Zoeken

Villa Pannenkoek en zo

Ge kunt dat! zeg ik tegen mezelf. Ge kunt. Ge kunt, omdat het moet. Ge wilt. La puissance de volonté. Ge wilt en ge moet. Ik ga een kinderboek schrijven. Dat zal wel lukken. Oefen. Experimenteer. Schrijf! Schrijf! Schrijf! Beduvel uw eigen kritikaster.    Villa Pannenkoek In villa Pannenkoek loopt alles fout. Oma is eenzaam en boos. Zoon Toon doet zijn best. Rocky de teckel is doof. Kanariepiet Piet is blind, maar muzikaal geschoold. Kleinkind kolonel Kivit is sterk en slim. Muilezel Nick doet AI in plaats van IA. De Koe van de Koestraat geeft geen melk. Ze werkt als flexi-jobber in de HORECA. De Koe van de Koestraat is ook gewoon een mottige doos. Hoofdstuk 1. Heeft zoon Toon longkanker? De huisdokter zegt: 'Quid?' De radioloog zegt: subtiele dunne bandvormige verdichting rechts basaal. DD atelectatisch, sequelair na eerder infiltraat. Zoon Toon zegt: 'Wat heeft dat te betekenen?' Sinds toen heeft hij een geheim. Hij maakt tekeningen met de letters en woorden 'Van sigaretten ga je dood.' Hij rookt al vijfendertig jaar. Vies. Bah. Hoofdstuk 2. Is Oma in staat zelfmoord te plegen? Neen, waarschijnlijk durft ze zelfs niet op de noodknop te duwen. Inloggen bij de bank lukt ook niet. Ze probeert te telefoneren met een gsm zonder SIM-kaartje in en geeft zoon Toon de schuld van alles. Haar TV en microgolfoven zijn stuk. De juffrouw die zorgt voor de service van de serviceflat heeft vakantie. Hoofdstuk 3. Waarom neemt kolonel Kivit zijn telefoon niet op? Geen idee. Hoofdstuk 4. Is de Koe van de Koestraat ooit verkracht? Ja, op een trouwfeest van een nichtje door een garçon.   Neen, denk ik. Dit snappen de kindjes niet. Het moet anders. Ik begin op nieuw. Vogel en vogeltje Ik ben een vreemde vogel. Ik eet graag vissen en chocolade. Soms verander ik van kleur en gemoed. Ik lust ook graag rode wijn en bloemkool. Vandaag regent het. Meestal schijnt de zon. Die lijkt dan op een pannenkoek aan de hemel. Vaak beleef ik leuke avonturen. Hier is er zo een. Op een morgen kwam er samen met de zon een andere vreemde vogel langs. Hij was moe en had zin in een sigaar. Ik nam de lichtbruine doos sigaren en gaf hem er een. Mijn luciferdoosje kon ik niet vinden. Ik zei: 'We zullen op zoek moeten gaan naar vuur.' Hij zei: 'Ja, is goed. Gaan we samen?' Ik zei: 'Ja, is goed.' We vlogen van de boom naar de dakgoot en terug. En terug van de boom naar de dakgoot en terug. De boom is een grote treurwilg. Plots begon de boom te praten. De boom zei: 'Jullie moeten de grote oceaan overvliegen naar het eiland Lapje LOem. Daar woont Koning Lucifer de lichtontvlambare. Hij kan jullie wel een doosje lucifers bezorgen.  Tot slot zei de boom: 'Het is die kant uit. Z bij ZO. Zuid bij Zuid Oost en hij wees met al zijn takken die kant uit. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot.  Plots begon de dakgoot te praten.  De dakgoot zei: 'Volgens mij moeten jullie de andere kant op. N bij NO. Noord bij Noord Oost.  Vogel en zijn vriend vogeltje keken elkaar verbaasd aan. Ik zei: 'Laat ons opnieuw aan de boom vragen welke kant het op is.' Hij zei: 'Ja, is goed.' En we vlogen naar de boom die ondertussen lelijk keek en zweeg. Ik vroeg: 'Welke kant is het uit?' 'Z bij ZO.' antwoordde de boom nors. Ik zei: 'De dakgoot beweert N bij NO.' 'Da's fout!' bulderde de boom bijzonder boos. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot na eerst een rondje rond de boze boom te hebben gedaan.  De hemel werd donker. Pikdonker. Pannenkoek zon verdween. De wolken werden zwart en het begon te regenen. Donder en bliksem sloegen toe.   Neen, denk ik. Dit boeit de kindjes niet. Het gaat ook te traag. Ik begin op nieuw.   