Zoeken

Gruyère

  Omdat hij in die gaten wil slapen, de leegaard, het vetzakske. Of omdat hij muizen wil kweken en ze dan ruilen met een ekster tegen zilver, de smerige kapitalist. Zo is het gebeurd. Omdat ik het bos in wilde. Omdat ik weg moest. De laatste daden die ik verricht heb in de normale wereld waren die van grafschennis en muiterij aan boord van een papieren vliegdekschip. De moord die ik had moeten plegen om ervan af te zijn, het is er niet van gekomen. Ik heb hem losgelaten omdat hij erom smeekte. Ik was een zwakkeling, even banaal als de ajuinringen in een hamburger. Des vaders zerk heb ik geopend. Dat was op een domme donderdag. Om te spuwen en te plassen op zijn kist en voordat ik het wist of goed besefte zaten die wormen weer in mijn hoofd. Aderlating, zweepslagen op de eigen rug. Niets had geholpen. Ik was een niemendal gebleven. Er is de schrijdende tijd en het benul dat deze wereld een planeet der vreemden is, kwam tot mij toen ik nog een kleuter was, toen een tuinkabouter tegen mij sprak. Hij leek mij toen nog niet zo echt. De waarheid en de wezenlijke kosmos hebben mij later omarmd als een natte inktvis. Zo ging het en normaal zou ik nu Layla aanroepen. Doch ik, deserteur uit het Leger des Onheils, ik houd ervan. Van deze stilte, de verweesdheid en ik heb het hem beloofd. Aan Alfred. Nu zijn frietkot afgebrand is en hij gewoon weer kabouter is in dit bos. Dat ik een bol gruyère zal meebrengen. In ruil voor een bed. Voor zijn gaten, voor zijn muizen, voor geen gezaag enwat zaagsel in een zak wordt mijn matras en hij, hij was een rotzak mijn vader. In vergelijking met hem is Alfred best nog uit te staan. Hij heeft mij niet getekend op de wanden van mijn eigen grot die ik niet eens gevonden heb.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter' of 'Majnun, het gebrabbel van een gek'... kies maar.

Bernd Vanderbilt
4 0

Grunenmeer, waar paarden op hun gemak zijn

"Grunenmeer dankt zijn naam aan de Deense visser Harald de Kleurenblinde, die dacht dat de Noordzee groen was, hoewel die slechts een vaalbruine tint heeft." Onlangs was ik in een plaats genaamd Grunenmeer, waar de lokale bevolking zich bekwaamt in het winnen en fermenteren van een wel zeer bijzonder streekproduct: paardenurine. Grunenmeer, gelegen in het noordelijkste puntje van Nederland, niet bijster ver van de Duitse grens, is op wel meer gebieden als merkwaardig te boekstaven. Vooreerst is er de opmerkelijke geschiedenis van deze onbekende, doch teerbeminde parel aan de Noordzee. Ooit was het ontiegelijke, pittoreske vissersdorpje een onderdeel van het machtige Duitse Imperium tot het in 1945, ter compensatie voor de nazibezetting, werd overgedragen aan het Koninkrijk Nederland. Grunenmeer dankt zijn naam aan een Deense visser genaamd Harald de Kleurenblinde. Deze man leed aan een bizarre vorm van daltonisme, waardoor hij groen waarnam als rood, ofschoon hij rood dan weer beschouwde als een moeilijk te classificeren tussenvorm van lila, azuurblauw en appelblauwzeegroen. Harald strandde in het jaar 876 op een mosselbank voor de kust van Groningen. Aangezien hij en zijn scheepsmakkers door de lange tochten door de Noordzee wel eens trek hadden in schaaldieren, in plaats van hun reguliere dieet van rauwe haring en zeemeeuw gekookt in walvisblubber, besloten zij halt te houden. De plaats waar hun Deense schip aanmeerde beviel hen echter zo, dat ze er een tijdje