Zoeken

Groeipijnen

Soms ben ik zo bang dat ik mezelf niet meer zal terugvinden. Voor ik kinderen had was ik zorgeloos, chaotisch en een kritische denker. Nu ben ik voortdurend overbezorgd, krijg ik zelfs de meest simpele gedachten niet op een rijtje en ben ik meer uptight dan de gemiddelde Karen. Een broek met een vlek die er maar niet uit geraakt kan de hele nacht door mijn hoofd spoken maar voor discussies over vrijheid van meningsuiting lijk ik geen energie meer te hebben. En dat terwijl ik gezworen had dat het moederschap me niet zou veranderen…  Het idee dat het moederschap je niet zal veranderen is bullshit. Het is een loze belofte die menig moeder zichzelf en haar omgeving wijsmaakt. Het moederschap is niet iets wat je er zo maar even bij neemt. De vraag is niet of kinderen in je leven passen maar of je bereid bent om het leven dat je kende en alles dat je was op te geven voor je kinderen. Die oneindige moederliefde reduceert je leven tot zorg dragen. Dat is alles. De rest is bijkomstig. Ik heb het hier niet over een bewuste keuze om je kinderen voorop te stellen. Het gaat automatisch. Je lijf veranderd je geest. Al wat je was is nu moeder.  Ik hou van mijn kinderen zoals ik nog nooit van iets of iemand gehouden heb maar ik hou ook van de persoon die ik was en ik vind het moeilijk om haar los te laten. Ik ben geen geboren moeder. Ik moet nog groeien in mijn nieuwe ik en vandaag zijn die groeipijnen net iets pijnlijker dan anders. Ik koos voor het moederschap en zei vaarwel tegen mijn zorgeloosheid en scherpe geest.  Kiezen is verliezen maar met die kinderhandjes in de mijne voel ik me toch altijd een winnaar. 

OliviaKort
6 1

Zwarte engelen (fragment uit Niadela)

