Zoeken

Onheil

Ik ben aan een groot onheil ontsnapt, en dit onheil hing in de lucht. Het klinkt als een cliché. Beter gezegd: het ís een cliché, maar anders kan ik het niet zeggen.     In het park, hing aan een tak van de grote eik bij mijn eendjesvoerplek, een stapel dozen.  En dit betekende onheil, het hing letterlijk in de lucht.  Op zonnige dagen liep ik in de middag uit mijn werk van de Duffemakade via het park naar de Kuchensesteenweg. ‘s Morgens niet, dan was ik chagrijnig en bleef ik in de bus zitten en als het regent of koud is ook niet, ik was niet gek. Het rondje rond het park was twee haltes.   Die middag half zes was het vijfentwintig graden, mijn colbertje hing nonchalant over mijn schouder. Van de twee vijvers in het park was dit de kleinste en, met modderig stinkend stilstaand water, de minst populaire. Zeker in de zon, en tussen vijf en zonsondergang perste de zon volop haar warmte op het water, scheen het hier te stinken. Volgens anderen, want door een overdaad aan snuiven in mijn jonge jaren, was mijn reukzin dusdanig aangetast dat ik het water niet vond stinken. Het is altijd lekker rustig en met plezier voerde ik mijn lunch aan de eendjes. Ik moest met een leeg broodtrommeltje thuis komen en eendjesvoeren was beter dan alles in de afvalbak op het station mieteren. De eendjes kenden mij en kwamen vrolijk op mij afkwateren. Ze aten zelfs uit mijn hand.   Hier heerste een sacrale rust, de laatste meditatieplek in de stad. Op die bewuste dag niet: toen hingen daar dozen in de boom.   Drie dozen.    Drie kartonnen dozen.    Drie bruine kartonnen dozen.     Drie open bruine kartonnen dozen.    En uit elke open bruine kartonnen doos kwam gepiep. Vroeger zou je het gerinkel noemen, maar smartphones rinkelen niet meer, die piepen of zingen of blaten. Als ze al rinkelen hoor je kapot glas.   Dit gepiep klonk dringend en agressief. Ongemakkelijk liep ik snel verder. Deze piepdozen betekende maar een ding: Onheil en rampspoed. Oké, twee dingen dus. Bij het grasveld rond de grote vijver, waar ik meestal zo snel mogelijk langsschiet, liepen verhitte gezichten rond. Een kortbebaarde jongen met een rood Scarlet jasje kwam op mij af.   ‘Heeft u de oproerkraaiers gezien?’ vroeg hij   ‘Hoebedoelu?   Een oranje sweater van Orange botste tegen mij op, verexcuseerde zich en snelde door.    