bleven wonen. Met hout dat zij bijeen hadden gesprokkeld in het achterland bouwden Harald en de zijnen hutten in het uitgestrekte duinengebied. Daar legden zij zich te rusten en bedreven de liefde met lokale schonen of, als de schonen schaars waren, ook wel eens met elkaar. Uit deze relaties ontstonden Deens-Friese bastaarden en mettertijd groeide de tijdelijke nederzetting uit tot het stevige vissersdorp Grunenmeer, zo genoemd naar de kleur die Harald in het zeewater meende te ontwaren (groen), ofschoon het water meestaal een vaalbruine tint heeft en bij helder weer af en toe een staalgrijs schijnsel vertoont. Na de Tweede Wereldoorlog werd Grunenmeer officieel hernoemd tot Grunenmeer-Aan-Zee, teneinde de nieuwe status van het dorp als badplaats te promoten. Deze benaming is in feite een tautologie, daar ‘zee’ gewoonweg de vertaling is van het Duitse woordje ‘Meer’. Overigens roept de naamgeving wel meer vragen op. Waarom heeft Grunenmeer een Duitse naam, hoewel haar stichter een Deen was? Heette Grunenmeer misschien ooit oorspronkelijk ‘Grǿnne hav’ en kreeg het pas ten tijde van het Heilige Roomse Rijk haar Duitse naam? En waarom hebben de Nederlanders er nooit aan gedacht om deze plek gewoon ‘Groenezee’ te noemen? Deze taalkundige kwesties kon ik tijdens mijn bezoek aan dit wonderbaarlijke dorp niet oplossen. Wel leerde ik veel nuttigs over de artisanale producten uit deze streek, waaronder de reeds genoemde substantie genaamd ‘paardenurine’ – waarover ik in dit verslag wil uitweiden. "Toen in het jaar 1542 de wafelbak van de plaatselijke rederijkerskamer werd weggevaagd door een overstroming van paardenurine, besloot de burgemeester om de markt te reguleren." De bewoners van Grunenmeer waren allesbehalve de eerste aardbewoners die het plasvocht van hun paarden gebruikten in praktische toepassingen. Net zoals hun medemensen uit de Gouden Sikkel en de Anale Driehoek gebruikten de Grunenmeerders het goedje om de leemlaag van hun hutten te versterken. Wat hun paarden echter onderscheidde van die van andere volken was de uitzonderlijke kwaliteit van de urine. Om die reden zweren de Grunenmeerders tot op de dag van vandaag bij de Grunenmeerse Schimmelknol. Dit paardenras dankt zijn naam aan zijn grijze, met zwarte vlekjes bespikkelde vachtkleur, maar ook aan de vatbaarheid van de hengsten voor allerhande urogenitale schimmelinfecties. Mede door hun paarden werden de Grunenmeerders ware innovators in de urineverwerkingsindustrie. Ze gebruikten het gele goud onder meer om hun regenjassen en mutsen waterafstotend te maken, wat erg handig is in een grauw en vochtig land als Nederland. Daarnaast werd paardenurine gebruikt als substituut voor zout. Ook ontdekte men in de loop van de 13de eeuw dat urine van de Grunenmeerse Schimmelknol een positieve invloed heeft op de fertiliteit, met name wanneer men het goedje vermengt met vermalen, gedroogde paardentestikels. Bovendien begonnen rond die tijd Grunenmeerse edelvrouwen het vers getapte plasje van drachtige merries te gebruiken als middel tegen de fysieke ongemakken van de menopauze. Paarden en hun urine waren zo alomtegenwoordig dat het hele dorp ernaar stonk. Toen in het jaar 1542 de wafelbak van de plaatselijke rederijkerskamer werd weggevaagd door een overstroming van paardenurine ten gevolge van een lekkend vat, besloot de burgemeester om de markt te reguleren. Het bestuur riep quota in het leven en