Dit is mijn vertaling uit het Spaans van het hoofdstuk "Dag 33. juli. ZWARTE ENGELEN" uit het boek Niadela door Beatriz Montañez. Een inleiding kan je lezen op www.rafelkath.wordpress.com.   Het is half zes in de namiddag. Er is een begrafenisceremonie aan de gang en ik kijk toe. Het feit dat er geen mens in de buurt is, zal ervoor zorgen dat ik me dit voor altijd zal herinneren. Wij beschouwen onszelf in het dierenrijk als bijzonder, maar het merendeel van onze handelingen is vergelijkbaar met die van de andere wezens waarmee we deze vruchtbare en geduldige aarde delen. Trachten de dood te begrijpen is er daar één van. Vandaag werd ik opnieuw gewekt door het gekras van de kraaien. Het was heel vroeg. Dat zag ik omdat het licht amper het houten latwerk van een van de kleine raampjes van de kamer raakte. Ik viel weer in slaap. Toen ik opnieuw wakker werd, krasten ze nog steeds. Ik luisterde aandachtig. Het waren klaagliederen van ontgoocheling en wanhoop. Grillig, als een gekarteld mes. Een donker, decadent geluid, verspreid door de harde bron van hun zwarte bek. Ik liep naar buiten en keek om me heen. Een zoveelste zomerdag, maar over het vandaag ongeïnspireerde gezang van de andere vogels heen hing het striemende geschreeuw van tientallen kraaien. Het kunnen er meer of minder geweest zijn, hun aantal was onduidelijk. De echo van de klip dronk en braakte hun gejammer. Ik begon aan mijn taken rondom het huis zonder dat het krassen ook maar een ogenblik ophield. Ik las, at en schreef de aantekeningen van mijn wandelingen van de vorige dag over in het net. Op het koertje plantte ik zaden van aromatische kruiden naast de stenen muur, waar de wespen hun nesten ondergronds in de schaduw hadden gebouwd. Een vlucht houtduiven bevlekte de hemel, oneindig en bleek op deze zomernamiddag. De mees kwam terug naar de koer. Vanop een dunne tak in de sierheester sloeg hij mijn graafwerk gade, onrustige pupillen onder een zwart maskertje. Hij vloog op en even later glansde zijn gele borst tussen de groene bladeren van de moerbeiboom. Rond een uur of vijf kon ik het afgrijselijke krijsen niet langer verdragen. Het zette zich als koolstofdeeltjes in de warme lucht en veranderde het landschap in een duistere vallei. Wandelend onder de zon ging ik op weg, op zoek naar het koor van zwarte engelen. Normaal gezien heerst er op dit uur van de dag stilte. Het enige wat je hoort is het dunne stroompje water en modder waarin de rivier veranderd is, dat niet meer ruist als water maar ijlt als een moeras. De lucht brandt en trekt aan je vel. Op deze uren ziet alles er onschuldig uit, als opgebaarde doden. Ik steek de rivier over en stap het bos in. De loodblauwe schaduwen van eiken en populieren liggen als bevroren plassen over een dorstige huid. Ik volg de stemmen; ze zijn nu dichtbij; ik hoor ze om mee heen, boven me, aan mijn linker,- en rechterzijde. Ik ben omsingeld. Mijn ingewanden trillen, verkrampen. Er staat een licht briesje, aangeslagen door de vleugels van de kraaien. Ik zie een zwarte vlek op de grond en stap er naartoe. Het is het dode lichaam van een jonge kraai. De vleugels lijken gebroken, ze liggen in een vreemde positie. Onder het verpletterde kopje van het dier zie ik bloed. Twee volwassen kraaien vliegen op en komen in de buurt zitten. Ze krijsen en kijken toe terwijl ik de vleugels openvouw, die een spanwijdte hebben van bijna anderhalve meter. De kraaien bekijken me, kokend van woede. In hun ogen van zwart porselein zie ik een ondoordringbare pijn. Ik kijk omhoog, zoek het koor dat hen vergezelt en dan wordt plots de dag duister en veranderen de bomen in donkere schaduwen. Op elke tak zit een kraai die de vleugels opent en schreeuwt. De dag is nacht geworden. Ze fladderen heen en weer tussen de bomen, zwarte hagelstenen, wolken die een aankomende storm in zich dragen. Het regent krassende keelgeluiden die doorsijpelen tot in mijn ruggenmerg. Alles lijkt onwerkelijk. Wanneer ik dichter bij het lichaam kom, roepen ze luider. Net voordat het verdriet me tot tranen dwingt vliegen ze allemaal tegelijk op, de hemel besmettend met onheilspellende vlekken. De echo van hun stemmen klimt op tegen de klip en achtervolgt hen. Ik kijk hen na tot ze veranderen in stippen die scherpe kleuren weerkaatsen onder de stralende zon. Vaarwel, vaarwel... Precies op dat moment besef ik dat ik nooit de gelegenheid heb gehad om afscheid te nemen van mijn vader. De dagen volgend op zijn dood brachten we door bij een vriendin van de familie. Noch aan mij, noch aan mijn broers werd verteld op welke dag hij begraven werd. We keerden naar huis terug alsof er niets gebeurd was. Zijn spullen: de rubberen werklaarzen onder de kapstok, zijn portefeuille op de marmeren tafel in de inkomhal, zijn kleren in de kleerkast, zijn bord op tafel bij elke maaltijd, objecten die nog heel lang in ons leven aanwezig bleven. Gedurende vele jaren –teveel jaren- sprak thuis niemand over hem. Ik ga mijn familie bij elkaar brengen bij het graf van mijn vader en we gaan afscheid van hem nemen. Het maakt niet uit dat er bijna veertig jaar verstreken is. Wat telt, is de handeling.  