Twee paarsblauwe shirts van Proximus renden het grasveld over, de rechter hield een soort ouderwetse radio met grote antenne in zijn handen. De antenne draaide rond, de antenne leek wel in paniek om zich heen te kijken.   ‘Vanmorgen ontsnapten zeven smartphones.’   ‘Ontsnappen?’ vroeg ik. Als het waar was, dan was ik aan een groot onheil ontsnapt.   ‘Drie hiervan waren al eerder vertrokken en zijn gisteren gepakt.' zei hij. 'Voordat we de GPS uit konden schakelen namen ze weer de benen, nu met vier kompanen.’   ‘Hoe?’   ‘De trilstand,’ zei het rode jasje. ‘Ze bellen elkaar en trillend schuiven ze zo een stukje verder. Binnen vijf minuten schuiven ze een paar honderd meter door. Je let een keertje niet op en hupsakee: je bent ze kwijt.’   De oranje sweater kwam terug en zei: ‘Waarschijnlijk zijn ze nu met een paar honderd, zoveel mensen hebben een toestelvermissing gemeld.’ Zij keek angstig om zich heen. ‘De laatste melding kwam hier uit het park.’   ‘Ik heb de rebellerenden gezien. In een doos,’ riep ik uit.   ‘Camouflage! Dat we daar niet aan gedacht hebben,’ zei roodjasje. Hij vormde met zijn handen een trechter voor zijn mond. ‘Ze hebben zich verstopt, een publieke melder meldt hier een publieksmelding:  ze verstoppen zich in een doos.’   ‘Drie dozen,' zei ik.   ‘Drie dozen!’ bazuinde hij.    Iedereen schoot een kant op en met een paar seconden was het grasveldje leeg. Een enkeling waadde nog door de grote vijver, haar gele Telenet trui knipoogde vrolijk terwijl ze zich zo snel mogelijk naar de wal probeerde te bewegen.    ‘Wat voor dozen?’ vroeg de rode jas.   ‘Kartonnen dozen.’   ‘Kartonnen dozen!’   ‘Bruine dozen,’ zei ik voor de zekerheid.   ‘Bruine dozen!’   ‘Ik zag de dozen daar,’ zei ik en wees in de richting van de kleine vijver.   ‘Mensen, die kant op!’ toeterde het jasje en iedereen kwam teruggerend. Ze verzamelden zich om mij heen, keken gespannen in de richting van mijn hand en renden in een kleurige stroom weg. Ik riep ze nog na: ‘Pas op, het water stinkt daar!’Dapper volk, mij zag je daar niet meer. In de bus wilde ik mijn vrouw melden dat ik eraan kwam, en merkte ik dat ik mijn telefoon miste. Na twee jaren, drie maanden en een week bedriegelijke rust, was muiterij in mijn binnenzak ontstaan! Zoals ik eerder zei: ik was aan een groot onheil ontsnapt.