legde veiligheidsvoorschriften op voor de stockage van paardenurine. Desondanks bleef het dorpsleven gefocust op het cultiveren en fermenteren van paardenplas. Zelfs vandaag gebruiken huisvrouwen het om de vloer te boenen, wanneer de groene zeep van de Albert Heijn is uitverkocht. Toch is de urineteelt in de 21ste eeuw voornamelijk een culturele traditie en een toeristische trekpleister. Vroeger was het echter een bron van fabelachtige rijkdom. In Nederlands Gouden Eeuw groeide Grunenmeer uit van een kleine nederzetting tot een middelgrote stad. Gelukszoekers trokken van heinde en verre naar de Pishoofdstad van de Nederlandse Republiek om enkele guldens mee te pikken in de plasindustrie. Die avonturen liepen zelden goed af. De specifieke fermentatie- en taptechnieken van de Grunenmeerders bleven immers een goed bewaard geheim. Buitenstaanders vielen dan ook snel door de mand met hun onbeholpen methodes.  "De jonge Pruis raakte zo gefrusteerd dat hij de paardenroede zelf ter hand nam. Dit maakte het paard niet enkel erg woest, maar ook bijzonder geil." Een bekend verhaal is dat van een jonge, Pruisische zakenman uit Hamburg. Hij was in de tweede helft van de 17de eeuw met een Hanzeschip afgezakt naar Grunenmeer in de hoop een bloeiende zaak in paardenurine uit de grond te stampen. Met een deel van de erfenis van zijn rijke vader had hij een boerderij met een manege en een hal met fermentatievaten gekocht. Reeds bij de behandeling van zijn eerste hengst liep het mis toen hij de fout maakte om achter het paard te gaan zitten in plaats van ernaast. Bij overmaat van ramp was de jongeman veel te ongeduldig. Grunenmeerders weten dat het vaak uren duurt vooraleer een paard zijn schatten lost. Wie de edele kunst van urinewinning onder de knie wil krijgen, moet dus uitblinken in geduld. De jonge Pruis raakte echter zo gefrustreerd dat hij na anderhalf uur vruchteloos wachten uiteindelijk zelf de paardenroede ter hand nam. Met wilde snokken probeerde hij het gele goud zelf uit de lul te persen. Dit maakte het betreffende paard niet enkel erg woest, maar ook bijzonder geil. Met een fikse trap van zijn achterste poten plantte hij zijn hoefijzers in het smoelwerk van de Hamburger, waarna hij zijn kwakje in de emmer loosde. Overigens was de poging van de Pruis niet helemaal zonder verdienste. Hij had weliswaar zijn kaakbeen gebroken, maar zijn gefaalde carrière als plasteler had hem wel een vers staal paardensperma opgebracht. Paardenzaad van goede kwaliteit is anno 2022 al snel zo’n 30.000 dollar per eenheid waard. Ook tijdens het Ancien régime was dit goedje zeer gegeerd. Een lucratieve zakelijke deal met een of andere Ottomaanse sultan had de ondernemende jongeling ongetwijfeld steenrijk gemaakt. De zakenman kon deze opportuniteit echter niet benutten. Na het ongeval bracht zijn stalknecht hem naar de plaatselijke chirurgijn: Garibald de Messenslijper. Garibald behandelde hem met alle lapmiddeltjes die hij in huis had, zoals daar waren: aderlatingen, gebedsgenezing, duiveluitdrijving en Cock and Ball Torture. Voor de jongeling kon echter geen hulp meer baten. Bij het ochtendschemer van de achtste dag van de oogstmaand in het jaar des Heren 1687 ruilde hij het tijdelijke in voor het eeuwige en legde hij zijn zijn roekeloze, rusteloze, rücksichtslose ziel in de handen van de Heer onze God. Amen. De dood van de jonge Pruis stelde Grunenmeer voor een praktisch