Zoeken

Zeus van Vlissegem

  Mariebillen op eigen sap. Dat eet hij liefst Meneer Pastoor. Hij is de Houtekiet van onze streek, onze contreien. Hij pakt ze allemaal. In het Parochieblad. Daarin staan zelfs wat foto’s. Echt. Omdat het hier nog mag. Afbeeldingen ook. Zo heidens als maar kan. Uitnodigingen. Ja, die eveneens. Wie komt er naar die ware zwijnerij? Mijn God. Ik weet niet eens hoe lang dat al gebeurt. Het zijn die geuren van de lust. Ze hangen in de lucht als ik daarlangs passeer, voorbij zijn pastorie. Het past zo goed. Zo diep en helemaal. Het zit geworteld in die Vlaemsche klei. Handen, vingers houden van getintel en de vorst die kleine kloven zoekt. Is hij weer bezig? In dat schriftje. Iets over het Oerwezen. Over die onderstroom. De aard van onze soort. Beweerd wordt. Door Roeland. Dat niets verloren mag gaan. Histories. Traditie. Over witloof telen in de volle grond. Over rabarber kweken, ploeteren en wroeten. Alles moet je voelen, best met zwarte aarde onder al je nagels.  Twinting jaren lang heeft hij niet gesproken en het was Tante Hannelore die hem eindelijk kon bevrijden uit zijn kooi, uit dat zwijgen van de leeuw. Roeland mocht zich laten gaan en zo is het gebeurd. Zij draagt nu zelfs een kind. Misschien is het van hem. Ik ben het vrijwel zeker dat het kindje struis zal worden. Gelijk die Zeus van Vlissegem. Gelijk Vulcanus met zijn hete kolen voor een barbecue en morgen is er weer een feestje naast de pastorie. Al wat bloot durft zijn mag komen. Zo sprak hij in zijn preek Meneer Pastoor, de Ondergod. Ge brengt wat drank mee, dankt de Heer, en laat je gaan. In overvloed. Op bangelijke dagen. Met de geestdrift van een geus of tien. Misschien zien we haar ook. Madame, elle ne se gêne pas, en daarmee wordt bedoeld, Bellona. Zij die zich niet zomaar laat doen en ons zo zot kan maken dat wij vechten voor een wip met haar. Ik denk dat hij vergeten is. Ze in te nemen. Een pil of drie en tante Hannelore is verzot op thee. Het liefst een soort die wat kan doen met ons. De mens. Het mag een drankje zijn dat ons durft mee te nemen naar een plaats waar mensenzeer vergeten wordt. Morgen de carotten uitdunnen, want er moet gewerkt worden. Men kan niet zomaar blijven wonen in dit thuis met zijn geneugden en de vele warme kamers. De wezenlijk mens moet er voor zwoegen. Oké, hij praat dan wel, nu sinds een jaar of twee. Toch zijn wij niet voor veel palaver, lege blablabla en Tante Hannelore zegt dat ik echt proeven moet. Van haar thee en alles wat hier leeft. Het glimt zo fel vandaag. Zelfs Roeland lacht. Haar buik is mooi, betoverd rond. Het is zo lang niet meer. Misschien een week of drie en dan zullen we zien op wie hij meest gelijkt. Roeland of Meneer de Ondergod. Het kan ook zijn dat er Wijze uit het Oosten is geweest die haar wat mirre schonk. Het glanst zo schoon. Dat vel is ingesmeerd met liefde van een hand of zes. Wij zien malkander gewoon graag. Dat staat geschreven aan de ingang van de kerk. Er hangt daar ook een doodszantje. Er is weer eentje heengegaan die weinig heeft geleefd. Wij drinken eerlijk bier en voor Meneer Pastoor is er goedkope wijn, zo zuur dat hij bij elke slok een zerpe muil opzet. Dat schrijft hij allemaal. Hij zit te kribbelen. Zijn epos is nogal kaduuk en Tante Hannelore kijkt tv. Men spreekt van heter weder en die zwieper van het weerbericht. Hij stond daar eens. In zijn short op het strand. Daar gaan wij ook graag naar toe. Roeland, Hannelore en Ignace. Dat ben ik. Ik mag mee als ik me niet te vrank gedraag in Bredene. We drinken daar alleen maar Sano en de glazen zijn zo sterk dat al het schuim zich lekker voelt. Doch. Morgen. Dan is er dus dat feest vlakbij de pastorie. De beesten zullen weten hoe het moet, want zij gedragen zich zo graag een keertje tuchteloos. De Zeus van Vlissegem, Bellona van Bredene, de Ondergod Himself. Alleman zal daar verschijnen. Hannelore moet toch wel voorzichtig zijn. Zo zal hij zeggen, want zo is hij. Roeland is zo gek niet als men denkt. Ik weet dat allemaal want wij, we zien malkander gewoon graag. In overvloed. Ook op benauwde dagen.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Zes droge worsten alstublieft

