alleen. Geloof me. Geloof mij: Ŭriël.    

Lucien Haentjens
264 5

Herbegast

Moet ik dan helemaal herbeginnen. De gedachten komen traag op gang, versnellen dan een poos, botsen tegen mekaar aan en donderen slaags neer. Een kille lentenacht. Boven het buitenterras fladdert een kaneelbruine vleermuis, de laatvlieger. Een man hangt in de slaapkamer flodderig op bed. Licht brandt er al lang niet meer. Buiten hangen slierten nog van toep boven de asbak. De laatvlieger zwaait af. Veertien nachten eerder is het Boek opengegaan. Het geruite boek van Bloedhaen. Er wordt niet in gesproken. Het boek bleef altijd stil. Het boek blijft altijd dicht, om daarmee te beginnen. --- Kilometers verderop zoekt zijn ontschminkte, maanblonde nichtje opnieuw een gewiekste manier om zich tot rust te brengen, zichzelf tot kalmte te beliegen, zo omschrijft ze het, docerend als ze doen kan over de kunst van het bedrog en de leugen die haar mateloos intrigeert en boeken doet lezen waaruit te stelen valt, waaraan ze haar listen kan slijpen. Spitsvondige lievelingsboeken -Het Verdriet en de romans van Daniel Wallace als oudere oma's aan de top- slingeren overal bij haar nabij rond in de buurt. Besnuffeld, beduimeld, beplekt en zo bemind. Wiene ligt uitgestrekt en gespannen op bed, niet te verbuigen, als een mes in een bestekset. Ze laat de adem los. “Ge zijt weer aan het mieren door uw kop. Relax, Wickie, relax..” denkt ze temmend, “Denk aan hém ofzo. Die keer toen op de kermis, bijvoorbeeld, toen de kots er spuiend uitvloog. Een kalfke leggen! Hi-hi.. Wij zijn toch allemaal kastaars, wij samen.” Met dat laatste zou hij ongetwijfeld akkoord gaan. Hij geeft haar doorgaans zwijgend een akkoord. Meestal omdat hij het eens is met haar, voldoende om in haar uitspraken te berusten. Vannacht echter denken ze ogenschijnlijk heel anders. Hij, een geschaafde boordevolle kop, dronken, droefgeestig, landerig, houdt vast aan de hurley die vertrouwd ligt in zijn hand, minzaam langs het heft strijkend, tobbend, tot zijn vingers het blad bereiken, waar vege bloedvlekken het bleke hout beplekken. Hij ontwaakt uit de nevel. “Kakhout toch, dat essenhout. Schandvlekken zijn dat. Of zou het ‘eshout’ zijn? Nee. Het wringt, dat woord. Moet ik die hurley dan echt beginnen vernissen?” Hij gromt. Kijkt naar buiten, de nacht in. Hij kapt een vers glas Beaujolais naar binnen. Leegt de fles. Wiene ondertussen ligt onrustig te verzenuwen, almaar te herpeinzen op al die vreemde zaken die zomaar zouden durven gebeuren. Op de wereld durft er veel gebeuren. Ze zouden realiteit kunnen worden, die dingen, tenminste: mocht de zwarte doemregen van haar angsten uit de hemel komen vallen om ook de echte wereld te doordrenken. Dat blijft voorlopig uit. De wereld wil niet mee, altijd, in drenkelinggedachten.     ---   Oh I guess it's the chain that binds me  I can't shake it loose, these chains and things