Heleen en Coco in de Zoo of dierentuinen zijn gevaarlijk Heleen, de moeder van Coco, is moe en heeft geen zin. Vandaag staat de Zoo van Antwerpen op de planning. Coco kijkt daar al enkele dagen naar uit. Zoals iedereen weet zijn dierentuinen, net als pannenkoekenrestaurants, kinderlokkers. Allebei zijn ze grote trekpleisters. De olifanten, leeuwen, giraffes, okapi's, koala's, krokodillen, papegaaien, slangen, roofvogels, apen, … trekken de aandacht. Samenvatting: Heleen verliest heel even haar dochter uit het oog. De vierjarige klimt op een laag muurtje en over een plexiglas paneel en stort meters diep in het Gorillaverblijf. De klap is enorm. Coco blijft bewusteloos op de grond liggen. De omstanders kijken toe en Heleen is in paniek en schreeuwt het uit. Gorilla Gust, de grootste en brutaalste van het gorillaverblijf, stapt op het kind af. Het wordt een horrorscenario. Gust tilt Coco op en werpt ze enkele meters verder het verblijf in. Zijn vrouw, gorilla Binti Jua houdt de wacht aan de schuifdeur van de verzorgers, zodat er geen hulp voor Coco binnenkan. Ondertussen is Heleen ook het bewustzijn verloren door de stress. De brandweer en een dierenarts komen ter plaatse, maar zijn radeloos. Ondertussen gooit Gust Coco nogmaals enkele meters de hoogte in, waarna hij zich triomfantelijk op de borst klopt. En zo voort en zo verder. Dit verhaal eindigt met de zinnen: 'Ik zou zo graag pipi gaan doen.' En 'Op het kerkhof ruikt het naar frit.' Ik zei tegen mezelf:’Felix, het kan en moet beter!’ Yumi van de planeet Huppeldepup            Oma Ada rookt een sigaar in haar kamer in het rusthuis en praat tegen zichzelf. Ze is weduwe. Bompa dronk smeer -en lampenolie. Bompa is allang morsdood. “Dit is mijn favoriete pyjama! Ik vind vooral de kleur mooi. Het groen past helemaal niet bij het geel, maar hij is zo zacht.” Dokter Kunstvorlaget en een eigenaardig ding op kleine wieltjes komen plots binnen. “Ada, je mag hier niet roken. Verdomme. Dat weet je toch,” zegt hij boos. De dokter opent het venster. Oma: “Neen, niet doen. Het is veel te koud.” “Er hangt hier rook. Je moet af en toe je kamer verluchten, Ada,” zegt de dokter geïrriteerd.  “Ik heb goed nieuws. Je krijgt gezelschap,” vervolgt hij. Oma: “Ooh, hoe zo?” “Yumi, de robot zal vast en zeker een leuk vriendje worden. Het is een jongentje. Het is een humanoïde robot. Dat wil zo veel zeggen als: hij kan praten als een mens, hij kan lachen zoals een mens, … Alles wat een mens kan, kan deze robot ook. Hij komt helemaal uit Japonnnenland. Zeg eens iets Yumi.” Yumi: “Hallo, ik ben Yumi. Wat heb jij een leuke pyjama aan!” Yumi loopt, of beter, rijdt rond en maakt een piepend geluid. “Dat piepende geluid verdwijnt nog wel. Hij is nog spiksplinternieuw. Als hij bij jou blijft, wordt hij je beste vriendje.” beweert de dokter. “Hoe heet mijn nieuwe vriendje ook alweer?” vraagt oma Ada. De dokter en Yumi in koor: “Yumi!” “Ik heb ook nog slecht nieuws. De verpleegsters zullen minder vaak langskomen. Je kan vanaf nu met Yumi praten, lachen, turnoefeningen doen, tekenen en kleuren, spelletjes spelen, bijvoorbeeld vier op een rij, verstoppertje, Monopoly, klaverjassen, schaken, pingpong, ’schipper mag ik overvaren’, vogelenpik, dammen, tikketje, touwtjespringen, hoelahoepen, voetballen en tennissen, zwarten pieten, potteke stamp, Scrabble, Zeeslag en zo meer. “Yumi kan je ook helpen bij het aankleden, het wassen en als je naar de WC moet. Onze verpleegsters hebben helaas geen tijd meer voor jou.” gaat de dokter verder.   Dokter Vorlaget verdwijnt. Oma Ada kijkt naar de robot en probeert zijn naam te onthouden.   ‘Ja, dit wordt het!’ denk ik. Dit gaan de kindjes leuk vinden. ‘Ge kunt het!’ Ik neem me voor om ’s ochtends free writing oefeningetjes van dertien minuten te doen met ‘Yumi van de planeet Huppeldepup’ in mijn achterhoofd. ‘Dit wordt een prachtig kinderboek’ schrijf ik later in mijn dagboek. Ik ben opgetogen en content.                            