  Mocht ik een nestvlieder zijn geweest, ik had een beter leven gehad. Ik kocht me dan de jongste jeans, een mooie riem met gaatjes voor wat bloemen en twee vleugels met de kleuren van naïviteit. Doch. Ik hield met vast aan roest, aan resten van een huis. Nochtans was het niet ingestort. Zo leek het toch. Het was wel grauw en grimmig. Ooit werd ik gebeten door een muur. Die wist vrij goed waarom en zelfs de trap liet mij eens vallen. Er was geen dokter in de buurt. Daar groeiden enkel bomen zonder oren. Al het gevoel zat ondergronds. De wortels kropen liever richting sloot. Om de ziel te spoelen. De armen van de hoop te strekken. Er was daarvoor een vijvertje met dikkoppen en smalle aaltjes slopen weg. Doorzichtigheid. Das was hun redding. Telkens weer. Gevaar alom daar in die streek. Veel te laat ben ik bezweken. Echt. De ledematen van de onschuld hingen toen al jaren los. Ik droom altijd dat ik niet langer stappen kan, dat zwaartekracht alleen al mij tot torsen dwingt. Mijn hoofd is daarbij als een kooitje voor een vogeltje van lood. Onder de pannen leeft er ginds altijd nog een familie dove dakwormen. Ze boren gaten in de zacht geworden schedel van een rot verleden. Maden ook en larven die vergiffenis niet lusten. Dat laten ze onaangeroerd. Misschien komt er een krekelstorm. Ze mogen landen op dit krot en alles opeten. De zot is niet meer thuis. Ze hebben hem verbrand. De urne is van haar, de laatste blinde ziel die van hem hield. Ze kocht een driewieler toen de malloot begon te stuiptrekken. Door het gewicht van misdaden. Het zonk naar slechts één voet. Mank niet zo. Dat riep eerst nog een strontvliegje met laarzen. Het was zeer goed geweten bij de dieren. Wat een beul dat ventje was. Ze scholden vaak naar hem. De lijp hij bleef maar komen naar zijn hok waar mest al grijze haren kreeg. Kuis mij dan toch eens uit. Dat riepen stal en ook mijn emmertje dat vol liep met zeer troebele verhalen. Met beelden die opeengestapeld al het zicht ontnamen. Ik zag niets meer. Voor een normale blik op madeliefjes dromerige wolken moest ik vluchten naar het veld. Veel verderop was dat. Daar aan die beek is er een brug. Niet groot. Daarop wordt nooit gedanst. Een duif uit Avignon verloor er ooit zijn ring. Ik heb een oog dat alles ziet, helaas. Die kreek voorbij. Jawel. Dat huis achter me laten deed zo’n deugd. Het was een woning waarvan niemand wist hoe krank het was. Ik liep graag weg. Richting het winkeltje met snoep wat blikken soep een bak met sla of twee. Gelijk een Griekse mini market. Zonder feta. Olie van olijven. Zonder zakjes kruiden voor tzatziki aan een haakje bij de kassa. De caissière had twee ogen die mijn geld bekeken. Nooit mijn ziel. Die zat te diep. Onder beton leven er pissebedden in een grote groep. Hoera de kalme duisternis. Hip hip aan iedereen die jarig is op stille dagen, geen gekrijs hoeft te aanhoren van een ouderling. Ja. Aan die kassa heb ik vaak gestaan. Ik schoof er aan achter een oude man die eenzaamheid kwam stelen van een laatste fles met drank. Ze stond alleen in een braaf rek. Zonder waarschuwing. Voor die heerlijke overdosis. Dat durfde hij nog niet. Alles wat je betaald, dat mag je hebben. Hetgeen je zomaar kreeg. Miserie grief wat zure kool. Dat moest je freten. Gewoon slikken. Als een medicijn waardoor je vel wat taaier wordt, je geest een laagje rubber krijgt. Voor de putten. Voor de schokken. Ik heb daar in dat winkeltje zo dikwijls weer een nieuwe binnenband gekocht. Dat hadden ze daar ook. Omdat de fietsmaker elke nacht met de caissière sliep. Overdag. Dan moest hij uitrusten, verkocht zij dan zijn restvoorraad, zijn kettingen een bel voor wie hallo wou zeggen aan een zebrapad. Het is bij die mevrouw daar met haar kassa dat ik alles in een grote fietszak stak. Ze droeg wel eens zes droge worsten rond haar nek omdat ze erg van vet en slingers hield. Dat kocht ik nooit. Eigenwijze schoonheid mag men niet ontnemen aan mistroostigheid. Omdat ze mij dat vroegen heb ik er des zomers houtskool twintig kilo groot formaat gekocht. Voor barbecues en taferelen met wat brandend vlees. Varkensenkels wilden zwarte croûte, al wat roze was vergeten. De idylle stoofde mee. Tot er geen vuur meer was en vettig spul weer van het rooster droop. Het wilde nimmer wachten op die tong van gore honger. Op dergelijke feesten kreeg de vraatzucht nooit genoeg. Ze at zowaar die poot. Van mijn stoel. Waaraan een beetje ketchup hing. Ze lustte zelfs mijn leed. Kon dat maar en ik herinner me. Er was op zulke mooie dagen meestal ook zo’n sfeer van zoete schijn die liefst wat zure neerslag dronk. Opgevangen in een bierplateau. De bui kwam altijd graag. Hij bracht verfrissing, spoelde alle borden en dat bitter restje loof. Geloof me toch. Het landschap was er mooi en ogenschijnlijk mals. Ik heb altijd wat meegegeten. Enkel de salade en het blad van brandnetels. Gedrenkt in wat citroen. Ja ook de stengel van een berenklauw. Maar sterk, dat werd ik er niet van. Ik sloeg nochtans mezelf. Want op een dag, dan heb toch die riem gekocht en als je me zou vragen wat ik echt niet missen kan, dan is het wel die heupgordel van leer. Voor alles wat een beetje roze leek en lijkt. Voor alles wat er vroeg en vraagt. Om rode kracht. Om dapperheid en vredevolle dagen.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
1 0

Sukkelkind

  Is it a masked singer? Zit er hier in het publiek een wandelende tak uit Engeland met rechterstuur die rare vragen stelt en daarna volgt een blik tomatensoep. Gooi maar. Allicht omdat het nog methaangassen verspeidt, dat lijk daar op zijn stoeltje. It stinks like hell! Dat roept een kieken uit Kentucky. Bedaart en steekt nog even weg die zwaarden. In een microfoon wordt ook gevraagd wie allemaal een lotje heeft gekocht. Nummertje elf is niet gewonnen door de fee. Ook niet door ene broze vlinder. Het is zowaar een specht. Wat zal het beestje doen? Hem gaten boren in de kop? Het vliegt, het landt naast hem Meneer de Clown, vandaag verkleed als toverbeul. Steek hem maar in zijn zwarte kist, de zwaarden passen in die gleuven. Daarna opnieuw die goochelspreuk. Twee barsten in de lucht. Een breuk in het heelal. Niets van dit alles. Kijk omhoog. Droog je tranen, sukkelkind, manke Pierrot en word misschien eens wakker. Voel dat alles écht gebleven is en niets voorbij. De film van Ome Willem heeft nog nooit een kleutertje gered. Oké. Meneer de Uil is deze nacht wel los geraakt. Hij heeft mijn sleutelbeen verlaten, zit nu op de rand van mijn bestaan. Het zal nooit overgaan. Ik lees dat in zijn ogen. Het heeft gewoon niet mogen zijn. Mijn hoofdkussen is platgeslapen, ergert zich al lang niet meer aan al die klanken die ‘s nachts uit mijn oren kruipen, aan die adem van die wrede dagen. Zolang ze maar niet pogen op te staan. Die blinde hoop. Dat zwik. Die stapel uitgeknipte dwergsoldaten. Allemaal voor hem, Meneer de Hottentot. Ik zie hem straks achter de tent. Daar in ons frietkot en Alfred heeft speciaal voor hem een stoel met lange poten neergezet. Aan het buffet. Daar waar een grijze man zijn bier halfweg de dood toewenst. Zijn naam is Lazarus.     tiende en laatste deel van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Over wellevendheid

