Zoeken

Beken(d) in Gent!

Een tijdje terug bezocht ik mijn goede vriend Pieter. Hij woont in Gent. We zouden daar iets doen wat menig mens heeft gedaan het afgelopen jaar: wandelen. We waren erg verheugd elkaar nog eens in volle glorie te mogen aanschouwen, en we kuierden keuvelend door de Gentse stadskern. Omdat Pieter om de haverklap verhuist, ben ik al bijna even bekend met Gent als met Antwerpen. Ik wist echter niet wat ons te wachten stond na zonsondergang… We hebben geluk met het weer. De imposante betoncentrale, die haar laatste rookpluimen al meer dan tien jaar geleden heeft uitgeblazen, baadt in het zonlicht. Het is een prachtig staaltje industriële architectuur. Het internet leert me dat men niet zo gek lang geleden rond deze mastodont nog een toekomst wilde bouwen, maar het plan om het gebouw een tweede leven te geven als bakermat van een nieuwe woonwijk, werd plots van de baan geschoven. Pieter vertelt me ook dat het gekraakt werd en nog steeds een geliefkoosd doek vormt voor vele graffitikunstenaars. Na een deugddoende wandeling van enkele uren, een meeneemkoffie en een warme maaltijd wordt het stilaan tijd dat ik huiswaarts keer. Het schemert al. Pieter vergezelt me nog even op mijn weg naar station Dampoort, kletsend over vervlogen tijden, waarin we ons nog niet hoefden te bekommeren over een avondklok. Frappant, dat woord. Er schuilt nog steeds dat beeld in van een luidende kerktoren, terwijl onze zuiderburen met couvre-feu eerder de suggestie krijgen de lichten te doven. We draaien een laatste straat in naar het station. Plots licht er een enkel zwaailicht op vlak bij ons en er stappen vier donkere figuren uit een al even donkere wagen. Ik voel mijn hartslag in mijn keel. Worden wij slachtoffers van een gewelddadige overval? Het is in ieder geval de uitgelezen plaats, zo rond tien uur ’s avonds in een duistere steeg nabij Dampoort. Een man vat post achter mij, een andere blokkeert de weg voor Pieter. Links loopt de Leie en aan de rechterkant staat de wagen. We kunnen geen kant op. Een derde man stapt op ons af en grijpt in zijn binnenzak. Hij toont zijn badge en voegt eraan toe dat hij een agent is. Iets in mij heeft er geen vertrouwen in. Ik ben namelijk al enkele keren in mijn leven belazerd door echte con men. Ik overhandig met een zekere onzekerheid mijn identiteitskaart. Pieter kribbelt zijn naam en adres neer – hij had zijn portemonnee niet bij zich. Uit mijn ooghoek merk ik dat de agent met de bril me zo streng mogelijk aankijkt. Dat lijkt me niet evident met een neusmondmasker en aangedampte brilglazen. “Wat doen jullie hier?” blaft hij. Pieter vertelt dat we op weg zijn naar het station.“Het station?”Er zit zoveel argwaan in zijn stem dat ik zelf ook begin te twijfelen aan mijn bestemming. Met de rigiditeit van een schoolprefect doet hij alsof hij ons op heterdaad heeft betrapt op een pertinente leugen.“Mannekes, het station is naar daar hé!”“Excuseer, meneer de agent, maar Dampoort is wel ginder hoor”, snijdt Pieter hem de pas af.“Ah, ja… Dampoort.”Ik zie hem denken: welke onverlaat neemt nu een trein in Dampoort? Dan volgt er een halve minuut pijnlijke stilte. “En wat doet u dan in Gent?” richt hij zich tegen mij, met de trofee in zijn hand waarop staat dat ik woonachtig ben te Antwerpen. Ik gun hem een karig antwoord.“Wandelen”. Het was niet eens gelogen.“Wándelen?” Hij had dit antwoord kennelijk niet verwacht. En nu lijkt het bij de man te dagen, hij verandert zijn toon. Zou het aan mijn zwoele stem gelegen hebben? Of misschien aan de trefzekere stijl van de één-woord-zin?“We gaan even controleren of u bekend bent met het gerecht. Dat duurt niet lang hoor, wanneer vertrekt uw trein?” Ik lieg dat ik m’n trein nog wel zal halen. Bijna laat ik me ontvallen dat ik redelijk bekend ben met het gerecht, maar dat ik absoluut nog kan bijleren. Gelukkig denk ik op tijd aan het feit dat ik een onnozelaar ben en hij een agent. Pieter en ik zoeken elkaars blik tussen muts en mondmasker. Daarin lees ik dat hij vooral bekend is met het vegetarisch gerecht. We knipogen in gedachten. De agent heeft inmiddels door met wat voor brave zielen hij hier te maken heeft. Hij voelt zich dan ook genoodzaakt wat duiding te geven bij dit alles.“Er gaat nogal wat drugs rond in deze buurt, zeker als het donker is. U moet dat begrijpen, met die mondmaskers en die mutsen… Zo zien wij het verschil niet goed hé.”Met ‘het verschil’ bekent hij zijn kleur nog voordat de radio van zijn collega ons heeft vrijgesproken. We zien er misschien uit als schimmige cocaïnedealers, we klinken helemaal anders.“Zeg, zijn er eigenlijk in Antwerpen veel controles?” wil de man van me weten. Ik haal m’n schouders op waarmee ik enerzijds bedoel dat ik het niet weet en anderzijds dat het mij niet kan bommen. Terwijl ik op mijn telefoon het uur raadpleeg, klinkt vanuit de dispatch eindelijk de bevrijding. Niet bekend met het gerecht. Ik voelde een zekere teleurstelling om niet bekend te zijn. Als zonderling in een vreemde stad verliet ik Gent. Ik was wel nog vóór het luiden van de klokken thuis.

Lennart Vanstaen
33 0

Het is honderd óf drie euro, wat kies je?

Mijn kinderen spelen winkeltje. Mijn dochter is de mevrouw die in de winkel komt kopen, mijn zoon is de eigenaar. Als valuta gebruiken ze wasspelden. De mevrouw krijgt bij binnenkomst meteen een keuze tussen drie onmisbare producten. Een regenboogbal – de winkelier is overduidelijk mee met de huidige maatschappelijke thema’s; één speelkaart – voor klanten die hun schoppen drie hebben kwijtgespeeld; en twee memorykaartjes – voor een héél kort spel of voor wanneer je niet tegen je verlies kan. Hij vermeldt dat alle producten honderd euro kosten. De mevrouw in de winkel telt met een bang hart de wasspelden in haar handje – het zijn er slechts drie en ze heeft schijnbaar alle moeite ze niet te laten vallen.‘Ik heb drie euro’ zegt ze, alsof ze de eigenaar van de boetiek met stelligheid wil laten aanvoelen wat échte armoede is.‘Spijtig, dan gaat ’t niet’ concludeert de eigenaar onverschillig. Totdat hij tot het besef komt dat hij daar ook niet mee is geholpen.‘Maar het is honderd óf drie euro, wat kies je?’ Het is bewonderenswaardig hoe ad rem deze winkelier is en hoe snel hij zijn verkoopstrategie weet aan te passen aan de noden van zijn cliënteel. Na de bal even te hebben geïnspecteerd overhandigt de mevrouw drie wasspelden aan de winkelier en neemt ze de bal mee. Wanneer zij aanstalten maakt het pand te verlaten en haar huisje binnen te gaan – dat zich amper dertig centimeter verder bevindt, wil de winkelier nog even alles uit de kast halen. Ook letterlijk, want hij haalt allerlei parafernalia uit de kast die blijkbaar onderdeel uitmaakt van zijn bescheiden warenhuis. Hij stalt razendsnel nog wat van deze hebbedingen uit op zijn geïmproviseerde toonbank: een jojo zonder touwtje, een rekker, een leeg rozijnendoosje en – erg opvallend – een broek voor jongens van ongeveer zes jaar. Zelf heeft de eigenaar geen broek aan, maar het lijkt me te vergezocht om hier een verband te zoeken. Waarom zou iemand zijn eigen broek verkopen, denk ik dan. Hij trekt nog snel haar aandacht: ‘Euh… wil je niet nog iets? Ik heb nog super veel dingen!’ Natuurlijk wil hij nog wat verkopen. Het zijn moeilijke tijden en de klanten zijn schaars. De mevrouw aarzelt.‘Maar ik heb toch geen centjes meer nu?’‘Ah’, beseft de eigenaar. ‘Wacht even.’ Hij neemt de wasspelden die hij zopas had ontvangen voor de bal weer uit zijn kassa en geeft ze aan de mevrouw. ‘Zo, nu kan je weer iets kopen. Wil je dit?’ Hij toont haar een autootje. De mevrouw reageert verontwaardigd: ‘Zeg! Dat is wel míjn auto hé!’Hier is een gewiekste handelaar aan het werk. Zoveel is zeker.