probleem. Aangezien de magistraat verordende dat Grunenmeerse aarde niet bezoedeld mocht worden door buitenlandse doden, moesten de dorpelingen het lijk op een andere manier kwijtspelen. God zij echter geloofd en zeker ook geprezen dat de dorpelingen konden rekenen op Cornelis de Beenhouwer. Cornelis maakte van de nood een deugd en nam het jonge, sportieve en lekker malse lichaam mee naar zijn beenhouwerij, waar hij het verwerkte tot koteletten, worstjes en bitterballen. Van het slachtafval maakte hij platte schijfjes gehakt die de Grunenmeerders roosterden boven een steenvuur en opaten tussen een broodje. Als eerbetoon aan de Pruisische jongeman die zijn lijf en leden, alsook een erg waardevol spermastaal aan Grunenmeer schonk, noemden de inwoners deze culinaire uitvinding al gekscherend een ‘hamburger’. Deze naam bleek zo aanstekelijk dat het tot vandaag gebruikt wordt voor het overbekende vleeswaar, dat wordt gewaardeerd in alle continenten, en waarvan zowel de oorsprong als de ingrediënten in het ongewisse blijft. "Terwijl de kinderen een ritje maken op een paard, kunnen hun ouders genieten van een glaasje Heineken, gefermenteerde merriemelk of ander Nederlands pisbier." Ook vandaag is Grunenmeer een centrum van innovatie. In 2012 streek L’Oréal neer in in het kustdorpje en bracht de multifunctionele lichaamscrème ‘UriNOIR’ op de markt. Deze donkere zalf is gebaseerd op een gitzwart vocht afkomstig van oude knollen met prostaatkanker. Witte vrouwen wenden het aan als zelfbruiner, impotente mannen smeren het rond hun genitaliën, en producenten van extreme porno gebruiken het goedje als namaakkak in intense poepseksscènes. Grunenmeer is een reisbestemming voor iedereen, maar vooral de meerwaardezoeker zal zich thuis voelen in deze Groningse goudgele parel aan de Noordzee. Hij kan zich vergapen aan de pracht van de laatmiddeleeuwse romanogotische kerk of ronddwalen in de talrijke musea gewijd aan paardenurine. Ook gezinnen met kinderen zijn welkom in Grunenmeer. Terwijl de kids een ritje maken op een Grunenmeerse Schimmelknol in de kinderboerderij van vakantiedorp 't Gulden Water, kunnen hun ouders genieten van een glaasje Heineken, gefermenteerde merriemelk of ander Nederlands pisbier. Wie helemaal wil relaxen kan het wellnessassortiment nemen en zich onderdompelen in een deugddoend bad van stomende 'UriNOIR'. Grunenmeer heeft tal van logementen voor elk type toerist. Zelf logeerde ik vier nachten bij Harrie Smit, een voormalige uitbater van kroketautomaten, die zijn bloeiende zaak in Amsterdam verkocht en een herberg opende aan de rand van het dorp. Ik kan Harries Herberg ten zeerste aanbevelen. Het is prachtig gelegen op wandelafstand van zowel het historisch centrum als van het Grunenmeerse Duinengebied, waar het heerlijk vertoeven is voor wandelaars, trailrunners en naaktlopers. Voor een democratische prijs genoot ik bij Harrie van een comfortabele kamer met alle moderne gemakken in een rustiek kader. Wilt u ook verblijven in dit unieke logement? Neem dan zeker de gelegenheid om bij kaarslicht te dineren in de pittoreske gelagzaal en uw smaakpapillen te verwennen met Harries Grunenmeerse bouillon, waarvan u het geheime ingrediënt wel kan raden. God zij geloofd en geprezen voor de culinaire orgasmen waarin mijn smaakorgaan die dagen mocht delen! Pieter Van der Schoot Deze tekst verscheen eerder op mijn blog Observaties uit het ondermaanse.

