Zoeken

Nieuwe oude toestellen

We hebben gisteren samen met papa boodschappen gedaan. Dat vind ik meestal fijn. Aan de kassa kan ik papa altijd overhalen om bloemen mee te nemen voor mama. Maar gisteren was het extra leuk, want we hebben voor mama een nieuw toestel gekocht. Een oud toestel eigenlijk, want mama houdt van oude dingen. Het is een bruine houten bak waar je grote zwarte platen, een cd-tje en een cassette kan insteken. Wij hebben nog veel cassettes, die heeft mama allemaal bewaard. Sommige waren wel zo oud dat het lintje kapot brak toen mijn broer en ik er wilden naar luisteren. Aan de voorkant van die bruine bak staan er ook nog twee grote draaiknoppen waarmee we een radiopost kunnen kiezen. Het ziet er helemaal anders uit dan ons toestel die we vorige maand kapot gemaakt hebben. Dat toestel had felle lichtjes en een ingewikkelde afstandbediening waar mijn broer en ik volgens mama veel te veel op duwden. Platen had ik nog nooit gehoord, want mama haar platenspeler was al jaren stuk. Ik was best wel nieuwsgierig om te horen welke muziek uit die grote zwarte schijven kwam. Dus dit cadeau zou niet alleen mama, maar ook ons echt blij maken zei ik toen papa in de winkel nog twijfelde. En dat was ook zo. Mama had blinkertjes in haar ogen toen ze gisterenavond de doos open deed. Vandaag is ze dan ook extra vroeg opgestaan. Toen wij beneden kwamen was de tafel op het terras mooi gedekt. De zon scheen al heel fel en mama zat naast de platenspeler. Op de grond lagen verschillende platen. Mama koos een Spaanse plaat omdat de zon scheen. Marcel zijn ogen stonden wijd open toen mama het bruine deksel opende en de grote zwarte schijf neerlegde. En ook ik keek nieuwsgierig hoe ze voorzichtig de naald op de plaat zette. Eerst was er geen geluid, enkel een zacht geruis van het draaien van de plaat en een beetje gekraak van de naald. Maar dan werd de hele ruimte gevuld met Spaanse klanken en pakte mama mij vast om te dansen. Mijn hartje danste van geluk. Mama zegt dan dat ze gelukkig wordt als mijn ogen zo stralen. En dan stralen ze nog meer.  Mama kijkt er al naar uit om ons al haar oude plaatjes te leren kennen. En ook de radio vindt ze geweldig. Die radioknoppen doen haar denken aan de radio van marraine, die nu bijna 100 jaar is. Je hoeft maar aan die ene grote knop te draaien om de post te verzetten en je kan gemakkelijk zien hoever je moet draaien, want een plastic stokje verschuift langs een lijn met nummertjes zoals een meetlat die we in de klas hebben. Geen felle lichtjes of een afstandbediening met teveel kleine knopjes, maar gewoon één grote draaiknop. Mama houdt van simpele dingen en ze zegt dat we tijd moeten nemen om te luisteren en te kijken. Dat doen we te weinig zegt ze, gewoon kijken en luisteren. Het is zoals met haar oude walkie-talkie. Die vindt ze veel leuker dan een gsm. Bij een walkie-talkie kan er maar één persoon tegelijk spreken, de andere moet luisteren. Pas als de persoon die spreekt “over” zegt, krijgt de andere de kans om iets te zeggen. Dat vraagt soms heel veel geduld. En het duurt zo lang, maar het is wel spannend om te wachten tot het jouw beurt is. Met een gsm kan je elkaar continu onderbreken, je kan spreken wanneer je maar wil en het gaat allemaal sneller. Ik vind een gsm wel gemakkelijk, maar voor mama gaat een gesprek soms te snel, want als ze de telefoon neerlegt weet ze niet meer wat er gezegd is. Daarom telefoneert ze niet zoveel. Ik wel, ik praat graag. Papa vindt me een kwebbelkous. Maarzet me naast een oude platendraaier en je hoort me niet meer hoor. Dan word ik een mini-versie van mama en vloeit er soms een traantje van geluk.

Fien SB
13 2

Het prinsesje met de zonnebril (GEZOCHT: ILLUSTRATOR)