Lucien Haentjens
206 4

Moerasjaan

Het is nog moeilijk te ontlopen, dat lithium. Maar vaderke Carolus, enfin Wütmer dan, de nieuwe bakker, niet Vader Pilchard, die alles liefst mechanisch doet, met de blote vuist, nee Wütmer, de geweldloze zoon, Wuut doet tegenwoordig alle zeven Carolusbakkerijen laten voortdraaien zonder ook maar 1 gram van dat vermaledijde lithium te importeren. “Voorlopig nog geen enkel probleem," herhaalt Wütmer dan. “Zeiken over dat sjienese schijtlithium altijd,” durft hij er soms onhoorbaar achteraan te mompelen. Soms trekt hij de broek op. “Er is geen ceintuur die de beleefdheid heeft om mij deftig te willen passen,” neut hij treurig. Zijn trots, zijn jongensdroom, een magnifieke zilvergrijze flitsmotor uit 1974, krijgt niet meer gestart. Het wordt opnieuw om een reparatie smeken bij fu-tech-garagist Max Duyster, de Kerelbeekse da Vinci, bouwmeester van website Techopedia en correspondent met satellietstation Satoshi Nakamoto. --- Wütmer is Otaku, als een Japanse man met een Peter Pancomplex. Schouw van verantwoordelijheid. Bang om verkeerd te doen. Parano op negatieve pers. Verslaafd aan 4- en 8chan en, toendertijd, ten tijde van de The Great Storm, een grote gelover aan de verzinselen van de mistige weg- en weerkruiper Q, die niks meer bleek dan een gemelijk en gallig bijproduct van imageboards, een hoax op wereldschaal, waar er mensen voor gestorven zijn. Wanneer men zulke dingen ziet voltrekken dan mag men gerust een keer het hoofd buigen, gerust een keer bedenken, uit eerbied en respect: "NIK'EH LCFR'ATON." Nyarlaniaans gewoon. Wonderlijk gebracht in zijn Theater van de Macht. Schijnbaar willekeurig, maar meesterlijk en buitengewoon uitgevoerd. Het hielp tenslotte om de oranje oppertrol Clownald Trumpf op een witte paddestoel te hijsen vol met schandstippen. En 'm een van de meest verantwoordelijke functies ter Aarde in de trollenhandjes te douwen. Puik. Soms, stelt onze therapeute, moeten we ademen. Ademen? Bewust? Ooomsss moet je meer lucht door je leven laten waaien. Dan gaan de blaadjes aan het warrelen en vieren er vlinders door de buik. Of zoiets.. --- "Ma-aar: het is niet omdat je hier alles in alle vrijheid mag geloven," zegt mooisie Alix, een welopgevoede Carolusbakkerklant, "dat je alles zomaar vrijelijk moet geloven." Zeer wijs van haar, toch? Vree wijs. Ze heeft het over ingenieuze wetenschappen en over de biologie van verliefdheid, bij mij hier op terras. Dan tekent ze met fijne ranke vingers scènes in de lucht die ze onthoudt van de poëtische Prerafaëlieten. Ze is de Tisbe van Pyramus. Na Alix' geboorte was grootmoeder Oma, een harde tante die tijdens het leven zowat alle sprookjeswolven had verscheurd, hardhorig geworden. Oma was potdoof geworden van die gillende Geboring. Dus toen Zazie, Alix' versluierde parelmoeder, aan Oma Liezelbeth de naam meedeelde van het babymeisje toen sprak Oma, verschrikt en ongelovig: "Wablief!? Hoe hebt ge haar genoemd, dat kind? Ali-en-nog-iets?" Toch maakt ze makkelijk naam, Alix, en oogst ze lof bij eenieder die haar velden kruist of die in de arena -ocharme- met haar heeft moeten strijden. Haar lichtende voorbeeld is keizer Augustus, een eeuwige Maagd, de bedachtzame imperator. Augustus' witte buste, op de nacht van 19 mei ontvreemd uit de KMSK, staat thuis bij Zazie op de schouw te pronken. Het is het enige in heel dat kot dat regelmatig keer wordt afgestoft. Alix draagt Leven en laten leven als een leuze in het schild. Er staat veel op haar schild. Ook Adolescens laudandus, ornandus, tollendus. Nog een paar jaar en ook mij wordt ze de meester. Het zij zo. Ik zou haar moeilijk nog kunnen missen. Ze verbetert al m'n schrijffouten, de speurhond, en laat sommige opzettelijk staan. "Pipo," lacht ze dan. Want zij begrijpt de dingen zoals ze niet horen te zijn maar mogen. Ze is prachtig als ze giechelt. Dan gooit ze met haar stralen genotzalig door de lucht. Zij en Laïs, ze stralen me vooruit, ze sporen me aan om voort te gaan, om verder te vertellen. Om mezelf te blijven en tevens over de kleintjes te helpen waken, om hen na een volle dag in slaap te fluisteren met een wonderlijk Jack Londonverhaal. Een verhaal dat langzaam naar onze eigen levens afdwaalt.. De kleinste mag van Alix een titel verzinnen. Alix schaaft zorgend bij, vertalend naar het Engels, om later misschien -wie weet- iets mee aan te kunnen, in Hongkong, bijvoorbeeld, of in New York, het mekka van de Uitgever. Het eerste gebundelde resultaat werd dankzij Alix iets magnifix: This Is not Going to End Well: The Extraordinary Story of a Man I Thought I Knew. "Ooit wint ze prijzen," hoopt Meeke, "mijn Sterrenkind." En veel centen. Waarom niet? Ook Alix gelooft natuurlijk volkomen aan Azathoth maar prefereert Yog-Sothoth om hebzuchtig van te leren, hebberig naar wijsheid uit de Kristallen Sfeer geschapen door Yog, de Dame van de Poorten, stichter van de wetenschap en van