Lennart Vanstaen
2 1

Traan voor mijn lekkende kraan

Een vriendin die zich recent heeft ontpopt tot mindfulnesscoach – check Fee Floralis! – schotelde mij een schrijfopdracht voor van de dichteres-kunstenaar Rupi Kaur – bekend van Milk and honey. De opdracht luidde: schrijf een ode aan iets dat je elke dag ziet. Een alledaags object dus, waar je eens met andere ogen naar kijkt. Omdat positieve dingen zo voor de hand liggend zijn (mijn warme douche, heerlijk espressoapparaat of kwaliteitsvolle hoofdtelefoon), koos ik voor iets wat mij na aan het hart ligt maar waar mijn eega de pest aan heeft: onze wellicht door mij verkeerd gemonteerde keukenkraan. Toen ik anno 2019 merkte dat het water van onze keukenkraan niet alleen uit de straalbreker kwam, maar tevens onderaan ontsnapte en vervolgens het hele keukenblad in een keukenplas veranderde, kleurde mijn vermoeden even donkerbruin als de roestplek die het water inmiddels had achtergelaten op de kraan. Het was tijd voor een nieuwe. Eerst dacht ik het zelf nog te kunnen redden. Ik demonteerde het ding en concludeerde al snel dat het rommel was. Niet mijn schuld dus, de kraan kwam bij het huis. Dat was een van de vele voordelen. Ik was als zelfgediplomeerde loodgieter best trots op mijn afbraakwerk, dat aanvoelde alsof ik een steunmuur had gesloopt. Totdat het begon te dagen dat het werk niet stopte bij het metalen gat in de spoelbak waar ik op stond te gapen. Er moest effectief een nieuwe kraan in komen. En ík moest die gaan installeren, want de (mini)macho in mezelf weerhield me ervan iemand anders lastig te vallen. Zodra ik besefte dat ik me een kraan moest aanschaffen, maakte de minimacho plaats voor mijn immer aanwezige vrouwelijke kant: ik mocht een kraan kiezen! Met een zwaai griste ik mijn smartphone van het aanrecht en surfte ik naar doe-het-zelfwinkels als Gamma, Brico en consorten. Eerst selecteren op prijs – van hoog naar laag liefst, want ik wil die poepchique kranen zien die ik niet kan of mag kopen. Ik gil naar mijn vrouw dat ik een nieuwe kraan koop en vraag wat het budget is daarvoor. Wij beheren alle budgetten samen, maar mijn vrouw is nu eenmaal beter in die dingen inschatten. Ze antwoordt dat het zéker niet meer dan honderd euro moet zijn. Mijn interpretatie is: zo dicht mogelijk bij honderd euro. Ik filter alle kranen tussen tachtig en honderd euro. Dan kies ik voor een eengreepsexemplaar. Ecologische waterstraal? Ja, alstublieft! Na enkele filters te hebben aangeklikt, krijg ik één resultaat. Mijn neurose laat het zelden toe dit soort alledaagse openbaringen van het fatum in de wind te slaan. Zeker niet als het dan nog eens een designkraan betreft. Ik voeg de kraan toe aan mijn mandje en fiets richting Gamma. Op 2 april 2021 lekt de kraan nog steeds. Hoewel ik er verschillende YouTube-filmpjes op heb nageslagen en elke stap nauwkeurig heb gevolgd – ik ben misschien geen handige harry, maar excelleer vaak in prutswerk – klopt er iets niet. De kraan doet het prima, ze biedt me warm én koud water. Echter, zij lijkt een eigen leven te leiden. Af en toe, op totaal willekeurige momenten, lost zij water. Alsof zij moet braken. Volgens mijn vrouw ligt het aan de installatie. Leuk dat je dat woord op twee manieren kan interpreteren, maar ze refereert toch wel aan de installateur in kwestie. Als je het aan de installateur vraagt, is er iets mis met de kraan zelf – een fabricagefout. Gerichte zoekpogingen op het internet staan me bij. Het is een kraan met Downsyndroom. Ik voel mee met haar. In het voorbije jaar heb ik ontdekt dat zij alleen lekt als je haar iets te gretig naar links of rechts draait.‘Je moet haar behandelen met zachtheid, zoals de kapper je hoofd draait om de andere kant van je haardos te knippen’, probeerde ik meermaals. Maar het zal niet baten. In de nabije toekomst zal ik haar moeten vervangen. Het feit dat de door mij gekozen designkraan ook een sierlijke ronding heeft in de hoogte en daardoor het keukenraam niet opengaat, zal mij niet helpen in mijn pleidooi voor de lekkende zwaan. Mijn geld krijg ik ook niet terug. Dat is zo als je het bonnetje meteen in een opruimwoede wegsmijt. Ik vind bonnetjes iets van de jaren 90, maar met die these kon de kassière van Gamma niet veel. Trouwens, ik hoef mijn geld niet terug. Ik heb genoten van mijn kraan. Ze heeft me zo vaak verwarmd bij koud weer. Ze leste mijn dorst in de zomer. Zorgde voor vertier bij het samen afwassen. En ja: ze huilt af en toe een beetje water, maar wanneer zij uiteindelijk zal worden vervangen door een kraan met een attitude van kijk-naar-mij-ik-heb-nul-fabricagefouten zal ik ook om haar een traan laten.

Lennart Vanstaen
17 0

De dag dat de tijd voor altijd zou stoppen in Oostwinkel

“Wat herinner jij je nog van je middelbare schooltijd?”, vraagt ze me terwijl ik haar gebaar dat haar thee nog te heet was om te drinken.  “Ik herinner me het als een tijd die nooit leek te eindigen”, zeg ik na lang aarzelen.  “Ik ging vaak hardlopen, kilometers aan een stuk langs de vaart. Begroef mezelf in dikke boeken aangezien die makkelijker te begrijpen waren dan mijn leeftijdsgenoten. Ik haalde mooie cijfers en hield ervan om met mijn beste vriendin onze microkosmos te observeren.” “Sommige mensen zeggen dat dit hun beste tijd was”, mompelt ze terwijl ze een kussen herschikt. “De jouwe lijkt ook wel heel idyllisch”, voegt ze eraan toe. “Wel ik weet het zo niet”, zeg ik snel. “Het was een vrij monotone wereldvreemde tijd voor me. Frivool, maar ook angstaanjagend”. Ze kijkt me met pretlichtjes aan, vol  verwachting. Uiteraard dient het angstaanjagende besproken te worden. Tienerdrama op een vrijdagavond, het werkt op de lachspieren. Ik duik even in de tijd. De staalblauwe hemel. Iets met luchtballonnen. Hoe ik toen dagelijks een jeans en een sweater droeg zodat ik niet opviel tussen de rest. Eenheidsworst was mijn plat préféré terwijl ik toen al besefte dat ik vegetariër ben en zal blijven. De tijd zou gaan stilstaan onder het blauw. Mijn tienerhart zou daar, in een dorp dat maar één straat had, platgereden worden door een grote truck. Een truck zoals deze van de maffiaboerenfamilie die het dorp terroriseerde. De zoon reed vaak in zo’n monster met een rotvaart door de dorpskern. De kasseien en huizen daverden als hij passeerde. De dorpelingen zuchtten dat hij nog de dood zou vinden. En dat deed hij, vele jaren later. Sindsdien vechten de kasseistenen niet meer. Maar goed, het was niet deze boerenjongen, maar de jongen uit mijn klas die het object vormde van mijn tienerhart. Ik vond hem intelligent en zacht van hart. Mijn dromerige en met vlagen asociale persoonlijkheid merkte hem op. De tranen die hij huilde toen hij dacht het niet te trekken in die zware wiskundeklas. Ik begreep toen al dat fijne mensen zichzelf tot in het belachelijke in twijfel durven trekken. In de L.O-les liepen we in hetzelfde ritme. Ik deed niet mee aan de valentijnsactie op school. Die leek er enkel op gericht te zijn analfabeten met amourezue intenties te kijk te zetten. En zo besloot ik mijn verliefde gevoelens te gaan opbiechten in het hol van pluto. Ik stond klaar op mijn fiets te springen toen de doodsangst het van me over nam. Ik zou er afgewezen worden. Mijn hart als een pompelmoes platgereden door een pickdorser. En de hele school zou het weten. Wat een onoverkomelijke schandalige daad! Een ander graag zien, getver. “Ik ben dus uiteraard nooit vertrokken”, lachte ik. Ze proestte het uit en morste thee op de zetel. Ik heb sindsdien talloze risico’s genomen. Sprong. Belandde op mijn pootjes, belandde op mijn gezicht. Reisde rond, beleefde koortsachtige nachten met deadlines, gierde het uit in de armen van vriendinnen. Nam afscheid en dronk pompelmoessap. En Oostwinkel bleef Oostwinkel.