1.        Er was eens een prinsesje genaamd Roos, waar elk spiegeltje aan de wand voor koos.   Op de vraag ‘wie is er de mooiste van het land?’ was er nooit enige discussie aan de hand.   Hierover bestond een algemeen akkoord: zíj was de enige in haar soort.   2.        Nu moet je jezelf afvragen ‘wat is het dat telt?’, het is niet alleen wat je ziet waardoor je hartje versnelt.   Haar rijkdom was enorm, en haar macht was groot, maar zo het er naar uitzag, zou ze alleen zijn tot haar dood.   Haar enige vriend was de eenzaamheid, want iedereen werd verblind door haar schoonheid.   3.        Vele edelmannen gingen naar haar kasteel hoog op een rots, kwamen aan met grote ijdel, maar vertrokken zonder trots.   Ze werd bezocht door knappe prinsen uit verre landen, maar allemaal stonden ze voor haar met hun mond vol tanden.   Waar was toch die prins op een wit paard, die haar schoonheid evenaart?   4.        Voor een normaal bestaan zou ze alles geven, op deze manier kon ze niet langer leven.   Ten einde raad schreeuwde ze luid, de volgende onheilspellend woorden uit:   “Ik wil zo graag mijn schoonheid kwijt, het is nu al zó lang dat ik er onder lijd.”   5.        Een slechte heks had haar smeekbede gehoord, sloop het kasteel binnen en nam het woord:   “Lief meisje, ik zal je mijn gelaat geven, maar in ruil moet jij wel 10 jaar zonder spraak leven.”   Diep bedroefd door een vriendeloos bestaan, besloot het prinsesje op het voorstel in te gaan.   6.        Als bij toverslag veranderde ze in een lelijk vrouwmens, ze keek in de spiegel en had meteen spijt van haar wens.   Het duurde niet lang voor de heks weer verdween, maar eerst zei ze nog iets heel gemeen:   “Nu ben jij lelijk en ik prachtig, jouw uiterlijk maakt mij almachtig.”   7.        Net te laat kwamen de bewakers binnen gerend, en in de troonzaal troffen ze enkel iemand onbekend.   Ze herkenden Roosje helemaal niet, al wat ze zagen was een lelijke griet.   En omdat ze geen klank meer kon uitten, lag Roosje al snel met haar klikken en klakken buiten.   8.        Eerst wist ze met haar schoonheid en geld geen blijf, nu had Roosje alleen nog de kleren aan haar lijf.   Nog steeds alleen, maar nu ook stom en met een misvormd gelaat, moest Roosje zien te overleven op straat.   Elke dag moest ze bedelen om rond te komen, van haar vroegere bestaan kon ze alleen nog maar dromen.   9.        Iedereen die haar passeerde keek op haar neer, met uitzondering van één vriendelijke jongeheer.   Er was enkel medelijden in het begin, maar al snel werd het lelijke eendje zijn vriendin.   Het was een vriendschap die niemand had kunnen voorspellen, probeer maar eens iets zonder klank te vertellen.   10.    Gelukkig was het zo, dat na verloop van vele jaren, de twee vrienden leerden spreken met gebaren.   Een taaltje waar niemand anders iets van verstond, met gebruik van handen en zonder mond.   Over haar afkomst heeft ze echter nooit iets gezegd, zo was de vriendschap zeker oprecht.   11.    Week na week groeiden ze naar elkaar, tot de dag na het tiende jaar.   Roosje zou eindelijk met hem kunnen spreken, spijtig genoeg had het lot het anders bekeken.   Haar enthousiasme sloeg al snel om in verdriet, want net die dag verscheen de jongeman niet.   12.    Dat de jongeman werkelijk een prins was hield hij liever geheim, omdat hij anders niet bij iedereen zichzelf kon zijn.   Hij was opgeroepen ten strijde de voorgaande nacht, omdat zijn koninkrijk was aangevallen door een duistere macht.   En als prins heb je nu eenmaal de verantwoordelijkheid, om je leger te leiden in de strijd.   13.    De aanvaller was een kwaadaardige heks met een leger almachtig, niet alleen was ze heel mooi, maar ook heel krachtig.   Ze verblindde haar tegenstanders met haar schoonheid, gepaard met haar tovenarij won ze zo elke strijd.   Ze trok door het land en wou alleenheerschappij, iedereen had schrik en was de wanhoop nabij.   14.    Maar in dit verhaal is er ook een goede tovenaar, uiteraard met een lange baard en spierwit haar.   De prins liet zich betoveren om haar schoonheid te weerstaan, zo kon hij na al die jaren oorlog de heks toch neerslaan.   Door die slag werd niet alleen de boosaardige heks geveld, hierdoor werd ook aan al haar betoveringen een einde gesteld.   15.    Daardoor was het mooie prinsesje teruggekeerd, maar Roosje had haar lesje nu wel geleerd.   Vanaf nu droeg ze steeds een zonnebril, ook al was het buiten koud en kil.   Zo zorgde ze er voor dat iedereen haar kon aankijken, zonder voor haar pracht te bezwijken.   16.    Na de strijd keerde de moedige prins zo spoedig als mogelijk terug, op zoek naar het meisje dat leefde onder de brug.   De prins zocht overal en klopte op alle deuren, maar het meisje was nergens meer te bespeuren.   Radeloos besloot hij naar het kasteel te gaan, misschien wist daar wel iemand van haar bestaan.   17.    Zoals zovele prinsen hem voor gingen, mocht ook hij als adel de troonzaal binnen.   Hij herkende echter niet zijn vriendin de bedelares, want ze had nu terug het gelaat van een wondermooie prinses.   Gelukkig kon ze meteen alles verklaren, met slechts het gebruik van enkele gebaren.   18.    Op enkele seconden stond de prins heel dicht, en nam de zonnebril van haar gezicht.   Niet meer verhuld stond ons prinsesje daar, en toch kon de prins kijken naar haar.   Nog steeds betoverd kon hij haar aanschouwen, ook al was ze veel mooier dan andere vrouwen.   19.    Daardoor verloor de prins volledig het noorden, en nu kwam híj niet meer uit zijn woorden.   Hij deed  toen plots een eigenaardig gebaar, En iedereen in de troonzaal keek verbaasd naar elkaar.   Maar het prinsesje wist wat hij zei door zijn handen samen te vouwen: ‘Ik hou van jou, wil je met me trouwen?’     => Samenwerking met illustrator gezocht: iljavandenbergh@gmail.com

