Zoeken

Gerookte zalm

Dit weekend was ik met het gezin op wandel in de duinen. Eind februari, staalblauwe hemel, felle zon en een gure noordoosten wind, mijn favoriete winterwandelweer. Het teveel aan zand in de schoenen van onze zoon is de aanleiding voor een rustpauze en meteen ook een rookpauze van mijn wederhelft. Hij installeert zich op de top van een duin, hoog genoeg om de zee te zien en toch voldoende beschut voor de wind. Na 20 jaar samenzijn smelt ik nog steeds bij dat aangezicht en ik diep mijn gsm uit mijn zakken om dat beeld vast te leggen, maar zodra hij door heeft dat ik hem in mijn vizier hou verkrampt zijn pose, als ware het een geweerloop die op hem gericht werd. De sigaret verdwijnt ergens achter zijn zijde en helemaal onwennig en betrapt perst hij de rook zo onzichtbaar mogelijk tussen zijn lippen. Samen met het ontspannen beeld van mijn rebelse roker verdwijnt meteen ook het verliefde gevoel in mijn buik. “Je zat daar zo mooi met je sigaret, ik wou een foto nemen”, zeg ik nog in de hoop dat ogenblik te herstellen. “Toch niet met een sigaret”, is zijn antwoord. “Ah, zijn we in zo’n tijdperk aanbeland?”, reageer ik teleurgesteld. De gsm gaat terug in mijn zak en ik vlei me neer in het zand, als een schaapherder in de weide, ogen half dicht en hoofd op waakstand. Mijn zalm is een schaap geworden. Gerookte zalm schotelde mama vaak voor als voorgerecht. Mama die zo graag feestjes gaf en iedereen volgestouwd en gemarineerd in de vroege uurtjes naar huis liet gaan. Wat verlang ik naar die grote living van mijn ouderlijk huis waar in de wintermaanden elk weekend een mist van sigarettenrook hing, een mist die een hoop geheimen verhulde en waar enkel luid gelach en felle stemmen doorheen schalden. Zoals de stem van tante Zjet, wiens echte naam ik pas op latere leeftijd heb leren kennen, Georgette. Tante Zjet leek voor mij recht uit de 19de eeuws luxueuze paleizen van de Russische tsaren te komen, een opvallende vastberaden verschijning. Zij was voor mij een voorbeeld van rebellie, een vrouw naar mijn hart. Een grote struise dame met witte korte haren, die zodanig opgekruld waren dat het leek alsof ze nog een mooie haardos had terwijl je er los doorheen kon kijken en die naargelang de successen van de kapper bovenaan een ietwat gelige schijn vertoonden zoals de vergeelde muren van rokersruimten, wat wel heel toepasselijk was. In mijn hoofd zit tante Zjet met haar immens robuuste lichaam, fel rood getinte lippen en wit gepoederd gezicht in een waas van rook aan tafel en weergalmt haar rauwe maar opgewekte stem doorheen de hele living. Tante Zjet was niet lijkbleek, maar rookwit tot grauwgrijs, door haar haar- en huidskleur, de poeder en de sigaretten. Ik had nog nooit een lijk gezien, maar als mijn nonkel de begrafenisondernemer lijkenverhalen boven haalde aan die rokerige feesttafels dan zag ik steevast de kleur van tante Zjet. Nochtans kon geen dame zo vol leven zitten als zij. Ze droeg opvallende kleren, had een uitgesproken mening en liet die steevast horen. Zagen en klagen deed ze niet, ze wou vooral lachen en genieten. En dat kon je als zij aan tafel zat. Zeker wanneer iemand over de katholieken begon. Dan rukte ze hevig aan haar sigaret, hief haar hoofd lichtjes rechtop en produceerde de opvallendste rooksignalen alvorens ze haar, tegen dan van de rook dooraderde, blauwe ogen groot opzette om met een diepe bas stem “zwiegt mien over die zot mè z'n crèmekerre” te roepen terwijl haar vuist op tafel belandde. Als de paus zo over haar rood gestifte lippen kwam was het de uren daarop hilariteit alom, zwol de dompige waas van rook alleen maar verder aan en werden de feestvierders nog meer gemarineerd. Helaas zijn al die sterke dames met hun flair en optimisme van de jaren 20 en de schrijnende ervaringen uit de jaren 40 intussen uit mijn leven verdwenen. De één al vroeger dan de andere, maar ze lieten allen hun afdruk op mijn bestaan. Tot mijn eigen verbazing in die mate dat deze dames tijdens een alledaags zondagnamiddaguitstapje in de duinen alweer een monoloog met mezelf uitlokken. Wat is er fout gegaan bedenk ik dan? Die hypocrisie waar Tante Zjet een hekel aan had lijkt wel alom aanwezig. We halen standbeelden naar beneden, op de stadsscholen worden de maaltijden vegetarisch, we organiseren fit-challenges op het werk en schamen ons zo erg voor onze verslavingen dat we het alsmaar stiekemer en gejaagder gaan doen. Intussen gaan we gewoon door met overal oorlog voeren en grondstoffen in andere landen plunderen, massaal vlees produceren en zitten we 10 uren per dag aan ons scherm gekluisterd zogezegd om genoeg te verdienen om vrij te zijn, terwijl we de vrije uren die ons resten toegeven aan onze verslavingen zonder ervan te genieten omdat het door de westerse maatschappij ingebakken schuldgevoel elke vorm van genot onderuit haalt. Dat ook mijn wederhelft zijn rebellie heeft laten varen en zich schuldig voelde over een sigaret waar hij zichtbaar van genoot doet me panikeren. Als we hier in de natuurlijke duinen omringd door een zee van zand, met een handvol wandelaars aan de vloedlijn en een paar kiters tussen de schuimende golven, dat wijzende vingertje en die bekritiserende blikken voelen, waar kunnen we dan wel nog vrij zijn? Waaraan denk je vraagt hij omdat ik te lang stil ben. “Aan de rokerige living en uitgerookte treinwagons” zeg ik terwijl ik opsta. Ik klop het zand van mijn kleren, knipper de dromerige rook uit mijn ogen en sla een arm om onze dochter. “Kom we gaan naar huis”. “Wat eten we vanavond?”, vraagt ze. “Gerookte zalm”, zegt mijn wederhelft. “Zolang het maar geen schaap is”, denk ik.  