Kathleen Verbiest
101 0

Heerser van de peristaltiek

Ooit duwde ik me tijdens La Festa di Sant Agata door de Catanese straten. Ik was toen bewust aanwezig, dat wel, maar dat het dit, ginds o zo belangrijke, feest was, wist ik op dat moment niet. Zo kwam het dat ik me in een massa bevond, waardoor ik nu steevast smalend reageer wanneer men een groep mensen een massa noemt: ‘Ge weet niet waarover ge spreekt! Tien man of wat?’Zowat alle Siciliaanse lichaamsdelen, en wat ze kunnen dragen, werkten mijn bewegingen tegen en dwongen me mee te doen met hun ritueel. Alle Catanesi, jong en oud wierpen, huilend met witte zakdoeken, kusgebaren naar hun beschermheilige die op een immense, vergulde troon zat. Enkele tientallen mannen in witte pijen torsten het gevaarte voet voor voet door de stad. Wie goede oren had, kon de ruggenwervels van de mannen horen knarsen en kraken. Niemand hoorde dat. Rond de troon, nog steeds op het gevaarte, liepen andere witte mannen. Zij deelden kaarsen uit of namen er in ontvangst. Dat kaarsenverkeer heb ik nooit kunnen ontcijferen. De dag nadien had ik de processie alleen kunnen afwerken door het gele kaarsvet op de donkere straatstenen te volgen. Ik deed het niet.Intussen schoof ik een halve meter op. Ik voelde me dat taai stuk vlees dat ik als kind toch maar mijn slokdarm in moest jagen. Door de samenwerking aan kring- en lengtespieren hebben de stukken zich al die jaren peristaltisch naar beneden kunnen werken. In Catanië waren de inwoners de kringspieren en was ik de enige lengtespier die alles uit de kast haalde om toch maar vooruit te geraken. Ik wilde weg, een rustige straat inslaan en een museum bezoeken. Wie wil er nu cultuur opdoen door er middenin te staan? Het lukte. Ik bleek sterker dan zij die bescherming zochten bij een corpulente dame op een troon, die slechts één keer per jaar uit haar kathedraal kwam. Ze zouden míj moeten vereren, verdomme, heerser van de peristaltiek. We zouden kunnen afspreken dat ik jaarlijks twee keer door hun straten wandel. Of zet me maar op de troon van de witte mannen, het zal hun ruggen en schouders goed doen.

de amechtige specht
41 0

De val

De hitte schoof twee ongemakkelijke ligstoelen de schaduw in en duwde ons bruusk achterover. We lieten begaan, bliezen de laatste autolucht onze lijven uit en waren het eens; voor ons lag een landschap dat we lang niet meer hadden gezien. Ik zag het voor het laatst op een schilderij van Pieter Bruegel de Oude dat ooit de achtergrond was op mijn computer: de zon stond hoog en bleekte het meer onder het hemelsblauw zodat een verlaten rotseiland onafwendbaar leek voor het schip met bolle zeilen. Ik besefte dat enkel dat laatste ontbrak toen Sofia besloot de sleutel van ons logement op te halen bij de eigenares. De vakantie kon voor haar niet snel genoeg starten. Ze is altijd ondernemender geweest dan ik, zij had deze trip uitgestippeld, ik keurde goed. We zaten hoog. Het pad naar het water slingerde tussen rotsen en olijfbomen naar beneden en het kostte ons minstens een halfuur voor we onze schoenen in de hand konden nemen. Naast het bruisende water, voeten soms diep in het zand, hervatten we het gesprek van eerder die dag toen we ons vakantiedorp naderden. Hoe zou ons leven er hebben uitgezien, moesten wij hier zijn opgegroeid? Zouden we meeroesten met de straatlantaarns van het Place de Victor Hugo? Of zouden we vleugels aanbinden en vluchten naar de stad verderop? Thuis hadden we ons die vraag nooit hoeven stellen omdat we in een kleine stad woonden. Het was tevens een dorp waar we rust en activiteit vonden zonder moeite te doen; wilden we avontuur dan maakten we het laat op café en fietsten we op de tast weer naar huis, wilden we rust was het bos altijd nabij of maakten we het minder laat op café. Waar je ook gaat, stad of dorp, roest je niet overal? Misschien is het louter een kwestie te kiezen hoe je dat doet; snel of traag, weelderig of gematigd, intens of oppervlakkig. Als je al de keuze hebt. Sofia vertelde me dat de eigenares best aardig was, al had ze verbaasd gereageerd op de vraag wat er voor jongvolwassenen zoal te doen was in de buurt. Ik wist dat Sofia de bewoners van het dorp bedoelde en dat ze antwoorden zocht op onze vragen: Wat houdt de jongeren hier? Komen ze na hun studies terug naar huis of blijven ze in de stad? De vrouw had drie tellen voor zich uit gestaard voor ze antwoordde: ‘Bevalt het u hier dan niet?’ Het aangelegde strand maakte snel plaats voor een welig kronkelend rotspad dat almaar op en af ging, twijfelend tussen water en lucht. Enkele meter hogerop bewerkte een boer zijn grond. De man droeg een strohoed met brede rand, zweet parelde op zijn verweerde onderrug. Nadat hij ons opmerkte snoof hij ander vocht weer naar binnen en richtte zich gehaast terug op zijn werk. Mijn onzekere maar oprechte knik ging volledig naar zijn achterste, Sofia merkte dit op en gniffelde.  Wat verderop besloten we terug te keren en waren we opgelucht toen we opnieuw wegzakten in het mulle zand aan de rand van het kleine strand. Óns strand, want deze strook behoorde tot het domein van het hoger gelegen vakantiehuis dat tien dagen het onze zou zijn. Ik keek nog even achterom toen Sofia het halfuur bergop aanvatte. De zon was op haar beurt aan de terugweg begonnen en zou binnen enkele uren het water raken. Een visarend plooide zijn vleugels en bad voor zijn val.      