Iljavdb
14 2

Er was eens een kleine papegaai

Er was eens niet zo lang geleden en ook niet zo ver van hier een kleine papegaai. Hij heette Rikkie en woonde samen met zijn Mamagaai en broertjes en zusjes in een dierenwinkel. Ze floten en kwetterden er op los en als ze moe waren kropen ze allemaal dicht en knus tegen elkaar aan en vielen in slaap. Vijf pluizige bolletjes op een rij op een grote tak. En helemaal op het einde Mamagaai als trotse grote bol. Iedereen in de buurt kwam graag kijken naar de papegaaien. Want stuk voor stuk deden ze kunstjes en ze konden zelfs woordjes konden nazeggen. Rikkie was de beste van allemaal. Als de winkel ’s morgen openging, verwelkomde hij elke klant met een ‘goedemorgen’. Als de kinderen na schooltijd nog even naar de winkel kwamen, kreeg hij altijd gratis snoep omdat hij zo mooi ‘een snoepeke voor Rikkie’ kon zeggen. En hij kon zingen als een nachtegaal. De eigenaar verwachtte dan ook dat Rikkie snel verkocht zou worden. ‘Jij bent mijn goudhaantje’, zei hij altijd. Maar Rikkie raakte niet verkocht. Toen week na week een donzig felgekleurd broertje of zusje van de tak verdween om mee te gaan met een nieuw gezin, kon Rikkie zijn enige foutje niet meer verstoppen. Rikkie had maar één pootje. ‘Het is niet erg’, zei Mamagaai steeds. ‘Dan blijf je maar bij mij. Anders is mijn tak zo leeg.’ Maar de eigenaar dacht er anders over. Hij had plaats nodig voor nieuwe kleine papegaaien. En hij vond het niet fijn dat Rikkie met alle aandacht ging lopen. Iedereen kwam de winkel ingelopen om een praatje met Rikkie te doen, niet met hem. Hij haalde Rikkie weg uit de kooi en zette hem ergens achterin de winkel. Op het onderste rek bij het hamstervoer, zodat hij door iedereen over het hoofd werd gezien. Mamagaai miste hem, maar legde nieuwe eieren zodat ze vijf nieuwe vrolijke pluisbolletjes had om voor te zorgen. Op een dag kwam er een gezin naar de dierenwinkel. Ze wilde graag een papegaai voor hun dochtertje Amalia. De vijf papegaaitjes zongen om ter mooist en deden de meest acrobatische kunstjes. Ze slingerden aan een touw heen-en-weer, ze reden op een éénwielertje en hingen ondersteboven. Maar Amalia schudde bij elke papegaai haar hoofd. ‘Ze zijn te vrolijk’, zei ze. Vader en moeder wisten niet wat te doen. Daarom wilde Amalia toch net een papegaai? Om haar op te vrolijken? Amalia zat sinds een auto-ongeluk in een rolstoel en was ontroostbaar geweest nu ze niet meer kon turnen en fietsen. ‘Ik ga zelf rondkijken en een vriendje zoeken’, zei ze. ‘Ik weet dat er ergens op de wereld iemand moet zijn die me begrijpt.’ Ze bewoog met haar handen de wielen van haar rolstoel en reed voorzichtig door de winkelgang. Rikkie zag haar en zong het mooiste liedje dat hij kende. ‘Wie zit daar?’, vroeg Amalia. ‘O, dat is niemand. Gewoon een kapotte papegaai’, zei de winkeleigenaar. ‘Die wil ik zien’, zei Amalia, ‘want ik ben zelf ook een beetje stuk.’ Rikkie zong harder en Amalia stuurde behendig naar de hamsterkooien. ‘Dus hier heb je al die tijd gezeten’, zei Amalia, toen ze de felgekleurde vogel zag die fier op één poot stond. ‘Ik wist wel dat er ergens op de wereld een vriendje was dat bij mij paste.’ Ze opende de kooi en Rikkie sprong meteen op haar schoot, waar hij zich knus installeerde. En zo reed Amalia de winkel uit, met een pluizige bol op haar schoot die een liedje zong. Haar ouders probeerden haar bij te houden met een grote kooi in hun handen en een zak pinda’s. Mamagaai keek Rikkie na en was zo trots op haar zoon. Hij had de liefde van zijn leven gevonden. Iemand die even veel van hem zou houden als hij van haar. Dankzij Rikkie ontdekte Amalia hoe leuk het was om te zingen. Ze was niet meer verdrietig dat ze niet meer kon turnen en fietsen. Wat er verder van hen geworden is, weet ik niet. Maar hou de volgende jaren dan Belgian’s got talent maar in de gaten. Want ik ben zeker dat Rikkie en Amalia het nog heel ver gaan brengen. En nog lang en gelukkig zullen leven.   