Pieter Van der Schoot
6 1

Koffie

"Alleen kan een mens niet biljarten. Hij zette z'n pet op en ging." Toon Hermans, Café Biljart   Mis je haar, Peter? Ik had er nog niet bij stilgestaan of ik haar miste of niet. Het voelde wat onwezenlijk, zo die eerste schoolweek zonder mijn vaste maatje, maar toen Stefanie de vraag stelde, kwam het gemis keihard binnen. Ja, eh. Ik zie het aan je ogen. Het is niet hetzelfde om hier zo alleen mijn koffietje te drinken, echt niet. Katrien en ik waren al tientallen jaren als twee collegiale handen op één buik. De laatste vijf jaren hadden we als leerkracht allebei gevraagd om het eerste lesuur niet te moeten lesgeven. Dan konden we hier samen een koffie komen drinken voor we aan onze dag begonnen. Hier was de koffie immers veel lekker en gezelliger dan in de leraarskamer. Het was als een soort van stilte voor de storm, we konden even ademhalen voor de hectiek van de dag het zou overnemen. Door de deur van brasserie ’t Sujet zag ik het wat gezette silhouet van Gerard verschijnen. Hij stak zijn hand op, ik stak mijn hand op. Volgende week had ik een afspraak bij hem om te kijken hoe het met mijn depressie gesteld was. Best dat ik dan dit gevoel van ontheemding ook even ter sprake zou brengen. Ik moest vechten tegen mijn tranen. Zou dat normaal zijn, of had dat ook met mijn depressie te maken? Stefanie zette zich op de stoel vlak voor me waar normaal Katrien altijd zat. Ze keek me recht in de ogen. Blauw. Katrien had grijsgroene ogen. Dat was anders. Katrien had ook nooit een open decolleté aan en zat mooi recht. Doordat Stefanie wat voorovergebogen zat, dwaalde mijn blik al te gemakkelijk naar haar grotere borsten. Tine had me in het begin dat we samen waren verteld dat elke vrouw dat onmiddellijk doorhad als een man naar hun borsten keek. Het kon me niet zoveel schelen, maar richtte mijn blik toch weer op haar gezicht. Dat was licht opgemaakt, de lippen waren subtiel gestift. Katrien maakte zich zelden op, af en toe een lijntje om haar ogen. Ze had ook echte natuurlijke krullen, terwijl Stefanie haar steile haar in een staartje droeg. Het waren twee totaal andere vrouwen, maar beiden mooi in hun eigen opzicht. Nochtans zou Stefanie nooit de rol van Katrien kunnen overnemen. Al was het maar dat Stefanie hier werkte achter de toog. ’s Morgens zette ze de koffietjes klaar die de obers vervolgens de zaal in droegen, maar nu zag ik dat Ruben even haar plaats had ingenomen. Fijn dat ze dat deden, maar dat zouden ze zeker niet elke dag doen. Katrien was trouwens onvervangbaar. Hoe gaat het eigenlijk met jou, Peter? Stefanie bleef me indringend aankijken. Het ging wel. Er waren nog heel wat moeilijke momenten, maar mijn vrouw was heel begripsvol en de collega’s ook wel eigenlijk. Ik had wel nooit gedacht dat een burn-out en een depressie zo ingrijpend konden zijn. Zelf had ze ook een paar moeilijke periodes gekend, zei ze. Of ik wist dat zij ook in het onderwijs had gestaan, maar dat ze er wat gedegouteerd uitgestapt was? Het zou een te lang verhaal zijn om te vertellen. Dat hield ze voor een andere keer. Hier zat ze goed. Het had eventjes geduurd, maar nu kon ze het met haar baas Luuk vaak regelen dat ze de kinderen wat vaker zag. Haar man, die les gaf in een andere school, ving de kinderen vlak na schooltijd op en zij kon tegen 18u stoppen en dan kon ze hen nog helpen met hun huiswerk en zo. In het begin dat ze hier werkte, lag dat moeilijk, maar nu niet meer. Vandaar dat ze elke ochtend de zaak opende. Dat werkte voor haar het beste. Of ik ook al aan een job buiten het onderwijs gedacht had. Ik denk niet dat ik iets anders kan. Ach, natuurlijk wel. Het hielp om je blik af en toe te verruimen. Dat deed