de amechtige specht
31 1

Weerborstel

Nu weet ik het zeker. Die ogen zijn de mijne, de manier waarop hij zijn brilletje schoonveegt aan zijn trui en weer opzet ook. Maandag had ik nog getwijfeld toen ik iets voor vieren de school passeerde en hij mijn pad kruiste. Het was alsof ik recht in de ogen van mijn tienjarige zelf keek. Ik wou zeker zijn. De kans leek me te klein. Dinsdag lummelde ik op hetzelfde tijdstip rond op dezelfde plaats. De jongen sleepte een donkerblauwe sporttas achter zich aan, zijn rugzak bengelde over één schouder. Zijn haar was niet blond als het mijne, maar vormde wel dezelfde gekke kuif achterop zijn kruin. Een weerborstel, zoals mijn moeder het vroeger noemde. Zonder me aan te kijken wandelde hij langs me heen, bleef even staan voor een achtergebleven colablikje, trapte er dan toch niet tegen en sloeg rechtsaf. Vanmiddag volg ik hem dat straatje in, tot bij hem thuis. Meer dan honderd meter moet hij niet in zijn eentje afleggen vanaf de schoolpoort. Hij heeft een eigen sleutel en gaat op de tippen van zijn tenen staan om de voordeur van het rijtjeshuis te openen. Een paar keer loop ik terug naar de straat waar de school ligt en weer naar het huis. Ik wil weten hoe de moeder eruitziet, en of er een vader is. Tien jaar, zolang is het zeker al geleden. Ik weet niet meer hoe vaak ik in dat kleine kamertje vertoefd heb en hoelang er telkens tussen twee bezoekjes zat. Ik herinner me vooral de frisse geur van de matrasbeschermer op het bed, de gordijnen die altijd dichtgeschoven waren en de opwinding wanneer de roodharige verpleegster me achterliet met het potje in mijn hand, de deur achter me sloot en het bordje met ‘BEZET’ omsloeg. Ik had er wat voor over. Voor elke donatie mocht ik vijf dagen geen zaadlozing hebben. De onkostenvergoeding was de moeite niet waard. En toch evenaarde niets die opwinding. De boekjes in de kamer waren elke keer dezelfde, maar op de televisie was telkens iets nieuws te zien. Geen gebabbel, enkel lijven die over elkaar heen glijden. Ik zonk weg in de matras en ging aan de slag. Zoveel jaar later voel ik die rilling weer.  Tegen valavond heb ik geluk. Een slanke vrouw met dezelfde kastanjebruine lokken als de jongen komt naar buiten. Ze steekt haar haren op in een dot terwijl het jongetje zich in rubberen laarsjes wurmt. De moeder draagt stevige stapschoenen. Ze trekt de voordeur achter zich dicht en legt haar hand op het hoofd van de jongen. Samen verdwijnen ze in de richting van het bosje aan het eind van de straat. Wanneer ze terugkomen, heeft het kind zijn handen vol met bladeren. Bruin, geel, rood, oranje.  Ik moet vindingrijk uit de hoek komen. ‘Hallo, is mijn pakje toevallig hier bezorgd?’ vraag ik meteen wanneer de deur openzwaait en ik recht in die koffiebruine ogen staar. Ik zwaai met een papiertje dat ik onderin mijn jaszak heb gevonden. Wat daarop staat weet ik niet eens. ‘Ik kreeg zo’n briefje in de bus dat het bij de buren was afgegeven, maar ik heb geen idee bij wie dan.’‘Oei, hier is bij mijn weten niks toegekomen,’ hoor ik de vrouw zeggen terwijl de jongen achter haar komt piepen. Ik zwaai naar hem. ‘Dag grote jongen!’ Verschrikt duikt hij weg in de woonkamer. ‘Hoe heet hij?’ vraag ik zonder de moeder aan te kijken. ‘Oscar,’ antwoordt ze voor ik alweer verder leuter. ‘Hij heeft het haar van z’n mama. Maar die felblauwe kijkers, die moet hij toch ergens anders vandaan hebben.’ De vrouw veegt haar handen af aan haar okergele jurk. ‘Sorry, we moeten nog ergens naartoe. Uw pakje is hier niet toegekomen, het spijt me.’ Donderdag haalt ze haar zoontje op aan de schoolpoort. Ze draagt dezelfde jurk als gisteren met daarover een bordeaux jasje. Tussen de andere ouders, die allemaal in het grijs of donkerblauw gekleed zijn, herken ik haar meteen vanop mijn plaats aan de overkant van de straat. Ik doe alsof ik aan het telefoneren ben en hou hen intussen in de gaten tot ze uit het zicht verdwijnen. Een halve meter voor haar uit holt het jongetje naar huis. Ik vraag me af of ik ook voor de naam Oscar zou gekozen hebben als het kind echt van mij was geweest.  Ik moet eruitzien als een buurtbewoner. Soms kijk ik niets eens op wanneer ik hen passeer op straat, druk mijn sleutels zoekend in mijn jaszakken of bellend zonder iemand aan de andere kant van de lijn. Dan merk ik hen op het laatste moment toch op en zwaai hartelijk. Ik moet weten of zij alleen is of een suffe echtgenoot heeft, zo’n kalende met een bierbuik die de hele dag voor televisie hangt. ’s Ochtends zijn de gordijnen open en kan ik binnenkijken in huis, als ik traag genoeg voorbijwandel en op het juiste moment mijn hoofd draai. Oscar is een boekje aan het lezen, zijn mama staat boterhammen te smeren aan de eettafel. Geen papa te bekennen. Ik verschuil me om de hoek van de straat en wacht tot moeder en zoon naar buiten komen en naar school wandelen. Mijn neus heeft hij niet, wel mijn oorlellen. Hij slentert met zijn handen achter zijn rug, de blik op de grond gericht, net zoals ik zo vaak op die leeftijd. Ik beeld me in dat hij plots begint te groeien tot hij zo groot is als ik en me recht in de ogen kijkt, of dat ik op straat plots omringd ben door honderden Oscars die uit alle deuren naar buiten stromen.  Woensdagmiddag volg ik Oscar opnieuw tot hij thuis naar binnen glipt. Voor de gevel staat een fiets die ik nog niet heb gezien. De voordeur zwaait open, een vrouw komt naar buiten en plaatst de fiets in de hal. Het is niet de moeder. Deze heeft rode krullen. Ik ga op het huis af en bel aan. Wanneer ik de groene ogen van de vrouw zie, weet ik het meteen. Ik ruik weer de matrasbeschermer, hoor het bordje met ‘BEZET’ omslaan, zie de video’s op het televisiescherm waarvan de klank is uitgeschakeld. ‘Hallo ik vroeg me af of u een goed doel zou willen steunen misschien,’ krijg ik er nog net uit. Even zegt de vrouw niets. ‘Ik ben verpleegster, ik steun elke dag een goed doel,’ hoor ik haar dan antwoorden. ‘Het spijt me, we hebben niet zoveel geld over om weg te schenken.’Dan glijdt haar blik naar mijn ogen. ‘Maar ik ken u toch ergens van?’ vraagt ze. Ik frons mijn wenkbrauwen en staar naar de stoep. ‘Is dat zo?’‘Ben jij ooit patiënt geweest bij mij?’‘Ik heb nog nooit in het ziekenhuis gelegen. Toch niet sinds mijn geboorte.’ Ik probeer weg te lopen maar blijf op mijn plaats staan. Nu steekt ze haar wijsvinger naar me uit. ‘Vroeger, toen ik nog in het fertiliteitscentrum werkte. Daar kwam jij toch?’ Ze lacht haar tanden bloot. ‘Da’s meer dan tien jaar geleden.’De deur die de woonkamer van de hal scheidt zwaait langzaam open. Oscar en zijn mama komen de hal binnen. Ik kijk naar de jongen met het brilletje en de weerborstel, de vrouw met de kastanjebruine haren, de andere vrouw met de vuurrode krullen.  ‘Dan ga ik maar eens naar het volgende huis. Misschien heb ik daar meer geluk,’ stotter ik. ‘Tot… tot ziens.’Ik draai me om en wacht tot de deur achter me dichtslaat, maar het blijft stil in de straat.