svm
22 1

Knisperende lolly's in oorlogstijd

Het was donker en stilde golven glinsterden zonder geluidgeen mens op straatbehalve dat ene paar onder het zwakke lantaarnlichtals in een filmset. Hij 500 kilometer van huis, voor het werkzoon van een Joodse vader en Palestijnse moederglanzend lang zwart haar met pijpenkrullenamberkleurige grote ronde ogenlosse broek en lange zwarte jasspeelse tred. Zij 5000 kilometer van huis, op vakantiedochter van Gentse bourgeoisiestijl blond haargroene ogenzomers kleedjevoorzichtig volgend. Hij praatte er op losstak een kauwgum in haar mondomdat haar mond te vies rook om te kussen dacht zemaar hij kuste haar nietstak vervolgens kaaschips in haar monden praatte verderaf en toe een danspasje of theatraal gebaar.In haar mond vormden de kaaschips en kauwgum een vieze brijde walgelijke smaak eiste al haar aandachtzijn lieve woorden drongen niet meer doormaar nu kuste hij haar wel. Misschien rook haar mond nu zoals hij dat wouhaar deed het kokhalzeneen vreemde gewaarwording in combinatie met de opwindende kussenin een donker portiekin een lege vreemde badstadop een eerste datemet een vreemde man die recht van de catwalk leek te komen. De laatste date was heel anders... Op een vroege ochtendop de hoek van de straat wachtte hij haar opnam haar kin in zijn hand fluisterde Principessazette zijn zwarte hoed op haar hoofden kuste haar daarondernam haar dan bij de handen huppelde aan haar zijdeeen voet op en af het trottoirtot bij de snoepwinkelkocht haar daar een lolly met knispertjes wachtte vol verwondering en met kinderlijke ogentot de knispertjes in haar mond zouden ontploffenen een vreugdekreetje veroorzakenzij zag vuurwerk hij toverde hun leven tot een speleen feest.In zijn appartement haalden ze herinneringen ophij wou haar nog eens onder de douchewaste haar haren met bloemengeurstiftte haar lippen roodlegde haar op bed. Ze wandelden terug naar de bushaltehij opnieuw honderduit vertellend zij voorzichtig om het betoverend verhaal niet te doorbrekenhij terug naar zijn stad in oorlogzij terug naar haar huisen bij elk nieuwsbericht over een bomaanslag die hartverscheurende vraag"zat hij op die bus?"      

Fien SB
56 2

Tussenruimte

Zij en hem, in de kamer die zich vult met volle stilte, terwijl de poezen verder spinnen. De impasse groeit, met wortels die haar voeten gijzelen en takken die zelfs haar diepste verlangens overwoekeren. De ruisende zee verschuilt zich in haar schelp. De olie op haar vleugels verhindert haar eruit te vliegen.   Verloren in een tussenruimte. Te rationeel voor de emotie, te emotioneel voor de ratio.Te aards voor God, te spiritueel voor de atheïst. Te perfectionistisch voor de je-m’en-foutist, te relativerend voor de perfectionist. Te pessimistisch voor de optimist, te optimistisch voor de realist. En ergens daar tussenin, op zoek naar haar ware zelf. De spiegel reflecteert de moedeloze zwaarte die haar op dagen als deze aan de grond kluistert. Haar geest sleept al een tijdje haar lichaam mee, als een nodeloze klomp vlees. Een lichaam, allergisch geworden aan stress, beschuldigt haar geest ervan haar te lang genegeerd te hebben. Een geest die het gewoon goed wilde doen, en pijn verafschuwt, wil er niet van horen. Lichaam en geest die elkaar, zelfs met de juiste coördinaten, maar niet kunnen vinden. En dan het plotse spreken, dat er al lang zat aan te komen.Je bent de laatste tijd zo geprikkeld, hoor ik. Hoe ben jij dit niet, zeg ik dan. Knuffels zonder contact, contact zonder knuffels. Ademenen met maskers, terwijl haar longen de zuurstof, en de liefde, naar binnen willen slurpen. Het leven doodt, de kleingeestigheid vergroot. De aarde mist de hemel, de hemel weet niet wat gedaan. De zon als zoekend oog nodigt ons uit naar boven te kijken. Wees niet bang, liefste, de eenheid zal stilaan de tweestrijd verslaan. Tranen van geluk en verdriet vloeien samen in ons kloppend hart. De duisternis die ons verblindt, zal de draagbare lichtheid laten schijnen.