MCH
16 0
Tip

We sjokken voort

Bij de ontvangst zegt hij dat ik "in de tweede ring" kom te zitten, hij lacht er geringschattend bij, en barst uit in een rokershoest. De lantaarn bungelt aan zijn linkerhand, het schijnsel van het kaarslicht reflecteert op de natte, groene wanden van de grot. U wilt niet weten hoe het stinkt, ik ben wat gewend, maar deze dampen zijn niet uit te houden. Onze varkens schijten thijm en oleander, vergeleken met wat hier ligt.   Ik kan hem goed volgen, oude mensen lopen nooit snel. Maar hij loopt niet als andere oude mensen. Zijn rug is gekromd en hij hangt op de staf in zijn rechterhand, zover niets vreemds. Het vreemde is, dat het lijkt alsof hij zweeft. Onder zijn wapperende monnikspij zie ik geen voeten. En zijn pij is van een prima lengte, meestal zijn pijen: óf te kort, met knokige enkels gelijmd op vieze korsten in sandalen, óf te lang als een modderige zwabber. Zijn pij zit perfect, zoals van een abt die elk jaar een nieuwe koopt. Aan de snit kan ik niet herkennen, maar de eenvoud duidt erop dat hij lang geleden de pij heeft aangetrokken, het lijkt alsof hij een lange witte lap om zich heen heeft gedraaid, niets meer. Zwijgend waden we een half uur. Eindelijk durf ik  de vraag te stellen.   ‘We gingen toch met de boot?’ zeg ik.   Hij draait zich om, het kaarslicht schijnt hinderlijk in mijn ogen. Hij glimlacht vermoeid.   ‘Stomme Grieken,’ zegt hij. ‘Door dat kutverhaaltje geef ik al zestienhondereenenveerig jaar dezelfde uitleg. Het komt mijn neus uit, en bij mijn collega’s ook. Het duurt nog zevenhonderd jaar, maar ik kan niet wachten tot het cassettebandje bestaat of de USB stick.’   Blijkbaar tekent het onbegrip mijn gezicht, want hij lacht mij met een rochelende lach uit.    ‘En je hebt dat plakkaat aan de ingang ook niet gelezen hé?’ zegt hij ‘Leerplicht duurt ook nog een eeuw of zes. Stelletje analfabeten. Laatst had een vriend eindelijk iemand die wel kon lezen. En gelukkig geen kerktypje, ‘t was zo gezellig, dat hij die gozer een rondleiding heeft gegeven en teruggestuurd. En ja hoor: ik heb vandaag weer het intelect van de eeuw gescoord.’   Ik krijg aandrang, de hatelijke lach, het sarcasme, de groenbruine walm en dansende schaduwen op de muren spelen hun rol.   ‘Je gelooft in sprookjes,’ zegt hij. ‘Ik ben Charon niet, en de Styx is onzin.’ Hij zwiept met zijn lantaarn rond. ‘Dit is toch geen rivier of wel dan?’   Dat klopt, we sjokken door een wasemende drek.    ‘En denk je dat ik al die dooien in mijn uppie aankan?’ mompelt hij. ‘Sukkels zijn jullie, zonder intellect. Waarom krijg ik de snuiters zoals jij?’ Hij staat stil en kraakt zijn nek. Hij probeert met rechtere rug te lopen en vervolgt: ‘Tja, het blijft doormodderen, maar wat moet ik anders? Ik kan moeilijk al die eeuwen binnen blijven. Een beetje lichaamsbeweging houdt mijn stramme botten nog een beetje soepel. Fitness spullen komen ook pas over een paar eeuwen. En die paar minuten zon aan de ingang terwijl ik op de volgende wacht, maakt mijn week goed.’ We waden zwijgend verder, hij zakt weer in en leunt zwaarder op zijn stok. Het lijkt alsof we in kronkelige spiralen lopen, zo vaak slaan we de bocht om. Op mijn vraag hoelang nog, antwoord hij niet, noch op de vraag waar we precies naar toe gaan. Ik probeer het met algemenere termen: ‘Hemel, Hel?’   Hij haalt zijn schouders op.   'En God?’ probeer ik.   ‘Hou op!’ Ik bots bijna tegen hem op, we staan voor een hoge deur. Volgens mij moet iemand die deur elke dag poetsen zo glimt het eikenhout. Hij ziet mij kijken naar de letters boven de deur, lacht mij nog eens uit en trekt aan een rood koord. Een diepe gong klinkt.   ‘Je bent er jongen,’ zegt hij ten afscheid. Hij spuugt een groene rochel vlak voor mijn voeten, tikt twee keer met zijn staf op de grond en hij verdwijnt door een luikje onder hem, de geur van verse koffie dringt zich voorzichtig door de stank naar boven.    ‘He Virgie, ik ben terug,’ roept hij, iemand schreeuwt iets onverstaanbaars terug tot het luik sluit en ik in het donker achterblijf.  Tijd verstrijkt, de beginnende koffiegeur is lang uit mijn neusgaten verdwenen. Het lijkt een eeuw te duren tot de eikenhouten deur zich opent en een fel licht mij tegemoet schijnt. Een koude tocht, riekend naar oud zweet als een nimmer afgehaald bed, verdringt de stank. Dat muntje blijft in mijn zak.

