Zoeken

Een schat die blikkert in de zon

  Overpeinzingen bij een weggegooid blikje RedBull  “Il faut cultiver notre Jardin” Voltaire   Als ik goed keek, was het blikje RedBull dat zo schitterde in de zon niet het enige blikje dat ik zag liggen. Van al het afval dat ik op mijn dagelijkse wandelingen tegenkwam, waren weggegooide blikjes ruim in de meerderheid. Meestal waren het blikjes waarin energiedrankjes hadden gezeten. De vreemde logo’s en felle kleuren suggereerden een hallucinogene drug, maar het was niet veel meer dan een stevige koffie met veel suiker. Ik kon niet anders dan me vragen stellen over de gezondheid van degenen die zulke blikjes dronken, zeker als ik van die grote halveliterblikjes zag liggen. Hoeveel cafeïne en suiker werkten sommige mensen naar binnen? Niet normaal. Dat zag ik al in de leraarskamer van de school waar ik lesgaf. Niet dat daar energiedrankjes in de automaat zaten, maar koffie wel. Ik kende collega’s die per dag wel zes mokken koffie naar binnen werkten. Hoe konden die ’s nachts in slaap geraken? Zelf dronk ik enkel nog deca’s, of ja, thuis wist ik nogal zeker dat er geen of weinig cafeïne zat in de espressomachine, maar op café was dat iets minder zeker. Zelfs als ik een deca bestelde, voelde ik soms aan de spastische bewegingen van mijn darmen dat er misschien wel een deca’tje besteld was, maar niet geserveerd. Dan moest ik me vaak haasten om bij de wc te geraken. In brasserie ’t Sujet was dat bijvoorbeeld het geval. Voor mij waren koffie en energiedrankjes een garantie op een slapeloze en opgejaagde nacht, maar dat nam niet weg dat ze, voor mij onbegrijpelijk genoeg, heel populair waren. Energiedrankjes had ik na mijn eerste en enige ervaring ermee zelfs volledig afgezworen. Als student had ik een blikje van het nieuwe product “Red Bull geeft je vleugels” in het station van Leuven als reclame in mijn handen geduwd gekregen. Daarna, op de tweeëneenhalf durende treinrit naar huis, had ik een boek als een razende TGV uitgelezen. De volgende dag wilde ik aan het boekverslag beginnen en lukte dat voor geen meter. Het boek De donkere kamer van Damocles heb ik grotendeels opnieuw kunnen lezen. Ik was er in een rotvaart doorheen geraakt, maar ik had er veel te weinig van onthouden. Cafeïne of oppeppers waren geen goede studiemethode, besloot ik. Ik dronk zelfs geen cola meer onder de examens, zo was ik onder de indruk van de ervaring. Dat ik geen koffie, cola en andere cafeïnehoudende dranken dronk, zorgde ervoor dat mijn maag- en darmsysteem, dat nogal gevoelig was voor stressprikkels, veel minder vaak in de knoop lag, net zoals mijn lakens en dekens ’s morgens ook veel minder overhoop lagen. Als ik dat vergeleek met Wouter… Die kon als we nog iets gingen drinken na het zwemmen, om tien uur ’s avonds nog doodleuk een koffietje als afsluiter bestellen en toch slapen. Niet iedereen heeft hetzelfde gestel, zullen we maar zeggen. Door al die blikjes langs de weg had ik een negatief beeld ontwikkeld van degenen die zwerfvuil veroorzaakten. In mijn hoofd leek het alsof alle nuttigers van energiedrankjes de gewoonte hadden om hun blikjes uit het raam van de auto te gooien. Dat was natuurlijk niet zo. Zo lagen er een paar jaar geleden ontzettend veel blikjes Cara-pils in de berm bij ons in de straat. Ik werd kwaad op alle vuile alkoholiekers tot ik besefte dat als er één iemand bij het naar huis fietsen van zijn werk elke dag een blikje dronk en dat bij ons in de straat de kant in ketste, dan lagen er op jaarbasis 364 blikjes, of ja, toch rond de 230, want er waren 260 werkdagen en als die naar huis fietsende alcoholicus wat vakantie nam – om zich, wie weet, eens echt te kunnen bezatten – dan kwamen we natuurlijk aan wat minder blikjes, maar 230 was nog steeds heel veel. Het afvalprobleem in een straat kon met andere woorden veroorzaakt worden door één persoon. Eén specifieke groep viseren had geen zin en zou weinig tot niets bijdragen aan de oplossing van het probleem. Wat echt zou helpen, was dat er iets potentiële blikjeswerpers zou weerhouden om gevolg te geven aan hun reflex. Even stilstaan bij het effect van hun daad kon al genoeg zijn. Door opvoeding en preventie kon je mensen aanleren om ‘even stil te staan’, maar er waren helaas ook slecht opvoedbare individuen, die zich amper of niet verbonden voelden bij hun omgeving. Zolang er geen statiegeld op blikjes kwam, en zelfs dan, zouden zij hun afval uit de auto kieperen. In mijn handen hield ik een half opgegeten appel. Vijftig meter voor mij zag ik hoe een blikje uit een auto gegooid werd. Het belandde tussen de bramen. Fijn, dacht ik, dat krijg je er ook nog zomaar niet uitgevist. In een opwelling wierp ik de halve appel naar de auto toen hij voorbij reed. Hij belandde door het open raam in het interieur van de uitgebouwde Volkswagen Golf. Of nee. Ik had een steen in mijn hand en mikte die driftig door de achterruit van de voorbijrijdende BMW. Het glas veranderde onmiddellijk in een spinnenweb. De auto slipte zich tot stilstand. Twee zwarte sporen op het wegdek. Ik had er nog graag een klapband bij gehad, dus ja, doe dat ook maar. Stond hij ook nog op een velg, net goed. Een klein geblokt manneke stapte uit de auto, liet de portier open staan en brieste op mij af. Hij riep. Of ik zot was ofzo. Ik behield mijn kalmte. Ík, zei ik, waarom? Ik had toch niks gedaan. Gingen we het zo spelen. Hij ging de politie bellen. Doe maar, ik heb niks gedaan. En die steen door mijn ruit dan. Was ik niet. Doe niet onnozel. Hij kreeg een rood en roder hoofd. Even dacht ik dat hij met zijn gsm naar mij zou gooien, maar dat deed hij niet. In plaats daarvan stak hij hem terug in zijn achterzak en kwam nog verder mijn richting uit. Tot vlak bij me. Hij duwde me, of beter, hij probeerde me te duwen. Net op tijd zette ik een stapje opzij waardoor hij bijna zijn evenwicht verloor. Met mijn 1m88 was ik ruim een kop groter dan hij en in vergelijking met zijn gespierde armen en schouders leek ik een lange slungel. Maar dan wist hij natuurlijk niet alles. Hij probeerde me tegen de schenen te schoppen, maar weer miste hij doel. Zijn driftige natuur steeg hem ten top en hij wilde me vastnemen. Voor hij besefte wat er gebeurd was, lag hij met zijn gezicht tegen het tarmac met een knie in zijn nek. Dat was natuurlijk allemaal erg onwaarschijnlijk. Zoiets kon ik helemaal niet. En trouwens, wat daarna? De driftkop zou niet zomaar afdruipen en nooit meer blikjes uit zijn auto gooien. Al had ik wel eens zo iemand terug in zijn auto willen zien kruipen en willen zien vertrekken, hobbelend op drie banden en een velg, met een erg beperkt achteruitzicht. Het waren idiote heldendagdromen, maar ik kon ze niet tegenhouden en meestal liet ik ze maar wat passeren. Het was een oermenselijke drang om