Hubert Grimmelt
0 0

Het boek van Wolfstee

Die dag fietsen Mare en ik pas veel later naar huis dan normaal.  De lucht voelt ook anders.  Alsof er iets staat te gebeuren.  Tegen dat we de brug aan de Nete willen oversteken is het al aan het schemeren. Het water ligt er stil bij.  De maan weerspiegelt op het oppervlak.  Plots zie ik iets, een klein lichtje. Bewegend boven het water. ‘Mare, kijk’ fluister ik. Ik wil me net naar haar omdraaien wanneer ik een zachte plof hoor, gevolgd door een vloek en dan een korte gil. Ik rem en gooi mijn fiets op de grond om te kijken wat er gebeurt is. Mare ligt languit op de grond, haar fiets bovenop haar. ‘Alles ok?’ Vraag ik haar voorzichtig. Een korte kreun is het antwoord. Ik neem de fiets van haar over en zie onmiddellijk het probleem.  Haar band is gescheurd. ‘Tanne …’ Mare brengt het er op fluistertoon uit. ‘Heb jij dat ook gezien?’ ‘Wat gezien?’ Vraag ik verbaasd. ‘Dat licht boven het water. Het zweefde boven de Nete. Plots vloog het mijn richting uit en een seconde later knapte mijn band. Het dringt tot me door dat ze hetzelfde lichtje bedoelt dan wat ik net ook zag.  Maar dat kan toch niets met haar band te maken hebben? Bedenkelijk knik ik ter bevestiging. We staren allebei naar de Nete, rechts van ons. ‘Kijk’ fluistert ze ‘daar heb je het weer.’  Het lichtje verplaatst zich nu richting de brug.  ‘Ik denk dat het wil dat we het volgen.’ Het geluid dat uit mijn keel komt klinkt erg schor. Alsof er een brok vastzit. Het kleine, magische, lichtje gaat nu richting het bos. ‘Maar, Tanne, het bos is donker en eng. Mama zegt altijd dat het gevaarlijk is in het bos wanneer het donker is. Dat mogen we echt niet doen.’  Ik zie de angst in haar ogen. Toch zegt alles binnen in me dat we het moeten volgen. ‘Kom’ ik neem haar hand vast ‘we gaan kijken!’ Ondanks de schrik die ze uitstraalt trek ik haar mee. De brug over, richting het bos. ‘Ik blijf bij je, er gaat ons heus niets gebeuren.’ Ik probeer mijn tweelingzus met een vastberaden gezicht aan te kijken. Om haar ervan te overtuigen dat ik zelf niet bang ben. Maar vanbinnen voel ik me net iets minder stoer. ‘En onze fietsen dan?’ Stamelt ze. ‘Die laten we hier wel liggen. Niemand komt hier als het donker is. We halen ze straks wel op.’ Zeg ik schouderophalend.  Terwijl we het bos inlopen schrik ik van iets dat rakelings voorbij me vliegt. Ik draai me om en zie een Havik op de grond zitten, tussen zijn poten zie ik nog net de staart van een rat bewegen. Ik voel Mare’s lichaam trillen maar toch besluit ik verder te wandelen. Het licht achterna. Wanneer het plots van het pad afwijkt twijfel ik toch even of we het wel moeten blijven volgen. De nieuwsgierigheid wint het van de angst en ik loop er achteraan.  