MCH
106 3
Tip

Torenperspectief

’11 maanden, zeven dagen, vier uur en acht minuten.’Otto’s blik dwaalt over de daken van Brugge. Een rood, wit en grijs gevlekte lappendeken besprenkeld met torenspitsen en schoorstenen. Hij hoort het raderwerk van de klok verspringen.’11 maanden, zeven dagen, vier uur en negen minuten.’Zijn handen rusten op de stenen balustrade. Vingers in de groeven van de uitgekerfde letters. De uitgehouwen pijltjes tonen hem in welke richting hij moet kijken om Oostkamp te zien. Of Ingelmunster. Maar Otto kijkt naar boven. Altijd. Elke zondagmiddag beklimt hij de trappen van het Belfort. De eerste maal met schrijnende longen en zware benen. Hij moest weg van het verdriet dat zijn voeten loodzwaar maakte. Daar hoog boven de stad voelde hij zich een paar gram lichter. Voor het eerst sinds de teller in zijn hoofd begon te lopen. Otto telt alles.‘Mijn persoonlijke chronometer’, grapte ze altijd.Negen minuten en elf seconden van de voordeur tot aan L’Estaminet. Veertien minuten en 32 seconden. Heen en weer naar de bakker voor een groot, rond, gesneden bruin brood. Zijn hoofd meet het onwillekeurig. Als een stopwatch die keer op keer gestart en afgedrukt werd. Het minste was goed genoeg om de seconden te laten wegtikken in zijn hoofd.‘Hoe lang deze keer?’, vroeg ze soms plagend terwijl ze hand in de zijne liet glijden. Ze wachtte zijn antwoord niet af en schudde lachend haar hoofd. ‘Gekke vent van me’, fluisterde ze en plantte een kus net onder zijn oor. Otto liet haar glimlachend begaan en telde. Elf seconden van plagen naar kussen. Daar boven in het Belfort telt de chronometer altijd luider. Hij voelt de seconden als hartslagen door zijn lijf dreunen. Een klein jaar geleden bleef de teller steken en sindsdien is er slechts ruimte voor één gedachte: ‘Kom terug, lief!’ Heel af en toe mag hij van zichzelf nog even denken aan die septembermaand. De nazomer lag loom en warm over de dagen heen. Otto zou het gras maaien. Een lam excuus om de hangmat te spannen tussen de tuinafsluiting en de boom. Hij lag gewichtloos te wiegen toen diep in huis een dof gerommel klonk. Het was de gil die hem uit de hangmat joeg. Hij vond haar onder aan de trap. Een stil en roerloos hoopje. Ogenschijnlijk intact, maar - zo vertelde de ambulancier geduldig - hopeloos vernield binnenin.Als mensen sterven, moet de dag zich in grijs hullen. Zij stierf in zijn armen terwijl de zon iedereen de pleinen en tuinen in lokte. Ze was zijn alles. Toen ze fluisterde ‘laat los, lieverd!’, liet ze hem alleen. Met die drie woorden nam ze al hun later met zich mee en plaatste een loodzware steen op zijn hart. In hem kolkte iets zwarts. Iets dat tegen woede aanschurkt en dat hem sindsdien trouw vergezelt bij elke stap. Een duif landt vlak naast zijn handen op de balustrade. De vogel hipt over de uitgekapte letters. Van Kortrijk naar Roubaix. Otto scheurt zijn blik los van de wolken en kijkt naar de groene glans die over de veren ligt. Zijn blik glijdt verder naar beneden. Op het marktplein wemelen mensen door elkaar.Op de bank zit een figuur in een rode jas. Een knalrode jas met zwart/witte strepen in de kap. Net zoals die jas die al meer dan elf maanden onaangeroerd aan de kapstok hangt. Hij leunt over de balustrade. Het figuurtje in de rode jas zwaait naar boven. Wappert onvermoeibaar met iets wits. De duif koert en vliegt op. Ze zeilt in een duikvlucht naar het standbeeld in het midden van de Markt en landt op Jan Breydels hoofd. Otto zijn voeten bewegen voor hij kan denken. Ze denderden de stenen trappen af. Met zijn linkerhand tegen de muur draait hij eindeloze rondjes die hem naar beneden brengen. Zijn voeten roffelen op de grijze uitgesleten stenen.‘Dat kan niet.’ herhaalt hij op het ritme van zijn stappen, maar tegelijkertijd verhoogt hij het tempo. Hij draait en draait. Verwilderd tuimelt hij het trapgat uit en rent naar de markt. Hij schiet voor de neus van paard en koets en slalomt tussen de toeristen het plein op.Zijn blik jaagt langs alle silhouetten, maar de rode jas is verdwenen. Al wat rest is een zee van grijze lijven met een bungelende camera rond de nek. Net voor hij zich wil omdraaien, springt iets wits in het oog. Op de zitbank wappert een papier. Het wit steekt fel af tegen het verroeste groen. Een steentje verhindert de wind om met het velletje aan de haal te gaan.Zonder vaart te minderen, knalt hij tegen de bank. Zijn hand beschermend over het stukje papier. De zwarte letters dwarrelen door elkaar. In de rechterbovenhoek is een klein hartje getekend. Hij knippert, haalt diep adem en concentreert zich op de drie woorden. ‘Laat los, lieverd.’ Er klikt iets in zijn borstkas. Een steen die tot stof verpulverd wordt. ‘Eén, twee, drie, vier seconden’ telt de stopwatch in zijn hoofd.