  Het was een lieve man. Kom je naar de eredienst? Hoorde ik dat goed? Is dit de laatste vrouw die met dat monster sliep en nooit zijn daden heeft gekend? Heeft zij dat nooit gezien wat achter dat gelaat wel leefde? Of was hij danig blind dat hij niet zag waarin zijn hand het mes gestoken had? Ik denk het niet. Een eredienst. Misschien met bloemen ook. Bij God. ‘Gij zult Uw ouders eren’. Doch is dat aan mij niet echt besteed. Die stelling moet op een naïeve dag verzonnen zijn door een betoverd koekoeksjong. Ik heb mijn kat gestuurd. Ze droeg een zwaar gewaad. Haar tanden hield ze wat verborgen rond een ruwe tong die liever zweeg. Ze zijn er niet vandaag. Die laatste vrouw. De kat. Het koekoeksjong. Ik kies nu zelf wie komen mag naar de terechtstelling. De circusdirecteur hij ging akkoord. Als jij betaald hebt met dat opgespaarde leed, dan mag jij alles kiezen. Drank. Publiek. Scenario. De kleuren van de tent, ook van de ondergang. Tot nu was alles goed verlopen. Er werd gejoeld toen zij daar eenmaal zaten. Vadertje Kadavertje en Moedertje met Plastiek Pop. De clown had zich verkleed als beul en kwam toen er een bever op de pauken sloeg. Het moedertje mocht gaan. De klacht ‘schuldig verzuim’ werkt afgezwakt tot ‘een normale dwaling van het brein’. Die soort van jullie, sprak Meneer de Uil, ze is nu eenmaal wreed van aard. Het zit er in. Het komt er uit. Zij heeft alleen maar wat getierd, de oren van het kind gevuld met gesel en een scheel geluid. Ik liet begaan. Het is de oehoe die vergroeid is met mijn sleutelbeen, die hier en nu, vandaag, alles beslissen zal. Ze mag vrij gaan, dat Vrouwtje met de Pop en ik geef toe, ze draagt, precies gelijk mijn kat een netelig gewaad, te zwaar zelfs voor het zwijn dat in een hoek te snurken ligt.       deel 9 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
2 0

Zijn stoel mag in het stopcontact

  De leeuw zit achterin. Ginds tussen zebra, raaf en de fazant. Er is vandaag voldoende popcorn, bier van het merk Lazarus, zodat er niemand wordt gedood en bovendien heeft hij nimmer beweerd dat hij, zomaar zonder honger, ooit een wezen heeft gekeeld. Dat kan van hem niet gezegd worden. Van Vadertje Kadavertje en daarvoor zijn wij hier. Terwijl het stil is. Enkel buiten. Daar zit geen takje nog te wachten op een somber vogeltje want hier in deze tent is het te doen. De vraag van één miljoen. Firwat. Kan iemand twee knikker halen van het meest heldere glas want hij mankeert een oog of twee, dat manusje. Verbind de kabels maar. Zijn stoel mag in het stopcontact, zijn blik verdient een snoer dat hem die beelden nog eens brengt. De projectie op het grote scherm is niet voor nu. De roodste duivel drinkt zijn Jupiler, een blikje dat hij zelf heeft meegebracht van uit een zwartgeblakerd pompstation en wij de rest verkiezen Lazarus. Bij god. Wij zuipen ons vandaag eens lekker plat terwijl wij hem reanimeren. Ja. Het is zo jammer, zegt de gier dat hem geen vlees meer aan de ribben hangt. Zelfbedachte rampspoed zit hem wel nog steeds tussen de oren, maar van eetbare materie is nu wel geen sprake meer. Doch. Hij kan nog spreken. Dat ben ik zelf dusdanig zeker want ik hoor het elke nacht. Juist. Het is Meneer de Uil die het bevestigt. Hij weet alles wat de duisternis nooit meer verhullen kan. Zijn er tv-worstjes. Dat vraagt de Hottentot. Gij zot, roept er een varken met te luide snuit. Wij zijn hier niet gekomen voor een fraai diner. Klank en beeld ze moeten komen van die hufter daar, die handelaar in leed, in droefenis en als ik mij van jaartal niet vergis, dan is het stilaan tijd, zodat er straks niet van verjaring zal gesproken worden. Niet dom, Meneer het Zwijn, zo fluit de fuut die altijd op de vijver dreef. Achter ons huis, daar was dat paradijs met onderstroom en vaak die rare ondergang van wegkijkende zon.       deel 8 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt

Bernd Vanderbilt
3 0

Firwat

  Alles geschiedt op dat podium. In de tent der duisternis waarin alles galmt en achter dit hoekje altijd diezelfde schelm weer gal overgeeft. Er zit een deuk in zijn hoed. Snot hangt aan zijn rechter revers en hij kondigt het nu ook echt aan de circusdirecteur. De vrouw met plastiek pop wordt ook ter tonele geroepen. Er wordt een stoeltje bijgezet. Ook een voetbadje. Het wordt gevuld met witte wijn terwijl zij daar al zit, de pop met één arm in een kramp vasthoudt en zie hoe zij wuift. Met de andere, de rechterarm, die hand die de ajuinen sneed. Naar de goegemeente. Als een dom, mallotig lam. Haar knieën tikken tegen elkaar alsof ze spanning lekker vinden. Gaan er druivenbladeren groeien. Is dit een ritueel waarmee zij uit haar kot gelokt zal worden. De zomerzon. De stem van vuil verleden schraapt zich nu nog niet. Het is de Hottentot. Hij weet het. Er zal allicht gezongen worden. Nadat de troubadour straks met zijn stokken heeft geslaan. Gewoon. Tegen elkaar en dan zal de ijzervogel eerst zijn deuntje doen. Goed en wat daarna. Nog meer prelude. Voor de spanning. Voor elk puntje van de stoel. Voor de twijfelaar die nog geen lotje kocht. Tot het kind terugkeert van het kraam met zwarte suikerspin. Firwat is Luxemburgs en ik weet het ook niet, waarom dit zo lang duren moet. Het voetbadje van de mevrouw, het moedertje met kunststof poppetje. Er is een spot die dat belicht en kijk, het kuipje wordt gevoeld met Sauvignon van Echternach. Firwat. Zal er een rank groeien rond haar benen, romp en hoofd. Zijn er trossen vol geluk en blauwe gloed op komst. Moet zij ook wat groen dragen omdat Vadertje Kadavertje zijn mos heeft meegebracht. Klimop groeit uit zijn linkeroor. Hij lacht zowaar. Misschien is hij wel blij dat ze weer zijn bijeengebracht. Het is een duo dat een koppel was. Een stel dat al het vel van mijn nog jonge ziel zo rekken deed. Gesleurd, getrokken werd er aan het beeld van argeloos bestaan dat ik toen had. Met hun onfrisse handen was het. Vier. Door hun doen. Kreeg ik die vuile vlekken op dit lijkgewaad. Dat van mijn kindertijd.     deel 6 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