CasaSara
4 0

Ik kom niet langs

‘Je vraagt je vast af waarom wij nooit langs zijn gekomen.’ De man kijkt mij net niet aan, hij richt zijn blik op mijn kin.   Ik weet niet goed wat ik moet antwoorden.   Drie jaar geleden zijn we verhuisd van 't Stad naar de Limburgse Kempen. Van een mooi en te klein appartement met een balkonnetje op het noorden, naar een luxe villa in open bebouwing aan de rand van het bos met een trampoline, schommel, paardenweide en moestuin. Voor hetzelfde geld. De kinderen waren binnen twee maanden gewend op school, mijn vrouw tenniste direct in het eerste team en ik vond bij de schaakclub een warm welkom.    Collega’s verklaren mij (al drie jaar lang) voor gek, je gaat toch niet weg uit de stad? Ik wijs ze met Google maps op de route. Het is een zucht naar de snelweg en binnen een uur ben ik op mijn werk. Mijn dagelijkse pendeltijd is even lang als voor de verhuizing, mijn vrouw is zelfs een half uur korter onderweg. Allemaal verloren moeite, de blik van de collega’s blijft vol medelijden.  Elke woensdag lunch ik bij “Jules’ Bistro” op ons industrieterrein, ze hebben prima soep, croque monsieur, stoemp en stoofvlees. We zeggen: “We gaan knagen bij Jules”, al heeft Robert de tent vijfenhalf jaar geleden van zijn vader Jules overgenomen, die in de jaren ‘80 op die plek begonnen met een krammakkelijk frietkot. Vlak voor de eeuwwisseling ging de eerste paal de grond in van de vaste tent.   Ik lunch hier sinds ik bij “De Vlaamse Laboratorium Dienst” een job kreeg en mee mocht met de afdeling pre-production. Zo’n ritueel geeft houvast vindt u niet? Je weet wat je eet, je bent er uit en na dertien jaar ken je de andere woensdaglunchers. Wat een gebroebel, ik vertel u waarom ik geen antwoord weet.   Bij het verlaten van het toilet van Jules was ik mijn handen bij het fonteintje. Een volslagen vreemde spreekt mij aan. Hij kijkt geringschattend, zakt met zijn blik af naar een plek tussen mijn kin en borst, en snuift een keer na het stellen van de vraag.    ‘Dus!’ zegt hij, in afwachting van mijn antwoord als een bokser die een eerste onderzoekend prikje heeft uitgedeeld.   Ondanks zijn omvang slobbert hij in een ruim zittend kostuum. Waarschijnlijk werkt hij in een van de kantoren naast het industrieterrein. Of hij is verkoper in een van de showrooms, de meesten dragen een kostuum, van de zotte natuurlijk, daar kopen alleen bouwvakkers en installateurs, nou: die dragen er nooit een.   Bij die vreemde voor mij hangt er wel een aan zijn lijf, en met de cravat los en 't zweet in de nek heeft hij last van de warmte. In ons labo spuugt de airco ijspegels, de collega’s en ik zijn allang blij dat we buiten van de warmte kunnen genieten. Trouwens, niemand van ons draagt een vest, met daaroverheen een witte labjas heeft dat geen zin. Wij dragen ook geen stropdas, dat kan bijvoorbeeld in de centrifuge verstrikt raken of in een kweekbakje met bacteriën hangen. Hans, onze chef, draagt een vlinderdas als klanten langskomen, de rest heeft nooit iets rond de hals.   Nu wil deze warmtegevoelige dat ik mij iets afvraag, sterker nog: hij wil dat ik mij daar blijkbaar voor schaam.     ‘Nou, Mariet wil jullie stulpje graag zien. Met dat kakkineuze paardentuintje en het bos. Je begrijp dat deze jongen daar effe stevig voor is gaan liggen,’ vervolgt hij.   Nog steeds komt er geen antwoord in mij op. Gelukkig heb ik de, voor alle technici bij ons bedrijf verplichte, basiscursus “Commercieel Handelen” gevolgd en daar heb ik geleerd dat bij een klantklacht, en daar lijkt het hier sterk op, je in ieder geval een instemmend geluid moet maken. Je geeft de klant het gevoel dat hij wordt gehoord. Bonding principe of zo iets vaags.   Ik zeg: ‘Zo… mmm.’    Toegegeven, dat klinkt niet bijzonder intelligent en ik pieker me suf wat ik nog meer en in ieder geval treffender kan zeggen. Ik weet niets beters. Hij moet het er maar mee doen.   Het deel “deze jongen” verwart mij. Het “daar stevig voor liggen” is een obstakel waar Mariet niet om- of overheen kan, dat zie ik wel voor mij, ik verwacht haar dan ook niet bij ons. Maar “jongen”?   Jongens worden tussen hun achttiende en tweeëntwintigste man, net als meisjes die in de tweede helft van hun tienerjaren tot vrouw transformeren. In jeugdigheid is er speling en de term jongen/meisje kan voor de beginnende dertiger nog in de spreektaal. Het varieert per persoon, maar ploep!! het is over en jong past niet meer, zoals een uitgerekte ballon uiteenspat en nooit meer aan elkaar kan.    Geen jongensspoor is te ontdekken in deze ontwijkende blik of onhandige houding. Ondanks zijn zweetvocht is hij verdord als een boomstam in de woestijn en zo zie ik hem liggen: zijn Mariet de weg versperrend. Het is aannemelijk dat deze boomstam in echte jaren rond mijn leeftijd is, in levensjaren is hij ouder, zijn ballon spatte decennia geleden uiteen. ‘Ik had toen al een hekel aan je, en verwacht ons niet op bezoek bij je Limburgs fermetje. Dat je het weet,’ gaat de man door en snuift nog eens flink.    Zijn gezicht wordt roder en hij duwt zich langs mij. Ik stap een flink stuk opzij om hem bij het kraantje te laten maar hij keurt dit geen blik waardig en staat al half bij de deur naar de zaal. Mij een houding gevend gooi ik het papieren handdoekje met een sierlijke boog in de prullenbak en kijk hem aan.   Hij snuift voor de derde keer en zegt: ‘Dus!’ Nu alsof hij de watertoevoer van ons huis afsluit. Snel ga ik alle gezichten langs die ik ken: geen match met iemand die een hekel aan mij heeft. Overigens, ook geen match met mensen waarvan ik in de overtuiging leef dat ze géén hekel aan mij hebben. Niemand die ik ken lijkt in de verste verte op het bezwete gezicht voor mij.    Voor, tijdens en na het verhuizen, nodig je iedereen uit. “Kom eens langs” roep je tegen vrienden, familie, kennissen, collega’s en op woensdag tegen de lunchbuddies bij Jules.    Je weet dat niemand komt. Limburg godbetert, wat een eind weg.   Hoe ik ook nadenk, deze rode kop licht niet op in de langszoevende film iedereen die ik gevraagd zou kúnnen hebben. Nog een keer zoeft de film langs, nu hang ik de naam Mariet aan dit specifieke gezicht: dit geeft geen extra licht. Ik probeer de naam Mariet als iemands collega, vriendin, zus of dochter en het blijft donker. Als gevolg van dit gebrek aan herkenning is het onduidelijk aan welk vergrijp ik schuldig ben. Het voelt ongemakkelijk maar verbaasd ben ik niet, relaties met mensen sloop ik in een oogwenk. Het meest aannemelijk is dat dat ik hem stevig heb beledigd. Uit oprechtheid beledig ik mensen, volgens mijn vrouw zonder het zelf door te hebben, aan de lopende band en met succes. Een kanshebber is ook dat hij en Mariet iets samen met ons hebben willen doen en waarbij ik ze op een botte wijze heb afgewimpeld. Een derde optie is dat onze kinderen samen op school zaten. Een openhartige opmerking over andermans kroost schijn ik, weer volgens mijn vrouw, makkelijk te maken. Ook aan de lopende band en succesvol.   Het is waarschijnlijk volkomen terecht dat deze man, die zonder zijn handen te wassen naar de toog wil lopen, nooit meer bij mij op bezoek wil komen. Eerlijkheid: het duurt misschien altijd het langst, duurzaam is het lang niet altijd. Zonder enig idee te hebben wie hij is, waarom hij en zijn Mariet niet langs zijn gekomen, plooi ik mijn gezicht, deels beledigd deels schuldig, en mompel tegen zijn rug.   ‘We misten jullie al,’ zeg ik.   Hij zwiert rond zijn as. Het blijkt een toverspreuk! Hij kijkt mij in de ogen en zijn trekken tonen een stuk zachter of beter gezegd: voldaan, ik zou zelfs zeggen: zegevierend. Hij oogt bovendien minder zweterig en zijn kostuum past beter, hij snuift ook anders dan zo-even. Ik ben bang dat hij mij een hand wil geven maar gelukkig draait hij verder en kijkt de eetzaal weer in.   ‘Dus!’ zegt hij als mijn mijn leraar wiskunde uit de vierde humaniora, die met een constructie een voor mij ondoorzichtige stelling tot waarheid toverde.   Rechtgeschouderd loopt hij met de swingende tred van de overwinnaar naar de toog en pakt triomfantelijk, met zijn ongewassen handen, zijn pint en het pistoletje met hesp van het bord dat Robert voor hem heeft klaargezet. Het mosterdzakje laat hij liggen, maar hij grist wel stoer een extra serviet uit de glimmende serviethouder.   Wie doet hem wat. Welke onrechtvaardigheid ik deze man en/of Mariet heb aangedaan weet ik nog steeds niet. Maar volgens mij heb ik, met fris gewassen handen, hier bij het fonteintje van Jules’ Bistro, mijn misdrijf rechtgezet.