Fien SB
92 1

Vormen van landen (6)

Ge zit op de tram en ge kijkt door het raampje naar buiten.De zon schijnt eindelijk helemaal doorheen het mistgezicht van de stad.De lucht heeft alle buien van gisteren uitgewist en is een heldere aanmoediging geworden om op zoek te gaan naar zoveel mogelijk innerlijke veerkracht.Laag in de lucht ziet ge een passagiersvliegtuig voorbij komen.Het toestel zit al volop in landingsmodus. De wielen zijn naar buiten geklapt, in minder dan tien minuten zal het vliegtuig in de luchthaven op de grond staan.Rond u zitten verschillende mensen met een smartphone in de handen. Ze kijken niet naar buiten, maar swipen er op hun schermpje duchtig op los.Hoewel ze met hun lichaam wel op de tram zitten, zijn ze niet aanwezig.Buiten glijden de vertrouwde beelden voorbij: kinderen die op weg zijn naar school, het verkeer dat opnieuw gestremd zit, een doorkijkkantoor dat u onbelemmerd zicht geeft op mensen die verdieping na verdieping schijnbaar onbewegelijk aan een bureau zitten en deel uitmaken van één of andere kosten baten analyse die meer resultaat zal moeten opleveren dan het jaar ervoor en op zijn beurt in de komende jaren telkens opnieuw overtroffen moet worden. De tram begint steeds harder te rijden. Hoe sneller hij rijdt, hoe moeilijker het wordt om datgene waar ge door het raampje naar kijkt écht in uw blikveld vast te houden.Hoe sneller de dingen voorbij flitsen, hoe vlugger ze aan betekenis beginnen te verliezen.Ge weet dat dit fenomeen, méér dan dat ge aan uzelf wilt toegeven, uw leven aan het bepalen is. Dan valt uw blik op een jong koppeltje vooraan in de tram. Ze zijn zonet ingestapt.Omdat alle zitplaatsen inmiddels ingenomen werden, zijn ze recht blijven staan. Hij houdt zich vast aan een lus die uit het plafond van de tram bengelt.Zij houdt zich vast aan hem, haar armen rond zijn middel, haar hoofd rust tegen zijn borst.Af en toe fluistert hij haar enkele woorden toe en dan knikt ze.Bij elke bocht die de tram neemt, wiegt het ene lichaam dat ze samen vormen zacht heen en weer. Het is zo’n zuiver en vredig beeld dat ge uw ogen onmogelijk van hen kunt afhouden.Ge laat u voeden door wat ge ziet. Als ge er voor openstaat, kunt ge dagelijks mini-taferelenvan een dergelijke onverwoordbare schoonheid observeren. Meestal gaat het om gebeurtenissen die zich afspelen tussen twee oogopslagen in: bijvoorbeeld een jonge moeder die onbeschrijfelijk liefdevol een baby uit de kinderwagen tilt. Of, gewoon, iemand die u plots met een heerlijk ontwapenende glimlach tegemoet komt. Maar zoals het wel vaker in het leven gaat: elk tafereel van schoonheid heeft zijn tegenhanger dat vroeg of laat uw pad kruist. Wat uw eigen leven betreft, laat het tegenbeeld gewoonlijk nooit erg lang op zich wachten. Het jonge koppeltje heeft intussen de tram verlaten. Op het bankje voor u is een man komen neerploffen. Onmiddellijk