de absurditeit van tijd en ruimtes. Zij, Alix en zus Laïs, de vlinderbloem Laïs, zij sporen me aan om voort te gaan, om verder te vertellen doch behoedzaam te blijven, met alles in z'n tijd. --- Hij zegt voortdurend “voorlopig geen probleem”, Wuut, ook in veel andere dringender omstandigheden die om de alertheid en de doortastende reactie smeken van een bedrijfsleider met een gezond hart voor de zaak. (Wat daarom geen gezonde zaak betekent voor het hart, weet ook de commerçantenbende Bloedhaen, die zwijnenpan.) Wütmer Carolus spreekt bedeesd als een betaste koorknaap, de bakker, die nochtans een molen van een vent is, met klauwen groot als wieken. Ziet men het contour van Wütmer af komen kuieren op straat in het pekke schemerdonker dan weet men gelijk: “Ow. Dat daar is een echte echte Kerelbeeknaar. Een echte flinke Kerel. Onze Wütmer, onze Wuut." Wutie voor de maten. Terwijl, in de realiteit, loopt Wuut soms bang nog van zijn schaduw weg. Rap verschieten doet Wütmer, die ondertussen eind de veertig is. --- Stress, paniek en een piepende flatulentie tesamen hebben Wütmer al meerdere hoofdrollen moeten bezorgen in een wilde schare van de schaamtelijkste, meest gênante onsterfelijkheidspassages en slapsticktaferelen uit De Groote Gemeentelyke Anekdoote-Almanak, de GGAA, de GA, zoals de almanak bij Carl Kinboter, de gemeente-archivaris, acronimies in de documentenpapieren staat afgekort.  Mensen zeggen er nogal benauwd De grote Gemene tegen, tegen dat vadsige strontboek, of kortweg de Gemene. Talrijke waardige eervolle families uit Kerelbeke plus omstreken zouden de Gemene liefst verbrand zien worden en tot as en stof verstampt. Het is met de eeuwen echter een volumineus ingebonden dik kluitenboek geworden dat niet zomaar kan fikken. Dat is althans niet wat er mee zou gaan gebeuren, mee dien almanak. --- Na het vele vele bakken ’s nachts en ’s ochtendsvroeg, terwijl de machines nog staan na te schudden, bolt Wütmer uit voor de verdere dag. Hij stopt dan hollend met rondlopen te bakken. Knipt de vele lampen uit. Tl-lampen in overtal in Wütmers atelier: de bakker werkt niet graag in de donkerte, ze weegt op zijn gemoed, dat doet ze, ze weegt en ze weegt tot de nachtegaal weer toeslaat. De verzoeking van Ktulu. Tijdens de donkerte van nacht moet Wütmer wachten tot de tsjiftsjaf ’s morgens aan een riedeltje begint. Dan is hij gerust. Voor de rest is hij zeer op zijn gemak, Wütmer.  Het Carolusatelier staat tegenwoordig vol geurige vlinderbloemigen die hij inkoopt bij Majka, de moeder van de tijdloos knappe Selène, alias Sefke, of Pippen, Pip van Wiene, een vuile Macedonische speelgoedpop met een ferme franke teut soms, die Sef. Voor de rest? Pff. Is Wütmer op zijn gemak. Verkopen doen zijn heerlijke vitale biobroden vanuit hun eigen zelve. Ze rollen automatisch van de toonplank af, om zo te zeggen, als knapperige en vanbinnen nog kneedbare speltkeutels uit de natuur. De Carolusbroden zijn flinterlicht gezoeten met een stipt decigrammenaantal speculozenhars en worden tijdens de Grote Mengseling bijbestoven met Indonesische citroengrasimplantaten uit ergens een Korea, plantaten die goedkoper zijn dan Taiwanees-Chinese. Bestoven Carolusbroden: de klanten zijn er zot van. --- De bedeesde bakker trekt ’s namiddags graag een pintje open, een kramuukske. “Ktchsss” klinkt "een kramuukske dat openkeert", of waarvan de kroonkurk er met de tanden wordt afgetrokken. Lokale pils Kramuuk vloeit volgens de legende voort uit de zeikend natte Telge, het lokaal vervuilde buchtriviertje dat door de vele locals met zin voor overdrijving de Stroom wordt genoemd. Ook Wütmer Carolus is een trotse inwoner van de groene moerasjige Vlaamse Streek waarin zijn treurwilgstamfamilie opgroeide en opstond. Hij wil de Streek ooit op een prachtige bukolieke ochtend in de streekkrant fiermaken en blozendoen van trots op hem, de dromerige vikinghoofdman: Wuut de Verdienstelijke. “Ondernemen is mijn doel om zelfstandig te verwezenlijken,” pompt hij zich soms verse dagmoed in.   Wütmer kijkt ‘s namiddags met een speciaal abonnement uren naar de live-televisie uit Taiwan, een Chinees ilydisch eiland waar ze technologisch uitblinken zegt Wütmer, om zelf ideeën op te doen. Maar enkel de goeie ideeën welteverstaan, die de investering waard zullen zijn als het grote moment daarvoor gekomen is en zijn vrouwke Lucille, een bluesgitarist, ermee akkoord zal gaan. (Over Lucille raakt men, net als over de gitariste van Maya's Moving Castle, nooit meer helemaal uitgepraat. Een verhevenheid is zij, een brokje lokale mystiek, een Kerelbeekse edelsteen. Haar zwarte Gibsongitaar bepingelt de mensen tot zilte tranen toe.) ---  Well, you talk about hard luck and trouble Seems to be my middle name All the odds are against me Yes, I can only play a losing game These chains that bind me Can't loosen these chains and things, mmh Just can't loosen these chains and things  