problemen met geweld op te lossen, om onrecht met geweld op te lossen. Vandaar al die supermanverhalen die het zo goed deden in strips en in films. Misschien moest ik het ook allemaal eens in een verhaal verwerken, of een echt supermanverhaal schrijven. Het liefst zou ik een Neo-achtige figuur - uit de Matrixfilms, je weet wel - opvoeren, die zo snel bewoog dat hij zelfs kogels kon ontwijken. Nog voor het blikje uit de auto de grond raakte, zou het alweer in de auto liggen. Veel minder geweld, trouwens, en misschien ook wel een veel bevreemdender effect bij de overtreder. Die zou niet weten wat hem overkwam en zou nooit zo driftig kwaad worden, want iemand die driftig kwaad werd die geloofde nooit dat hij ongelijk had, hoogstens kreeg hij spijt dat hij zo driftig kwaad was geworden. De steen in zijn achterruit zou hij nog steeds onrechtvaardig of buiten proportie gestraft vinden. Misschien zou ik wel de schuld krijgen van zijn klapband ook. Dat bracht dus niks op. Als ik zo’n supersnelle superheld was, kon ik op een heel andere manier het afvalprobleem hier in de omgeving oplossen. Ik zou weten wie hier in de zomermaanden zijn tuinafval in het bos komt droppen en nog voor die man met zijn aanhangwagen terug thuis was, zou hij het gemaaide gras en snoeisel gewoon weer in zijn voortuin zien liggen. Het blikje van het kleine geblokte manneke zou niet eens tussen de bramen geraken, maar als een weerlicht terug op de passagierszetel terechtkomen. Ik zou het hele procedé oneindig keer herhalen, zo lang als nodig. Zo lang dat sluikstorters niet meer zouden weten wat echt was en wat niet, ze zouden huilend op hun stuur kloppen en om hun moeder roepen. Ik denk niet dat ze daarna nog zouden sluikstorten. Of zouden ze? Het was een leuk idee, maar ik was geen superheld, en ik twijfelde of ik dit blikje zou laten liggen of oprapen. Ik kon niet elke keer dat ik een wandeling deed al die blikjes oprapen. Eén of twee keer per maand was meer dan voldoende. Dan nam ik de kindjes mee en een bolderkar om de vuilzakken in te doen. De kindjes kregen handschoentjes aan en knijpertjes mee. Dat vonden ze fijn. Zeker Karel vroeg er soms achter. Wanneer gaan we nog eens vuil oprapen, papa? Ook al deed hij het graag en waren het goede werken, toch hield ik me ervan om het te veel te doen, want de auto’s op de weg hier reden soms snel en in hun enthousiasme keken de kindjes niet altijd even goed uit. Een plastiekje was voldoende om ze zonder omzien de straat te doen oversteken om, competitief als ze waren, als eerste bij dat stukje zwerfvuil te komen. Ze vochten er soms om en dan moest ik een beurtrol opstellen. Voortdurend moest ik op mijn qui-vive zijn en al des te meer omdat er her en der aan de bosrand restanten van een oude prikkeldraadafsluiting lagen. Mijn oudste broer was als achtjarige ooit met zijn gezicht in zo’n verroeste prikkeldraad gelopen. Het litteken liep nog steeds, zelfs na wat plastische chirurgie tijdens zijn tienerjaren, van onder en over zijn kin, langs zijn lippen tot op zijn wang. Ik wou niet dat dit met één van mijn kindjes zou gebeuren. Vorig jaar had ik een lange tekst geschreven over hoe er in onze buurt een meervoudig afvalprobleem was. Enerzijds was er het ‘gewone’ zwerfvuilprobleem langs de straat, er was het typische aan-de-rand-van-het-bosafvalprobleem, namelijk grotere stukken huishoudelijk afval, zoals zetels, tuinafval en dergelijke. Anderzijds had je ‘toeristisch’ afval van alle jongeren die hier in de zomermaanden aan de rand van het meer kwamen drinken, barbecueën, zwemmen, vissen… En omdat het meer ontstaan was door zandwinning en dit dus een oude zandgroeve was, had je daarbovenop te maken met achtergelaten industrieel afval: stukken muur, ijzeren palen in de grond, prikkeldraad, stukken omheining… En toch, toch werd dit gebied als een van de mooiste stukjes natuur uit de omstreken beschouwd: het Parelstrand. Ideaal om te komen genieten en om te komen wandelen met je hond. O, dat is waar, dat had ik nog niet eens in die lange brief vermeld, dat de eerste driehonderd meter voorbij de parking aan de rand van het bos, stonken naar de hondenuitwerpselen. Aan beide zijden van het brede pad had je een meter tot anderhalve meter waar je geen stap kon zetten zonder in een hondendrol te schuiven. Hoe vaak had ik al stront van onder de zolen van kinderschoentjes moeten poetsen. En hondendrollen zijn ook een vorm van afval, zeker in de hoeveelheden zoals je ze hier aantreft, en zeker als het baasje de hondendrol toch in een poepzakje gevangen had, maar het daarna het bos in gekeild had. Soms hingen die zakjes laaghangende takken. Dat was écht geen zicht. Tijdens de barbecue van de ‘mooimakers’ uit de stad had ik in een discussie wat te luid opgeroepen om rond het meer geen afval meer op te ruimen. Laat die vervuilers maar in hun eigen vuilnis zitten, was de redenering. Ik schaamde me achteraf wat over die stoere uitspraken. Vuil trok alleen maar meer vuil aan, en op de lange duur had je een openbaar stort in het midden van een erkend natuurgebied liggen. Ik had trouwens in de zomer nooit afval geruimd rond het meer. Dus wat ik had gezegd op die barbecue had niet eens betrekking op mezelf. Het geroep en de veel te lawaaierige muziek, de geur van sigaretten en joints, deden me het strandje rond het meer mijden en ik wandelde langs een ander pad het bos in. Tot ver in het bos kon je een mix horen van de boomboxen die de groepjes jongeren met een verschillende muzieksmaak tegen mekaar opgesteld hadden. Mooi weer en lange zwoele avonden stonden hier gelijk aan veel decibels. Die ene lange brief over het afval hier in de buurt had ik nooit opgestuurd naar een krant of het stadsbestuur, omdat hij wel erg lang was geworden en ik dus zeker wist dat niemand hem echt ging lezen. Nee, ik maakte me geen illusies, als ik dit probleem wou oplossen, dan zou ik het anders moeten aanpakken. Ik kon geen superheld zijn en ook met lange klachtenbrieven zou er niks bereikt worden. Er moest een andere manier zijn, alleen wilde ik niet meer dat soort negativist zijn en enkel nog een klein beetje een deel van een oplossing zijn. Met de kindjes af en toe wat zwerfvuil oprapen, was fijn en goed, meer moest dat niet zijn. De rest was politiek en daar werd ik zo moedeloos van. In ieder geval blonk dit blikje nu mooi in de zon. Het zag er, als je er met wat fantasie naar kon kijken, uit als een stukje zilver of goud dat hier zomaar voor het oprapen lag. Ik bukte me en stak het toch in mijn jaszak bij het klokhuis van mijn appel, ook al vond Tine dat een verschrikkelijke gewoonte en ook al wist ik dat de kans groot was dat als ik morgen of overmorgen mijn hand in mijn jaszak zou steken, ik er een halfvergaan plakkerig klokhuis en een uitgedrupt blikje in zou vinden.