dringt een afschuwelijke geur tot u door: de penetrante stank van iemand die zich al héél lang niet meer gewassen heeft.Met uw hand voor uw mond balanceert ge op het punt dat ge zult moeten kokhalzen, een reflex die ge nog enigszins in bedwang kunt houden door een tijdlang niet in te ademen, maar dan moet ge dat tóch en net op het moment dat ge overweegt om op te staan en uzelf zo snel mogelijk te bevrijden uit deze afgrijselijke damp, komt de man zélf overeind en stapt hij uit.Maar boven het zitbankje is onmiskenbaar de geur van vlees in ontbinding blijven hangen.Een jonge vrouw is nu op die plaats gaan zitten. Nog vóór de tram zich opnieuw in beweging zet, draait ze zich met een verontwaardigde blik naar u om en staat ze op om een andere zitplaats te zoeken, vér uit uw buurt. ‘Ik was het niet!’, wilt ge haar naroepen, maar ge houdt u in en door de inspanning die u dat kost, begint ge luidop te lachen.Enkele kilometers verderop raken de wielen van het vliegtuig, na een eerste vluchtig contact met de landingsbaan, nu definitief de grond.

Andreas Raven
78 1

Dat huis van mijn jeugd

Waar is dat huis waar de deur nooit opengaat Waar het wachten blijft op warmte en blijheid De vreugde altijd zoek is en altijd laat En het enige kind zwijgt en lijdt Hier waar vader met strenge hand regeert En moeder kuisziek de liefde wist Waar mijn maag zich ommekeert En iedereen gaat lopen met leugen en list Waar ik mijzelf niet eens kan zijn Mijn vader ontsnapt en de koersfiets neemt Met een strenge hand het kind de hoek indrijft En mijn moeder een tweede claimed Waar geborgenheid en een knuffel verborgen blijft En moeder mij naar de school toestuurt Met rode muts met witte pompon Waar pesten duurt en voortduurt Lachen om mijn anders, mijn dikke ton Snel met mijn fiets op de vlucht Verdwalen op grootmoeders’ boerderij Om te ademen, om vrijheid en lucht Met de dieren aan mijn zij Waar is dat huis Waar mijn moeder flikflooide in de kelder Waar is dat huis Waar spanningen vertroebelden het leven helder Daar wil ik niet langer naartoe Waar in de living het ziekenbed van moeder lag Na vier jaar behandelingen en kanker moe Waar ik stelende zussen bezig zag Met handen vol parels en juwelen En kleren en meer van dat fraais Waarvan kinderwonden niet meer helen Zoals vissersboten werkloos aan de kaai Een huis waar ik nooit mijzelf kon zijn Omdat flikkers nu eenmaal niet in hun kerk pasten Ik stelden hen zwaar teleur, echt niet fijn Omdat ik simpelweg viel op gasten Waarom kan een thuis zo moeilijk zijn Waarom kan ik niet gewoon de zoon zijn Die anders is dan iedereen Als een tomaat naast een winterpeen Het huis waar ik niet wil komen Niet wonen Waar vader nog wat wou toelichten aan haar sterfbed Een nieuw gegeven, een nieuwe aanzet Maar dat huis heeft nu afgedaan Ik woon nu elders Gelukkig voortaan   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
4 0