MCH
2 0

peace like a river

Daar zit hij, onderuitgezakt op een barstoel, onderrug ontbloot, naast een jongedame van een jaar of vierentwintig, die dartelend met haar vriendin gekunsteld spontane foto’s neemt en haar donkerblonde haren achteloos achteroverslaat, zijn rechteronderarm tikkend. Moedig is het hoe hij zittend zijn barkruk wat meer naar links rukt, maar het miniem uitstekende voegsel van de vloer is gewapend beton voor zijn pover verzet. Hij gedoogt, lengt zijn woordensmeersel aan met enkele pinten van ‘t vat.  Hij is schilder en papt nu aan met de toog. Hij behangt ook, en na een hele dag pap te zien kleven zijn ogen tegen negenen al dicht op de tapkast en stijgt er een overheersend gebrom op tussen muziek die twijfelt door te breken. Tegen halftien krijgen de Paul Simons en Stings weer vrij spel. Dan gaat de schilder naar het toilet waar hij de pap uit zijn ogen wrijft, keert met rechte rug terug en bestelt een verse pint. Met besmeurde vingers om zijn pils zoekt hij een prooi waarvan hij denkt hem verbaal wel aan te kunnen. En hoewel zijn woordenvloed van gisteren slechts achter in mijn keel zit, klaar om eindelijk door te slikken, kijk ik reikhalzend uit naar de laag die hij vanavond zal leggen; een grondlaag waarbij hij de ander nog wat toestaat en een basis legt voor een volgende discussie, of een afmakende deklaag en geen spaander heel laat van de arme muzikant na zijn bevredigende repetitie of de slager die ervoor nog vastbesloten was zich verkiesbaar te stellen.  De cafébaas houdt hem de hele tijd in ‘t oog, moet niet weten van de schilder. Wanneer die zijn kruk verliet om zijn gevoeg te doen sponste de barman welig al wat de schilder betastte en nam hij plaats in de linkerhoek achter de toog. Een paar forse armen hadden zich op zijn spannend grijze T-shirt geankerd en golven nu rustig op en neer terwijl zijn ogen zeilen tussen de deur, de schilder en de kassa. Zijn fietsstuursnor krijgt het ook nu weer zwaar te verduren. Hoe meer pinten de schilder hijst, hoe vaker de armen van de barman het anker hijsen en hij zich nerveus in baard en snor wrijft.   Een koppel van twee straten verder, zestigers met zo’n tochthond, weten wat zal volgen, betalen met een bemoedigende knik richting barman en werken hun vluchtroute af. Maar tussen lijst en deur besluit de hond wat te dralen en keert zich om, heft zijn poot richting schilder die langer dan normaal zijn verkenningsronde volhoudt, en bestrijkt op de tonen van Paul Simons Peace Like a River de zwarte jeans alsof het een maagdelijk canvas van Pollock is.   ‘Godmilledju.’  Het frêle baasje verschiet en kijkt ‘t café in, staat nu oog in oog met de schilder. De zestiger ontkleurt, trekt een paar fijne lippen omhoog waardoor zijn neusgaten verwijden. Een rond brilletje balanceert op de helling van zijn spitse neus. Hij respecteert trouw de afschudtijd van zijn hond, trekt hem dan bengelend aan de leiband zijn armen in en besluit fier met vluchtige moed: ‘Wijs zijn de woorden op een goudschaal gewogen.’ 

de amechtige specht
4 0

Op de planken

Bij het toneel  ‘Kom mee jongen,’ zegt hij. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Nooit gedacht dat zo’n legende dit zou zeggen.‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo,’ stelt hij mij gerust.Ik glimlach zenuwachtig. Wat een eerste dag! Wat gaat nog komen? De reden voor mijn auditie staat voor mij. Als ik de komende jaren naast hem, achter hem of vanuit de coulissen bij dit gezelschap mag zijn, werk ik in de hemel op aarde.Hij wijst mij de repetitieruimtes en de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Hij wijst mij de brandblusser en de nooduitgang. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een.' Hij schenkt míjn koffie in, geloof je dat?Ik ben thuis. ‘Kom mee jongen,’ zeg ik. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Kijk hem nou, dat gladde jonge smoeltje. Klaar om mijn poten door te knagen. Die huichelachtige glimlach, leer mij ze kennen. ‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo.'Ik zal hem overdonderen, voordat hij mij overdondert. Net als al die anderen. Ik lees zijn gedachten: “Die ouwe is vergane glorie. Iets van vroeger”. Nou let maar op, voor je het weet sta je weer buiten. We lopen langs de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Ik wijs hem de nooduitgang, nu letterlijk, binnen het jaar figuurlijk.Ik pak de thermos. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een,’ zeg ik. En een van je laatste wacht maar…    Aan het ballet‘Alle begin is moeilijk,’ zeg ik en ik help haar overeind. De nieuweling herinnert mij aan mijzelf eenentwintig jaar geleden. Ze heeft de elegantie en bouw om het te maken, maar begeleiding is nodig. Ik wil haar behoeden voor de valkuil, te snel door te willen schieten, niet naar je lichaam luisteren. Blessures horen erbij, maar ze hoeft niet door dezelfde hel waar ik doorheen ben gegaan. Het lukt mij nog, maar het wordt met de dag lastiger. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Ik zal haar de komende tijd in de gaten houden en onder mijn vleugels nemen. Het is een harde wereld, elke steun is welkom. Iedereen heeft een vriendin nodig. ‘Alle begin is moeilijk,’ zegt ze en ze helpt mij overeind. Dat neerbuigende toontje, Mevrouw de Prima Donna. Maar niet lang meer, reken daar op. Haar uitvoeringen lijken soepel, maar ik zie de knieën net-niet-gestrekt genoeg. En tijdens de oefeningen kraakt ze. Mij hou je niet voor de gek. “Rust door diepgang en beleving” noemen ze het, ik noem het aftakeling.Haar tijd is voorbij. En mijn tijd komt. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Angst voor de nieuweling spreekt hieruit, ze is al bang dat ik haar overvleugel. Op de Academie waarschuwden ze voor de harde wereld. Je krijgt geen vrienden, alleen concurrenten. Ik ben er klaar voor.

MCH
12 1

Dat is niet normaal, toch?

Ik wil het met u hebben over een taboe. Een taboe op kannibalisme. Een taboe op een vorm van kannibalisme dat u, net als de meeste mensen (conformist!), zorgeloos onder het gras veegt.    Laten we de boom bekijken, die booswicht.    Neemt u een boom in gedachten. Samen met zijn vrienden in een bos of eenzaam aan een landweg met aan weerszijden koeien, een eik of kastanje, groot of klein: u bepaalt dat helemaal zelf. Voor mijn part een Bonsai boompje of de Sequoia, kiest u maar. Elk jaar laat uw boom zijn (volgens de Van Dale zijn bomen mannelijk, daar hou ik mij maar aan vast) bladeren vallen. Niemand die hem daartoe dwingt, er staat niet op elke boomhoek een boswachter met een dwangbevel in de hand die roept: “Laten vallen, en wel nú!” en de bladeren vordert. De hoofd bosgnoom van dienst loopt niet rond en klopt met zijn pijp op elke boomstam om uw deugniet tot dwarrelen te dwingen.   Uw boom doet dit vrijwillig. Elk jaar. En zijn voorvaderen al eeuwen en eeuwen, wel miljoenen jaren.    Nu hoor ik u uitroepen: “Dat is de natuur”, waar maak je je druk om zemelknoper.  Nou, ik vind het morbide.    Vrijwillig stukken lijf laten afsterven en op de grond laten ploffen. Náást je op de grond laten ploffen, vol in zicht van jezelf én de buren.   En daar blijft het niet bij, die bladeren vergaan. Uw boom weet dat, u kunt mij niet vertellen dat die boom van u jaar in jaar uit zijn lichaamsdelen om zich heen ziet wegrotten en niet denkt: “Hé, weer gemist wat er is gebeurd”, zo dwaas bent u toch niet? Dus uw geliefde leverancier van zuurstof weet dat alles als molm de grond in gaat, en, nu komt het: hij vreet de hele handel gewoon op!    Gatverdamme, wat een kannibaal. Sterker nog, een ego-kannibaal. Elke herfst hetzelfde liedje, misschien bij die oude plataan voor uw huis eeuw in eeuw uit. Zijn verre voorvader de oerplataan peuzelde zichzelf al op toen de dino's hun achterpoot optilden om zijn stam te bevochtigen.  Recapitulerend: Uw boom verorbert zijn eigen lichaamsdelen met smaak, niemand die hem daartoe dwingt.   U mag nogmaals zeggen: “Dat is de natuur”, ieder zijn mening natuurlijk. Maar ik vind dat geen natuurlijke mening. Ik meen dat dit tegen-natuurlijk is. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