sporkehout

Excuseer meneer, ik zocht sporkehout. De zoon van de oude Tielens keek even naar de bebaarde man. Die nam in het plat Pelts afscheid, monsterde mij van beneden naar boven en stapte in de richting van de uitgang. Het zitvlak van zijn laaghangende werksalopette zag vuil alsof hij op een van de natte houten bankjes hier op de boomkwekerij had gezeten. Sporkehout, zei-de? Dat is frangula alnus, zeker? Die staat bij de haagjes. De Latijnse benaming ken ik niet. Mijn vader zegt gewoon sporkehout.  Ik wandel wel even mee. Kom, Karel, we volgen de meneer. Bij de hagen was ik al gaan kijken, maar als je niks van Latijnse benamingen kende, was het moeilijk om de juiste plant te vinden. Ik had de struik in ieder geval niet herkend. En ik was helemaal tot achteraan gelopen met die metalen bolderkar. Tussen de plassen en de modder door. Mag ik in de bak zitten? had Karel tot vier keer toe gevraagd. Nee jongen, daar is die bak veel te vuil voor en je hebt geen vuile broek aan.  Mag ik door de plassen, papa? Je hebt je laarsjes aan, dus ja, maar niet te hard anders maak je je broek toch nog nat. Behoedzaam stapte hij tot in het midden van elke plas die hij tegenkwam. Daar bleef hij even staan en keek naar zijn voeten. Karel had een bijzondere band met plassen. Hij praatte er soms tegen. Zo, nu sta ik in het midden. Vind je dat fijn. Ik vind dat fijn. Volgens mij spraken die plassen ook tegen hem. Spring in mij! riepen ze, smeekten ze. En Karel gaf gehoor aan die onweerstaanbare roep. Hij sprong erin, stapte erin. Nam een aanloop en liet de spetters alle kanten opspatten. Hij kon gieren van de pret als hij dat deed. Als het regende, deden we hem soms gewoon vuile kleren aan en mocht hij zichzelf uitleven. Toevallige passanten werden instant gelukkig als ze dat kind zo bezig zagen. Wij alleen als we hem die toestemming hadden gegeven.  Karel, kom, jongen. Hij stond weer aan de rand van een plas. Pletssj. Met twee voeten tegelijk erin. Karel, allé, er niet inspringen had ik gezegd. Hier zijn ze. Dit is sporkehout, denk ik.  De jonge Tielens haalde zijn smartphone boven en na wat tikwerk liet hij mij het scherm zien. De Wikipediapagina bevestigde het. Frangula alnus was sporkehout. De plantjes stonden dicht tegen elkaar en reikten al bijna anderhalve meter hoog. Die zou ik maar net in de auto krijgen. Geen wonder trouwens dat ik ze zo zonder blad niet kon herkennen. Het waren maar schriele dingetjes. 5 euro per stuk stond er op het plaatje. Dat viel mee. Als ik bedacht dat ik de blauwebessenstruiken hier 15 euro per stuk had moeten betalen. Hoeveel wil je er hebben? Ik overliep in mijn hoofd snel de plaatsen waar ik ze wilde planten. Zeker één in het kippenhok en dan tegen de omheining zou ik ook nog wel plaats hebben voor een paar. Vijf euro, daarvoor kon ik niet sukkelen. Doe er maar vier. Die geraak ik wel kwijt. De manier waarop hij de plantjes uit de grond trok, verbaasde me. Zo ruw zou ik het zelf nooit doen, maar dat was allicht de hand van de meester, zelfzeker, trefzeker en duidelijk.  Nu zocht ik nog vlinderstruikjes en een sequoia. Sequoia. Die worden groot eh, meneer. Ja, maar niet onmiddellijk, hoop ik. De jonge Tielens lachte. Hij lachte meer en mooier dan zijn vader, die ik enkel nors grommend en kort van stof had gekend. De oude Tielens vloekte vaak op zijn zoon. 80 euro voor zo’n lindeboom. Hij gaat nog failliet. Wat is dat nu? ’t Is dat ik er niks meer aan te zeggen heb, maar zo’n boom moet minstens 200 euro kosten.  Weet je wat ze vroeger zeiden. Boompje groot, plantertje dood. Dat zei mijn grootvader ook altijd, antwoordde ik. Bij het woord ‘dood’ voelde ik een plots en vreemd spasme rond mijn hartstreek.  Kom mee, ik heb die vlinderstruiken net wat afgeknipt voor de winter. Ze staan in de serre. Karel liet een steen in een plas vallen en richtte zich tegelijk tot de jonge Tielens. Straks ga ik naar de tandarts. Is dat echt? En ben je er een beetje bang voor. Nee. Ja. Een beetje. Maar als ik het flink doe, dan gaan papa en ik een filmpje kijken. Oh. Ja, Sjakie en de chocoladefabriek. We moeten hem nog wel gaan halen in de bieb. En ik ga ook een kerstman maken van lego. De benen en de buik heb ik al, maar het hoofd is moeilijk, daar moet ik een plannetje voor hebben. Nou, kan jij dat al. Ja, papa moet het nog opzoeken op internet. Dan kan ik het hoofd maken. Karel had inderdaad het onderstel van een roodwitte man gebouwd in lego. Hoe dat we dat hoofd moesten maken, was me nog een raadsel en ik vermoedde dat er ook niks van op internet te vinden zou zijn, maar als het op lego aankwam, wilde Karel vaak van geen wijken weten. Ik hoopte dat hij het toch stilletjes zou vergeten. Dat vind ik wel knap van jou, jongen. Sèg ga je dadelijk je papa helpen om boompjes te planten. Ja, nee, want ik moet ook nog naar de tandarts. Dat is pas namiddag, Karel, en dat doe je samen met mama. Als ik flink ben, gaan we naar de bieb. Dan mag ik de film van Sjakie en de chocoladefabriek halen. Het boek heb ik al gelezen en als ik nu flink ben, dan heeft papa gezegd dat we de film gaan kijken, want het gaat regenen. En als het regent dan is het filmpje met popcorn. De jonge Tielens glimlachte.  Dan zou ik ook flink zijn. Hij richtte zich tot mij en zei: Aan zijn bebber zal’t niet gelegen hebben. Hij kan het nogal uitleggen. Hoe oud is hij? Zes. Hij ziet er jonger uit, maar hij is nogal klein voor zijn leeftijd. Dan nog. Die kleine van ons is acht en komt moeilijker uit zijn woorden. Wees blij dat zijn jonge zus er niet bij is. Ons Marie-Anne tettert de hele dag door. Hij hier zwijgt nog af en toe, maar die jongste. Dat begint om zes uur ’s morgens en stopt niet tot ze rond zeven uur in slaap valt. Alsof Karel het gehoord had, zweeg hij. Hij had een bamboestokje gevonden en gebruikte het om tegen één van de metalen pilaren van de enorme serre te tikken. Hij keek lang en intens naar de aansluitingen van de sproeiinstallatie, terwijl ik probeerde te kiezen tussen de verschillende soorten vlinderstruiken. Ik wou er drie verschillende vlak bij elkaar planten, zodat het één grote veelkleurige plant zou lijken. Het is een mooie nieuwe serre. Ik had ze nog niet gezien. Ik heb ze ook nog maar twee maanden in gebruik.  Ferm. We zijn er heel content mee. Dat zal wel. Het is ook de moeite. Wat is het verschil tussen deze twee paarse struiken? Deze hier is wat lichter paars en dit is een oudere dieppaarse soort. Karel, hou eens op met dat tikken en kom eens hier. Jij mag papa helpen kiezen. Wij hebben dat ook, eh papa? Wat hebben wij ook? Dit? O, ja, wij hebben zo’n leidingen ook. Dat dient om te sproeien en wij hebben ook een sproeiinstallatie. Maar deze is veel groter. Zie je die buizen daar, zei de jonge Tielens. Daar zitten allemaal kleine gaatjes in en dan kunnen we het hier laten regenen als dat nodig is. Met een ernstige uitdrukking keek Karel naar de buizen met gaatjes en keerde zich toen naar mij.  Mag ik echt kiezen? Ja, papa heeft al een witte en een roze struik gekozen en nu mag jij kiezen welke paarse. Hij wees met zijn bamboestokje resoluut het donksterste paars aan. Die zou het dus worden en ik zette de pot bij in de bolderkar. Nu wilde ik nog een sequoia, maar hij bleek er geen meer te hebben staan, buiten een treurexemplaar. Op de foto zag ik hoe smal die omhoog gingen en dat vond ik niet mooi. Een boom moest een boom zijn en zijn plaats opeisen, een schriele, kromme naald die de lucht in prikte stemde niet overeen met dat beeld. Ze komen nog binnen, meneer. Ik zou eind januari eens terugkomen en dan heb ik er zeker een paar staan. Onmiddellijk toen we thuis kwamen, heb ik in de motregen het sporkehout en de vlinderstruiken geplant. Karel verdween in de speelkamer en ik heb hem de rest van de voormiddag niet meer gehoord of gezien. Trots toonde hij ’s middags zijn legokerstman met veel te groot hoofd en zijn zelfgebouwd dinopark aan zijn mama. Achter Tine aan drengelde de oververmoeide Marie-Anne die ze net van haar sportkampje had opgehaald. In een mum van tijd had Marie-Anne twee legobomen omgelopen en een dino in haar mond gestoken. Karels reactie was luid. Aan tafel was het ook moeilijk. Het duurde tot Karel naar de tandarts was en Marie-Anne in de zetel was ingedommeld voor er een soort van stilte neerdaalde. Ik stopte haar met een fleecedenkentje onder en ging naast haar zitten, deed mijn ogen toe en luisterde naar mijn eigen hartslag.    