Hans Van Ham
5 0

Ingroeien

Als een halfeeuwige ouder, kijkend naar de langsgillende basisschoolkinderen, heb ik ingroeivragen.    Kinderkleding past vaak prima. De broek zit vanaf het moment dat het kind op het schoolplein laat zien welke nieuwe, mooie kleuren het aan de kont heeft hangen, perfect. De jasmouwen sluiten netjes aan op de hand en de trui valt netjes over de buik.   Dat was in mijn kinderjaren anders, daar werd kleding ‘op de groei’ gekocht. Je liep maanden met opgerolde broekspijpen rond, niet als modeverschijnsel, maar als noodzakelijkheid. Een trui begon te slobberig en eindigde nét te strak, om later, na een goede wasbeurt en een korte tijd verpozen op de bovenste plank van de kledingkast, aan de schouders van je broertje te slobberen. Indien noodzakelijk aangevuld met stukjes leer of ribfluweel op de ellebogen.   Waarschijnlijk wordt er nog steeds doorgegeven op de hedendaagse schoolpleinen. Dit blijkbaar perfect passend, geen maat wordt ingegroeid en uitgegroeid om tussenmaten over te kunnen slaan.    Naarmate de kinderen richting de basisschooluitgangsleeftijd gaan, lijken de kleren overigens nieuwer en minder doorgegeven. Mode wil ook wat en de Aziatische kinderhandjes Terstaleren en Zeemannen de shirts, broeken en jassen jaarlijks binnen het bereik van de kleinere beurs. Het enige waar kinderen ingroeien is een fiets. Aan het begin of tijdens het laatste jaar van de basisschool staan ze met de teenpunten op te trappers en hupselen ze sprongsgewijs op het zadel. Hier druppelt de hoop van ouders door: laat de tiener voldoende groeien om volgend jaar zonder al te veel zwalken de weg naar de middelbare school te vervolmaken. Een goede tweede is, bij een achtergebleven hoeveelheid groei, het opdoen van zoveel ervaring in fietsen met de zadelhups en teenpunten, dat het nét veilig genoeg is om de brugklasser en zware tas mee te voeren. Laat ze, zo hoopt de ouder, deze puberomspannende schoolcarrière doen met dezelfde, kostbare fiets.   Deze fietsen zijn vaak nieuw, blijkbaar wordt een rijwiel niet van broer tot broer of zus tot zus overgeleverd. Waarschijnlijk komt dit doordat de rijwielmode snel verandert, niet broeks- en truigewijs jaarlijks, maar met een cyclus van een jaar of vijf. Voldoende om van net met de tenen op de trappers, door te groeien naar zadel op zijn hoogst en de knieën tegen het stuur.