Katrien toch ook. Zij is niet voor niets aan een andere carrière begonnen. Ze moest eens andere lucht hebben. Dat klopte als een bus en dat wist ik maar al te goed. Hoe vaak hadden we het er hier met elkaar over gehad. De laatste maanden voortdurend. Ik had alleen niet door dat Katrien het effectief zou doen, van werk veranderen. Mij hier alleen achterlaten in een periode dat ook ik het moeilijk had. Niet dat ik het haar kwalijk nam. Ik besefte maar al te goed dat ieder zijn eigen leven leidde en ik wist dat de depressie die me omknelde ervoor zorgde dat ik mij bijna halsstarrig aan bepaalde personen vastklampte. De weinige echte vrienden die ik had, leken voor mij in deze toestand wel een soort bezit, een reddingsboei waar ik voortdurend beroep moest op kunnen doen. Dat ging natuurlijk niet, zo werkte het niet. Katrien had het ook waarlijk moeilijk en eigenlijk moest ik haar bewonderen voor de moed die ze had om voor een andere job te kiezen. Het was die moed en energie die mij voorlopig nog niet gegund was. Misschien moest ik daar ook niet op wachten en actief op zoek gaan. Ik zuchtte en voelde me moe bij de gedachte alleen al. Waarom stop je niet gewoon even met lesgeven en probeer je iets anders. Met proberen is niks mis. Ik zeg maar iets: in een winkel staan, bij tuinaannemers, die schreeuwden voor extra werkkrachten of zelfs vrijwilligerswerk… Is hier geen werk voor mij, Stefanie? Katrien en ik lachte er soms mee. Als we het beu zijn bij ons in school, dan komen we hier voor Luuk werken. Die is goed voor zijn personeel. Dat klopt. Ik werk hier graag, maar in het begin was het wel pittig. Voorlopig is er geen vacature. Heb je graag dat ik er iets van zeg tegen Luuk? Nee, laat maar. Ik denk niet dat in de horeca werken iets voor mij is.  ’s Morgens was het hier rustig genoeg, zoals ik hier zat, maar tegen de middag en avond was het veel te druk. Ik zou gek worden van al die drukte. Te veel indrukken. En ’s avonds was ik zo moe, zo moe. En dan zou ik de kindjes vaak niet zien. Nee, hier werken dat ging ik niet doen. Het was voor haar kindjes dat Katrien ander werk wou. In school was ze voortdurend kinderen in het gareel aan het houden en aan het foeteren. Zo veel dat ze thuis van haar eigen kindjes niks meer kon verdragen en bij het minste ontplofte. Dat wou ze niet meer: te veel voor andermans kinderen zorgen en de zorg van Bauke en Nienke niet meer aankunnen. Dat was de omgekeerde wereld. Bovendien vond ze het moeilijk om de leerlingen nog te motiveren voor Frans. Ze deden het gewoon niet graag en zij had er de energie niet meer voor om ertegenin te gaan. Ze verviel steeds vaker in een cynische houding en dat was niks voor haar. Het was zo erg dat ze niet meer overweg kon met haar rechtstreekse vakcollega’s die zo computeranalfabeet waren dat ze ook voortdurend aandacht en hulp nodig hadden. Zij zat in een straatje waar ze dringend uit moest. Ik knikte dan en begreep het, maar besefte niet hoezeer ze het meende en hoe zwaar het me zou vallen als ze effectief de overstap naar de privé maakte. En het viel me zwaarder dan ik wou toegeven. Dat voelde ik nu des te meer. Met mijn vrouw durfde ik het er niet over hebben, zij hoorde me al genoeg klagen en zagen. Ik wou niet dat ze zich vanalles in het hoofd zou halen en jaloers zou worden op Katrien. Ook al was ze een knappe vrouw en sympathiek en ook al waren er lustgevoelens, dat wou niet zeggen dat ik het te ver zou laten komen. Te veel gedoe en te vermoeiend, te veel mogelijke schuldgevoelens en gewoon allemaal te ingewikkeld. Niks voor mij. Ik zag Tine te graag, veel te graag. Elke avond fluisterde ik in haar slapende oor dat ik van haar hield. Heel veel. En ik meende het, dan