Hans Van Ham
21 0

DE JERRYCAN

Kutlijf’ roep ik wanneer ik wakker word, ik sleep me de trap af. De stoel in de keuken staat uitnodigend op me te wachten. Ik steek een sigaret op, de krampen verdwijnen langzaam uit mijn lijf.  Nog even geduld en het gaat weer wel, weet ik uit ondervinding. ‘ Hittegolf legt half Europa lam.’ kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel in de krant en hoop dat ik dit maal mijn geschrift wel kan lezen. Er is geen brood meer.  ‘Vlug, mijn hond zit nog binnen!’ roept de reddeloze bewoner. De brandweerlui rollen de slangen uit en koppelen ze aan de waterkranen. De vlammen slaan al uit het dak. ‘Die heeft toch ook geen geluk; vorig jaar is zijn vrouw gestorven en nu dit.’, zegt mijn buurman die alles staat te filmen met zijn smartphone. ‘Dat gaat veel views opleveren op Facebook.’ ‘Och man, doe die telefoon weg, ramptoerist!’, snauw ik hem toe. Buurman verdwijnt al filmend uit mijn zicht .‘Sooi!’ De bewoner loopt huilend naar de brandweerman die de hond als een baby in zijn armen draagt . ‘Dank u, meneer.’ Het slachtoffer neemt de hond over, de redder in zijn kielzog. Ik zie een lichte kwispel in de staart van de hond. ‘Gelukkig’ denk ik en draai me om naar huis te wandelen. Thuisgekomen zet ik de jerrycan neer om deur te openen. ‘Jerrycan??’ Vanwaar komt die ineens? Ik kan me niet herinneren waar en wanneer ik die jerrycan gehaald heb. De  bel gaat. Er staan twee agenten op de stoep. ‘Bent U Mijnheer Vandevelde?’ vraagt één van de agenten. Ik knik. ‘U bent gearresteerd op verdenking van brandstichting. Gelieve met ons mee naar het kantoor te komen.’ Op het kantoor word ik ondervraagd alsof ik de grootste crimineel van het land ben. Ik stap het kantoor van dokter Vandenberg binnen. Hij is er nog niet. Ik wacht. Aan de muur hangt een schilderij van Klimt, de naam ontglipt me. ‘ Dag meneer Vandevelde, hoe is het vandaag met ons?’ ik heb er een hekel aan als mensen vragen het ‘ons’ is. Alsof we een stelletje zijn. ‘ Dat kan stukken beter, dokter, s morgens zijn mijn ledematen zo stijf dat ik amper van de trap raak, ik kan amper nog schrijven en mijn geheugen is als een zeef met gigantische gaten, maar voor de rest is alles top.’ vertel  ik de arts. Vandenberg neemt notities en kijkt op ‘ Ik heb echt geen idee, maar we gaan dit verder onderzoeken.’ Ik vraag de verpleegster of ze bloed bij u prikt.’ De rondborstige verpleegster komt vanachter haar desk met een nierbekken in haar handen. Ik voel de prik nauwelijks. ‘Bel ons morgen op voor de uitslag.’ zegt de verpleegster met de mooie borsten. ‘Tja’ zeg ik ‘ ik weet ook niet wat ik daar met die jerrycan stond te doen.’ ‘ Ik weet nog dat ik naar de bakker ben geweest en toen ik thuiskwam, had ik ineens een jerrycan vast.’ vertel ik de agenten, ‘ Ik ben nog even gaan zitten op de bank voor de bakker, ik stap de laatste tijd zo slecht en dan is een bank af en toe welkom. En het brood moet ik dan laten liggen hebben bij de brand want toen ik thuiskwam, had ik enkel de jerrycan bij.’ Ik zie aan hun blik dat ze me niet geloven. Ik geloof het ook niet. ‘Dat is wel een heel raar verhaal, meneer, we gaan dat zeker checken bij de bakker en de buren.’ De agenten mompelen iets onverstaanbaars tegen mekaar. ‘Als ik van u was, zou ik een advocaat bellen.’ s Anderendaags bel ik de dokter op. ‘ De praktijk van dokter Vandenberg, wat kan ik voor u doen?’ Ik herken de stem van de verpleegster. ‘U spreekt met Jef Vandevelde, ik bel voor de uitslag van mijn bloedonderzoek.’ ‘Momentje’ zegt ze, ik hoor haar tikken op het toetsenbord. ‘Ja, hier heb ik het, alles ziet er goed uit, alleen uw cholesterol staat een beetje aan de hoge kant. Ik bel mijn advocaat. ‘Dat is erg vervelend voor u maar ik ben de hele dag in het gerechtsgebouw en ik kan u pas morgen komen helpen, het spijt me.’ zegt een verwaande stem aan de andere kant van de lijn. Ik voel me in de steek gelaten. De politieagenten begeleiden me naar mijn cel. ‘Tot morgen, uw advocaat komt om acht uur. Slaap lekker’. De slaap blijft achterwege, de sombere gedachten nemen de bovenhand. ‘Meneer Vandevelde, bent u er weer!’ roept de rondborstige vanachter haar desk, ‘de dokter is er zo hoor.’ Ik neem het wetenschappelijk tijdschrift dat bovenop de stapel ligt. ‘ Jef, kom binnen.’ nodigt meneer doktoor me uit. Hij kijkt op zijn computer. ‘ Ja Jef, die hoge cholesterol hebben we snel opgelost met medicatie en een aangepast dieet, maar wat gaan we doen met dat andere probleem?’ ‘Ik hoopte dat u mij dat ging vertellen, dokter. Vandenberg vraagt hoe me het de laatste week verging. Ik vertel hem over het voorval met de jerrycan.  Mijn arts stelt een opname in de kliniek voor.  Ik stem toe. Om acht uur wordt mijn cel geopend. Uitgeslapen ben ik niet. De koude cel en mijn gedachten hielden me wakker. Ik doe de grootste moeite van de wereld om op te staan. Mijn spieren lijken van steen. Een agent leidt me naar een andere kamer. Ik hobbel hen achterna.  