Lucien Haentjens
311 3

De derde vermissing

Voor ṡ - ad astra per aspera   «Luctor et Emergo» stond sierlijk in de duikersklok gegraveerd die Sef die middag uit het hoofd takelde en uittekende in het seffige doedelboek. Net flink gegeten had ze. Twee borden spaghetti alla carbonara, naar een vleesrijk Thracisch recept van moeder Majka, vergezeld van een volle Vinica Mavrud. Majka schonk de drie kinderen rode wijn bij een maaltijd om de stoelgang te bevorderen. Ze werden er bovendien creatiever van, geloofde Majka, en assertiever op de school. Inspiratie voor de nieuwste tekening had Sef uit Alice’s Adventures in Wonderland gehaald, gekoppeld aan een klassiek klokontwerp van Leeghwater. De leeghwaterklok was tot de nok gevuld met gedrochtige H. Bosch-figuren die vermaak vonden in het begooien van mekaar met poepsteenkeutels. Sefs humor was een aparte en haar voorkeuren lagen ver uit mekaar. Bescheten van het noodlot was de duikersklok van Sef naar de zeebodem gezonken maar, besloot Sef de pentekening: “De wapenspreuk als final touch zal mijn Hiëronimusduikers ongetwijfeld moed inschenken.” --- Ze liep volop in de ideeën en de illustraties verdwaald toen ze snoepend de Rodenbachlaan inwaaide. De dikke zure matten van kruidenierster Vera vertrokken Sefs gezicht tot komische, sardonische grimassen. Halverwege de Lucebertlaan, zittend in het gras, staarde Wiene haar tegemoet. “Wat is ze nu weer aan het eten? Wijngaardslakken?” dacht Wiene, “En die kleren: Oh my God. Sef toch. Gij sloor.” Sef, die soms onverklaarbare aanvallen kreeg, soms middenop de dag, stapte behoedzamer op Wiene af dan ze anders al deed. Ze voelde onheil naderen, onwetend waarvandaan. Met elke stap groeide de onrust. Het begon te waaien. Sef verkrampte, liet het snoepgoed in de aarde vallen, rommelde in haar tas naar sigaretten. Die laatste meters liep ze wankelend naar Wiene toe, die haar omhelsde en een kus gaf op de klamme gloeiende wang. “Ik ben contentsi van u te zien,” fluisterde Wiene, en nam de sigaret af. Ze streek Sefs zwarte haren opzij. Wreef haar met de kinderduim een kruisje op het voorhoofd. Wienes staalblauwe ogen monsterden het meisje hartsgrondig. Zonder te bevroeden, ze was nog veel te jong, hielp Wienes saffieren aanblik om het kwaad rond Sef te luwen. Een fijne gouden draad liep tussen Wiene en de wolken. Ooit had ze hoog boven, in de Germaanse grote Zaal, op een glazen hemeltroon gezeten. Minzaam doch onaangeroerd. --- Vaak lag ze te tobben. "Het schijnt dat onze ideeën en onze gevoelens onafgebroken worden verbrijzeld." "We moeten elkaar almaar oprapen en oplappen. Vinden niet altijd de moed. We hebben maar energie wanneer er genoeg voorraad van bestaat. Soms vallen we zonder. Soms vallen we neer." Jonge Wiene beschouwde het ’s nachts, piekerend in bed, zoals vele mensen, als een Berg die ze op moest klimmen om er daarna terug vanaf te storten, recht weer het ravijn in. Een ravijn ja, vond ook de onzekere Sef, een vuil en donker meisje waar Wiene maar heel soms iets aan had. Meestal ontmoetten ze elkaar langs de kant van de baan die normale volwassenen dagelijks veel blinder aflegden en sneller. De Lucebertlaan, noemde het slenterende sufkoppel lethargisch de zwierige lange sierkerslaan, die in de feiten doorgaans de A. Rodenbachlaan was. Een ravijn ja, bedacht Sef ook onmiddellijk een droombeeld. “Laat ons zeggen Wiene: een ravijn waarin er dan hopelijk ooit, als ge na de neergang en de Val nog overleeft, een paar symbolische gold nuggets onder uw ogen liggen te blinken,” sprak Sefke zacht en helder. Ze dacht na en sprak verder: “Des pépites in ’t Frans en wij zijn des petites. Ge weet wat ik bedoel, toch, of praat ik warrig en onduidelijk? Misschien ontdek ik ooit in ons ravijn Wiene, na onze zoveelste Val, een paar figuurlijke goudklompjes, uitgespuwd door de Draak van Gulden Sterrenstof die verborgen tussen eeuwen in de aarde slaapt.” Bij de idee errond en de briljante gedachte aan goud begonnen haar oogjes zwart te blinken, als die van een schrander pesterig ekstertje dat een oorbel van Culet bespot. Nooit heeft Wiene zulke zwarte amandelogen gezien als die van Sef, tot ze mekaar ontmoetten. “Maar de soms zwarte kaft van een boek moet je altijd eerst omslaan,” hadden de neven haar aangeleerd, “Om te kunnen zien voornamelijk welke prachtige bijzondere vertellingen er allemaal en overal in voorkomen.” Wel. Als dat gold voor de macabere Necronomicon van Alhazred, vond Wiene, dan kon dat absiluut voor Sef. --- En zo had kleine Wiene, haar grotere neven indachtig, een waardering opgebouwd voor Sefkes eigenaardige verhalen, voor het zo afzonderlijke boek dat Sef zelf heel graag wou worden. Sefs boekje stak bovendien vol vuile verhalen. Vuil maar zonderling. Niet allemaal verzonnen. “Vuil,” dacht Wiene dikwijls, “Maar proper scherpgesteld uw boodschap, beste Sef.” Alleen doet Sef ook vandaag nog steeds niet graag aan boodschappen. Allesbehalve een boodschapper wil ze zijn. Er gaat enkel een wierelende warboel van gedachten in haar om, een orkaan, Orkaan Gust, ook wel Gustaaf!, een schimmige storm van gedachten waarin Sef rondwaait langs de baan waarop ze Wiene destijds aansprak. Hun beider haren woeien toen de lucht in, vroeger, want ook Wiene kon stormachtig wild tekeergaan. Wiene het blondje en Sef de zwartharige: twee zeer contraire karakters brachten ze samen, die twee verre kameraadjes uit twee tegengestelde windstreken. Wat de kleine Sef aan Wiene apprecieerde was dat ze door haar niet constant onderbroken werd wanneer ze op een zachte toon haar warboel in de lucht wou gooien om er woorden uit te plukken en de beelden die ze nodighad om een van haar beruchte vuile uitspraken te vormen. Ze deed dat zelden à la minute, Sef. Ze wachtte geduldig op zichzelf, tot alles in het seffige beeld- en spraakcentrum er klaar voor was, en begon dan pas vlot te praten. Zodra zij begon te praten hield Wiene de snater om het Sefke vrij nauwlettend te beluisteren. --- Ook nu was Sef niet uitgepraat. Het beeld dat zo-even tot haar gekomen was, het beeld van een blonde Ikarus die het ravijn instort en daar haveloos iets blinken ziet, bracht haar -ping!-op het pad van een klein vuiligheidje.  “Liever,” sprak Sefke stil, “Liever trapt ge blootvoets op een goudklompje in ons ravijn dan daar onder uw neus te vinden een keurige dikke dampende golden drop. Plop!”  “Hi-hi-hi-hi..” brak Wiene met haar Sefke in een ellelange giecheling uit. De snottekissen slierden over hun rode bloze kaakjes. “Gij weer vuile Sef!” grinnikte Wiene. “Kind toch.. Hi-hi. Zijt gij ooit naar een therapeut gemoeten, Sefke?”  