Kat in het bakkie

Toen Romina op de overloop de stofzuiger tot stilte dwong, werd ze opgeschrikt door niet-aflatend gebons op de voordeur. Verschrikt stormde ze naar de keuken, de living, de bureau, maar trof niemand aan. ‘Mienier, miefrouw?’ Het enige antwoord kwam van haar eigen echo die als een pingpongbal tegen de muren botste. Het gebons bleef aanhouden, dus ze besloot toch voorzichtig de deur op een kier te openen. ‘Ja?’ vroeg ze achterdochtig. ‘Goeiedag mevrouw, ik kom voor de wasmachine?’ Zijn zakelijke toon en vastberaden blik maakten duidelijk dat hij verwacht werd. Omdat Romina wist dat mevrouw eergisteren haar rug had bezeerd toen ze twee emmers water van onder de machine had moeten opdweilen, vermoedde ze dat ze wellicht een hersteller hadden gebeld, maar vergeten waren haar in te lichten. ‘Okie, voolgt oe maar.’ En dat deed de man. Alleen niet tot aan de wasmachine. Nog voor ze aan het keukeneiland kwamen, had de man haar omgedraaid, tegen de muur gedrukt en haar zwaar hijgend aangekeken. ‘Hebben ze je al es verteld hoe verrukkelijk je bent?’ Hij likte aan zijn lippen en ze werd vastgepind door de begeerte in zijn broek. Vreemd genoeg voelde ze zich niet bang. Integendeel, de man had op één of andere manier een ongelooflijk betoverende uitwerking op haar. Ze besloot zich roekeloos over te geven aan de wellust waarmee hij haar had aangestoken en gooide haar hoofd in haar nek, terwijl hij haar schortje losknoopte en met een ruk de knoopjes van haar bloesje als confetti in het rond liet spuiten. Hij dook op zijn knieën, trok haar slipje over haar enkels, en terwijl ze met haar handen door zijn verrukkelijk ruikende haardos woelde, merkte ze dat hij haar rok omhoog stroopte en haar op het keukeneiland tilde. De daad was kort maar krachtig. Zoals wel vaker als mannen op springen staan. Ze had niet verwacht dat hij zou blijven tot ook haar vuur geblust was, maar ja, hij was loodgieter, geen brandweerman. ‘Waar staat ie?’ Met zijn handen de laatste hemdsplooien terug goed strijkend, was hij in één tel terug naar de hem toegewezen taak. ‘Hierachter.’ Ze volgde hem tot aan de oorzaak van zijn aanwezigheid en polste of hij hem kon repareren. ‘O tuurlijk!’ antwoordde hij vrolijk. ‘Kat in het bakkie!’ Verschrikt keek ze hem aan. ‘Maar… maar… mievrouw doet eir altaid Dreft ien. Zij ebben ier gien kat…’ Een paar tellen was het stil en keek de man haar met verstomming aan. Toen gierde hij het uit. ‘Niet letterlijk natuurlijk! Ik ga heus geen kat in het bakje voor het wasmiddel duwen. Daar is ie toch veel te klein voor?’ Amper bijkomend van het lachen vervolgde hij. ‘En dan zou ik ook de dierenbescherming op mijn dak krijgen!’ ‘Maar… maar… waat moet er dan kebeuren?’ Romina begreep er niks van. ‘Ik bedoelde dat ik al zie wat het probleem is, en dat ik het eenvoudig en snel kan oplossen.’ ‘Oh…’ Romina voelde het bloed naar haar wangen stijgen. Hoe lang ze ook al Nederlandse les volgde, die rare spreekwoorden deden haar altijd de das om. Maar ze gaf niet op. ‘Jij... jij ook kat in het bakkie zijn!’ Haar brede grijns werd nog groter toen hij haar poging met een heftige salsa van zijn heupen beantwoordde.