Abetje
3 0

Aurora

Heel lang geleden viel er in het dorp een meisje uit de lucht. Ze plofte midden in het maïsveld van boer Boris neer. “Alle koeien nog aan toe”, vloekte de boer. “Waar kom jij vandaan?” Het meisje antwoordde niet. Ze keek verbaasd om zich heen en plantte haar vingers nieuwsgierig in de kurkdroge aarde. Haar goudblonde haren wiegden heen en weer, op het ritme van de wind. En in haar ogen schitterde een vurige gloed die boer Boris’ adem deed stokken. “Wat een vreemd geval”, mompelde hij. “Ze lijkt wel een elfje.” Hij grinnikte om zijn eigen woorden, want hij geloofde natuurlijk niet meer in sprookjes. “Komaan, opstaan”, zei hij nors tegen het meisje. “Ik breng je naar de burgemeester. Hij zal wel weten wat er met jou moet gebeuren.” Maar toen ze bij de burgemeester aanklopten, haalde die zijn schouders op. “Wat moet ik met dat meisje?” vroeg hij. “Ik ben burgemeester, geen babysit. Dat meisje viel uit de lucht, zei je? Breng haar dan naar Igor. Als er iemand veel over de lucht weet, dan is hij het wel. Hij vaart er elke dag in. Laat hem maar voor dat kind zorgen.” De boer bracht het meisje bij Igor, de ballonvaarder. Die woonde samen met zijn vrouw Freya aan de rand van het bos. Al jaren droomden ze van een dochter, maar het wilde maar niet lukken. “Eindelijk”, fluisterde Freya, “een kind!” Ze kneep in Igors hand. “Natuurlijk zorgen we voor haar. Toch, schat?” Igor knikte. “Uiteraard. Ons huis is groot genoeg voor drie.” Freya knielde en legde haar hand op de schouder van het meisje. “Je hoeft niet bang te zijn”, zei ze zacht. “Bij ons ben je thuis.” Toen ze weer op stond, zei ze tegen Igor: “Ze heeft koorts, denk ik. Ze gloeit helemaal. Ik breng haar naar haar slaapkamer, dan kan ze wat uitrusten.” Igor knikte en Freya leidde het meisje naar binnen. Toen hij zeker was dat het meisje hem niet meer kon horen, vroeg Igor: “Dus ze kan niet praten?” “Nee.” De boer rolde met zijn ogen. “Daar is ze waarschijnlijk te dom voor.” “Ach, ze begrijpt ons. Dat zie ik. En we zullen goed voor haar zorgen.” “Nou, als je maar weet dat ik het niet vertrouw. Zo’n vreemd meisje. Ze heeft vuur in haar ogen, zag je dat?” Igor knikte. Hij had de gloed ook gezien. “Vuur is gevaarlijk”, zei de boer. “Vuur brandt alles plat. Dus pas maar op!” Met grote passen liep de boer het huis uit, terug naar zijn boerderij. Igor keek hem zwijgend na. Misschien heeft boer Boris wel gelijk, dacht hij. Misschien verandert dit meisje al onze levens. Maar ach, zou dat zo erg zijn? Hij glimlachte en sloot zachtjes de deur. *** Igor en Freya lieten meteen al hun werk vallen om voor het meisje te zorgen. Freya bakte een lekkere appeltaart en Igor stikte vrolijke jurkjes. Het meisje genoot zichtbaar van al die aandacht en haar lippen plooiden zich voor het eerst tot een voorzichtige glimlach. De harten van Igor en Freya begonnen te gloeien. En ze hoopten. Dat dit hun meisje was. Dat ze voor altijd bij hen mocht blijven wonen. En ze gaven haar een naam: Aurora. Die avond gebeurde er iets geks. Toen Igor naar buiten ging om de was van het droogrek te halen, stond de zon nog altijd hoog aan de hemel. En daar bleef ze staan, ook toen Freya de gordijnen van het slaapkamerraam sloot. “Wat vreemd”, mompelde ze. “Het is nog geen spatje donkerder dan vanmiddag.” Igor haalde zijn schouders op. “Trek het je niet aan”, zei hij geeuwend. “Straks zal de zon wel ondergaan. En morgen doet ze weer normaal.” Maar ook de volgende nachten bleef de zon schijnen. In het begin vonden het mensen het nog leuk. “Nu kunnen we ’s avonds lekker lang barbecueën”, zei de slager tegen zijn klanten. “Klopt”, knikte mevrouw Toertjes, zijn vrouw. “En ’s morgens word je altijd gewekt door heerlijke zonnestralen. Zalig!” Ook Igor was blij. Elke avond stond er een lange rij mensen aan hun deur. Die wilden allemaal een ballonvaart na middernacht, want dat leek hen bijzonder. Maar Freya maakte zich zorgen. Niet over de zon, maar over Aurora. Ze had het nog altijd gloeiend heet, ook al leek ze niet ziek. “Ach”, zei Igor. “Ze heeft gewoon wat frisse buitenlucht nodig. Ik neem haar elke avond mee voor een tochtje met de luchtballon. Daar zal ze van opknappen.” Aurora vond het zalig om te vliegen. Hoe hoger de luchtballon steeg, hoe breder ze begon te glimlachen en hoe vuriger haar ogen schitterden. Haar vrolijkheid werkte zo aanstekelijk, dat Igor vaak in lachen uitbarstte. Als je hen toen had kunnen zien, dan had je gedacht dat ze écht papa en dochter waren. Zo leuk hadden ze het samen. *** Na enkele weken kregen de dorpsbewoners het lastiger. Door al dat licht konden ze ’s nachts de slaap niet meer vatten. “Die joelende kinderen”, zeurden de oudere mensen. “Die blijven allemaal te laat op en maken ontzettend veel kabaal!” “Mijn klanten hebben geen geduld meer”, zuchtte de slager tegen zijn vrouw. “Alles moet snel-snel-snel. Ik kan er niet meer tegen!” Ook boer Boris had het moeilijk. “De koeien zijn in paniek”, vertelde hij aan Igor toen die een kilo aardappelen kwam kopen. “En nu weigeren ze melk te geven. Een echte ramp! En dat allemaal sinds …” Boer Boris stopte abrupt met praten en kuchte ongemakkelijk. Maar Igor wist wat hij had willen zeggen. Hij had het de andere dorpsbewoners ook al horen fluisteren. Het was allemaal begonnen toen Aurora in hun dorp was beland. Iedereen dacht dat het haar fout was.   