Aan de tafel zit een maatpak met bril en das. ‘Goedemorgen mijnheer Vandevelde, ik ben meester Block, ik heb uw dossier gelezen en ik zal goed mijn best moeten doen om u van deze beschuldigingen vrij te pleiten. Ik word terug naar mijn koude cel geleid. Ondanks de pijn en de koude val ik toch even in slaap. Tijdens de rit naar Gent is het stil. Ik ben bang. Bang dat er iets ergs gevonden wordt. Iets definitiefs. ‘U ligt op kamer 413, op de afdeling neurologie.’ vertelt de ziekenhuismedewerker me vanachter haar bureau. ‘ Neem de lift naar het vierde en daar gaan ze u verder helpen.’ Er komt een verpleger op me afgelopen. ‘Bent u meneer Vandevelde?’ ik knik. ‘Dan mag u me volgen naar kamer dertien.’ ‘ Vandaag gaan we u nog met rust laten, maar morgen hebt u het ene onderzoek na het andere, zet u maar schrap!’ waarschuwt de vriendelijke blonde verpleger met bril. Ik installeer me aan mijn kant van de kamer en maak kennis met mijn kamergenoot. Hij heet ook Jef maar dan Peeters. Het gebonk op de celdeur doet me wakkerschrikken. Het dutje heeft me deugd gedaan, er is geen pijn. ‘Meneer Vandevelde, uw advocaat is er weer.’ Ik stap op mijn gemak mijn cel uit en volg de agent. ‘Ik heb even rondvraag gedaan in de buurt.’ zegt het maatpak. ‘De bakker heeft u inderdaad in zijn winkel gehad, maar u heeft daar geen brood gekocht, maar twee koffiekoeken. En u had ook geen jerrycan bij u.’ Ik luister aandachtig en denk na. Ineens herinner ik me dat ik mijn jas afgeklopt heb toen ik thuiskwam. Bloemsuiker. Block’s tijd zit erop en ik word weer de cel ingeduwd. Scans, oogonderzoeken, bloedafnames volgen mekaar op. Ik word er moedeloos van. Net of ik een nummer ben in een gigantisch medisch laboratorium. Als een gewond, kwetsbaar vogeltje lig ik op mijn bed met de kraak witte lakens die ik na vier nachten zo verafschuw. ‘Het gaat niet goed met u é, mijnheer?’ vraagt de verpleegster die binnenspringt om mijn bloeddruk te meten. Ik schud mijn hoofd en doe moeite om mijn tranen te verbijten. ‘Ik zie het, weet u wat, ik heb gezien dat er vandaag geen onderzoeken meer gepland zijn voor u. Waarom gaat u geen wandelingetje maken door Gent, een terrasje doen. Even weg uit deze fabriek.’ Ik volg haar raad op. Het geeft me weer energie voor de rest van mijn ziekenhuisverblijf. De twee volgende dagen fladder ik door als een gezond vogeltje. De tweede nacht in de cel huil ik van de pijn. Ik snak naar een sigaret. Een jonge agent geeft me een peuk. Het begint al te schemeren wanneer ik eindelijk in slaap val. ‘Er is niets verontrustend uit de onderzoeken voortgekomen, enkel uw hoge cholesterol, maar dat wist u al.’ weet de professor neurologie me te vertellen. ‘ Als het is wat ik denk, is het heel erg.’ zegt hij . Wat een boer, denk ik. Ik zit er verweesd bij, ik had zo gehoopt op een antwoord. ‘Ik ben niet zeker, maar neem deze pillen, tweemaal daags en dan zie ik u volgende maand terug.’ Het zal wel, denk ik teleurgesteld. Een week later merk ik dat er iets is veranderd. Het gaan gaat soepel. De keukenstoel die ik voordien zo nodig had, staat nu nutteloos aan de keukentafel. ‘Hittegolf in Europa lijkt voorbij’, kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel. Mijn geschrift is terug leesbaar. Maatpak komt me persoonlijk uit mijn cel halen. Dat moet ofwel heel goed ofwel heel slecht nieuws zijn. Ik hoop op goed. ‘Mijn beste heer Vandevelde,’ zingt hij bijna ‘ik heb het mysterie opgelost.’  Bock glimt van trots. Ik speel het spel mee en roep enthousiast dat ik zeer benieuwd ben. ‘Wel’ zegt het maatpak ‘ik heb camerabeelden opgevraagd.’ Ik moet mijn nieuwsgierigheid onderdrukken. ‘Vertel het dan.’ schreeuw ik hem toe. ‘Op de beelden is te zien dat u eerst bij de bakker was en toen bij de garagist om een jerrycan benzine.’ Ik herinner me het weer. Block zoekt tussen zijn papieren; ‘Ah, hier heb ik het. Dus u bent bij de bakker en de garagist geweest omstreeks twaalf uur veertig.’ Ik zit op het puntje van mijn stoel. ’En op beelden van het brandend huis bent u te zien om twaalf uur. vervolgt hij. Ik ontspan. ‘En het belangrijkste dat u vrijpleit is dat de brand ontstaan is door een verhitte frituurketel.’  Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Betekent dit…?’ Bock knikt. ‘Ja’ u bent vrij, u mag gaan.’ Tijdens de rit naar Gent met mijn vader, praten we honderduit. ‘Dag meneer, hebben die pillen iets gedaan?’ vraagt de prof. ’T Zal nog niet!’ roep ik enthousiast, ‘ Ik sta soepel op, ik raak de dag door zonder stijve armen of benen en mijn geschrift is veel beter.’ ‘Ik kan ook meer onthouden’ ‘Dan denk ik dat u Parkinson heeft, want dat wat u neemt nu Parkinsonmedicatie.’ Ik ben blij. Blij dat het monster nu een naam heeft. ‘Ik stel voor dat u nu verdergaat met de medicatie en als er nog iets is, dan horen wij het wel. Dag meneer Vandevelde.’ Ik huppel het ziekenhuis uit. Ik heb allang niet meer gehuppeld.                                   