Wiene luisterde graag naar Vuile Sef. Ze vond haar uitspraken soms vuil ja, maar beeldrijk leugenachtig. Grotesk soms, een woord dat Wiene eerst moeilijk kon bevatten, maar Sef had zot geholpen met gedichten en de doodles, de Doedels van ’t vuil Sefke. Wiene kon er -meestal- goed om lachen, om het donkerharig Sefke met dat Perzisch-Grieks gelaat. Macedonisch paste Sef als beschrijving nog het best: haar beide ouders kwamen uit Macedonië vandaan en op Kerelbeke terecht. Ze was een zwerverskind, onrustig als de pest. Haar vader, een esoteer, een sterrenwichelaar, was mysterieus gestorven. Ze deelde met Wiene een paar donkere onzekerheden, kwetsuren zeg maar, waar ze ’t samen liever nooit over hadden, die twee, spelend in het stof van eeuwen, filosoferend, en elk jaar uit mekaar groeiend. --- “Sef. Wij zouden van u een mooie vrouw kunnen maken. Om uit te huwelijken aan Lancelot.” Mm-m-mmmm Ze neuriede White Mustang van Lana Del Rey, een liedje dat perfect in Sefs boekje past, vond Wiene, mocht Selène wat vaker in haar wilde fantasieën willen verdwijnen. “Wat ben ik daarmee?” zei Sef, “Als we thuis niet eens een spiegel hebben? Wij zien ons eigen thuis niet graag, mijn broer en zus en ik.” “Maar ik zal u een spiegeltje cadeau doen! Dat is toch geen moeite, lieverd. Ik steel constant dingen. De Lancelot kan ik meehelpen zoeken. Er zijn altijd vier keuzes, vier beslissende assen waarop de jongens uitstaan: wilt ge een lieve? Een slimme? Een knappe? Of een geestige?” “Nee,” zei Sef resoluut, “Die wil ik niet. Bol af. Ik hoef geen cadeaus van u, van niemandniet. Trouwen doe ik nooit. En Lancelot bestaat niet. Amantes amentes, Wiene, en ook daarbij: per aspera ad astra. Dat snappen teveel jongens niet.” “Trutteke,” sneerde Wiene terug. “Stuk pretentie. Eeuwige wanhopeling! Gij hunkert naar een Algod, Sef, een goddelijke vent. Maar die leven hier beneden niet hoor. Een halfgod die volstaat niet nee?" Ze histe en beet geërgerd op de geslepen witte tandjes. Het verbaasde Sef dat Wiene zoveel hart kon voelen voor een zaak die de hare nauwelijks was. "Wees gerust," beet Wiene toe. "Niks krijgt ge nog van mij. Een magere vertelling kunt ge vandaag nog krijgen of een saflet op uw bloot gat, omdat ge die spekken daarjuist op de grond hebt gegooid in plek van aan míj te geven.” Sefke zag een kans om het thema te meanderen. “Bloot? Mijn poep is geen cadeau meer, Wiene. Er begint al celluliet te kweken. ’t Is daarom dat ik met zoete spekken zo’n haatliefderelatie heb: ze kleven allemaal aan de poep, die gummy begint aan te voelen. Gummybillekes, zegt Mama.” “Nu al celluliet? Maar kind toch. Dat kan gewoonweg niet. Gij loopt voor op onze leeftijd, quoi. Laat eens zien? Ge moet in elk geval meer sporten.” "Daar heb ik het gestel niet voor." "Sssht.." Wiene bestudeerde aandachtig de beide billen van Sef, blozend geëmballeerd in een rafelig zwart onderbroekje dat ‘s zomers naar de zilte zeeman rook, giste Wiene, waar Sef al enkele keren mee gespot was, tussen het hoge gras langs de oevers van de Telge, waar ze het seffige hoofd op hem te rusten legde, telkens wanneer hij thuiskwam, om kort nadien weer te vertrekken. --- Ze konden teder kussen en elkaar onzacht in de lippen bijten, Sefke en de lichtmatroos. Ze adoreerden mekaar, in vlagen van periodes, maar spraken het nooit uit, bang om hun verschanste hart open te stellen en misschien nooit meer veilig in het slot terug te krijgen. Ze konden magisch fabuleren samen over goddelijke dingen: kunstmatige hyperintelligentie, de hypothese van een Rendezvous met Rama, prietpraat over schotbalken en Kornak of, giechelend, witzkes over 'de wondere avonturen van het dolle Deinse koekoeksloeder'. Als er ergens een uurtje overbleef dan verzinnebeeldden ze samen, in het gras gelegen, over hun gezamenlijke op tilt staande waantoneelstuk Van het gelegde kalf en de geloste bok. Een Tellegeniaans Huzarenstuk, rechtstreeks uit de Maagstreek. Hij kon fantastisch vond ze, met zachte maar zekere stem, uit de getuigenis van Cthulhu navertellen, een persoonlijk en gedrochtelijk maar wonderschoon relaas. Zij, naar zijn hart, kon elke sneldrogende waarheid op gewiekste wijze in de wind slaan en met woorden draden weven die ze tot wonderlijke zinnetjes vormde, zinnen waarvan hij voelde dat ze een bijkomende dimensie lieten ontstaan, als een geschenk aan hem. Zij lag hem graag behaaglijk onder een deken, op de buik, met de billetjes licht omhoog, voor te lezen uit Het Geuzenboek van Boon en oefende haar taal op hem tot haast de perfectie. Hij was daar geschikt voor. Ze deed het zo, zo kundig, dat elke zin deed nazinderen. --- Hij kon wild of onstuimig zijn, akkoord, maar streek uiteindelijk steeds rustig tussen het riet neer in het gras bij haar aan de rivier, bij het veld van wilde klaprozen. Naast hem lag ze geruster, geborgen en minder diep bezorgd. Zijn hart klopte sterk en krachtig in de borst. Toch keerde ze'm de rug soms toe. Dan bleef hij nog alleen. Kust mijn gat, dacht ze, verhopend soms dat hij het daadwerkelijk zou doen, dat hij het onderbroekje met sterke handen scheuren zou, aan flarden trekken, en dat hij zijn gloeiende lippen diep tussen haar tere billen zou drukken, de vingers langs haar haartjes strelend, langs de zijden binnenkanten van haar maagdelijke, geurende dijen. Hij dierf echter niet. Ze brak zijn zelfvertrouwen soms in kleinere, onzekere stukken. Perfect zo, vond Selène: “Hij mag mijn leven geen verwachtingen brengen en geen standvastigheid. Hij vertrekt maar weer zoals hij gekomen is: voor niks. Maar als hij weg is dan zie ik hem anders. Dan hou ik dieper van hem. Liefst wil ik altijd van hem houden, van een man. Een ganse man wil ik. Maar het is moeilijk! Ik krijg hem steeds maar in stukken terug.” --- Nu was Sef was niet meer gerust te stellen. Koortsig werd ze aangevallen. Haar horloge met Romeinse cijfertjes bedoomde, werd onleesbaar. Haar borstkas vulde met wind, haar buik ontstak in onmin. Alles in haar hoofd werd weggeblazen. Er kwam in de plek een grijs wolkendek te hangen, van boven Sef tot onder. Ze kon haar voornaam niet meer vinden die tussen de wolken was verdwenen. Tijd noch ruimte stonden haar bij. Ze werd opgezogen door een witte onbekende overmacht. Een helder wit licht stak op in de lucht, werd op Sef gericht en scheen haar recht de schedel in. Bevend zag ze licht aan. “Dit wordt mijn derde vermissing,” paniekeerde ze. Alles kolkte. De naald sloeg tilt van het antieke kompas waarop ze de straten navigeerde, de tweedehandswinkels, de school, de onguurbuurten van Kerelbeke, kortom het hele leven, alles saboteerde. Een grijze overmacht verzwolg Sef met huis en haard. Alles draaide, vertraagde, zeeg op en neer weer. De mozaïekwand met beelden van haar jonge leven trok zich voor haar ogen op, de zwarte ogen waar Sef al zo vaak onheil zag mee naderen. Ze was het vaste noorden kwijt. En het oosten, waar ze vandaankwam, leek haar terug te roepen naar haar geboortestreek in de Macedonische bergen, waar mensen nog stierven aan een eenvoudig, gelukkig leven. “De eenvoud siert ons.” Het was een spreuk van Majka, Sefs mama. De edelmoedige Majka, een getalenteerde kleermaakster die carrière had gemaakt als costumière bij de Vlaamse opera's, leefde teruggetrokken temidden de eenvoud en het kleine geluk dat ze pas op latere leeftijd mocht vinden. Majka was op rust gesteld en streefde daarin de perfectie na. Ze had lange spirituele reizen ondernomen om tot onthechting te komen en de aanvaarding te bereiken die ze maar niet uitgelegd kreeg aan Sef, haar eigenzinnige duistere dochter, die nergens in geloofde, te beginnen met zichzelf. Ze kreeg een klap in het gezicht. Wiene kon hard uithalen. “Aww! Godver, Wiene! En ik voel mij al niet goed! Waarom doet ge dat nu!? Psychopaat! Beheksende narcist! De gele písvlek die ge zijt!” “Hi-hi-hi.. Pisvlek,” herhaalde Wiene, “Maar waarom ik u de lap geef? Omdat ge nu weer bij de wereld zijt. Bij het bewustzijn dat de wereld aan ons toont. Of hoe denkt gij over die maffe Simulatietheorie, Sef? Over die zaligen nerd Bostrom? Wees eerlijk, juist vandaag, toe.”  