MCH
8 1

Over dialogen

Ik leg geërgerd een boek weg. Geen gewoon boek, het is een bestseller (New York Times Best Sellers List!), geschreven door een bestsellerauteur. En ik lees geen woord meer.    De schildering van het decor is fraai en vakkundig, ik zie geregeld goede actie afgewisseld met nuttige achtergrondinfo en over de bladzijden trippelen redelijk tot best wel interessante personen die worstelen met spannende problemen op weg naar een ongetwijfeld spetterende ontknoping op pagina vierhonderdeenenzestig.   En toch, bij pagina eenenveertig, na de eerste alinea van hoofdstuk drie, zucht ik en sla deze pagina op pagina veertig. Ik schuif het boek weg, pak mijn telefoon en scroll naar mijn bankrekening, dit was weer zonde van mijn geld.   De reden? Tenenkrommende dialogen. Vanaf pagina 3, de tweede pagina van het eerste hoofdstuk, is het jeuk-aan-de-ruggengraat-gevend erg. Opvallend dat ook bestsellerschrijvers soms de personen verschrikkelijk laten praten. Je vraagt je soms af waarom ze hun mond open trekken. Een of twee keer in een boek, daar kan ik overheen komen. Maar bijna elk gesprek is niet te lezen. En ik erger mij zo, dat ik het hier van mij af schrijf.     Dialogen: basics in elke lesboekje over schrijven.    U hoeft niet verder te lezen als u bekend bent met de principes van het schrijven van een goede dialoog. Dit schrijfsel voegt niets toe aan wat u weet (of zou moeten weten) over gesprekken op papier. En toch, blijkbaar denkt menig verhalenschrijver: die basistheorie (in elk schrijfboek herhaald) is niet voor mij, mijn geneuzel is wél belangwekkend. Nou, nee dus. 1 Dialogen zijn ongezond strak afgetrainde uittreksels van de gesproken werkelijkheid. Uitspreeksels zonder een greintje vet, en als je het goed beschouwd onnatuurlijk. 2En deze afgetrainde uitspreeksels houden een hete bal vast. Ze pakken de bal, laten even de spieren zien of doen een klein kunstje en gooien zo snel mogelijk de bal door, voordat de handen verbranden. De ontvanger wil zo mogelijk nog korter een pirouette doen en voordat de draai volledig is, pakt de eerste de bal weer af. Dit wordt een wedstrijd. Een echte wedstrijd van de bal pakken, een kunstje doen en doorgeven die handel.    Wij lezers, als kijkers naar het spel, willen een echte strijd, geen demonstratiepotje van klunzen die op een mooie zomeravond voor de ontspanning een balletje hooghouden. Nee, een strijd tussen deze uitspreeksels op het scherpst van de snede . Altijd vlijmscherp. Elk woord en elke reactie snijdt door het papier. Alsof je leven ervan afhangt.  3De uitspreeksels hebben verschillende kleren aan, afhankelijk van de situatie. Een vrolijke rok, serieus kostuum, grappige hoed, droevige pandjesjas, oppervlakkig T-shirt met krullend borsthaar of decolleté, diepzinnig gewaad, of wat voor broek, shirt of sok dan ook. Maar altijd nauwsluitend, zonder franjes: de spieren en opgezwollen aderen blijven zichtbaar. Een ruimzittend kledingstuk laat de drager struikelen.    Struikelende zinnen, of een fladderend loszittend stuk gesproken stof beneemt de lezer het plezier van de strijd. Een lezer wil geen gefladder, de lezer wil de bal zien schieten. 4De dialoog, net als bij een wedstrijd, wordt boeiend voor de lezer vanaf de aftrap of service (of welke sportvergelijking u wilt maken). Het inspelen en warmlopen is volledig oninteressant. Voor de wedstrijd zijn de lichamen gehuld in trainingspakken, soms zelfs met een gekleurd hesje en praten met de trainer, geven een hand aan de scheidsrechter en rommelen in de tas op zoek naar de waterfles. Slaapverwekkend en een onnodige afleiding van je verhaal en de voortgang stopt, alsof je met je racefiets in de modder vast komt te zitten.    Elke eerste uitgesproken zin is een snoeiharde service van de hete bal, de kale spieren bollen en geven een zwieper waar het uitspreeksel aan de overzijde van het net niet van terug heeft.   Hebben ze ruzie? Voor de eerste zin die u schrijft hebben de personages de inleidende beschietingen al gedaan. U begint bij de hoogtepunten. Vraagt uw personage een lening? De voorstelrondes, achtergrond checks zijn gedaan en het kopje koffie is neergezet: U begint met de afwijzing. Alles daarvoor is geneuzel. 5De lezer wil ook maar één wedstrijd per keer bekijken. Beschrijf wat de afgetrainde uitspreeksels belangrijk vinden en hou je hieraan. Bij teveel verschillende ballen die alle kanten opvliegen, waarbij de spelers tussen-hupjes maken en een spagaatje hier-en-daar, verliest de lezer het overzicht en de aandacht. De lezer staat halverwege op en loopt naar de kantine om het op een zuipen te zetten.    Dat de fiets van de hoofdpersoon onder het raam bij de bank staat wil niet zeggen dat het merk en het genot van wielrennen een onderwerp van gesprek moet zijn: De afwijzing van de lening, daar gaat het om. 6Wat wel leuk is, als je met de bal tovert. Soms is het balletje weg, je leest aan de bewegingen af dat de bal ergens is, en waar. Een schaduw vliegt langs en achter de rug wordt iets opgevangen. Maar de bal direct zien, nee, dat lukt niet. Om dit te bereiken, moeten de uitspreeksels nog strakker en nog onnatuurlijker zijn afgetraind.    Dat de lening wordt afgewezen omdat de beoogde lener de vrouw van de bankdirecteur heeft genomen op het toilet van het dorpshuis, terwijl de directeur in de grote zaal Sinterklaas speelde voor de kinderen uit de buurt, wordt slechts gesuggereerd, niet gezegd. Zo, ik ben het kwijt.  Als u het tot hier hebt volgehouden, hoeft u geen slecht gesprek meer op papier te zetten en stopt u, net als ik, met lezen bij tenenkrommende dialogen.    En als u denkt, "wat ik aan uitweidingen, stopwoorden en extra's in mijn dialogen stop zijn wel geslaagd," of "iedereen zit er wel op te wachten," of "het is echt belangrijk om te weten wat er allemaal vooraf gebeurde," of "zo laat ik karakter zien," of "zie mij nou eens die personages literair laten praten" .  .  .   Wordt wakker! Het boeit helemaal niemand!

MCH
11 0

Mysterie in de bibliotheek

Het mysterie in de bibliotheek Hanengekraai en hondengeblaf begeleiden directrice Adèle om zeven uur s ’morgens naar haar school. De weg is stoffig en droog. Ook het openen van de grote metalen schoolpoort produceert een gekrijs dat je dagelijks hoort. Elke ruimte in de school heeft een naam, die mooi boven de deur is aangebracht. Keuken, bureau directrice, klas 1, klas 2, klas 3, toilet en bibliotheek. Buiten klas 1, 2 en 3, zijn alle ruimten volgestouwd met allerhande pluralia. De keuken bezit naast kookpotten en pannen ook tuingerief, borstels, een stofzuiger en vuilbakken. Alle administratie van de school bevindt zich in het kantoor van de directrice. Haar bureautafel is bedekt met stapels papier, farden met gekleefde etiketten, geopende brieven en opgerolde plannen van de nieuwe te bouwen school. Vijf computers van de eerste en de tweede generatie liggen als een puzzel op elkaar gestapeld. In de hoek naast het venster staan twintig oude landkaarten opgerold op houten stokken. Bij het verlaten van het bureau van de directrice, kijken we omhoog en zien we aan onze rechterkant het opschrift bibliotheek boven de deur. Bevinden zich nog boeken in deze ruimte? Zo groot als een klaslokaal, met drie rijen rekken in het midden en tegen elke muur. Al het schoolmateriaal dat nergens anders terechtkan is hier op de rekken geplaatst. Speelgoed, telramen, leien, brooddozen, verfmateriaal, atlassen en twee boeken. Buiten de vijf atlassen en de twee boeken vind je geen ander boek in deze bibliotheek. Twee boeken met de ronkende titels: Musique de l’Afrique en Handboek Aardrijkskunde Belgisch Congo. De gemeente zal de school sluiten wegens een gebrek aan fondsen. Ze zal ze dan op haar beurt zijn gang laten gaan. De opschriften boven de deuren zijn gebleven en het bureau van de directrice is kaalgeplukt. Eenmaal per week, op zaterdag opent de directrice de bibliotheek voor de omwonenden in de wijk. De bewoners snuisteren dan in tussen het schoolmateriaal, de atlassen, het speelgoed en de oude VHS-banden. Een week kunnen ze dan genieten van hun leenproducten.De twee boeken ‘Musique de l’Afrique en Handboek Aardrijkskunde Belgisch Congo zijn nog nooit uitgeleend. Is deze bibliotheek de voorloper van de hedendaagse bibliotheek, zoals we ze nu kennen.Als ik binnenstap in de bibliotheek waar ik bijna wekelijks binnenspring, merk ik dat het oude, sacrale en rustige van de bibliotheek uit mijn studententijd verdwenen is. De bibliotheekgangers lezen de krant, terwijl ze even de knop van het koffieapparaat indrukken voor een machinale koffie met melk. Jonge moeders komen binnen en doen een praatje met een collega, alsof de schoolpoort zich tot in de bibliotheek heeft gewurmd. Kleuters en lage schoolkinderen rennen door de bibliotheek, ploffen neer in de diepe zitzakken, met de nieuwste commerciële bestseller voor kinderen, aangeprezen door de Sint en de Kerstman. Even dwalen mijn gedachten terug naar de school van directrice Adèle. Ik zie en hoor haar de schoolpoort openen, gekrijs, blaffende honden en hanengekraai. Ze stapt door de halfdonkere gang rechtdoor naar haar bureau. Al openend bemerkt ze dat haar bureau leeg is. Ze sluit teleurgesteld de deur en stapt dan naar de deur met opschrift ‘bibliotheek’. Lichtjes bevend opent ze deur. Haar blikken dwalen door de ruimte, tot ze verschrikt merkt dat haar twee boeken verdwenen zijn. Op dat moment kijk ik naar het boekenrek met de nieuwste titels in mijn bibliotheek, Musique de l’Afrique en Handboek Aardrijkskunde Belgisch Congo.