Kutlijf’ roep ik wanneer ik wakker word, ik sleep me de trap af. De stoel in de keuken staat uitnodigend op me te wachten. Ik steek een sigaret op, de krampen verdwijnen langzaam uit mijn lijf.  Nog even geduld en het gaat weer wel, weet ik uit ondervinding. ‘ Hittegolf legt half Europa lam.’ kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel in de krant en hoop dat ik dit maal mijn geschrift wel kan lezen. Er is geen brood meer.  ‘Vlug, mijn hond zit nog binnen!’ roept de reddeloze bewoner. De brandweerlui rollen de slangen uit en koppelen ze aan de waterkranen. De vlammen slaan al uit het dak. ‘Die heeft toch ook geen geluk; vorig jaar is zijn vrouw gestorven en nu dit.’, zegt mijn buurman die alles staat te filmen met zijn smartphone. ‘Dat gaat veel views opleveren op Facebook.’ ‘Och man, doe die telefoon weg, ramptoerist!’, snauw ik hem toe. Buurman verdwijnt al filmend uit mijn zicht .‘Sooi!’ De bewoner loopt huilend naar de brandweerman die de hond als een baby in zijn armen draagt . ‘Dank u, meneer.’ Het slachtoffer neemt de hond over, de redder in zijn kielzog. Ik zie een lichte kwispel in de staart van de hond. ‘Gelukkig’ denk ik en draai me om naar huis te wandelen. Thuisgekomen zet ik de jerrycan neer om deur te openen. ‘Jerrycan??’ Vanwaar komt die ineens? Ik kan me niet herinneren waar en wanneer ik die jerrycan gehaald heb. De  bel gaat. Er staan twee agenten op de stoep. ‘Bent U Mijnheer Vandevelde?’ vraagt één van de agenten. Ik knik. ‘U bent gearresteerd op verdenking van brandstichting. Gelieve met ons mee naar het kantoor te komen.’ Op het kantoor word ik ondervraagd alsof ik de grootste crimineel van het land ben. Ik stap het kantoor van dokter Vandenberg binnen. Hij is er nog niet. Ik wacht. Aan de muur hangt een schilderij van Klimt, de naam ontglipt me. ‘ Dag meneer Vandevelde, hoe is het vandaag met ons?’ ik heb er een hekel aan als mensen vragen het ‘ons’ is. Alsof we een stelletje zijn. ‘ Dat kan stukken beter, dokter, s morgens zijn mijn ledematen zo stijf dat ik amper van de trap raak, ik kan amper nog schrijven en mijn geheugen is als een zeef met gigantische gaten, maar voor de rest is alles top.’ vertel  ik de arts. Vandenberg neemt notities en kijkt op ‘ Ik heb echt geen idee, maar we gaan dit verder onderzoeken.’ Ik vraag de verpleegster of ze bloed bij u prikt.’ De rondborstige verpleegster komt vanachter haar desk met een nierbekken in haar handen. Ik voel de prik nauwelijks. ‘Bel ons morgen op voor de uitslag.’ zegt de verpleegster met de mooie borsten. ‘Tja’ zeg ik ‘ ik weet ook niet wat ik daar met die jerrycan stond te doen.’ ‘ Ik weet nog dat ik naar de bakker ben geweest en toen ik thuiskwam, had ik ineens een jerrycan vast.’ vertel ik de agenten, ‘ Ik ben nog even gaan zitten op de bank voor de bakker, ik stap de laatste tijd zo slecht en dan is een bank af en toe welkom. En het brood moet ik dan laten liggen hebben bij de brand want toen ik thuiskwam, had ik enkel de jerrycan bij.’ Ik zie aan hun blik dat ze me niet geloven. Ik geloof het ook niet. ‘Dat is wel een heel raar verhaal, meneer, we gaan dat zeker checken bij de bakker en de buren.’ De agenten mompelen iets onverstaanbaars tegen mekaar. ‘Als ik van u was, zou ik een advocaat bellen.’ s Anderendaags bel ik de dokter op. ‘ De praktijk van dokter Vandenberg, wat kan ik voor u doen?’ Ik herken de stem van de verpleegster. ‘U spreekt met Jef Vandevelde, ik bel voor de uitslag van mijn bloedonderzoek.’ ‘Momentje’ zegt ze, ik hoor haar tikken op het toetsenbord. ‘Ja, hier heb ik het, alles ziet er goed uit, alleen uw cholesterol staat een beetje aan de hoge kant. Ik bel mijn advocaat. ‘Dat is erg vervelend voor u maar ik ben de hele dag in het gerechtsgebouw en ik kan u pas morgen komen helpen, het spijt me.’ zegt een verwaande stem aan de andere kant van de lijn. Ik voel me in de steek gelaten. De politieagenten begeleiden me naar mijn cel. ‘Tot morgen, uw advocaat komt om acht uur. Slaap lekker’. De slaap blijft achterwege, de sombere gedachten nemen de bovenhand. ‘Meneer Vandevelde, bent u er weer!’ roept de rondborstige vanachter haar desk, ‘de dokter is er zo hoor.’ Ik neem het wetenschappelijk tijdschrift dat bovenop de stapel ligt. ‘ Jef, kom binnen.’ nodigt meneer doktoor me uit. Hij kijkt op zijn computer. ‘ Ja Jef, die hoge cholesterol hebben we snel opgelost met medicatie en een aangepast dieet, maar wat gaan we doen met dat andere probleem?’ ‘Ik hoopte dat u mij dat ging vertellen, dokter. Vandenberg vraagt hoe me het de laatste week verging. Ik vertel hem over het voorval met de jerrycan.  Mijn arts stelt een opname in de kliniek voor.  Ik stem toe. Om acht uur wordt mijn cel geopend. Uitgeslapen ben ik niet. De koude cel en mijn gedachten hielden me wakker. Ik doe de grootste moeite van de wereld om op te staan. Mijn spieren lijken van steen. Een agent leidt me naar een andere kamer. Ik hobbel hen achterna.  