Lucien Haentjens
307 3

Drie regenwormen en hun vlooien

Er zijn eens drie regenwormen – er zijn er natuurlijk veel meer, wel miljoenen, maar wij beperken ons tot deze drie: Jan, Pier en Tetting. Het zijn drie broertjes – of zusjes, wie zal het zeggen bij regenwormen – en ze wonen samen onder de grond. Ze hebben voor zichzelf een heel comfortabel onderkomen ingericht: een holletje onder een gazon met op de grond zacht mos, de muren geïsoleerd met karton en stro en daarvoor een gemetste muur van steentjes die ze een voor een naar hun hol gebracht hebben. Het is dus heel stevig en zeker bestand tegen wolven, want dat sprookje kennen ze.  Op een dag brengt een van hen – ik geloof dat het Tetting is – een stuk vacht van een konijn mee. De gezinsgenoten zijn er heel blij mee. Ze proberen het zo goed en zo kwaad als dat gaat op de grond te leggen en vleien zich dan behaaglijk neer. Ze krullen van genot op de warme, zachte pels.  Hun geluk is echter van korte duur. In de vacht blijken vlooien te wonen. Nu valt hun haarloze lichaam niet zo in de smaak bij de vlooien, maar af en toe krijgen ze toch een ferme beet. Unaniem besluiten ze de vacht met vlooien buiten bij de voordeur te leggen. De vlooien mogen er blijven als huisdier, als ze maar niet binnen komen. De parasieten vinden het allemaal prima en gaan gewoon door met vermenigvuldigen. Af en toe zet een worm een emmertje bloed voor hen klaar bij de deur.  Dat emmertje is niet zo onschuldig, het verspreidt een geur die de plaatselijke mol aantrekt. Hongerig en lomp als hij is, graaft hij zich een weg naar het hol, gaat daarbij dwars door de gemetste muur en vult ineens de hele de huiskamer. De drie wormen schrikken zich een hoedje. Ze haasten zich naar de voordeur, trekken die stevig achter hen dicht en kruipen in paniek onder de vacht die buiten in een hoekje ligt. Intussen snuffelt de blinde mol zich suf, zonder pardon duwt hij de voordeur uit z’n hengsels en vindt uiteindelijk de vacht. Sidderend van angst kruipen de wormen dicht bij elkaar. De mol woelt verwoed in de vacht, maar dat is zonder de vlooien gerekend. Blij met deze nieuwe, levende vacht bespringen ze massaal de mol en bijten hem de oren van het lijf. De mol weet niet waar hij het heeft, op slag is zijn honger verdwenen. Zo snel mogelijk graaft hij een gang naar de oppervlakte, naar het keurige gazon waar hij een hoopje aarde achterlaat. De les is deze: elke molshoop heeft een verhaal.

VeerleDosogne
21 3

Elisabeth en de zeven trollen

Zeven trollen wonen in een gat in de grond, onder een steegje in Gent. De trap naar beneden bevindt zich op het einde van een smalle, modderige gang tussen twee huizen. Het is er donker en muf, maar dat ligt vooral aan het gebrek aan ramen. Zo moeten eeuwenoude grafkamers eruitzien. Maar eigenlijk is het best gezellig, als je ermee rekening houdt dat er alleen mannen wonen. Ze leven van het doorverkopen van wat ze op straat vinden. Het hele hol staat vol oude fietsen, kasten, wankele tafels, stoelen, gebroken bloempotten…, alles bedekt met een dikke laag stof. Zonder uitzondering zijn ze lelijk: lang vettig haar, onverzorgde baarden, een mond vol gele en zwarte afgebroken tanden, grote neuzen met een puist op, korte beentjes, kleren vuil en versleten… Op een zondag zijn zes van de zeven trollen naar het EK voetbal aan het kijken op een heel smerig, stoffig tv’tje dat op een wankel kastje staat. Ze zitten braafjes naast elkaar in een fluwelen, aftandse zetel waar een vreemd geurtje aan zit. Aan de eettafel onder een luster vol spinnenwebben zit de zevende trol in een sprookjesboek te bladeren: Sneeuwwitje en de zeven dwergen van de gebroeders Grimm. “Hey, mannen!” roept hij enthousiast. “Ssst!” sissen de andere trollen. De boekentrol negeert het gesis grotendeels en gaat iets stiller verder. “Ik lees hier net over zeven dwergen die zich ontfermden over een prinses. Ze woonde bij hen in en deed het huishouden: wassen, strijken, koken, poetsen...” Geïnteresseerd kijken een paar trollen op. “Hè?” “Ik lees hier dat ze in ruil voor onderdak het huishouden van de dwergen deed,” herhaalt boekentrol iets luider. De hoofdtrol spitst de oren, denkt even na en zet de tv uit. “We moeten ook een prinses hebben,” besluit hij. “Vergadering!” Wat later staan ze met z’n zevenen rond de tafel. Er ligt een kaart van de stad op, een opengevouwen krant en nog wat papieren. Een van de trollen maakt ijverig aantekeningen in een notitieblok. “Welke prinses kennen we?” “Elisabeth natuurlijk, de oudste dochter van koning Filip.” “Ja, ze is perfect: jong, knap, blond, verstandig.” “Goed, Elisabeth dus,” vat de hoofdtrol samen. “Maar hoe krijgen we haar hier?” Na veel vijven en zessen besluiten de trollen dat ze Elisabeth zullen ontvoeren wanneer die binnen een paar maanden een bezoek aan het UZ Gent brengt, aan de afdeling die haar naam draagt. Dat weten ze uit de krant. Er moet een tunnel gegraven worden en een valluik geïnstalleerd vlak bij de ingang van het gebouw. De volgende dag al gaan de trollen dapper aan de slag. In de Gamma halen ze pneumatische hamers, beiteltjes, pikhouwelen, een kleine graafmachine en kruiwagens en vol goede moed beginnen ze aan de graafwerken. Maandenlang kappen ze geduldig een tunnel onder Gent, door grond, beton, rioolpijpen en bakstenen richting UZ Gent. Hun huis is niet om aan te zien: overal ligt stof, aarde en puin. Maar dat is maar tijdelijk, daar zijn ze van overtuigd. Eindelijk is het valluik bij de ingang van het Kinderziekenhuis Prinses Elisabeth operationeel. Er hangt een camera die elke beweging volgt en doorstuurt naar de computer van de hoofdtrol. En dan is het eindelijk zover. Op de aangekondigde dag trapt Elisabeth helemaal volgens plan op het luik. Ze valt naar beneden, op de draagberrie die de trollen hadden klaargezet. Vliegensvlug spurten ze door de tunnel naar haar toe en met z’n zevenen dragen ze de prinses naar hun hol. Ze installeren haar op een matras in het kamertje dat ze voorzien hadden. Ze brengen haar eten, drinken, zelfs frietjes met stoofvleessaus, maar Elisabeth wordt niet wakker. Bij de val heeft ze haar hoofd gestoten. Er komt een dokter aan te pas. Die raadt een kuur in Zwitserland aan. Schone, heldere lucht, rust en veel licht, dat heeft ze nodig. Het zou ons te ver leiden hoe, maar de trollen slagen erin Elisabeth naar Zwitserland te brengen. De dokter had gelijk. Na een paar dagen in de gezonde berglucht knippert de prinses met haar ogen. De trollen zijn uitzinnig van vreugde. Snel regelen ze haar terugkeer. Ze trekken hun beste kleren aan om haar welkom te heten in hun hol. Ze duwen de tegenstribbelende prinses door de voordeur en doen die snel weer op slot. Dit hadden ze helemaal niet zien aankomen: Elisabeth wil absoluut niet in hun hol blijven. De prinses roept, tiert, gilt en schreeuwt alles bij elkaar, gooit met borden, meubels, zelfs de tv sneuvelt. Hij valt in brokken en stukken op de grond. Een dag en een nacht houden de trollen het vol met de furie, dan nemen ze maatregelen. Een van hen bereidt een kalmerend drankje: melk met honing en een wit poeder uit een zakje. Wanneer Elisabeth eindelijk slaapt op haar matras, neemt een trol een hamertje en slaat er hard mee op haar hoofd, voor de zekerheid. Bewusteloos dragen ze haar naar buiten en leggen haar in het Citadelpark, in de kiosk. Dan snellen ze terug naar hun hol. Opgelucht trekken ze de voordeur achter zich dicht. Met z’n zevenen ploffen ze neer in de zetel. Verweesd staren ze naar het stof, de aarde en het puin om hen heen. Hier komt voorlopig geen vrouw meer binnen, denk ik.