Die avond stond er geen lange rij mensen voor de deur van Igor en Freya. Niemand wilde nog een ballonvaart maken. Omdat ze boos waren, wist Igor. Boos op Aurora. “Freya”, zei Igor toen ze in bed kropen. “Denk jij dat Aurora … dat het haar fout is dat de zon niet meer ondergaat?” Freya legde haar leesboek op het nachtkastje en keek Igor strak aan. “Nee. Ik denk niet dat het haar fout is.” Igor zuchtte opgelucht. “Maar”, voegde ze eraan toe, “ik denk wel dat haar komst er iets mee te maken heeft. Er is iets met dat meisje en de zon. Dat merk je toch ook in de luchtballon? Hoe dichter jullie bij de zon varen, hoe leuker ze het vindt. Maar maakt het iets uit?! Zij is gelukkig hier. En wij vinden haar een schat van een meisje. Dan is het toch niet erg dat de zon wat vaker schijnt?” “Maar zo denken de andere dorpsbewoners er niet over”, antwoordde Igor. “Ze zijn boos op Aurora. Door al dat zonlicht zijn ze doodmoe.” “Ach”, zei Freya. “Die boosheid waait wel over, je zal wel zien. Ze kunnen toch niet kwaad blijven op zo’n lief meisje.” Ze gaf Igor een zoen, ging op haar zij liggen en sloot de ogen.     *** Maar de boosheid waaide niet over. Integendeel, de mensen werden kwader en kwader. Tot ze op een dag zo woedend waren dat ze naar de burgemeester stapten. “Dat kind moet weg!” gilde mevrouw Toertjes. “Ja”, riep boer Boris luid. “Mijn koeien worden gek. Als dat meisje niet weggaat, dan geven ze nooit meer melk. Dat wilt u toch niet?” “Nee, nee”, schudde de burgemeester zijn hoofd. “Natuurlijk wil ik dat niet.” Hij keek de dorpsbewoners één voor één aan. Ze zagen er ontzettend moe uit. En radeloos. Alles wat voordien zo simpel leek, lukte nu niet meer. De bakker had gisteren per ongeluk zand door zijn brooddeeg gemengd. De slager kafferde elke klant uit. En de kapper knipte in iedereens oren. Met opzet. Zo kon het niet langer blijven duren. “Beste burgers”, zei de burgemeester plechtig. “Jullie hebben gelijk. Dat meisje had blij moeten zijn dat ze bij ons terecht kwam. We gaven haar onderdak en eten. We namen haar onder onze vleugels. En wat krijgen we voor dank? Ze laat de zon nooit meer ondergaan. Dát hoeven we niet te pikken.” “Nee”, schreeuwden de dorpsbewoners in koor. “Dus”, ging de burgemeester verder, “nemen we het heft zelf in handen. Ze moet hier weg. Kom, volg mij!” De burgemeester trok met de woedende dorpsbewoners naar het huis van Igor en Freya. Die waren net de luchtballon aan het klaarmaken voor een tochtje met Aurora. Het meisje zat al klaar in de ballon. “Igor”, riep de burgemeester van ver. “Halt!” Igor en Freya draaiden zich geschrokken om. Ze zagen de woedende dorpsbewoners op hen afstormen en hadden maar één seconde nodig om te weten wat ze moesten doen. Freya ging wijdbeens voor de luchtballon staan. En Igor sprong in de mand, klaar om met Aurora de lucht in te vliegen. Maar Aurora begon tegen zijn kuit te stampen. “Aurora, stop!” schreeuwde Igor luid. “Ik probeer je alleen maar te helpen.” Maar Aurora bleef hem wild schoppen. De burgemeester stond ondertussen ook bij hen en schudde zijn hoofd. Hij draaide zich om naar de dorpsbewoners. “Kijk nu! Ze is een echte duivel. Ze schopt en slaat zelfs de mensen die haar in huis haalden.” Freya negeerde de burgemeester en zei tegen Igor: “Ze wil niet dat je haar helpt. Ze wil alleen vertrekken.” “Hoezo? Ze kan toch niet …” Maar Freya legde haar hand op Igors arm. “Vertrouw haar. Ze weet wat ze doet.” Met tegenzin kroop Igor uit de luchtballon. Hij ging naast Freya staan, die Aurora liefdevol aankeek. En langzaam begon de luchtballon op te stijgen. “H-h-hoe kan dat nu?” zei Igor geschrokken? “Hoe doet ze dat?” “Zij doet niets”, antwoordde Freya rustig. “Het is haar mama.” En ze knikte naar de zon. “Ze gebruikt de wind om haar dochter naar huis te krijgen.” “Wat een onzin”, zei de burgemeester en hij rolde met zijn ogen. Maar de luchtballon vloog hoger en hoger. Steeds dichterbij de zon. En toen ze zo hoog was dat de dorpsbewoners enkel nog een ver stipje aan de hemel zagen, begon Aurora te zingen. Een warm, woordeloos lied dat een deken van troost over Igor en Freya legde. De krekels in het bos begonnen zachtjes te tjirpen. Een uil vloog op uit zijn nest, op zoek naar een avondmaal. En de zon verdween stilletjes aan de horizon. Eindelijk. Freya veegde een traan van haar wang en kneep zacht in Igors hand. “Kom”, fluisterde ze. “We gaan naar binnen.” En terwijl de dorpsbewoners nog altijd met open mond naar boven staarden, trokken Igor en Freya stil de deur achter zich dicht.