Aan de tafel zit een maatpak met bril en das. ‘Goedemorgen mijnheer Vandevelde, ik ben meester Block, ik heb uw dossier gelezen en ik zal goed mijn best moeten doen om u van deze beschuldigingen vrij te pleiten. Ik word terug naar mijn koude cel geleid. Ondanks de pijn en de koude val ik toch even in slaap. Tijdens de rit naar Gent is het stil. Ik ben bang. Bang dat er iets ergs gevonden wordt. Iets definitiefs. ‘U ligt op kamer 413, op de afdeling neurologie.’ vertelt de ziekenhuismedewerker me vanachter haar bureau. ‘ Neem de lift naar het vierde en daar gaan ze u verder helpen.’ Er komt een verpleger op me afgelopen. ‘Bent u meneer Vandevelde?’ ik knik. ‘Dan mag u me volgen naar kamer dertien.’ ‘ Vandaag gaan we u nog met rust laten, maar morgen hebt u het ene onderzoek na het andere, zet u maar schrap!’ waarschuwt de vriendelijke blonde verpleger met bril. Ik installeer me aan mijn kant van de kamer en maak kennis met mijn kamergenoot. Hij heet ook Jef maar dan Peeters. Het gebonk op de celdeur doet me wakkerschrikken. Het dutje heeft me deugd gedaan, er is geen pijn. ‘Meneer Vandevelde, uw advocaat is er weer.’ Ik stap op mijn gemak mijn cel uit en volg de agent. ‘Ik heb even rondvraag gedaan in de buurt.’ zegt het maatpak. ‘De bakker heeft u inderdaad in zijn winkel gehad, maar u heeft daar geen brood gekocht, maar twee koffiekoeken. En u had ook geen jerrycan bij u.’ Ik luister aandachtig en denk na. Ineens herinner ik me dat ik mijn jas afgeklopt heb toen ik thuiskwam. Bloemsuiker. Block’s tijd zit erop en ik word weer de cel ingeduwd. Scans, oogonderzoeken, bloedafnames volgen mekaar op. Ik word er moedeloos van. Net of ik een nummer ben in een gigantisch medisch laboratorium. Als een gewond, kwetsbaar vogeltje lig ik op mijn bed met de kraak witte lakens die ik na vier nachten zo verafschuw. ‘Het gaat niet goed met u é, mijnheer?’ vraagt de verpleegster die binnenspringt om mijn bloeddruk te meten. Ik schud mijn hoofd en doe moeite om mijn tranen te verbijten. ‘Ik zie het, weet u wat, ik heb gezien dat er vandaag geen onderzoeken meer gepland zijn voor u. Waarom gaat u geen wandelingetje maken door Gent, een terrasje doen. Even weg uit deze fabriek.’ Ik volg haar raad op. Het geeft me weer energie voor de rest van mijn ziekenhuisverblijf. De twee volgende dagen fladder ik door als een gezond vogeltje. De tweede nacht in de cel huil ik van de pijn. Ik snak naar een sigaret. Een jonge agent geeft me een peuk. Het begint al te schemeren wanneer ik eindelijk in slaap val. ‘Er is niets verontrustend uit de onderzoeken voortgekomen, enkel uw hoge cholesterol, maar dat wist u al.’ weet de professor neurologie me te vertellen. ‘ Als het is wat ik denk, is het heel erg.’ zegt hij . Wat een boer, denk ik. Ik zit er verweesd bij, ik had zo gehoopt op een antwoord. ‘Ik ben niet zeker, maar neem deze pillen, tweemaal daags en dan zie ik u volgende maand terug.’ Het zal wel, denk ik teleurgesteld. Een week later merk ik dat er iets is veranderd. Het gaan gaat soepel. De keukenstoel die ik voordien zo nodig had, staat nu nutteloos aan de keukentafel. ‘Hittegolf in Europa lijkt voorbij’, kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel. Mijn geschrift is terug leesbaar. Maatpak komt me persoonlijk uit mijn cel halen. Dat moet ofwel heel goed ofwel heel slecht nieuws zijn. Ik hoop op goed. ‘Mijn beste heer Vandevelde,’ zingt hij bijna ‘ik heb het mysterie opgelost.’  Bock glimt van trots. Ik speel het spel mee en roep enthousiast dat ik zeer benieuwd ben. ‘Wel’ zegt het maatpak ‘ik heb camerabeelden opgevraagd.’ Ik moet mijn nieuwsgierigheid onderdrukken. ‘Vertel het dan.’ schreeuw ik hem toe. ‘Op de beelden is te zien dat u eerst bij de bakker was en toen bij de garagist om een jerrycan benzine.’ Ik herinner me het weer. Block zoekt tussen zijn papieren; ‘Ah, hier heb ik het. Dus u bent bij de bakker en de garagist geweest omstreeks twaalf uur veertig.’ Ik zit op het puntje van mijn stoel. ’En op beelden van het brandend huis bent u te zien om twaalf uur. vervolgt hij. Ik ontspan. ‘En het belangrijkste dat u vrijpleit is dat de brand ontstaan is door een verhitte frituurketel.’  Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Betekent dit…?’ Bock knikt. ‘Ja’ u bent vrij, u mag gaan.’ Tijdens de rit naar Gent met mijn vader, praten we honderduit. ‘Dag meneer, hebben die pillen iets gedaan?’ vraagt de prof. ’T Zal nog niet!’ roep ik enthousiast, ‘ Ik sta soepel op, ik raak de dag door zonder stijve armen of benen en mijn geschrift is veel beter.’ ‘Ik kan ook meer onthouden’ ‘Dan denk ik dat u Parkinson heeft, want dat wat u neemt nu Parkinsonmedicatie.’ Ik ben blij. Blij dat het monster nu een naam heeft. ‘Ik stel voor dat u nu verdergaat met de medicatie en als er nog iets is, dan horen wij het wel. Dag meneer Vandevelde.’ Ik huppel het ziekenhuis uit. Ik heb allang niet meer gehuppeld.                                    

Katrien13
0 1