MCH
11 1

De lentetuin

‘Tien jaar, godverdomme. Tien jaar!’ Axl bukt zich, raapt een afgewaaid bloesemtakje op en gooit het nijdig richting composthoop. De geur blijft in mijn neusgaten hangen. Van de bloesem bedoel ik, niet van de composthoop. ‘Allez, is dat nu nog normaal, dat een mens zo lang moet wachten?’ Ik zwijg en nip van mijn groene thee, maar hij is nog heet. Trouwens, ik hoef ook geen antwoord te verzinnen, het is weer een van zijn retorische vragen. Tien jaar geleden kwam hij voor het eerst met het idee op de proppen, en sindsdien struint hij elk jaar de BIS-beurs af voor offertes. De prijzen zijn inmiddels beschimmeld en de technieken hopeloos verouderd. Een zwembad. Ik was er niet voor te vinden. Ik ben meer een natuurmens, ik hou van het groen, de bloemetjes en de bijtjes. Een overbeterlijke romantische ziel. Zo een betonnen gat waarvan het felle blauw pijn doet aan je ogen, verbreekt de harmonie van ons mooi aangelegd gazon en de perfect gemanicuurde klimophaag er rondom. Bovendien heb ik een hekel aan chloor en ik verfoei de belasting die de natuur erdoor heeft. ‘De zon gaat onder, kijk eens hoe mooi de schakeringen weer zijn vanavond.’ Ik ga achter hem staan en sla mijn armen om hem heen. Mijn lippen zweven langs zijn kriebelende nekhaartjes en worden bedolven onder kleine, zoute pareltjes zweet. ‘Roze, een beetje paars, wat blauw en kijk, zelfs een streepje geel en oranje.’ Mijn yogatechnieken om hem te proberen focussen op al het positiefs wat ons omringt lijken deze keer te falen. Hij gromt. ‘Hij had beloofd dat hij hier om vijf uur zou zijn. Het is half zeven en meneer is nergens te bespeuren! Ik heb gisteren godverdomme al die moeite gedaan om de contouren af te tekenen met die planken van de buurman zijn tuinhuis-in-spe, allemaal om het te kunnen expliceren. Een maat voor niks, ja!’ Nu hadden we eindelijk iemand gevonden die ons een volledig natuurlijk voorstel zou doen... Laura is intussen vrolijk in de weer met de kruiwagen, en laadt alle planken netjes in. ‘Hoor eens, herken jij dat geluid? Welke vogel zou het zijn die daar zo vrolijk fluit?’ Ik spurt verwachtingsvol naar binnen en sta in een wip terug buiten met mijn verrekijker. ‘Jij met je vogels altijd! Ik ben tegen jou bezig, zie jij hier een zwembad liggen misschien?’ Onwillekeurig schiet ik in de lach. Laura is klaar en loodst haar koets terug naar de buurman. ‘Wel, nu je het zegt…’ Hij volgt mijn blik en grinnikt. Na een hele middag hitte hebben de planken een blijvende afdruk nagelaten, in exact dezelfde vorm. Onder de laatste zonnestralen springen we hand in hand in het graswater.    

Vlechtenmeisje
0 2
Tip

Het bootje en hoe verder met de werkinstructies?