Felix Sandon
15 0

Azuren roes

Er volgt weer een bocht. Door die slippartij een tiental jaren geleden spannen al mijn spieren op als hij weer eens voorbij steekt op die bochtige baan langs rode rotsen die opduiken uit de nachtelijke zee.  Als we eruit vliegen belanden we op die witte muur bedenk ik, maar dat gaat na al mijn verzoeken en aanwijzingen nog steeds niet door zijn hoofd. De kinderen zouden dan eindelijk weten waar de airbags uit tevoorschijn komen grap ik in gedachten. En ik, ik zou er niks van merken.  Sinds onze lange wandeling langs het strand en door de jachthaven zit ik in een roes en ben ik weer overal en nergens in tijd en ruimte. Als de koude wind me wegbrengt naar de schapenstal waar de herder en ik 5 jaar geleden in enkele tellen oogcontact een jeugdige zomerliefde herbeleefden, als het gefluit, gekraak en geklingel tussen de boten me 35 jaar jonger maken en me wandelend aan de zijde van mijn vader marine verhalen laten beluisteren, dan brengt het contact met die muur me vast naar nog ongrijpbaardere dromen en herinner ik me wellicht nog vaag een compleet gevoel vooraleer de lichten van de ambulance mijn licht doven.  Ik denk aan de twee vrouwen, elk met twee kinderen, die tegen een muur reden om zich van t leven te beroven, de ene overleefde het niet maar de kinderen wel, de andere overleefde t wel maar één van de kinderen niet. Het andere kind werd mijn liefje toen we 14 waren, maar hij haalde de 40 niet, ik wel. En ik ben er elke dag blij om. Het enige waar ik spijt van heb is dat ik dat liefje niet nog meer liefde gaf, want nu kan het niet meer. Gelukkig scheren we de witte muur voorbij. Ik zie de Poolster nog steeds. En rechts een laatste streepje donkeroranje gloed boven de heuvels. Weer een bocht. Nu duiken de twee heuvels vol lichtjes op, witte, gele en groene. Ook hij houdt van lichtjes bedenk ik. En van snuisteren en de juiste golflengte. Zelf onze stappen zijn op elkaar afgestemd. Daar dacht ik ook aan tussen de boten, aan mijn nieuwe liefde die met mooie liedjes en vleugjes magie uit de lucht kwam gevallen en me voorzichtig mee in de wolken tilde. Dat is het heerlijke aan de duister die langzaam valt en een snijdende wind die je verhindert te praten. Het maakt gedachtenloopjes mogelijk naar geliefden die waren en geliefden die komen, naar overal en nergens. Weer een bocht en weer een klein strandje. Het licht van de auto maakt de pikzwarte zee heel even terug azurblauw. En denken dat ik een hekel had aan deze azurkust als kind. Misschien door het geslenter of door de sfeer van geheimen die we van thuis meezeulden of door de voor mij verwarrende toestand van miljonairsvillas en overvolle terrassen terwijl clochards tussen palmbomen schuilden voor de mistral of eerste wintervorst. Ik weet het nog steeds niet, maar ik herinner me dat ik ook dan vaak in een roes ging. Op de radio klinkt je t'aimais, je t'aime, je t'aimerai. Ik kan niet meezingen, want mn stem is weer weg. Het komt nu steeds vaker voor dagen zonder stem en nachtelijk hoesten.Thuis neem ik direct hoestsiroop en een glas wijn na het eten of omgekeerd, denk ik, als een verslaafde. Verslaafd ben ik zeker, aan de liefde en aan de roes van de azurkust, waar alle tijden door elkaar lopen, mijn hart onderweg is en mijn hoofd op hol, naar overal en nergens.