VeerleDosogne
3 2

Choco Prince

Er heerst onrust in de koekjesrayons. Het begon in de Colruyt in Anderlecht. De koekjesrayons bulken van de chocoprinsen, maar er is geen prinses in de buurt. Waarom zouden de prinsen zich dan goed houden, op hun uiterlijk letten, galant blijven? Er zijn toch geen prinsessen om te imponeren. ’s Nachts breken de prinsen uit hun verpakking, ze komen samen in groepjes en houden verhitte discussies. Al snel verspreidt de onrust zich over het hele land. Bij een nationale bijeenkomst in de Delhaize in Aalst, waar zeker 900 prinsen op aanwezig zijn, neemt een oude prins van bijna 70 het woord: “We moeten de fabriek van LU bestormen en onze grieven overmaken. WIJ WILLEN PRINSESSENKOEKJES!” “WIJ WILLEN PRINSESSENKOEKJES!” scandeert de hele groep en uitgelaten rollen ze naar de hoofdzetel van LU in Herentals. In de LU-fabriek schrikken ze van de woedende menigte koekjes op de parking. Het management roept een spoedoverleg bijeen. Twee prinsen – de oude rakker van 70 en zijn broer – worden afgevaardigd. In een haastig geïmproviseerd vergaderlokaal luisteren de managers van LU aandachtig naar de grieven van de prinsen. “En hoe moet die prinses er dan uit zien?” vragen ze tenslotte. De twee prinsen kijken elkaar aan: daar weten ze het antwoord niet op. Ze beseffen dat ze niet goed voorbereid zijn. “Pas als jullie een goed beeld hebben van hoe een prinsessenkoek er moet uitzien, kunnen we een voorstel voorleggen aan het bestuur in Frankrijk.” Met die woorden belanden de prinsen weer op de parking. De twee prinsen brengen de anderen op de hoogte en sturen hen weg met een opdracht: een profiel samenstellen van de ideale prinses.  In alle koekjesrayons van het hele land wordt ‘s nachts druk vergaderd door de chocoprinsen. “Ze moet blond zijn,” zegt de een. “Voor mij liever een brunette,” reageert een ander. “Met chocola!” “Vanille!” “Misschien met karamel of met aardbei?” “Met nootjes?” “Er moet pak aan zijn.” “Ik heb liever klein en fijn!” Hele nachten door vliegen de ideeën over en weer. De prinsen geraken er niet uit. Zo komt het dat er tot op vandaag nog steeds geen prinsessenkoekjes in de rekken liggen. Noodgedwongen moeten kleine meisjes prinsen eten. Ook alle andere mensen die niet op prinsen vallen, hebben weinig alternatieven. Intussen worden de prinsen oud, cynisch en slap. De tijd dringt!  