Met een bevende Mare naast me. Zo diep zijn we nog nooit de bossen in gelopen. Zelfs niet op klaarlichte dag. Voor ons zie ik een klein houten huis, het lijkt uit het niets te verschijnen. Het ziet er erg oud uit. Met houten muren en een rieten dak. Ik zie één raam en een zware houten deur. Ondanks dat ik geen licht zie branden moet er wel iemand binnen zijn, want door de schoorsteen dwarrelt rook naar buiten. Het lichtje is vlak voor de deur gestopt. Mare grijpt mijn arm nog steviger vast. ‘Tanne’ haar stem is bijna geluidloos, ‘je gaat toch niet naar binnen gaan? Wie weet wie daar woont. Alleen een gek woont zo diep in het bos.’  Ik moet een glimlach onderdrukken voor haar woordkeuze, maar eigenlijk heeft ze wel een beetje gelijk, toch voel ik dat het moet. ‘Sorry zus, ik voel dat we dat toch moeten doen. Iets of iemand wacht op ons.’ Mijn stem klinkt vastberadener dan ik me voel. Terwijl ik de deur open duw zie ik het lichtje doven.  Binnen schijnt een lichte gloed. Hij is afkomstig van de open haard die zachtjes brand. Verder kan ik niets ontwaren. Ik zie niemand in de kamer dus doe ik een stap naar voren om beter te kunnen rondkijken. Mare volgt met op de voet. Achter haar valt de deur met een klap toe, waardoor ze een klein sprongetje maakt en tegen me opbotst.  Dan hoor ik een warme stem uit de hoek van de kamer komen ‘Welkom’. Het geluid vult de hele ruimte. De warmte ervan dringt door in mijn hele lichaam. Ik kijk opzij, naar Mare die naast me is komen staan. Ze staart me aan. In haar ogen zie ik een gloed waardoor ik weet dat ze het ook gevoeld heeft.  In mijn ooghoek zie ik uit het donker een kleine vrouw naar voren stappen. Ze draagt een lange jurk en haar grijze haar zit in een losse knot. En in het haar zie ik een kleine bril, met ronde glazen zitten. ‘Welkom Tanne, Welkom Mare’  ‘Hoe weet u onze namen?’ Stamel ik een beetje verbaasd.  ‘Ik weet veel Tanne’ antwoord ze met een warme stem. Dan stelt ze zichzelf voor. ‘Ik ben Josyne. En ik ben blij dat ik het bij het rechte eind had. Jullie zijn degene die ik zoek.’ ‘Degene die u zoekt?’ Het is alsof Mare uit haar angstige trance ontwaakt.  Haar stem is plots heel fel, en ik zie in haar ogen de nieuwsgierigheid opborrelen.  ‘Ja Mare, en het feit dat jullie hier staan, bewijst dat.’ ‘Heeft u ons dan naar hier gelokt?’ Nu ben ik het die op felle, verbaasde toon reageer. ‘Had dat lichtje er iets mee te maken?’ ‘Dat is inderdaad wat ik heb gedaan. Maar alleen doordat jullie de gave hebben konden jullie het lichtje zien.’ ‘Wat voor gave?’ Mare barst nu helemaal van de nieuwsgierigheid en kan zichzelf amper nog bedwingen. Ik merk aan haar houding dat ze nu het hele verhaal wil weten, alle angst lijkt verdwenen te zijn. ‘De gave die nodig is om mij op te volgen.’ De stem van Josyne klinkt nog steeds zacht en warm, maar ook erg uitgeput. Ik bekijk haar een beetje beter, het lijkt alsof ze in de laatste minuten ineens twintig jaar ouder is geworden. Plots ziet ze er heel oud uit. Haar schouders zijn gaan hangen, haar gezicht staat vol rimpels en haar grijze haar is spierwit geworden. Ze staat helemaal voorover gebogen en ik zie dat ze niet meer recht kan blijven staan. Snel neem ik de stoel die ik achter haar had zien staan en schuif hem dichterbij. Met een licht geforceerde duw dwing ik haar om even te gaan zitten. Met een plof laat ze zich vallen. ‘Dank je’ zucht ze vermoeid. ‘Het lijkt erop dat jullie net op tijd zijn. Ik heb alle kracht die ik nog in me had opgespaard tot ik jullie zou vinden.’  