Lann
0 0

Groen licht.

Amélie staart voor zich uit. Als je in haar ogen kijkt, zie je niet zoveel, maar in haar hoofdje is het erg druk. Daar denkt ze aan bijen en aan hoe die honing maken. Dat had ze gisteren aan haar vader gevraagd en die vertelde dat bijen, net als kinderen, heel graag snoepen en dat bloemen voor bijen zijn wat koeken voor kinderen zijn: het aller heerlijkste ter wereld! ‘En als bijen dan bloemen eten,’ ging haar vader verder, ‘dan plakken hun pootjes, zoals jouw handjes plakken als je koek en snoepjes eet. Met die plakpootjes maken bijtjes honing!’ Amélie wordt uit haar dagdroom weggerukt wanneer ze juf Liesl hoort zeggen dat ze straks binnen en niet buiten mogen spelen. Ze had zo uitgekeken naar de speeltijd om naar de bijen te gaan kijken die zoemen rond de bloembakken aan de schoolpoort. Ze wilde voelen hoe hard hun pootjes plakken en plande minstens één bijtje interviewen om te vragen welke bloem haar lievelingskoekje is. Interviewen, dat woord leerde ze ook van haar vader, die doet dat elke dag, maar met mensen, niet met bijen. Maar nu moeten ze dus binnen blijven. ‘Maar waarom binnen juf?’ vraagt Amélie. ‘Omdat het gaat onweren,’ antwoordt juf Liesl. ‘Hoe weet je dat juf?’ onderbreekt Amélie een ander kindje dat net wilde vragen of ze binnen dan op stelten mochten spelen. ‘Dat kan je zien aan de lucht, Amélie, je kan zien dat het gaat onweren aan de groene lucht.’ ‘Waarom is de lucht groen als het gaat onweren, juf?’ Juf Liesl aarzelt, haalt haar schouders op, dan gaat de bel. ‘Dat weet ik niet, Amélie, maar geloof me nu maar en blijf binnen spelen.’ Wanneer ze ’s avonds thuiskomt, besluit Amélie aan haar vader te vragen waarom de lucht groen wordt als er onweer aankomt. ‘Da’s heel simpel, meisje,’ zegt haar vader, ‘de lucht wordt groen als er onweer op komst is, omdat de grassprietjes dorst hebben als het warm is en blij zijn als het gaat regenen. Grassprietjes die blij zijn, die glunderen en je ziet het bijna niet, maar glunderen geeft licht! Grasgoen licht! En dat licht dat kleurt dan de lucht.’ ‘Wat leuk,’ denkt Amélie en ze vraagt zich af of zij ook soms glundert. ‘Ja, ook jij kan glunderen,’ zegt haar vader, ‘en als mensen glunderen, dan geven hun ogen licht.’ ‘Wauw,’ denkt Amélie. Ze springt van vaders schoot en besluit morgen aan juf Liesl te vertellen over gras dat glundert en ogen die licht geven en ook dat haar vader echt alles weet. De volgende dag op school lijkt juf Liesl zo druk dat Amélie niet zeker weet of er nog plaats is in het hoofd van de juf om wat meer te leren over gras en ogen die met hun licht de lucht inkleuren. Ze denkt dat het beter is nog eventjes te wachten om haar nieuwe weetjes met de juf te delen. Na deze les misschien... In plaats daarvan probeert ze dan maar op te letten. Nu Amélie beter luistert naar wat de juf aan het vertellen is, merkt ze op dat de les gaat over de mensen die haar vader altijd interviewt. Mensen die niet meer in hun huis kunnen blijven wonen of zelfs niet meer in hun land kunnen blijven wonen, omdat er in hun land heel veel gevochten wordt en het daar gevaarlijk is. Haar vader had al vaak over deze mensen verteld en nu Amélie daaraan denkt, herinnert ze zich dat haar vader één keertje niet alles wist. Dat was toen ze hem vroeg waarom sommige mensen in dit land niet willen dat mensen die vluchten naar ons land komen. Haar vader zei toen dat de mensen die dat niet willen bang zijn van de mensen die van een ander land naar ons land komen, zoals zij soms ook bang is. ‘Zoals vroeger, papa?’ vroeg Amélie, ‘van de monsters onder mijn bed?’ ‘Precies,’ zei vader. ‘Maar, papa, die monsters waren toch niet echt?’ ‘Nee, precies,’ zei vader nog een keer, maar hij leek niet echt goed op te letten, vond Amélie. ‘Paaap, die monsters waren toch niet echt? Zijn grote mensen dan ook soms bang van dingen die niet echt zijn?’ ‘Dat zijn ze zeker, lieveling,’ zei haar vader. Hij haalde diep adem en zuchtte, dat weet Amélie nog goed. ‘Maar het is ook wel echt, waar die grote mensen bang voor zijn, soms is iets echt en ook niet echt tegelijk, soms is het allemaal heel ingewikkeld.’ Amélie begreep niet goed wat haar vader wilde zeggen, maar misschien konden ze samen wel een oplossing bedenken. ‘Wat kunnen we dan doen, papa, om de mensen te helpen die een nieuw land zoeken en om de mensen te helpen die bang zijn om hun land te delen?’ ‘Dat weet ik niet goed, meisje. Ik weet het niet meer zo goed…’ ‘Ik weet het wel, papa! We kunnen doen wat we met de monsters deden toen die nog onder mijn bedje woonden! Een verhaal voorlezen!’ ‘Da’s waar, meisje,’ zei vader, ‘we moeten verhalen vertellen, we moeten hun verhaal vertellen. We moeten hun verhaal blijven vertellen.’

Caroline Spaas
11 1

Hoe was het vroeger?