Etienne
0 0

Het Bankje van Comfort

A: (Diepe zucht) Man het is verschrikkelijk druk daarbinnen… (zucht) “ Thomas doe dit, Thomas doe dat niet, Thomas luister als ik tegen je praat “. Laat me toch gewoon met rust… Brrrr... deze bank is ijskoud...   B: Wat lijkt het probleem te zijn jonge heer, is de bank écht zo koud?   A: Oh u heeft me gehoord? Het spijt me meneer, dat was niet mijn bedoeling, i-ik wilde u niet storen   B: Storen? Een oude man als ik? Onzin, maak je geen zorgen joeng...  er is niks waar je me mee kunt storen   A: Bent u zeker? Met alle respect, u lijkt een beetje oud…   B: Oud? Jazeker. Fragiel?  Wel, vroeger was ik.. de meest gevoelige persoon   A: Vroeger?   B: Wel, laten we zeggen dat de jaren 20 een.. vreemde tijd was   A: De jaren 20? U bedoelt toch niet...   B: Oh jawel, de tijd van de pandemie   A: Sorry meneer, ik wist niet dat u-             B: Zo oud was?   A: Ja..   B: Dat is toch niet erg...  hoelang is het geleden, zo’n vijftig jaar nu?   A: Bent u het meeste vergeten dan?   B: Ik zou wel willen, maar ik ben bang dat het niet zo gemakkelijk is.. er zijn nu eenmaal veel dingen die niet vergeten mogen worden   A: Ja, ik denk.. dat ik dat wel kan begrijpen   B: Maar genoeg over mij, vertel eens, waar was je zo gefrustreerd over?   A: Oh het is gewoon… ik en mijn mama die waren aan het shoppen voor kerstavond... En.. ik werd het beu dat ze me bleef rondbevelen en vooral dat ene irritante liedje dat ze de hele tijd blijven spelen.. hoe heet het weer?              B: “ All I want for Christmas is you” ?   A: Ja, voila.. hoe wist u dat?   B: Joeng, ze hebben dat nummer al voor mijn tijd gespeeld.   A: Dat geloof ik niet   B: Oh maar het is zo, ik ben bloedserieus. In die tijd moesten we ons haasten om het toiletpapier te halen, voordat ze allemaal op waren... allemaal terwijl we dat ene, grijsgedraaide liedje moest aanhoren   A: Wacht, waarom toiletpapier? Hahaha   B: Joeng, ik stel mij die vraag al vijftig jaar... zelfs filosofen hebben geen flauw idee   A: Ik durf te wedden dat je veel aircomaskers moest dragen   B: Oh nee, veel erger, die bestonden pas 10 jaar nadat het afgelopen was.. voor de zieke mensen of als je erge astma had, maar daarvoor hé… moesten we ordinaire, ongefilterde mondmaskers dragen...   A: Wow, amai dat moest zo erg zijn... hoe heeft u al dat lijden overleefd?   B: Maar je hoeft niet zo beleefd te zijn jongen, zeg maar ‘je’   B: Ah oké sorry   B: Weet je nog wat ik eerder zei, over kwetsbaar zijn?   A: Ja?   B: Toen ik jong was, was ik zo gevoelig, vooral als kind.. als de leraar om welke reden dan ook boos op mij werd, barstte ik bijna uit in tranen   A: En nu? Wat als iemand je bijvoorbeeld.. een irritante bejaarde zou noemen?   B: Als iemand dat nu tegen mij zei hé, dan zou ik hem zo hard slaan met mijn wandelstok als ik kan, dat zou die wel een les leren.   A: Hahahah, dat zou ik graag willen zien.   B: Ja dat geloof ik wel, maar mijn punt is ... Ik had mijn problemen en zwakheden, raad eens wat ik deed? Ik overwon ze.   A: Hoe?   B: Ik was rond jouw leeftijd.. 15 tot 16 jaar oud,- toen er iets vreselijks gebeurde.. iets dat mij en mijn broer zwak, schuldig, gebroken... liet voelen... Maar.. ik wist dat het niet zomaar zou verdwijnen, dus wil je weten wat ik deed?   A: Ja   B: Ik ging er frontaal mee om, ik erkende het, accepteerde het, ik ging uit mijn comfortzone en vond een.. nieuwe ik.  Ik was bang, zo bang dat ik niet kon slapen.. maar ik bleef vasthouden.. aan de twee dingen, die ik nog had   A: Je huisrobot en je PlayStation 8?   B: Ah die waren er toen nog niet   A: Oh aww   B: Hoop... en moed, zo is het me gelukt.  Daarna  voelde ik me.. niet langer schuldig of gebroken, ik voelde me zelfs... alsof ik mijn plicht had vervuld   A: Dus wat je zegt is, om een probleem op te lossen, moet je moedig zijn en je angsten loslaten?   B: Nee mijn jongen, om iets op te lossen accepteer je je angst, je zwakheden en werk je aan wat je niet zo goed kunt, de zone van discomfort, van ongemak... Als je daar eenmaal binnen bent weet je niet waar je terecht gaat komen... maar je zult er hoe dan ook sterker uit komen   A: Wauw... dat klinkt zo..  wijs   B: Wijsheid komt met leeftijd, zou ik zeggen, maar nu ik erover nadenk.. is het eerder leeftijd.. dat komt met wijsheid   A: Dus wat was je reactie toen, je weet wel..  het gebeurde?   B: In het begin was ik.. op zijn zachtst gezegd geschokt... niemand zag het aankomen, allée tenminste had niemand verwacht dat het zo erg zou zijn als het ging zijn.. en we kwamen allemaal.. in een nieuwe ongemakkelijke zone terecht   A: Zoals bij het dragen van ongefilterde aircomondmaskers?   B: Niet per se dat, de plotselinge verandering in de manier van leven, liet ons verward en vol vragen achter... en twijfel   A: Ja dat kan ik helemaal zien, je moest je dood verveeld hebben..   B: Oh ja zeker, we spendeerden het grootste deel van onze tijd binnen met tv kijken of spelletjes spelen, we werkten zelfs vanuit thuis   A: Maar mijn mama werkt altijd vanuit thuis, het is niet echt zo erg toch?   B: Wel, onze wifi was.. beperkt, dus we moesten allemaal in dezelfde kamer zitten.. ik, mijn broer, mijn mama en papa... allemaal terwijl we tegelijkertijd moesten bellen   A: Oh nee.. dat klinkt verschrikkelijk   B: Oh dat was het inderdaad... maar nu ik terugkijk... mis ik die tijden echt.. ik zie mijn broer tegenwoordig zelden en, mijn mama en papa... Je weet wel, ik bezoek ze nog steeds.. maar dan in de vorm van een steen.. die niet terugpraat... als je begrijpt wat ik bedoel   A: Ja... jawel.. ik, het spijt me voor je verlies.. ik zou niet weten wat ik moest doen als dat met mijn ouders zou overkomen   B: Maar ik denk van wel, nu toch   A: Hmm? O ja! J-je hebt gelijk, wow.. ik... ik weet niet wat ik moet zeggen..   B: In mijn tijd zou ik zeggen: Deel iets gratis met iemand die het meer nodig heeft dan jij en dan krijg je er iets voor terug   A: Wat heb jij dan nu teruggekregen?   B: Entertainment   A: Weet je, dit gesprek gaf me zo'n warm gevoel.. dit bankje voelt nu veel comfortabeler haha   B: Dat kan ik geloven, jong.. hetzelfde geldt voor mij