KiM
148 1

Amor non celatur

𝐙𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐝𝐢𝐞𝐧𝐭 𝐞𝐞𝐧 𝐞𝐞𝐫𝐥𝐢𝐣𝐤𝐞 𝐤𝐚𝐧𝐬 𝐨𝐦 𝐯𝐚𝐧 𝐦𝐞 𝐭𝐞 𝐡𝐨𝐮𝐝𝐞𝐧. 𝐀𝐥𝐬 𝐢𝐤 𝐧𝐚𝐚𝐫 𝐡𝐚𝐚𝐫 𝐤𝐢𝐣𝐤 𝐞𝐧 𝐝𝐞𝐧𝐤 𝐝𝐚𝐧 𝐯𝐨𝐞𝐥 𝐢𝐤. 𝐈𝐤 𝐡𝐨𝐞𝐟 𝐦𝐞 𝐯𝐨𝐨𝐫 𝐝𝐞 𝐰𝐞𝐫𝐞𝐥𝐝 𝐧𝐢𝐞𝐭 𝐭𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐝𝐨𝐯𝐞𝐧. 𝐈𝐧 𝐡𝐚𝐚𝐫 𝐚𝐚𝐧𝐰𝐞𝐳𝐢𝐠𝐡𝐞𝐢𝐝 𝐯𝐨𝐞𝐥𝐭 𝐡𝐞𝐭 𝐚𝐥𝐬𝐨𝐟 𝐦𝐢𝐣𝐧 𝐛𝐞𝐝 𝐞𝐢𝐧𝐝𝐞𝐥𝐢𝐣𝐤 𝐞𝐞𝐧 𝐤𝐮𝐬𝐬𝐞𝐧 𝐤𝐞𝐧𝐭. 𝐙𝐞 𝐠𝐞𝐞𝐟𝐭 𝐦𝐞 𝐧𝐢𝐞𝐮𝐰𝐞 𝐛𝐞𝐥𝐞𝐯𝐢𝐧𝐠𝐞𝐧 𝐨𝐦 𝐧𝐚𝐚𝐫 𝐮𝐢𝐭 𝐭𝐞 𝐤𝐢𝐣𝐤𝐞𝐧. 𝐇𝐞𝐭 𝐢𝐬 𝐦𝐨𝐞𝐢𝐭𝐞𝐥𝐨𝐨𝐬 𝐯𝐞𝐫𝐭𝐫𝐨𝐮𝐰𝐞𝐧 𝐡𝐞𝐛𝐛𝐞𝐧 𝐢𝐧 𝐝𝐞𝐳𝐞 𝐜𝐨𝐧𝐧𝐞𝐜𝐭𝐢𝐞. 𝐃𝐞 𝐛𝐚𝐬𝐢𝐬 𝐢𝐬 𝐠𝐞𝐳𝐞𝐭 𝐯𝐨𝐨𝐫 𝐝𝐞 𝐟𝐮𝐧𝐝𝐚𝐦𝐞𝐧𝐭𝐞𝐧 𝐯𝐚𝐧 𝐨𝐧𝐳𝐞 𝐥𝐢𝐞𝐟𝐝𝐞. 𝐎𝐧𝐳𝐞 𝐭𝐡𝐮𝐢𝐬 𝐢𝐬 𝐰𝐚𝐭 𝐰𝐢𝐣 𝐞𝐫𝐯𝐚𝐧 𝐦𝐚𝐤𝐞𝐧 𝐭𝐢𝐣𝐝𝐞𝐧𝐬 𝐝𝐚𝐭 𝐝𝐞 𝐰𝐞𝐫𝐞𝐥𝐝 𝐳𝐢𝐣𝐧 𝐠𝐚𝐧𝐠 𝐠𝐚𝐚𝐭.  