ging ik haar toch zoiets niet aandoen. Nooit van mijn leven. Bovendien had ik niet de indruk dat Katrien enige gevoelens voor mij koesterde. Ik was voor haar een veilige gesprekspartner op dat gebied, vrees ik. Waarom ga je niet gewoon naar een interimkantoor en zeg je dat je eens wat ander werk wilt. Dat is vaak fysiek werk in de productie, maar andere lucht is andere lucht. Ik weet het niet, Stefanie. Ik weet het niet. Ze keek me aan met die grote, staalblauwe ogen. Het leken wel spiegels. Waarom waren die prachtige ogen zo bezorgd om mij, vroeg ik mij af. Op mijn gsm verscheen een whatsappje. Het was een foto van een bureau waarop een laptop en een tweede scherm te zien waren. Er stond een lege mok koffie naast. “De ochtend zonder jou,” stond erbij geschreven. Wat moest ik daar nu op antwoorden? Stefanie legde haar hand op mijn onderarm en zei dat ze me ging laten. Ze nam haar plaats weer in achter de toog en Ruben vertrok met een volle plateau naar het terras. Ik legde de juiste hoeveelheid munten op tafel, aarzelde en legde er tien cent extra bij. Merci voor de babbel, Stefanie! Dat is graag gedaan, Peter. En ze knipoogde. Waarom knipoogde ze? De psychiater stak zijn hand op toen ik hem passeerde bij het naar buiten gaan. Ik knoopte mijn jas dicht en dacht dat het misschien niet zo’n goed idee was om hier zo alleen te zitten elke ochtend.

Hans Van Ham
22 0

Koning Heldernacht

  Op de bodem van de slotgracht met haar zwaan of twee, daar wacht de sidderaal, daar liggen ze bij duisternis, de lijken hand in hand. Als ik maar heel even rust mocht zijn, weg kon uit de burcht van Koning Heldernacht. Helaas. Nog zelden heerst de eenvoud van de maan. Bedaar en sus de schemer. Zwijg nu, kikkers. Kwaak niet uit de modder over bange dagen. Er is een gier geland en dat was gisteren, toen klein geluk zijn hol niet vond, een dood konijn nog uit één oog kon zien, hoe uit de hemel zwarte regen viel. Het parelgras verloor zijn groen. Een laagje teer ligt op het hart van onze bloemen. Mijn schat, in onze tuin, die liefde voor ons scheppen zou, trachten drie vuurvliegjes de bui te overleven. Het einde lonkt. Altijd. Ze weten het. Zo ook de visser op de oever met zijn lege aangezicht. Hij vroeg mij eens of ik de wormen, die zich in mijn darmen voeden met de onverteerde droesem, aan hem schenken kan. Domme kranigheid en het verzuim te sterven. Ze hebben tijd gestolen van een staande klok. Het ding heeft ooit een winter lang de wereld heen en weer geslingerd. Ze tikt nog steeds. In de hal van het fort, met scherpe torens, scheve spitsen en volg je de trap, durf je langs die manke treden, dan vind je in zijn kop een hele hoop scharminkels. Het zijn schrale skeletten van de fantasie, fantomen die gescheurde kleren dragen. Ze wijzen je de weg. Naar zijn troon, naar die koning met zijn zieke tronie. Heldernacht? Te troebel is zijn blik en aan een draad daar hangen ze te drogen voor zijn natte mond, wanneer de duisternis haar gal uitspuwt. Het is sprot met rode ogen. Het zijn vodden die graag mottengaten wilden omdat aangetaste stof hen beter past. Uitgekleed zijn alle dromen en de waan ligt poedelnaakt aan zijn voeten. Of ik hem strelen wil. Of ik zijn bulten aaien wil en de koning lacht veel groener dan het parelgras.  De lijken hebben grijs gestolen van een tortelduif en zeggen het. Allemaal. Dat ik best meekom naar die bodem, die geneugten van de sidderaal. Het is voorbij, mijn lieveling. Zoek mij niet meer. De zwanen drijven naast elkaar. Slechts op prentkaartjes van het kasteel. Mijn ogen zijn te moe. De wormen willen mij. Mijn hart is voor de gier.     een sprookje uit de reeks 'Majnun het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
8 1