IngmarVDKH
1 0

Het Licht

In 't licht van alle ellende die dagelijks over zijn kop werd gekieperd,via alle soorten media,waren zijn zorgen en kwaaltjes van ondergeschikt belang.Het kon hem er niet van weerhouden regelmatig zijn beklag te doen tegenover de mensendie hij het liefst zag.Dat besef stemde hem soms droef.Maar droefheid mag geen excuus zijn om te gaan zitten wenen in een hoekje wachtend tot iemand je wat aandacht geeft.Neen.Hij zou de koe bij de horens vatten en niet in dat hoekje gaan zitten maar achter zijn schrijftafel,om een boek te schrijven.Niet dat hij iets te zeggen had,laat staan een verhaal vertellen...dat zijn details. Hij had geen schrijftafel,wel een laptop die hij overal meenam om eender waar en wanneer te kunnen schrijven.Hij nam de metro naar het centrum om daar op café te gaan schrijven. Het was een hippe plek met barservice.Had hij een hekel aan.Dit wil zeggen dat je eerst moet bestellen alvorens aan een tafel te gaan zitten.Nu kom,alle hipsters op een hoop genomen was het een aangename plek waar niemand hem een blik waardig gunde.Net wat hij nodig had.Samen met z'n besteling had hij plaats genomen aan een tafel bij het raam met een mooi uitzicht op de markt.Er was wifi,wat hij niet echt nodig had om te schrijven,maar het was handig om het nodige opzoekwerk te doen.Leve Tinternet!Op de markt waren de straatvegers hun ding aan het doen.Er was veel passage,vooral jonge mensen.Ze zagen eruit als kunststudenten of zoiets.Alleszins hoe hij dacht dat ze eruit moesten zien. Hij installeerde zich comfortabel,opende z'n laptop en begon aan zijn boek.Toen hij de eerste letter wou typen vloog er een duif tegen het raam met zo'n luide knal dat hij achterover van z'n stoel viel. Iedereen in het café was geschrokken maar op z'n stoel blijven zitten.In een hippe plek als deze val je niet van je stoel.Zelfs niet wanneer er een duif met oorverdovende knal de vitrine een kopstoot geeft waarachter jij net een boek aan het schrijven bent. Of toch wilde beginnen.De algemene aandacht ging naar het raam en de stuiptrekkende duif. Zijn aandacht vooral naar de bult op z'n achterhoofd.Z'n nek deed ook pijn.Dedju toch.Op tafel stond alles nog zoals het stond.Hij schoof de stoel bij de tafel,nam plaats en wou beginnen maar er kwam niets.Hij vroeg zich af waarom hij in godsnaam zou schrijven?Die details die hij eerder smalend terzijde had geschoven kwamen nu als grote onwelwillende gedrochten op hem af gedonderd en hij kon ze niet ontwijken.Hij wist niet wat te vertellen.Had geen verhaal.En tot overmaat van ramp had hij hoofd-en nekpijn.Hij nam een slok van zijn koffie,die ondertussen lauw was,en keek rondom zich.Niemand keek naar hem en kon dus niet zien hoe onwennig hij werd,hij voelde zich plots niet meer op zijn plaats in deze hippe plek.Blijven was geen optie meer.De koffie was betaald en koud genoeg om in een teug op te drinken,z'n laptop zat al in z'n rugzak, hij schoof de stoel onder de tafel en liep naar buiten zonder iets te zeggen of om te kijken.De frisse lucht deed hem deugd maar zijn stijve nek incluis hoofdpijn waren er nog. Hij wandelde naar de kerk.Hoeveel boeken zijn er geschreven in een kerk? Geen enkele volgens hem.De kerkdeur stond wagewijd open dus geen belemmering voor God's deur.In alle katholieke kerken die hij al was binnengestapt hing diezelfde,onmiskenbare geur van gestold kaarsvet,brandende kaarsen,vochtige koude stenen en eeuwen van devotie,aanbidding en rust.Hij liep direct naar de stand met wel een honderd kaarsjes waarvan nog niet de helft brandde,liet 1 euro in de sleuf van het offerblok glijden en stak er een aan.Denkend aan zijn meest dierbaren,sloeg hij een kruisje en prevelde iets.Je weet maar nooit.Hij nam plaats op een kerkstoel,niet de meest comfortabele.Veel te laag gemaakt om alle comfort onder je gat uit te halen en al je focus te derigeren naar God de Vader die boven op z'n troon gezeten,besliste wie en wie niet door de poorten van de hemel mee mocht komen aanschuiven aan een grote tafel om samen met de engelen rijstpap met gouden lepels te eten. Da's geloven hé. Geloven wat er u wordt gezegd,en geloven zult ge want het word al duizend jaar zo doorverteld,het staat trouwens ook te lezen in een groot,dik boek. Een dik boek ging hij waarschijnlijk niet schrijven, gewoon een boek. Hij stapte de kerk buiten,snoof de frisse lucht diep in zijn longen in ging op weg.Hij had een boek te schrijven.    