‘Orde orde,’ zei Mikkie. Het werd niet rustig. Ze kwamen elkaar niet elke dag tegen, dus als er een universele vergadering bijeen was had je een hoop bij te kletsen. De zon scheen, het was droog en de manden met mandarijnen en broodjes gingen rond. De geur van geroosterd schapenvlees vulde de lucht.   ‘Allemaal koppen dicht, het woord is aan Gab,’ zei Mikkie. Stof wapperde op bij elke klap die hij met de hamer op de tafel timmerde om zijn woorden te ondersteunen. Eindelijk werd het stiller, achterin gaf iemand commentaar op de temperatuur van de kippensoep.   ‘Dank je Mik, we zijn hier voor dat bootje,’ zei Gabri. ‘En ik begrijp waarom, maar zo doen we dat dus niet.’   ‘We moeten toch onze duurbaarheidsdoelstellingen halen?’ zei Raf.   ‘Ja, maar dan stuur je die boot toch niet in het zand,’ zei Gabri.    ‘Ik heb de voorkant al losgemaakt, de rest komt de komende week.’   ‘Je had het helemaal niet moeten doen.’   ‘Doe ik vaker.’   ‘Dat weten we, Raf’ mengde Mikkie zich in het gesprek. ‘Het probleem is dan ook breder dan dat bootje, en we moeten hier een principe uitspraak over doen, na een rustig debat.’   ‘De wereld gaat compleet naar de kloten en jullie praten over “Een principe uitspraak”? zei Filhema. ‘Ik ben het niet vaak met Raf eens… ‘   ‘Dat weten we,’ fluisterde Url in Rafs oor, die begon te grinniken.   ‘... maar nu wel,’ zei Filhema. ‘We moeten kordater optreden, zo verandert er helemaal niks, nada, noppes.’ Ze keek naar de zeven grinnikende oude mannetjes achter de tafel. ‘Elke keer heb ik het gevoel dat wij hier als opvulling zitten. Jullie beslissen ik weet niet wat voor onzin, waarbij wij dat maar moeten slikken als een gans de mais. Deze dame maakt geen foie gras meer,  ik hou de snavel dicht. Jullie gooien er alleen een vergadering tegenaan bij onderling gekrakeel en dan mogen wij netjes buigen en tekenen bij het kruisje.’   ‘Wie zijn jullie zevenen dat jullie nog steeds in het bestuur zitten?’ vroeg Benei die zich naar voren drong. ‘Wanneer komen er verkiezingen, Aartsmannetjes?’ Instemmend gemompel steeg op uit de menigte, “Aarts? Mijn Aars, dat klinkt beter!” riep iemand van achteren en er werd besmuikt gelachen.    ‘Hier hebben we het al over gehad,’ zei Mikkie. ‘Het loopt oke zo, laten we niet te veel veranderen. Veranderingen brengen onrustige tijden met zich mee, en onrust bij ons veroorzaakt rampspoed beneden.’   ‘Loopt oke zo?’ zei Benei. ‘Elke keer is het dezelfde discussie: er gebeurt iets op de wereld en we reageren op de waan van de dag, gaan een paar jaar ouwehoeren en uiteindelijk verandert geen enkele werkinstructie, nieuwe inzichten worden niet gebruikt. Ik ben er klaar mee. Ik wil een visie.’    De gebroken wit gejurkte menigte werd luider in instemming. Gejoel steeg op.   ‘En ik wil verbeterde werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Laten we een nieuw bestuur kiezen,’ riep Filhema. ‘En dit keer 50-50 met vrouwen.’   ‘Ja, een stemming,’ zei Benei. Achterin de meute begonnen een paar te klappen en instemmend te roepen.   ‘Dat van die 50-50 weet ik niet, iedereen moet een kans krijgen,’ zei Benei.   ‘We leven in 3874!’ riep Filhema, ‘we zijn toch niet meer achterlijk?’    ‘We leven nu in 2021,’ zei Gabri.   ‘1443,’ riep Azzie. Het werd nu een gekakel van jewelste: “2078 of 1933”, “5781”, “4718”, ”564”, iedereen kwetterde door elkaar.   ‘Orde, Orde!’ Mikkie liep rood aan. Hij had het niet meer in de hand, misschien hadden Benei en Filhema gelijk, en waren ze antiek en was het tijd voor een nieuwe garde. Hij keek naar rechts waar zijn oude vriend Gab verbeten voor zich uit keek. Die was tijdens de hoogtijdagen van de Nubiërs in het bestuur gekomen en was toen al niet meer de jongste. Zelf had Mikkie de migratie langs de Beringstraat overzien, was tijdens de opkomst van de Olmeken bestuursvoorzitter geworden en naar het Midden Oosten verhuisd.   ‘2021,’ zei Gabri stuurs. ‘Dat wordt het meest gebruikt.’   ‘Alleen omdat jij daar toevallig was,’ antwoordde Muha. ‘Als jij niet zo stom was geweest om die slager te helpen die vreemd was gegaan met die vrouw van de timmerman was er niets gebeurt.’   ‘Zou nu ook niet meer kunnen,’ zei Filhema, ‘arme meid, als er toen Me too was geweest had de wereld er heel anders uitgezien. Die viezerik.’   ‘Iedereen heeft wel eens geholpen,’ antwoordde Gabri. ‘Daarnaast, wist ik veel dat die timmerman en zijn vrouw zo bijgelovig waren dat ze een hele cultus voor dat kind opstartten.’   ‘Had je kunnen weten,’ zei Muha. ‘Je gaat niet zomaar in iemands slaapkamerraam staan wapperen zonder de consequenties te overdenken. Het was een beetje amateuristisch.’    ‘Zo'n beginnersfout,’ zei Benei, ‘was niet acceptabel voor iemand van jouw statuur, dat had je moeten voorzien. En je volgde de werkinstructies niet.’    ‘Die werkinstructies van jouw weten we nu wel,’ zei Gabri. ‘Je valt in herhaling.’   Iemand in de menigte riep: ‘Gepruts.’ Het begon weer uit de hand te lopen.   ‘En om ons daarna te vragen liedjes te kwelen,’ zei Azzie. ‘Dat deed het hek helemaal van de dam.’    ‘Moet jij zeggen met je verschijning in die woestijn,’ zei Gabri.   ‘Dat was ik,’ zei Sammu. ‘Ik probeerde het te corrigeren.’   ‘Dat bedoel ik niet,’ zei Gabri. ‘Jij deed een dappere poging, ik bedoelde later toen onze vriend Az aan de slag ging.’   ‘Dat was gewoon een geintje met een marktkoopman,’ zei Azzie, ‘Gebbetje moet toch kunnen?’   ‘Over die verschijningen moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei, die voelde dat hij het momentum kwijt begon te raken. ‘Ik ben het zat om altijd naar van die kutdorpjes te gaan. En dan tegen de volgende inteeltkop te moeten preken. Zit geen uitdaging in. En op de een of andere manier, lukt het die gasten altijd om over mijn sandalen te kwijlen.’   'Ik pas ervoor nog langer in het bos te doen alsof ik een sprekend dier ben,’ riep Ykulop, ‘om die arme mensen de stuipen op het lijf te jagen. Jullie daar,’ zij wees op de zeven mannen achter de tafel, ‘hebben al die jaren niets veranderd.’   ‘Stelletje conservatieve fossielen,’ mompelde Tace. De massa werd nu echt rumoerig.   ‘Precies Mikkie, als het aan jou en je cluppie bejaarde langharige makkers ligt, met die prehistorische richtlijnen, halen we die duurzaamheidsdoelstellingen nooit,’ zei Filhema.    ‘En prehistorische werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Weet je wat ook mijn neus uit komt?’ zei Ykulop ‘Koortje spelen, getverdegetver. Als dat bejaarde zootje het nodig vindt, moeten we altijd in dezelfde jurk, toeterend op een primitief trompetje of met zo’n kinderachtig tamboerijntje in de hand, onzin rond lopen zingen. We zijn toch geen kleuters meer? Dit wilden we een paar duizend jaar geleden al veranderen, en wat is er sindsdien gebeurt?’   ‘Geen moer,’ zei Tace.   ‘Voor muziek moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei.  ‘Verkiezingen! En nu!’ riep Filhema.   ‘We geven iedereen een week om kandidaten te voor te stellen,’ zei Benei. ‘Daarna maken we een lijst en gaan we stemmen. Ik ontwerp een procedure, zodat het eerlijk en transparant gaat. Met een mogelijkheid van beroep, als dit zo nodig is.’    Filhema toverde een perkament uit haar gewaad en legde dit op een brede platte steen, ze legde er een ganzenveer bij en zei: ‘Inschrijven als kiezer kan bij mij.’ Ze keek om zich heen.   ‘Heeft iemand een potje inkt?’   ‘Shit zeg, dit is old skool,’ zei Ykulop. ‘Hier.’ Zij gaf Filhema een notebook en zei: ‘Op zonne-energie, werkt hier prima.’ Benei zette er een handzame printer naast.   ‘Orde orde.’ riep Mikkie weer. Hij klopte de tafel bijna in tweeën.   Tevergeefs. De menigte begon het geduld kwijt te raken, geen goed teken. Geduld was iets waarvoor ze bekend stonden nietwaar?    Een rij ontstond bij de steen waar Filhema iedereen registreerde als kiesgerechtigde.   Verandering hing in de lucht.