Ze draait zich om richting de hoek van de kamer en wijst ergens naar. ‘Neem dat boek eens.’ Ik loop in de richting naar waar ze wijst en zie een héél oud boek liggen. Er staan tekens op die ik niet kan lezen. Wanneer ik het wil vastnemen ontstaan er een soort gloed omheen. Het boek lijkt wel licht te geven. Snel trek ik mijn hand terug en kijk Josyne verbaasd aan. ‘Niet bang zijn.’ Hoor ik haar zwak zeggen ‘ dat is normaal, dat wil zeggen dat het boek nu bij jullie hoort. Het wordt jullie binnenkort allemaal wel duidelijk.’ Terwijl ze dat zegt sterft haar stem weg.  Toch een beetje angstig neem ik het boek op, ik wil me niet verbranden. Onmiddellijk voel ik de warmte door mijn lichaam stromen. Het is dezelfde warmte die ik daarstraks ook al leek te voelen. Ik loop er mee naar Mare, met een schittering in haar ogen kijkt ze me aan, alsof het de grootste schat is die ze zich kon wensen. ‘Mag ik het vasthouden?’ Fluistert ze. Snel geef ik het boek aan haar aan en draai me dan om naar Josyne voor meer uitleg.  Haar ogen vallen bijna toe van vermoeidheid. Mare ziet het ook en met het boek in haar handen geklemd stoot ze me aan. ‘Zullen we morgen terugkomen? Ze is doodop. Zolang ze geen fut heeft gaat ze ons toch niets meer vertellen.’ ‘Wat doen we met het boek?’ Fluister ik. ‘Meenemen’ ze zegt het zo kordaat dat ik er van schrik. ‘Ik voel gewoon dat het moet. Het boek wil het zo.’ Antwoord ze wanneer ze me bedenkelijk haar kant ziet opkijken. Een boek kan niets willen, wil ik nog antwoorden maar hou me snel in, want uiteindelijk voelde ik ook dingen die niet normaal zijn. Door mijn gevoel zijn we hier in het huis. Ik kijk nog even naar Josyne die in een diepe slaap lijkt te verkeren dus geef ik Mare gelijk en vertrekken we zo stil als we kunnen. Ik trek zachtjes de deur achter me toe en begin in het bos te turen naar de weg terug. ‘Ik heb geen enkel idee van waar we gekomen zijn’ zucht ik diep. Het bos strekt zich helemaal uit richting Vorselaar en Herentals. Ik zou niet weten welke kant ik op moet naar huis. Mare ziet mijn vertwijfelde blik en laat een diepe zucht ontsnappen. En dan roept ze plots enthousiast ‘Daar’ en wijst richting het bos. Ik volg haar hand en dan zie ik het ook, een klein lichtje tussen de bomen.’ Zou het ons de weg uit het bos wijzen?’ Vraagt ze. ‘Ik weet het niet, maar laten we het gewoon volgen. Zelf vinden we de weg toch niet terug. En als Josyne het lichtje gebruikte om ons hierheen te lokken dan gok ik dat ze er ook voor zal zorgen dat we terug naar huis raken.’  Het lichtje loodst ons tussen de bomen door, tot we terug op het pad zijn. Nog geen tien minuten later staan we opnieuw naast onze fietsen. Aan de rand van het bos. Het lichtje is verdwenen maar het boek dat Mare dicht tegen zich aandrukt is het bewijs dat dit geen droom was.