Fien SB
50 1

De kleine van ‘t café

Pa is vaak van huis, maar niet vaak genoeg. Elke keer als hij thuiskomt, zit ons ma direct vol. En als hij daarmee klaar is, begint hij te zuipen en slaat hij op alles en iedereen die hij tegenkomt. Behalve op de klanten, dat mag niet van ons ma.     Ons ma zegt dat een echte cafémadam al haar klanten onder tafel moet kunnen drinken. Als ze zwanger is, drinkt ze geen druppel minder. De kleine kan er beter al aan wennen, zegt ze dan. Ze is echt een heel goede cafémadam. Door al dat zuipen zijn er vier kinderen doodgeboren en dat was met ons Leslie beter ook gebeurd. Debiel, achterlijk, te stom om te helpen donderen of ooit haar eigen geld te verdienen. Ze zal altijd een blok aan ons been zijn en ze is te lelijk om een hoer te zijn. Geen mens die daar geld voor geeft. Zelfs in het café is er niemand die eens wilt.     Bij mij heeft mijn moeder juist genoeg gezopen: ik ben te slim voor een gesticht en te dom voor een goeie job. De vuilkar zou ik willen doen, maar daar nemen ze geen Vandoorens aan, nadat onze Davy de opzichter een paar tanden uit zijn muil heeft geklopt. In het containerpark heeft onze Michaël een van de andere werkgasten zijn neus gebroken. Bij de groendienst kwam onze Dennis toe met zijn thermos vol whisky. Dat ging, totdat hij met de camionette in de gracht is gesukkeld. De garagist heeft ruzie met onze pa en alle cafés zijn concurrentie. In de schone magazijnen willen ze enkel ‘deftig’ volk en voor proper werk op een bureau moet ik een diploma kunnen voorleggen. Veel werk is er niet voor iemand met mijn naam en mijn karakter. Het is ofwel kadavers ophalen voor de Rendac ofwel nachtwerk.     Ik had gezien in de streekkrant dat ze iemand zochten in het klein Delhaizeke om voor nachtwaker te spelen. Ze hebben daar blijkbaar schrik dat er ’s nachts iemand de champieter en de kaviaar gaat komen pikken. Slechte uren, een contract van mijn voeten en stevig onderbetaald. Maar veel keus heb ik niet, om niet te zeggen geen. Maar kom, onderbetaald is ook betaald. Een uniform voor de nachtwaker hebben ze niet, dus moet ik daar mijn eigen triestige schoenen lopen verslijten.     Vanavond om elf uur moet ik klaarstaan om een godganse nacht mijn tijd te verdoen in die klotewinkel. Om zeven uur ’s morgens komt de chef. Hij kan zien dat hij mijn pré bij heeft of ik sla op zijn bakkes.

Harlinde Bormans
42 2
Tip

De nachttrein

Het was onze eerste reis, ver van huis en zonder ouders. Maanden hadden we ernaar uitgekeken om met de hele klas te gaan skiën in Zwitserland. Niemand was er al geweest, niemand had ooit een skilat van dichtbij gezien en het idee dat we met de nachttrein zouden gaan maakte het allemaal nog avontuurlijker.     Op de dag van vertrek wuifden we opgewonden onze ouders uit, klaar voor een week onafscheidelijk samen zijn. De hele klas hing goed aan elkaar, maar wij twee waren de hartsvriendinnen die maar niet uitgepraat raakten tegen elkaar.     Wij deelden een slaapcoupé en na wat in mijn herinnering wel uren vol onschuldig meisjesgeklets lijken, vielen we in slaap. Ik op de bovenste bedplank, jij onderaan. We waren jong, hadden nog nooit gevaar van dichtbij gezien en we voelden ons beschermd door onze hechte vriendschap. Daarom vergaten we de deur op slot te doen en veranderde die nacht jou voorgoed.     Een man komt binnen in onze coupé en legt zich zomaar op de onderste vrije bedbank, enkele meters bij jou vandaan. Hij ruikt naar iets dat ik niet ken. Ik ben verstijfd van angst. Plots ziet de man dat hij niet alleen is. Hij kruipt bij jou. Ik zie niet wat hij doet, ik durf niet te bewegen en niet te denken aan wat er vlak onder mij gebeurt. Na enkele minuten zucht de man. Ik hoor geritsel van een riem en dan valt het licht van de gang een paar seconden binnen. De man sluit de deur en laat ons weer alleen. Niemand beweegt. Ik hoor je huilen en ik doe alsof ik slaap.     ’s Ochtends vroeg ik of je goed geslapen had. Ik was opgelucht toen je ja zei. Ik wilde niet weten wat er was gebeurd. Ik dacht dat je het zou kunnen vergeten, als niemand erover sprak. Dat was niet zo.

Harlinde Bormans
224 4