Eugene
22 0

Tot 'we' verdwijnen zal

  in het begin was er niets en toen kregen we alles en daar liep het mis en dat kwelde ons maar we deden gewoon verder         Bevreesd, over wat er ooit allemaal is geweest, voor wij er waren, en of dat belangrijk is om te weten. Dat vraag ik mij soms af. En wat er nog zal komen, als wij er niet meer zijn. Gaat de wereld dan nog vooruit? En is dat van belang? Maakt het iets uit? Voor u? Voor mij? Ik vraag het mij echt af. En u kan zich dan weer afvragen, wie ik eigenlijk ben. Een vraag die ik herken. En waar ik het lef vandaan haal om vragen te stellen over belangrijke zaken. Zodat u, daardoor, u zorgen begint te maken. En het is niet dat ik het mij gewoon afvraag. Ik loop ermee te koop. Ik begin erover in teksten en gesprekken. Ongefilterde gedachten, zomaar de vrije loop. Ik belast u, mijn beste vriend, met mijn vragen. En je hebt waarschijnlijk wel een punt. Maar ik heb het niet op u gemunt. Ik wil er u, in al uw gemak, niet mee storen. In al uw rust. In al uw veiligheid. Kan je het mij vergeven? Ik probeer er gewoon achter te komen wat mijn aandeel is in dit leven. En ik heb u nodig om het mij te vertellen, begrijp je? Ik moet het u vragen, omdat ik de last die ik nu draag, niet langer alleen kan dragen. Kan u er, eventueel, uw schouders mee onder zetten? Voor even. Zodat we er samen achter komen, wat er komen zal. Kom je even mee? Naar het moment dat er niets meer zal zijn. Als wij er niet meer zijn. Ik geloof dat dat het beste is. Dan kunnen we rustig samen terugblikken op wat is geweest. Als bij het toetje en de koffie op het einde van het feest. Dan ligt mijn bijdrage ook voor het rapen. Hoop ik. Zodat ik rustig kan slapen. Hoop ik. In ieder geval, in het begin was er niets.      Een absolute leegte. Geen materie te bespeuren. Geen oriëntatie denkbaar. Bodemloos. Eindeloos. Geurloze geuren. Denk ik. Niet dat ik erbij was. Vraag het aan de filosofen. Je hoeft me niet te geloven. Maar volgens mij, was er niets. Of laat ons zeggen, waarom ook niet, Hij. God. Hij was er. Ik heb Hem nooit ontmoet dus opnieuw, je hoeft me absoluut niet te geloven. Maar ik neem Hem toch als vertrekpunt. Het is hem gegund. En om de wetenschap te plezieren vertel ik erbij dat Hij werd geboren met een knal. Niet uit onze gedachten, niet bij toeval, maar zo een knal waarvan je denkt, dat is me nu écht eens een knal. Zo, bij deze houden we de kerk in het midden en kunnen we beginnen.      Ik weet niet hoe Hij eruit zag helemaal in het begin, bij die knal. Anders dan op het einde wellicht. Toen Hij nog was, wie Hij was en niet wie wij dachten dat Hij was. Door de eeuwen heen, veranderde Hij. Hij was plots niet meer die mensoverstijgende kosmos. Die gezichtsloze goddelijke kracht. Neen, we hebben hem vermenselijkt. Teruggebracht naar ons eigen niveau, al dan niet toch nog net iets grootschaliger, iets vorstelijker. Sommige gaven hem een kroon, een mantel, een baard, anderen een scepter of een zwaard. We gaven hem broers en zussen, goud en kruisen om te kussen. Dan nog te zwijgen over de namen die we hem gaven. We gaven Hem zelfs een huis. Ja, wij, de mensen, gaven Hém, God, een huis. We namen het heelal over, en staken Hem in onze zelfverklaarde hemel.           Maar dat, was allemaal later. Toen er al iets was. Zoals ik al zei, eerst was er niets. Hij genoot van de rust. De stilte. Of chaos. De donkerte. Of het licht. De sereniteit, de beheersing, de grip.  En toen, kregen we alles.       We kregen het. Zomaar. Zonder er iets voor te moeten doen. We waren als kinderen voor Hem. Die geef je toch ook alles, in ruil voor niets, bij lachen of tranen. Zo kregen wij onbegrensde oceanen. Buitengewoon blauw met al zijn variëteiten en tinten. Gratis. We kregen onnoemelijk veel hectare aan regenwouden, bossen, bergen, graslanden en rivieren. Allemaal zomaar. We kregen de dieren, de bloemen, ontelbaar kleurrijke geurende bloemen. En tussen dit alles, mochten wij rondlopen. We kregen ook de liefde, vriendschap, vertrouwen, hoop, dankbaarheid, gevoelens. We kregen verlangen. Naar elkaar, dat ging dan nog, maar ook naar meer. Dat steeds maar toenemende verlangen naar meer.       Onze voorheen lege bol werd gevuld met al het moois waar Hij van kon dromen. Allemaal gemaakt uit dezelfde minuscule atomen. En Hij gaf het ons. Hij moet van ons gehouden hebben, toen. Of hoorde dat alles gewoon bij Zijn rol? In ieder geval, Hij zette ons ertussen. Veilig op Zijn bol.       In deze positie zagen wij alle goddelijke geheimen, alle bezittingen, alle verrassingen want Hij beloonde ons met een knap paar blinkende ogen om te aanschouwen wat we kregen. Hij beloonde ons met een kloppend hart. Een hart dat net lang genoeg zou kloppen om een reden te verzinnen waarom hij het ons gaf, maar niet lang genoeg om te bezinnen of we het wel verdiend hadden. Hij gaf ons een hoofd gevuld met een duidelijk gescheiden netwerk van logica en gevoelens. Hij beloonde ons met al het moois dat er bestaat én niet bestaat, want Hij gaf ons een geest die in staat was te verbeelden. Verbeelden hoe het zou zijn, zonder al dat moois, gedachten open, ogen gesloten, waardoor we er nog meer van genoten. En dat ging dan nog. Maar we konden ook verbeelden dat er nog meer zou kunnen zijn. Dat steeds maar wederkerende verbeelden van meer.       Weet je dat nog meneer? Meneer? Doet het nog pijn? Dat niet veel later het verlangen, en het verbeelden, listige sluipmoordenaars bleken te zijn? Een of andere onbekende onrust die zich jarenlang onder het oppervlakte verscholen had en als onkruid, met talloze stokers tegelijk, ontkiemde. Met de worteltjes diep in onze botten en van daaruit vertakte over alle bloedvaten heen. Onvoorstelbaar ook, hoe sereen ze zorgden voor stroppen in het ooit zo efficiënte netwerk van ons pientere breintje. Maar listig dat ze waren, namen ze hun tijd. Het duurde jaren voor ze echt toesloegen. Voor wij het beseften. Voor de stoppen doorsloegen.       En in die jaren,vergaten we Hem. We vergaten alle versies van Hem. Alle synoniemen, alle evenbeelden, soorten, broeders en zusters. Allen werden verwaarloosd. Meer en meer lieten we hen allemaal vallen. Dieper en dieper en dieper, de duisternis in en daar, in die donkerte, ontdekten wij de verlichting. Weet je nog? Ons betere alternatief? We namen over, zonder dank, instinctief. Alle macht en alle rijkdom behoorde nu tot ons. We zagen ons ook als één van hen. Van de Goden. Voor deze aarde, veel te goed. We waren niet langer van vlees en bloed. Nu zaten wij aan de lange tafel. Er werd maximaal geïnd. Er werd verdeeld en er werd geheerst, onder een nieuw en frisser bewind. Maar, alles went. En in gewenning ontkiemt het verlangen. En in dat verlangen de verbeelding.  