MCH
94 0

Brussels Lof

Van het onkruid in de dakgoten is weinig meer over dan dorre, stugge sprieten. En ook al is de dag amper begonnen, het wegdek, het trottoir en de gevels zijn al doorweekt met een lamgeslagen warmte.Priegelend aan het eindje van zijn onafscheidelijke sigaret observeert Albert vanuit het open raam hoe een half dozijn mannen zich samenpakt naast een vaalblauwe Ford Transit met Bulgaars kenteken. Een paar plastic tasjes gaat van hand tot hand, de inhoud wordt geïnspecteerd. Na een korte woordenwisseling worden wat beduimelde bankbiljetten uitgewisseld en rolt een bleke twintiger de kleinste van de tasjes als een slaapzak op om ze onder zijn witte trainingsjack te verbergen. Twee agenten in een permanent gestationeerde patrouillewagen attenderen elkaar op de transactie, maar wanneer de koper aan hun wagen voorbij stiefelt blijven de portieren en ramen gesloten.Albert legt zijn sigaret op de rand van een zware, glazen asbak, recht zijn rug en trekt met beide handen zijn gilet strak. ”In mijn tijd had de gendarme de wapenstok laten spreken! Als straks Filip de Winter premier is, dan gaat dat hier anders lopen!”, verkondigt hij naar de keuken. Maar Elsbeth reageert al jaren niet meer op zijn tirades. Ook zijn eindeloze hoestbuien lokken geen reactie meer bij haar uit, ze is er immuun voor geraakt. Op de derde etage van hun appartementsgebouw aan de Rue Grisar is onverschilligheid haar enige overgebleven vorm van verzet.Terwijl buiten de weeïge geur van broeiend straatvuil wedijvert met de vetzwangere dampen uit een dönerloket, vult het appartement van Albert en Elsbeth zich met de laffe lucht van grijsgekookte witlof en een tot schoenleer doorbakken karbonaadje. Albert verwacht de warme maaltijd ’s middags om twintig over twaalf op tafel. Iedere dag, stipt, zonder uitzondering. Dat ze op dit soort dagen zelf geen hap door haar keel krijgt verandert daar niets aan. Ze leert Albert 44 jaar geleden kennen wanneer ze als stagiaire rapportages uittypt op de afdeling Algemene Inspecties van het Ministerie van Landsverdediging, tegenwoordig de Federale Overheidsdienst Defensie. Als negentienjarige majoorsdochter is ze onder de indruk van Alberts vastbesloten, heldere stijl. Hij is de enige inspecteur die zelf zijn notities naar de typekamer brengt en controleert of zijn rapportages correct gearchiveerd worden. Zodra ze Alberts tred over de harde PVC-vloer van het archief herkent grist ze een willekeurige map van haar bureau en snelt ze naar hetzelfde krappe gangpad.“Pardon” zingt ze zachtjes en manoeuvreert haar lichaam tussen hem en de manshoge dossierkasten in. Terwijl ze zijn blik met gespeelde verlegenheid ontwijkt voelt ze hoe de stof van haar dunne bloesje zijn gekruiste armen toucheert. Ze vertraagt, ontspant haar mondhoeken en met half geopende lippen ademt ze hoorbaar in. Met licht gebogen hoofd maakt ze vluchtig, maar indringend oogcontact: ”Mijnheer de inspecteur”.Haar onderbuik zoemt. Blozend schuifelt ze verder, tweemaal de hoek om, terug naar haar bureau. Dat ze bijna tien jaar jonger is dan hij weerhoudt hem er niet van haar avances te beantwoorden en nog voor Elsbeth haar studie af kan ronden trouwen ze en koopt Albert de etage in het Brusselse Kuregem. Kuregem, waar in de jaren ’50 en ’60 de hogere middenklasse elkaar op weg naar kantoor, kerk of kruidenier hartelijk maar beleefd toeknikt. Maar na de oliecrisis brokkelt de bedrijvigheid in de welvarende wijk af en trekt de burgerij weg naar groenere stadsdelen. De leegstaande woningen worden snel ontdekt door huisjesmelkers. Ook Albert ziet zijn kans. Hij koopt met een lening van de bank de appartementen op de begane grond en eerste verdieping en verhuurt deze per kamer aan de vluchtelingen en arbeidsmigranten; mensen zonder binding met zijn België, zijn Brussel en zijn Rue Grisar. Wanneer de respectabele buren van weleer Kuregem definitief achter zich hebben gelaten dringt Elsbeth aan om de appartementen toch maar te verkopen en ook naar de rand van de stad te verhuizen om daar een gezin te stichten nu het nog kan. Maar Albert weigert zijn verlies te nemen. Zijn rotsvaste vertrouwen dat zijn wijk er weer bovenop zal komen en zijn investering zal renderen slaat met het verstrijken van de jaren om in een halsstarrige weigering de mislukking van zijn plan te accepteren. Onachtzaam keert Elsbeth het karbonaadje nog eens om. Een bruin verbrande vetspetter landt op haar zalmroze nachthemd. Ze heeft zich al dagen niet fatsoenlijk aangekleed. Haar grauwbruine haar hangt los op de schouders. Wanneer ze een naar voren gevallen lok uit haar gezicht veegt ziet ze Benji in zijn mandje naast de radiator liggen. Ze pakt een gebruikt ontbijtmes uit de gootsteen, duwt een vork in het uitgedroogde lapje varkensvlees en snijdt een stukje van de rand. Met haar vingers trekt ze het taaie hapje van de vork en laat het in Benji’s richting op het keukenzeil vallen. Het beestje komt niet in beweging.“Benji! Hapje?” roept ze zacht, maar ook nu blijft het witte pluizenbolletje liggen. Kalm legt Elsbeth de vork neer en hurkt om haar mamma’s kindje nog één keer goed te bekijken. De oogjes zijn half geopend, maar staren leeg de keuken in. Ze aait over zijn lijfje, maar het reageert niet meer. Dan raapt ze het stukje vlees van de vloer en gooit het terug in de pan. “Het is goed ventje, je mag gaan”, mompelt ze.Schijnbaar onaangedaan giet ze de witlof af en laat ze twee stronkjes uit de pan op een bord glijden. Dan vist ze het karbonaadje uit de pan en legt deze ernaast. Een paar seconden staart ze het bloedeloze stilleven aan. Haar maag draait om. Ondanks de hitte schiet haar nekhaar overeind, alsof er in slow motion een lucifer tegen de binnenkant van haar schedel wordt afgestreken.“Je mag gaan”, herhaalt ze hardop. Ieder woord nadrukkelijk uitsprekend, overtuigt ze zichzelf: “Je mag gaan”.Haar blik verstart, ze zet zit zich schrap. Met een felle pets slaat ze met beide vlakke handen op het aanrecht. Gedecideerd beent ze naar de badkamer en trekt het medicijnkastje open. Alberts digitalistabletten staan onder handbereik in het deurtje. Onderweg terug naar de keuken draait ze het potje in één krachtige beweging open. Daar keert ze de inhoud van het potje om op het aanrecht en met diezelfde vork drukt ze de pillen tot een grof poeder. De bittere witlof moet de smaak van het medicijn camoufleren. Vanmiddag om tweeëntwintig over twaalf zal ze de ambulance bellen.

Bas van der Graaf
48 3

ik ben een koekoek

‘Ik ben een koekoek.’ Rita’s krakende stem zou die dag voor een laatste keer de kamer vullen. Onder een wollen sprei ligt een dame die hele zalen deed opveren na haar laatste lied. Nu streelt ze enkel het trommelvlies van een onderuitgezakte Leo, haar zoon. ‘Ik joeg anderen de afgrond in door mijn wil in hun hoofden te nestelen en alle dromen die ze bezaten uiteen liet spatten op koude grond. Ik ben een koekoek.’ Plots zit Leo weer rechtop. Ze kijken samen naar een natuurdocumentaire waarin een vrouwtjeskoekoek net een ei legde in het nest van een karekiet en alle andere eieren de dieperik in duwde. Leo zit naast haar bed op de hoge stoel, zijn hoofd rustte net nog tegen de zijkant van haar harde, synthetische hoofdkussen. Na drie jaar op deze kamer had Leo geleerd hoe te reageren op zulke uitspraken. Vandaag kan hij niet vluchten door te zeggen dat Christa en de meisjes op hem wachten achter opgeschepte borden. Vandaag zal hij blijven tot de laatste lange noot haar longen uitglijdt en doodstil op de linoleumvloer valt, tot haar kleuren in de muren vluchten en de kamer al aankleden voor de volgende, tot ze een herinnering wordt, een naam met nummer en voicemail in zijn gsm.  Moeder en zoon staren naar het grote scherm dat veel te dicht en veel te luid staat. De karekiet is het pasgeboren koekoekskuiken al aan het voeden en hangt met haar bek in de keel van het jong. ‘Misschien vindt de karekiet het niet erg?’ Ze draait haar hoofd in zijn richting, neemt een diepe ademteug. ‘Ik heb je nooit laten studeren. Vind je dat niet erg?’ Leo drukt de volumeknop naar omhoog en redt zo hun laatste moment samen. De karekiet vliegt af en aan met rupsen en andere insecten. Niemand hoort Leo’s mekkerende maag. De haakse vingers van Rita’s rechterhand strelen bevend en onophoudelijk haar linker, alsof ze iemand vervangen die weet wat er te gebeuren staat, haar troost. Rita was ooit het koekoeksjong, is het haar waardvogel die haar opnieuw sterkt? ‘Wanneer komt Peeters?’ Rita moest niks weten van dokter Peeters. Toen ze hoorde dat hij zijn vrouw had bedrogen met een pas afgestudeerde spoedarts leek ze plots twintig jaar jonger. Ze klaagde minder over ontstekingen en was bereid dit te bewijzen door toertjes rond de salontafel te lopen, waarna ze, zich beroepend op haar aangeboren zwakke hart, neerplofte in de krakende zetel en de infraroodlamp aanklikte. ‘Volgens de verpleegster zal hij er binnen het kwartier zijn.’ ‘Let maar op met hem, hij is een aasgier, doet zelf het vuile werk. Wist je dat aasgieren andere eieren openbreken met stenen?’ Leo mag hem wel, al is hij van kindsbeen af misschien snel geïmponeerd door mannen in blinkende auto’s, mannen die wel hun eigen dromen najagen in plaats van ze te verdringen. Tijdens de aftiteling van het programma komt Peeters binnen. Hij trekt een verse lading van de weeë geur van het woonzorgcentrum de kamer in. Zijn zwarte tas maakt een dof geluid wanneer hij deze op de dichtstbijzijnde stoel neerploft. Rita schrikt en kijkt nors de andere kant uit. Waarom toch hij? Heel de dag had ze zitten mokken toen ze hoorde dat de oude Peeters er niet zou geraken. Ze had niets willen eten en blafte naar de verpleegsters als een kwijlende hond naar een angstige passant. Hoe kon hij? Alsof dit een cafébezoek is! Leo had haar getroost met de woorden dat meneer Peeters het wellicht te moeilijk had met dit afscheid door hun verleden samen en hij daarom zijn zoon stuurde. Hij wou de vale muren behouden. ‘Mevrouw Simons, bent u er klaar voor?’

de amechtige specht
23 1