S.J. Elisa
8 0

Geluid in de schoorsteen

Het was een ijskoude, sfeervolle winteravond. Buiten gierde de wind om het huis en dwarrelden er dikke sneeuwvlokken naar beneden. Binnen was het juist heerlijk warm en gezellig. Sam en Beer zaten in hun pyjama voor de open haard. Ze vierden hun eigen kleine winterfeestje. Er stond een grote mok warme melk met een dikke laag slagroom op tafel, omringd door een schaal vol zelfgebakken kerstkoekjes. Net toen Sam een hap wilde nemen van een koekje in de vorm van een kerstboom, klonk er een angstaanjagend geluid uit de schoorsteen.KRAK! BOEM! SKIEEP-SKIEEP-FLAP! Sam liet zijn koekje van schrik in de melk vallen. "Beer... hoorde je dat?" fluisterde hij met grote ogen.Beer kroop dicht tegen Sam aan en hield zijn pluche oren vast. "Ja! Het komt uit de haard! Zou... zou het de Kerstman zijn die veel te vroeg is en klem is komen te zitten met zijn dikke buik?""Of een hongerig, harig schoorsteenmonster dat dol is op kerstkoekjes en warme melk?" beefde Sam. Het geluid werd steeds luider. KRAB-KRAB-KRAB. De spanning was om te snijden. Plotseling viel er met een enorme PLOF een gigantische wolk van zwart roet en as uit de schoorsteenopening, recht op het tapijt. Sam en Beer hielden hun adem in en deden een stap achteruit. Toen de zwarte stofwolk een beetje optrok, zagen ze een gedaante zitten. Het wezen was van top tot teen gitzwart. Zelfs de ogen waren nauwelijks te zien. Maar het wezen droeg geen rode kerstmanjas en het had ook geen monsterlijke klauwen. In plaats daarvan hield het een grote, felroze plumeau en een plumeauborstel vast. Het zwarte figuurtje knipperde met zijn ogen en schudde zichzelf uit, waardoor er nog een extra wolk roet door de kamer vloog. Hatsjoe!"Karel?!" riep Sam verbaasd.Het zwarte wezen glimlachte, waardoor er een rij witte tanden zichtbaar werd. "Hallo jongens! Ik dacht: het is winter, we stoken de open haard vaak op, dus de schoorsteen moet blinkend schoon zijn voor de gezelligheid. Ik ben via het dak naar binnen geklommen!" "Je bent helemaal zwart, Karel!" lachte Beer, wiens pluche buik weer ontspande. "Je lijkt wel een levend stuk steenkool!"Karel keek naar zijn eigen groene pootjes, die nu pikzwart waren. "Ah, een kleine beroepsdeformatie van een topassistent. Maar kijk eens hoe mooi schoon het daarboven nu is!" Hij liep direct naar de tafel, liet een zwart roetspoor achter op het kleed en nam een grote slok warme melk. Binnen een minuut had hij een witte melksnor over zijn zwarte gezicht.