d.tlmn_
32 0
Tip

Het Bankje

Op het bankje ziten een oudere man (A) en een jonge dame (B). Zitten naast elkaar, voor zich uit kijkend. Er vallen regelmatig rustige stiltes. … A – Interessant, heel interessant. B – Wat vindt u interessant? A – Die beelden. Het lijkt wel of ze ’s nachts theekransjes en dansfeesten houden. Wie weet wat nog meer. B – Hoezo dan? A – Ze zijn stil de hele dag. Schone schijn voor al die bezoekers. Ze moesten eens weten, die toeristen. …. A – Kijk, zag u dat beeld van die vrouw als u terug wandelt. Schijnbaar altijd in dezelfde houding maar als u goed keek, kon u zien dat ze zweette. B – Dat is de ochtenddauw die er nog op zit. A – Neen hoor, ze heeft vast een zwoele nacht gehad, daarvan zweet ze. B – Zwoel van dat kransje? Was de thee te heet misschien? A – Fantasie, juffrouw, een béétje fantasie, dat maakt het makkelijker. B – U houdt van hete thee dan? A – Ja natuurlijk wel. Alleen wordt die, net zoals soep, nooit zo heet gedronken als die wordt opgediend. B – (lacht)  Mijnheer heeft ervaring. A - (lacht terug) Wel ja, juffrouw. En u bent dan tóch een grapjas. B – U maakte toch ook een grapje, mag ik hopen? A – Ja hoor. Maakt u zich geen zorgen. Trouwens, ik ben toch al ingenomen. B – Nu maakt u mij nieuwsgierig! (B bekijkt A even) A – De allermooiste vrouw en ze wil mij hebben. Hoeveel geluk kan een man hebben? U lijkt wat op haar. (A kijkt vluchtig naar B) B – Is dat dan een compliment voor mij? A – Ja zeker! B – Oh! Dank u wel. … A – Dat beeld, dat daar schuin links voor ons staat, dat is prachtig. De zee. Die vrouw is er helemaal de verpersoonlijking van. Dat heeft de beeldhouwer goed gedaan. B – Daar kwam ik gisteren langs. Hoezo ziet u dat erin? A – De zee, de ene keer onstuimig, de andere keer koppig stil, of glad en gehoorzaam… B – Is dat uw idee over ‘de vrouw’? (half schertsend) A – Dat is de natuur en daar houd ik het meest van. … B – Komt u hier eigenlijk vaak? A – Bijna elke dag. Mijn Annie komt soms mee. B – Mag ik u wat vragen? A – Ja hoor. Wat wil je weten? Mag ik ‘je’ zeggen? B – U mag ‘je’ zeggen. Wat ik vragen wilde, hebt u kinderen? A – Ja, ik heb een jongen en een meisje. B – Werken uw zoon en dochter? A – Hoezo!? Ze gaan nog naar school. Ik moet wél op tijd weer weg om ze op te halen. B – Oh, neemt u me niet kwalijk. A – Geeft niets hoor. Vandaag ben ik vrij van mijn werk en dan kom ik graag overdag naar het park. B – Welk werk doet u? A – Ik was ooit zeeman, matroos. Mensenlief, wat heb ik veel van de wereld gezien. Maar ja, toen trouwde ik, ik was al dertig en toen er kinderen kwamen wilde ik zelf veel bij hen zijn. Nu werk ik… uhm, hoe zal ik dat uitleggen… tja. Weet je, het doet er ook niet toe. Vandaag ben ik in elk geval vrij. B – Inderdaad. Nu zit u hier. Ik ben blij dat ik u hier zie. A – Hoezo? Waarom dan? B – Uhm… Ja, normaal fiets ik gewoon recht door het park op weg naar de stad of naar huis. Maar ik wilde even nog wat buiten blijven, en ik hoor u praten over die beelden. A – Jij kent dit park dus? B – Ja, ik ben in Antwerpen