Overmorgen  vertrekken mijn vriend Joris en ik op zomerkamp. Wat hebben we er naar uitgekeken. Tot voor kort was het door het coronavirus niet zeker of het kon doorgaan. Onze ouders waren vroeger ook bij een jeugdbeweging.  Bij het nakijken van mijn spullenlijstje ontbreekt nog een zaklamp.  Pa zegt dat er boven op zolder in een kistje nog spullen van hem liggen van vroeger. Daar is vast nog een zaklamp bij maar dan moet ik er wel batterijen in stoppen. Dit kistje heb ik nooit eerder opgemerkt en bij het openen val ik van de ene verbazing in de andere. Niet alleen zijn uniform ligt er in maar ook een echt Zwitsers zakmes en een aantal namaak gouden en zilveren medailles met een soort diploma van ‘Kerel die het hoogst in de boom klom’. Gek dat pa hierover nooit verteld heeft. Er liggen ook foto’s in van hem met zijn jeugdvrienden. God, wat raar. Het is net of ik naar mezelf kijk. Onder de zaklamp vind ik  een schriftje.  Nieuwsgierig open ik het en lees: ‘Logboek van het tiendaagse Zomerkamp in Limburg.’ Eerst staat er te lezen hoe  het kamp werd voorbereid en wat er zoal gepland werd. Zo staat er op woensdag: ‘Surprise’ vermeld en op donderdag: ‘Frietjes en appelmoes op het menu!’ Dat is blijkbaar in al die jaren hetzelfde gebleven want de liefde van pa voor frietjes is wereldwijd bekend en ook op ons kamp zal donderdag frietdag zijn. Dan volgt dag na dag een relaas van al wat er gebeurd is. Ik wil eerst weten wat die surprise wel kan zijn, blader snel naar de woensdag en lees:  ‘Nadat ik gisteren mijn verslag had geschreven hebben wij ’s avonds op de speelplaats van het nabijgelegen schooltje nog een spel gespeeld waarbij wij om beurten rond de koer moesten rennen. Het was al donker maar er waren enkele felle spots die alles verlichtten. Door de schaduw van een afdakje had ik een rand van de stoep niet gezien en verzwikte ik mijn linkervoet. De EHBO-man van dienst heeft naar mijn enkel gekeken en er wat zalf op gedaan. Dat moest volstaan, zei hij.’ Als we al eens samen gaan wandelen, weet ik dat papa soms na een tijdje klaagt over zijn enkel. Vragen wij dan wat er scheelt antwoordt hij steevast dat het iets van lang geleden is. Ik lees verder: ‘Vanmorgen zijn wij zeer vroeg opgestaan. Er wordt ons meegedeeld dat de verrassing,die wij ons heel anders hadden voorgesteld, een voettocht is van om en bij de 50 km. Er zullen vijf bemande controleposten zijn die wij moeten zoeken om er een attest te krijgen. Per persoon zijn er twee halve liter waterflesjes. Op de posten krijgen wij opnieuw water en een stuk fruit. Op de tweede post krijgen we iets om te eten.  Er zijn vijf teams van zes man.  Elke groep heeft een verschillende route en krijgt een stafkaart met de uitgestippelde weg. Uitzonderlijk kan het zijn dat teams elkaar ontmoeten bij een van de controlepunten. De eerste opdracht luidt dat de ganse tocht met het voltallige team moet worden beëindigd. De tweede opdracht is om het eindpunt zo snel mogelijk te bereiken. Voor de winnaars is er morgen na de frieten opnieuw een ‘verrassing’! Wij vertrekken om 8:00 uur stipt. Aan een tempo van gemiddeld 5 km per uur, korte pauzes aan de controleposten inbegrepen, moet het dus mogelijk zijn om tussen 18:00 en 19:00 uur aan te komen. Wij hebben een systeem gevonden om hetzelfde ritme te houden door achter elkaar te stappen. Om de twee kilometer loopt iemand anders op kop. Het is fris in de morgen en af en toe zet iemand een marsliedje in. Dat helpt om het tempo aan te houden. Rond kwart voor tien zijn we bij de eerste controlepost, waar iemand van de leiding ons een kaart geeft met vijf vakken. Hij noteert de aankomsttijd in het eerste vak en zet er een stempel op. Dan stappen wij verder. Waar wij eerst vooral op veldwegen liepen gaat het nu over bospaden. Heerlijk, de geur van een dennenwoud in de morgen. De koploper stopt bruusk en wij knallen tegen elkaar aan. Hij heeft verderop een hert zien lopen. Tof man, maar daar hebben wij nu geen tijd voor. Wij willen er alles aan doen om de tweede post voor twaalf uur te bereiken. Het bospad gaat op en neer en vooral op enkele steile hellingen komen wij traag vooruit. Bij het afdalen hebben wij de neiging om te gaan rennen maar we beseffen al snel dat het niet zo een goed idee is. De man die het plan in handen heeft zegt dat wij bij het buitenkomen van het bos de tweede controle moeten zien.  Het is al zeven over twaalf als wij het bos uitkomen en gelukkig, daar bevindt zich de volgende halte.  Wij krijgen er proviand en drinken en besluiten niet te dralen om tijd te winnen.  Vanaf nu zal het er niet makkelijker op worden. Een uur later zucht iemand: ‘Oef, wij zijn halfweg’. Dat betekent dat wij al vijfentwintig kilometer achter ons hebben zonder een levende ziel tegen te komen, behalve die ree natuurlijk. Hebben dieren een ziel? Aan dierenleven ontbreekt het anders niet onderweg. Waterplassen met libellen, geluiden van tokkende spechten in het bos, koeien met kalfjes in de weiden. Op vele plaatsen worden wij verleid om halt te houden maar we mogen ons niet laten afleiden. Aan een vijver staat een bank. Daar verorberen wij onze boterhammen. Een moeder eend doet alle moeite om haar vijf kuikens bij elkaar te houden. Iemand lacht: ‘Die sloebers lijken wat op ons.’ Een blauwe reiger scheert over onze hoofden het water in en wij vervolgen onze tocht. Met lood in de schoenen halen we zwaar hijgend de derde controlepost.  Het is net twee uur voorbij wanneer wij weer vertrekken. Dat betekent dat wij weer helemaal op schema zitten. Het geeft iedereen nieuwe moed. Maar dan voel ik plots de pijn in mijn enkel. Tot nu toe was ik een beetje vergeten dat ik die gisteravond bezeerd had. Ik verbijt de pijn en laat vooral niets merken aan de anderen. Gelukkig heb ik net voorop gelopen en kan ik nu achteraan stappen, waar het niet zo opvalt dat ik af en toe begin te hinken. Wanneer de volgende koploper achter mij aansluit vraagt hij wat er is.  Ik zeg dat ik wat moe wordt maar dat het wel voor iedereen zal gelden. Ondertussen is het heet geworden en op veldwegen schijnt het zonnetje op onze krullenbolletjes. Haha, grapje! Het is kwart over vier wanneer wij eindelijk bij de vierde controlepost toekomen. Wij zien hoe een andere ploeg net verder trekt in de richting waar wij vandaan kwamen. Ze zien er nog fris uit en begroeten ons hartelijk. Er staat een auto bij de controlepost en gelukkig heeft men een wasteil en waterbidons meegenomen waardoor ook wij ons kunnen opfrissen. Een van de kameraden zegt tegen een leider dat hij naar mijn voet moet kijken. De man staat versteld als hij mijn blauw uitgeslagen dikke enkel ziet en begrijpt niet hoe ik het zo lang heb uitgehouden. Hij stelt voor om met  hem met de wagen terug te keren naar het kamp, maar nu wij zover geraakt zijn wil ik de tocht mee afmaken. Ik moet mijn voeten in koud water baden en dan doet mijn verzorger er een verkwikkende zalf op en verbindt mijn enkel. Mijn metgezellen profiteren van het moment en zitten naast elkaar met de blote voeten in een kabbelend beekje naast de weg. Een twintigtal minuten later zijn we terug op weg. Ik voel mij als herboren en stap nu resoluut op kop.  Ik zet er stevig de tred in want door mijn schuld hebben wij veel tijd verloren. Kop op, het zijn de laatste tien kilometers. Het is kwart na vijf wanneer wij in een bos een korte rustpauze nemen.  Iedereen is bekaf. Mijn voet begint mij terug parten te spelen. Wanneer ik opsta kan ik haast niet rechtop blijven.  Ik hink en zoek een stevige stok om mij te ondersteunen. Mijn kameraden zien dat ik bijna niet meer vooruit geraak. Ik stel voor dat ze mij achterlaten en mij later laten oppikken met de auto. Dat willen ze niet want als we niet in de tweede opdracht slagen om als eerste toe te komen willen wij absoluut de eerste opdracht halen en die is om met het ganse team de eindmeet te halen. Een vlucht vogels hoog in de lucht herinnert er ons aan hoe belangrijk het is om samen te blijven. Er wordt afgesproken dat telkens twee vrienden mij zullen ondersteunen en na elke kilometer zullen ze elkaar aflossen, ook al zijn ze allemaal zelf aan het eind van hun krachten. Gelukkig is het iets koeler geworden en kunnen we in de schaduw van de rij bomen lopen die nu langs onze route staan.  De steun van de armen van mijn vrienden helpt mij om de pijn te verbijten, maar wij vorderen veel te langzaam. Het afgelopen half uur zijn we maar één kilometer opgeschoten. Aan dit tempo moeten wij nog minstens twee uur lopen. Wanneer wij even later een barak zien waar houten planken en stokken liggen opgestapeld, heeft iemand het idee om een soort draagstoel te sjorren met touw dat hij toevallig in zijn rugzak meenam. Als meester sjorders lukt het hen snel om tot een resultaat te komen dat voor de dragers en voor het slachtoffer, ik dus, comfortabel lijkt.  De vrienden maken er een spelletje van en gaan met elkaar in de clinch om als eerste de stoel te mogen dragen. Ik hoef niet meer te stappen waardoor de pijn draaglijker is geworden. De vermoeidheid slaat hard toe maar door het enthousiasme van mijn kameraden gaat het nu heel wat vlotter. Toch hijgen mijn slaafjes alsmaar meer wanneer ze mij dapper voortdragen. Om zeven uur ’s avonds rest ons de laatste kilometer.  Iedereen sleept zich voort en om er de moed in te houden haal ik mijn beste grappen boven.  Ik schat dat wij nog een honderdvijftig meter van het eindpunt vandaan zijn wanneer ik de overige ploegen met de leiding naar ons zie uitkijken. Ze komen ons tegemoet en tillen mij met wel tien man uit mijn draagstoel. Mijn kameraden krijgen van iedereen schouderklopjes. Wij hebben het gehaald.’ Wanneer ik het boek sluit lopen twee dikke tranen over mijn wangen. Dus zo ging het er vroeger aan toe, denk ik.  Ik ben fier als een gieter op mijn papa  en vertrek twee dagen later met Joris op zomerkamp. Mijn kameraden zullen op mij kunnen rekenen. Dat staat vast.      

Vic de Bourg
51 3