Vlechtenmeisje
17 1

Covid (hoofdstuk 19)

Gisterenavond moest ik van mijn vriendin inkopen doen dus heb ik met ingang van de nieuwe lockdown mijn fiets genomen op weg naar de winkel leken de zebrapaden de Processie van Echternach om de drie strepen stonden er twee aan te schuiven met mondkapje dampten de glazen van mijn bril onherroepelijk  aan het einde van de straat begon het niezen    Later in de badkamer kriebelde het een eerste keer zonder noemenswaardig keelgeluid en speekseloverschotten  verloor ik alle geur- en smaakzin na het injecteren van wat chloorwater  in een droom waarin iedereen onaangekondigd knuffelde voelde het alsof een hardleerse horecahoer mij zonder QR-code vol op de mond kuste het zweet in mijn bilnaad verdoofde het enige witte laken dat niet uit het raam hing   Rond middernacht hamsterde een mug het behangpapier de luchtverplaatsing van een droge scheet bracht de bubbels in het voor de helft met zuurstof gevulde toilet tot leven de resonantie in opwellende hoestbuien wiste het spic en span van vluchtig gewassen vingernagels met stijgende curves in gedachten verscheen het noodlot voor de ogen van de middenstand kleurde het scherm overlijdens van menig rusthuisbewoner rood   Het was na het ochtendgloren dat de nood aan informatie opkwam van 07u32 tot 09u54 heb ik gegoogeld om te achterhalen waarom ik ondersteboven in een veel te klein geworden leven ontwaakte                G5-netwerken van het plafond streamde neerslachtigheid en depressie zijn het resultaat én niet het gevolg              van het streven naar synchroniciteit tussen lichaamstemperatuur              en avondklok met de buurvrouw van nummer 36 en een half   Een verloren gewaande schilfer afkomstig van Pipi Langkous'      ongewassen schaamhaar behoort tot de mogelijkheden of de vleermuis uit China die iemand in een opwelling van dierenliefde opat Corona is een Mexicaans biermerk zegt Wikipedia veel liever zie ik Ebola, SARS en Hendra nog een keer op blote voeten door de lagere school rennen of Nipah de astmatische lerares met haar honderdtwintig kilo in mijn ogen staren tijdens de les seksuele opvoeding  niemand die het aandurft te vragen of bloedgroep O positief is voor de menstruele cyclus van een wereldleider genaamd Trump   Tot voor kort was ik bang voor de komst van de buikgriep nu vrees ik  een overaanbod van broodbakmachines en het gebrek aan kleurshampoos op anderhalve meter van bijna 50 miljoen broeihaarden blijft er nog altijd het equivalent van 16 miljard te ontsmetten handen huidhonger is het aangeboren verlangen om aangeraakt te worden  enkel wie de kracht van het nietsdoen ambieert weet dat luchtverplaatsingen in de kamer een mug niet onoverkomelijk maakt