geboren en opgegroeid. Ik woon hier nog steeds. A – Mooi! Ken jij het park goed? B – Tja, het is te zeggen, ik ken mijn weg hier, maar ik ken niet al die kunst hoor. Alleen enkele beelden. En in de zomer kom ik wel eens naar Jazz Middelheim luisteren. A – Wat fijn! Dat doe ik ook wel graag, als het niet te druk is tenminste. B – Helemaal zoals ik het ook graag heb. Niet te druk. … B – Kent u álle beelden en andere kunstwerken hier? A – Ik ken dit park als mijn broekzak en zeker de permanente beelden. Al sinds ik hier woon, lang geleden, toen ik met Annie trouwde. Ja, ik ben de liefde gevolgd en zij heeft geleid. B – Dat lijkt alsof u… A – (weer licht verward) Langs welke ingang kwam je binnen? B – Langs het bootje. A – Oh, de Misconceivable. Het bootje doet me mijmeren. B – Waar denkt u dan aan? A – De eeuwige twijfel. Steeds over andere dingen die het leven me gratis gaf. B – Dat klinkt minstens zo interessant als een beeldenverhaal. A – Wil je dat echt horen? B – Alleen als u echt wil vertellen. Ik heb wel even tijd. A – (meer in zichzelf pratend) Jonge mensen die tijd hebben, waar gaan we dat schrijven? De gebeurtenissen des levens. Ik was heel lang zeeman, heb de zeven zeeën bevaren. Woeste baren en glad stil water. De liters zoutwater die ik per ongeluk ingeslikt heb… B – Hoe lang was u zeeman? A – (glimlacht) Dat was toen ik piepjong was. In elke stad een ander liefje. In elke stad andere geuren en smaken. Overal was het anders. Andere kleuren, zelfs andere geluiden. B – Zoals? A – Zoals wat? B – Welke geluiden zoal? A – Van de santouri, de conga’s, percussie, de luit en de lier en … B – Leerde u zelf ooit een instrument bespelen? A – Ik kocht ooit een lier, het was een koopje in Griekenland, Kreta. Kijk, zoals dit beeld van Orpheus, waarvan ik met mijn gsm een foto nam. B – Dat is wel mooi. Ik ken iemand die… A – Kan je de muziek al horen? Zo’n mooi geluid! … A – Probeer alstublieft. B – Ja, jaja! Heel zuiver, één klank, er komt steeds een klank bij, de muziek zweept op en… A – Je hebt het helemaal begrepen! Je ziet wat je voelt. … B – Voorzichtig nu maar. Zo opspringen van de bank. A – Ik sta nog recht. Ik heb zin om te wandelen langs die beelden. Vergezel mij alsjeblieft. B – Het zou voor mij een hele eer zijn, om de verhalen uit uw mond te horen. (staat op en draait zich helemaal naar A toe) … A – Leentje! Jou had ik hier niet verwacht. Ik wandelde en … B – Dag opa, was u weer aan het gidsen voor toevallige passanten? A – Ja, maar ze is weg. Ik praatte hier met een jonge dame… Ik zie haar niet meer. … B – Kom, we wandelen langzaam terug naar oma. Ze zal wel ongerust zijn nu. Het wordt ook frisser. Ik was toch net op weg naar uw thuis. A – Ja, die oma. Altijd voor anderen bezig. Jij lijkt zo hard op haar. Ze zou warme hutsepot maken vanmiddag. Je blijft toch lunchen? B – Ja hoor. Vertelt u dan aan tafel verder? A – Verder vertellen? Waarover dan? Vertel jij eens over je school? Waarom zit je nu niet in de les? (stappen arm in arm het park uit, het bankje blijft achter)

Anemos
144 4