Deejay
0 0

Metselen

In de achtertuin was het een drukte van jewelste. Meneer Metsel, een echte bouwer met een feloranje helm en een gereedschapsriem, was op bezoek. Hij had een grote kruiwagen vol met zware, rode bakstenen bij zich en een glanzende troffel. Sam en Beer stonden er met grote ogen naar te kijken. "Kijk eens jongens," zei meneer Metsel trots, terwijl hij op een baksteen tikte. "Als je deze recht op elkaar stapelt, kun je van alles maken. Wat zouden jullie willen bouwen?"Sam sprong in de lucht. "Wij gaan een reusachtig ridderkasteel metselen! Met een ophaalbrug en kantelen om te verdedigen!""Nee, een herrie-toren!" juichte Beer, die dol was op muziek. "Een hele hoge toren waar we bovenin op trommels kunnen slaan zodat de hele buurt het hoort!" Meneer Metsel knikte enthousiast. "Goed plan. Laten we beginnen. Ik ga het cement mengen om de stenen aan elkaar te lijmen." Hij liep naar zijn kruiwagen, maar bleef toen plotseling verbaasd staan. Hij krabde op zijn oranje helm. "Hé... dat is vreemd. Mijn grote zak met cementpoeder is weg. Ik weet zeker dat ik hem hier had neergezet."Zonder cement konden de stenen niet blijven plakken. Sam en Beer zochten achter de struiken en onder de tuintafel, maar de zak was spoorloos verdwenen. De hele bouwdag dreigde in het water te vallen. "Geen paniek! De assistent-bouwer is hier!" klonk een luide stem.Karel de Kikker kwam vrolijk de veranda op gehuppeld. Hij droeg een omgekeerd bloempotje als bouwhelm en sleepte een enorme, loodzware plastic emmer met zich mee. Toen hij bij de stapel bakstenen stilstond, liet hij de emmer met een luide PLONS zakken. Er steeg een heerlijke, zoete geur op in de tuin. Meneer Metsel keek in de emmer en trok een wenkbrauw op. "Karel... is dat wat ik denk dat het is?""Pindakaas!" riep Karel trots, terwijl hij een grote klodder met zijn poot omhoogschepte. "Met extra stukjes noot voor de stevigheid! Ik vond het cementpoeder veel te saai en grijs. Pindakaas plakt ook supergoed aan je gehemelte, dus waarom niet aan bakstenen?" Sam en Beer moesten giechelen. Meneer Metsel bekeek de dikke, kleverige substantie, haalde zijn schouders op en zei: "Nou ja, we kunnen het proberen!"Met de troffel smeerden ze dikke lagen pindakaas tussen de rode stenen. Binnen een uur stond er een prachtig, klein kasteeltje in de tuin. Het was misschien niet stormbestendig, maar het rook wel ongelooflijk lekker en de vogeltjes in de tuin hadden er wekenlang plezier van.