En daar liep het mis.  Het enige wat wij moesten doen, was alles respecteren. Soms moet je de dingen gewoon laten zoals ze zijn. Maar dat deden we niet. Doet het nog pijn? Mevrouw?       Weet je nog, toen we begonnen te graven? En in dat graven vonden we de goddelijke geheimen. We vonden ze en eisten ze op. Eerlijk gekregen, toch? Ze waren zo mooi. Het speeksel liep uit onze mond. En die schatten, diep verstopt onder de grond, zouden ons eeuwig jong houden. Maar we moeten er nu niet over liegen. Ze deden ons zweven.We begonnen te vliegen. We gingen op zoek naar nog meer en vlogen langs Zijn hemel, het oneindige tegemoet. Onze verbeelding nam enkel toe. Ook ons verlangen om nog verder te gaan en als het even kon, als eerste die oneindigheid af te ronden. Op onderzoek gaan heette dat in die tijd. Met toeristen die in de rij stonden om ons uitje te bekostigen. Avonturiers of gekken? In ieder geval, in ruil mochten ze een baantje trekken, op een zeshonderd kilometer boven de aarde. Dat we hier nog eens meer dan driehonderdduizend kilogram aan CO² extra achterlieten was in de prijs inbegrepen. Betalen zouden we toch.      Ook hier beneden, op deze bovenmenselijke bol, graaiden we maar in het rond en doorzochten we Gods giften als doordeweekse post. Op plaatsen ooit zo vol bebost, plukten we bijvoorbeeld cacaobonen. We voegden er wat menselijkheid aan toe en dat verkochten en kochten we dan met onze zelf uitgevonden muntjes, waarvoor we dan eerst wat nikkel en andere rijkdommen moesten voor ontginnen. Ik wil er niet over beginnen, maar, lekker was het wel. Toch?       Hij wist waarschijnlijk al lang wat er komen zou, maar Hij genoot van de kleine dingen. De positieve dingen. In al zijn fatsoen, liet Hij ons doen. Hij moet nog iets van hoop gehad hebben, en, het is die hoop die ons in stand hield. Zelfs toen we allemaal samen aan die lange tafel zaten. Een tafel die niet voor ons bestemd was. En we ons overaten. Maar het voelde zo goed. We zaten er nog niet lang en toch al te lang. We waren nooit goed geweest in wachten. We waren ons eigen, enige thuis aan het slachten. Dat is wel iets wat we collectief konden. Ja, de maat van onze wandaden was snel vol. Voor we het wisten waren we het kwijt, de pedalen. En we zouden de prijs hoe dan ook nog moeten betalen.   En dat kwelde ons.      Hij had ons alles gegeven en tussen dit alles moesten wij blijven. Naar ons gevoel veilig, met het water aan onze lippen. En toch wankelend. Instabiel. Terwijl alles rondom ons, als een kaartenhuis op één van onze gelakte cafétafels, in elkaar viel. Daar zaten we, met ons kloppend hart dat net lang genoeg bleef kloppen om ons af te vragen waaraan we dit hadden verdiend. Maar, mijn beste vriend, niet lang genoeg om helemaal te beseffen dat wij de schuldigen waren. Daar zaten we, met ons hoofd gevuld met een duidelijk gescheiden netwerk van logica en gevoelens. We konden wel oplossingsgericht te werk gaan in deze aartsmoeilijke omstandigheden maar jammer dat we te angstig of onkundig waren om knopen door te hakken. Zo liet Hij ons nog wat rondlopen. Sommige kropen. Angstig levend op deze aarde met continu dat besef dat er iets moest veranderen.      Eerst werden we wat prikkelbaar, wantrouwig. Maar toen werden we boos. Boos op de realiteit. We werden boos op elkaar. Heel de tijd. Boos. We gingen het oplossen, dat werd er helemaal op het einde nog gebruld. Maar we waren kansloos. Wist jij het toen al? Want ik had een vermoeden.       Ik weet nog toen we bijvoorbeeld minder vlees gingen eten. Het vlees dat we bedrukten met ‘twee voor de prijs van één’. We waren naïef. Het vlees was nog steeds goedkoper dan ons alternatief. We gingen minder kinderen maken. Maar vonden iets uit waardoor we onze beste vrienden jaloers konden maken, met oneindige foto’s van onze nieuwgeborenen. We gingen minder kleren kopen, want we hadden berekend hoeveel liters aan water er in het maakproces van onze jeansbroeken kropen. Maar minder kleren kopen was niet wat de winkel ons zei, wanneer we zelfs van hen een verjaardagskaartje in de bus kregen, ondertekend, ‘10 % korting’. Weet je het nog? Toen we onszelf begonnen te bedriegen? We gingen ook minder vliegen, dus sloten we onze ogen tijdens die vlucht over die buitengewoon blauwe oceaan voor amper honderdnegenennegentig euro. Inderdaad, we lieten ons verleiden. We gingen nadien minder met de auto rijden en als het niet anders kon, elektrisch, terwijl we kinderen in de kobaltmijnen staken. We bleven maar nieuwe schatten krijgen. Of vinden. Maar we konden het niet waarmaken. We gingen zoveel. We moesten zoveel. Zoveel dat het ons angstig begon te maken..  Maar we deden gewoon verder.      Nog even. De wereld was als een orkest, met iedereen als solist. Sommigen flitsten verder op deze bol als een automobilist die door polderblindheid aan honderdzestig per uur zijn afslag had gemist. Anderen delfden hun eigen graf, klommen naar beneden, gingen zitten en wachtten rustig af. Maar velen deden niets. Ze dobberden roerloos verder. Kop in het water. We waren triest. Zelfs wanneer we blij waren. We dachten dat we nog steeds het recht hadden gelukkig te zijn. Maar dat recht waren we al lang kwijt gespeeld. Ons ego werd niet langer gestreeld.       Bij een grote minderheid begon in alle stilstand, het verlangen om te veranderen, toch te groeien. Maar het probleem bevond zich niet in het verlangen. Het was de verbeelding die ons deze keer in de steek liet. En daar ging ons krediet. Over de eeuwen heen hadden we geleerd om te verbeelden hoe het zou zijn moesten we meer hebben. Maar opeens moesten we minder. Minder, maar dieper. Intenser. Maar we konden het ons niet voorstellen hoe dat zou zijn. Dus we legden er ons bij neer toen we het inzagen. We waren verslagen. En dat voelde bij de meesten niet eens verkeerd. Want alles rondom ons, in ons zacht bedje, alles wat we konden zien, en voelen, was nog goed. Voelde aangenaam. Gemakkelijk. Knus. We hadden nog iets van moed. Tot we alleen in dat bedje lagen. Niet in staat de slaap te vatten. Niet in staat te dromen. Dat het ooit zou goedkomen.      Ja, Betalen moesten we. Alvorens te gaan. Nu nog steeds trouwens. Ik herinner het me nog goed. Het begin. Ik had nog niets en toen kreeg ik alles. En als ik er nu over nadenk, moet het daar misgelopen zijn. Het kwelde me. En toch, ik deed gewoon verder. Is het dan ook mijn fout? En zo ja, kan u het mij vergeven? En nadien, helpen de last te dragen? Eventueel uw schouders mee onder zetten? Want alleen zal het mij niet meer lukken.  Mevrouw? Meneer?        

Jeroen Vanmulder
28 0