VeerleDosogne
4 1

De valse bakker

Onze bakker is een echte bakker, laat daar geen twijfel over bestaan. Hij is vals in de betekenis van ‘gemeen’. Hij heeft weinig vrienden, of beter: geen. Met zijn familie heeft hij gebroken, feestjes kent hij niet, alleen hard werken 7 dagen op 7. Vrije tijd is tijdverlies, dat is zijn devies. Hij woont in een statig herenhuis middenin de stad, waarvan de luiken altijd gesloten zijn. ’s Avonds doet hij er de boekhouding aan de keukentafel, bij het licht van een enkel peertje. Ondertussen eet hij de onverkochte koffiekoeken van de dag op. Hij heeft een marktkraam op wielen en daarmee doet hij verschillende markten aan. Hij verkoopt er dure zuurdesembroden, broodpudding en verschillende croissants. Zijn specialiteit is echter gelukskoekjes. Of beter: ongelukskoekjes. In sommige koekjes zitten boodschappen als ‘Licht aan het eind van de tunnel kan ook een aanstormende trein zijn’ of ‘Alles komt goed, maar misschien maak je het niet meer mee’. Geloof me, een dergelijke spreuk in een koekje kan een verder gezellige avond helemaal verpesten. En daar vindt onze bakker een geweldig genoegen in. Voor de productie van zijn marchandise heeft hij een eigen bakkerij, ondergebracht in een stalen loods diep verborgen in een donker bos. Er werken tien kinderen die hij lokte met de belofte dat ze zoveel koekjes mochten eten als ze konden. Eenmaal binnen gooide hij de zware, gewapende deur achter hen dicht. Ze zaten voorgoed gevangen. De meesten werken er al drie jaar zonder het daglicht te zien. Elke avond steekt de bakker de sleutel in het meerpuntsslot. De kinderen gaan dan netjes naast elkaar staan zonder een woord te zeggen, kijken strak voor zich uit en worden geïnspecteerd op netheid en hygiëne. De gemene bakker weegt vervolgens de productie van de dag. Die moet altijd meer zijn dan die van de dag ervoor. Zo niet, zwaait er wat. Straffen variëren van een dag geen eten voor de hele groep, werken in het donker of zonder verwarming… Tot op een dag een van de ‘kinderen’ er genoeg van heeft. Het is geen kind maar een volwassene met dwerggroei en hij heeft de buik vol van deze slavenarbeid. Toevallig of niet heet hij William. “Luister,” spreekt hij de groep toe als de bakker weer vertrokken is. “We hoeven dit niet langer te pikken. Als de baas morgen komt, dan benaderen we hem met zijn allen van achteren, we werken hem op de grond en rollen hem in dit tapijt hier.” Hij wijst naar de smoezelige vuilloopmat die bij de deur ligt. Zo gezegd, zo gedaan. De volgende dag omsingelen de kinderen de obese man, worstelen tot hij op de grond valt en rollen hem dan stevig in de mat. De bakker kan geen hand voor de ogen meer zien - wat best akelig is, want zo ziet hij niet wat op hem afkomt… Hij krijgt een harde klap op zijn hoofd. Even ziet hij sterretjes, dan wordt het hem helemaal zwart voor de ogen. Wanneer hij weer bij bewustzijn komt, ligt hij op de vloer van de koelcel in de loods. Hij is helemaal naakt. Ogenblikkelijk begint hij te bibberen. Intussen hebben de kinderen de deur van de loods opengemaakt en ze zijn allemaal haastig en uitgelaten vertrokken, juichend en joelend. Na jaren opsluiting kunnen ze eindelijk naar huis. Als bij wonder vinden ze allemaal hun ouders terug. Het weerzien is blij, er vloeien ook traantjes, maar dat zijn er van geluk. Intussen zit de bakker zit nog steeds in de donkere cel en bonkt op de deur: “Help!” “Doe open!” “Jullie mogen gaan!” Maar er is niemand meer die hem hoort. Uitgeput zakt hij op de vloer en begint weer te bibberen. In de rekken zoekt hij op de tast naar iets dat hem warm kan houden. Hij vindt bladerdeeg, verpakt in karton. Eerst bedekt hij zich met vellen bladerdeeg, hij maakt er een dekentje van. Hij bibbert nog steeds. Vervolgens probeert hij het karton erop te leggen, wat niet lukt, het schuift steeds maar van hem af. Hij zoekt verder en vindt een emmer abrikozenconfituur. Daarmee zal het karton wel blijven plakken, denkt hij hardop. Het bladerdeeg strijkt hij in met de confituur en daarop legt hij het karton. Het werkt. Het karton blijft liggen, maar nu plakt hij zelf ook van kop tot teen. Kortom, het is daar een doffe ellende in de koelcel, in de loods, in het bos. Eerst valt de elektriciteit uit in de loods. De koelcel warmt langzaam op. Dan komt een dakplaat los en waait weg, vervolgens een zijpaneel… Niemand heeft de bakker nog gezien. Niemand mist hem ook, toch niet echt. Is hij ontsnapt, heeft een verdwaalde wandelaar hem gevonden, verblijft hij nu in Spanje of Argentinië of zit hij nog steeds in de cel? Niemand die het weet…

VeerleDosogne
5 1

Kabouter Niet-zo-lui

Het is herfst. Als bij wonder verschijnen her en der paddenstoelen en met de paddenstoelen ook de kabouters. (Als de paddenstoelen weer verdwijnen, gaan de kabouters ondergronds, waar ze leven in holen en gangen – een feit dat weinig bekend is, denk ik. Ze hebben er een hele infrastructuur, compleet met sporthal en olympisch zwembad, wat een enorme verspilling is, want kabouters doen niet aan sport. Daarvoor zijn hun armen en benen te kort. Petanquen doen ze wel, maar er zijn dan weer geen petanquebanen voorzien. Typisch. Maar hier gaan we verder niet op in.) Terug naar het herfstbos. De mooiste paddenstoelen zijn in geen tijd ingenomen door de meest ijverige kabouters. Wie niet zo snel is, moet het stellen met wat overblijft, zo ook onze kabouter Lui. Kabouter Lui, een gepensioneerd postbode, neemt zijn intrek in een gebroken exemplaar. Het dak is niet helemaal waterdicht, maar dat lost hij op met een plastic potje dat hij gevonden heeft in een gracht. Niet ver van zijn paddenstoel is een put in de grond, niet groot, maar wel diep. De eerste nacht in zijn nieuw verblijf, komt er een reetje in klem te zitten. Het heeft zijn achterpootje gebroken en jammert uren aan een stuk. Tot Lui het niet meer kan aanhoren. In zijn pyjama trekt hij het diertje uit de put, verbindt zijn pootje en legt het dan onder een boom beschut met wat takken en bladeren. “Ik word hier zo moe van!” en Lui valt ter plekke in slaap. De volgende morgen wordt Lui wakker van de regen. Het reetje ligt er nog steeds, kletsnat nu. “Het kan hier niet in de regen blijven,” besluit Lui en begint te graven. Er ontstaan kamers en gangen onder de grond, een mini- ziekenhuis met consultatieruimte, een ICU en een ziekenboeg, ingenieus verwarmd door een convector met buizenstelsel.  Het kost wat moeite, maar Lui slaagt erin het reetje in zijn ziekenhuis te slepen, waar het warm en droog ligt. De ziekenboeg is meteen gevuld. Moe maar tevreden overschouwt kabouter Lui zijn harde werk. Tijd voor een dutje. Het nieuws over het nieuwe ziekenhuis doet snel de ronde en de volgende dag meldt een regenworm met een rood hoedje zich aan. Het puntje van zijn staart is geraakt door een ploegschaar en hangt nog met een velletje vast. Dat wordt een amputatie, zegt dokter Lui ferm. Kabouter Lui heeft geen idee hoe dat moet, maar YouTube weet raad. Ik bespaar u de bloederige details, maar even later ligt de regenworm in bed met zijn achtereind in de witte zwachtels. De operatie is voortreffelijk verlopen. De een na de andere patiënt komt langs en Lui loopt zich de benen onder het lijf om hen allemaal zo goed mogelijk te helpen. Intussen investeren zijn buren in zonnepanelen, schuttingen, carports en auto’s.  Tot op een dag de aarde trilt, het ziekenhuis instort, de paddenstoelen scheuren… Sommige kabouter slaan in paniek op de vlucht, hun SUV’s volgeladen. Andere raken verpletterd onder het puin. Een bulldozer maakt het hele dorp met de grond gelijk. Dit is een woonuitbreidingsgebied. Er is een vergunning om hier een wijk met 600 nieuwe huizen te bouwen. Voor mensen.

VeerleDosogne
2 1