Deejay
0 0

Verjaardag

De hele huiskamer hing vol met kleurrijke slingers en ballonnen. Sam was vandaag jarig en hij droeg een glanzende, gouden feesthoed. Beer had speciaal voor de gelegenheid zijn netste rode strikje omgeknoopt. Alles was perfect, op één heel belangrijk ding na. "De slingers hangen en de liedjes zijn gezongen," zei Sam, terwijl hij op de klok keek. "Maar waar blijft de verjaardagstaart?"Beer zuchtte en schudde zijn hoofd. "Karel had beloofd om de taart uit de keuken te halen. Dat is al twintig minuten geleden. Als assistent is hij soms een beetje... traag." Plotseling hoorden ze een vreemd, schurend geluid in de gang. Schuif... bonk... piep...De keukendeur vloog open en er rolde een enorme, vierkante kartonnen doos de kamer in. De doos was ingepakt in glanzend cadeaupapier, maar hij gedroeg zich helemaal niet als een normaal cadeau. De doos begon te trillen, maakte een sprongetje in de lucht en stuiterde toen wild in de rondte. "Zou de bakker de taart in een springende doos hebben gestopt?" vroeg Beer verbaasd, terwijl hij snel achter de bank sprong om dekking te zoeken.BOEM! De zijkanten van de doos klapten met een luide knal uit elkaar. Een enorme wolk van roze en witte slagroom vloog door de kamer. Midden in de ravage zat Karel de Kikker. Hij zat werkelijk van top tot teen onder de slagroom. Er plakte zelfs een grote, rode marasquin-kers precies tussen zijn twee grote kikkerogen. In zijn poot hield hij een leeg taartplateau vast. Er lag alleen nog één klein kruimeltje chocolade op."Gefeliciteerd met je verjaardag, Sam!" riep Karel met een overvolle mond. Hij slikte moeizaam en nam een diepe teug lucht. "De taart was écht heel erg lekker. Ik moest hem onderweg testen om te kijken of de bakker wel genoeg suiker had gebruikt. Pure plicht als assistent!" Sam en Beer keken naar Karel, toen naar de muren vol roze slagroom spatten, en barstten toen in lachen uit. Gelukkig was Beer een slimme knuffel: hij had in de keuken nog een enorme stapel pannenkoeken verstopt. Zo werd het alsnog een heerlijk feestje.

Deejay
0 0

Op bezoek

Het was een rustige middag in de huiskamer. Sam zat op het tapijt met zijn houten trein te spelen, terwijl Beer met zijn pluche pootjes probeerde een ingewikkelde puzzel op te lossen. Plotseling klonk er een luide, plechtige klop op de voordeur. BOEM-BOEM-BOEM! "Snel, Beer! Dat moet oom Jan zijn!" riep Sam enthousiast. "Zet de grote theepot maar alvast klaar, dan pak ik de speculaasjes!"Beer hobbelde haastig naar de keuken. Maar nog voordat Sam de deurklink kon vastpakken, zwaaide de voordeur al krakend open. Er stapte een figuur naar binnen, maar het zag er heel vreemd uit. Oom Jan droeg altijd een nette jas, maar deze bezoeker was heel klein. Sterker nog, de bezoeker bestond bijna volledig uit een reusachtige, zwarte cilinderhoed die over de vloer schoof. Onder de rand van de hoed klonk plotseling een heel on-oom-achtig geluid: Hihihi! Giechel-de-giechel! De hoed begon wild heen en weer te rennen en botste pardoes tegen de salontafel."Help, Sam! Een wandelende, spionerende hoed!" riep Beer, die net met de theepot de kamer in kwam lopen. Hij was zo geschrokken dat de theekopjes rammelden op zijn dienblad. Net op dat moment stapte de échte oom Jan lachend door de openstaande voordeur. "Ik ben dan wel mijn hoed kwijt, maar ik geloof niet dat ik zó klein ben geworden, Beer!"FLOP! De reusachtige hoed viel achterover op het tapijt. Er kwamen twee grote, glanzende kikkerogen tevoorschijn, gevolgd door een brede, groene snuit. Het was Karel de Kikker, hun inwonende vriend en assistent. Hij had een paar oude schoenen van oom Jan aangetrokken en de hoed over zijn hele lijf getrokken. "Ik ben de assistent-oom!" riep Karel trots, terwijl hij wild met zijn groene kikkerpootjes zwaaide. "Ik kwam de kwaliteit van de speculaasjes controleren!"Oom Jan moest zo hard lachen dat zijn dikke buik ervan schudde. Hij pakte Karel op en zette hem op de beste stoel. Karel kreeg als allereerste een koekje, dat hij in één grote hap doorslikte. 

Deejay
0 0