Sascha Beernaert
36 0

Een nieuw begin

Ik wil geen slaaf zijn van het lot en mijn leven in eigen handen nemen, maar ik vrees dat er geen keuze is. Alles kent een begin. En waar een begin is, is een einde. Het is onmogelijk het ene los te koppelen van het andere. Het zijn natuurlijke tegenhangers van elkaar die elkaar in balans houden en elkaar nodig hebben om te kunnen bestaan. Ying en yang. Geen goed zonder kwaad, geen zoet zonder zuur, geen genot zonder pijn, geen liefde zonder haat. Die balans is een bijzonder merkwaardig, maar onmiskenbaar universeel gegeven. Als we de idee dat alles in balans moet zijn doortrekken, dan wil dat zeggen dat waar een einde is, ook een begin moet zijn. In de natuur zijn er bijzonder veel voorbeelden van micro- of macroscopische processen die zichzelf in stand houden door cirkelbewegingen. Het duidelijkste en meteen ook belangrijkste voorbeeld daarvan is water, dat in al haar vormen (vloeistof, gas, ijs) globaal circuleert en nooit stopt met bestaan; het neemt alleen maar een nieuwe vorm aan. Ook nagenoeg alle godsdiensten bekrachtigen het idee van een nieuw begin door te beweren dat ons leven niet stopt als ons lichamelijk omhulsel sterft. Meestal wordt daar dan een paradijselijk, maar vooral voorwaardelijk, hiernamaals aan gekoppeld dat ons moet stimuleren om de door hen opgelegde moraliteit en zeden na te leven, maar misschien is het allemaal niet zo groots en ingewikkeld. Misschien starten we gewoon opnieuw, zoals reïncarnatie dat poneert, maar dan willekeurig, zonder hiërarchie en zonder dat een hogere macht zich met ons bezig houdt. Een eindeloze lus die volautomatisch draait. Een perpetuum mobile waarbij elk tandwieltje elk andere tandwieltjes draaiende houdt in een oneindig proces zonder wrijving. Elk leven, of dat nu een mens, een dier of plant is, is daarbij niet meer of minder belangrijk in het grote geheel. Een boom van 1000 jaar oud is minstens even significant als een pasgeboren baby. De boom sterft, de baby wordt oud, en telkens opnieuw worden ze vervangen door iets nieuws. Alles heeft belang, maar niets heeft echt betekenis. De machine blijft immers draaien en houdt zichzelf in gang. Tot in de oneindigheid. Als ons leven, hoe onbelangrijk ook, deel uitmaakt van zulk  een kringloop, dan hebben ook alle ogenschijnlijke toevalligheden die onze levensloop bepalen een vooraf gedetermineerd patroon waar niet van kan afgeweken worden. De indruk dat gebeurtenissen onvoorspelbaar zijn, lijkt dan in feite enkel zo omwille van hun ingewikkeldheid of door de verscheidenheid van factoren die veranderingen teweegbrengen. De meest gekende metafoor in die zin is dat een vleugelslag van een vlinder een orkaan kan veroorzaken aan de andere kant van de wereld. Tevens zal elk gevolg van een handeling als positieve terugkoppelingsfactor uiteindelijk haar oorzaak in stand houden. Tot op het punt waarop oorzaak en gevolg terug samenvallen. Wanneer alles samenkomt om opnieuw te beginnen. Dat is waar ik nu sta. Maak je dus maar geen zorgen. Ik ga niet dood, ik begin alleen maar opnieuw.  

Iljavdb
5 1

Proloog

Met twee treden tegelijk vloog Emma Baines het trapje naar de voordeur op, zo’n haast had ze om uit de regen te raken. De deur zwaaide open en Marie stond klaar om haar te begroeten. ‘Hier is ons Emma!’ ‘Goeiemorgen, Marie. Wat is het nat vandaag!’ ‘Zeg dat wel. En wie gaat er weer alle goten moeten nazien?’ Emma vluchtte snel verder het gebouw in en de trap op, voor Marie de kans kreeg haar gebruikelijke litanie van onprettige taken af te ratelen. Achter haar hoorde ze Theresa binnenkomen en de fatale fout maken te stoppen tijdens het goeiemorgen zeggen – ach ja, Theresa was nog redelijk nieuw, ze zou het snel genoeg leren. Tim was vandaag eerst aangekomen en zat al achter zijn bureau. ‘Morgen, Emma. Ik dacht dat het eindelijk lente aan het worden was en nu is het weer zo vreselijk aan het regenen.’ ‘Ik weet het Tim, maar eigenlijk is dat wel normaal voor april.’ Emma zette haar computer aan, hing haar drijfnatte jas aan de kapstok en begon met sorteren van het verrassend grote aantal e-mails dat er sinds de vorige dag in haar inbox waren bijgekomen. ‘Olivia vraagt of je eerst naar deze brief kan kijken; ze zegt dat het dringend is.’ Tim gaf Emma een envelop en ging dan naar het personeelskeukentje om voor hen beide thee te zetten. Emma keek de brief snel door: niets bijzonders, maar gestuurd door een professor van een of andere Amerikaanse universiteit, waardoor Olivia het natuurlijk als een prioriteit zag. Dat het een ouderwetse, met de hand geschreven brief was, had haar zeker ook gecharmeerd. Terwijl ze voorzichtige slokjes hete groene thee dronk, zocht Emma in de database van de catalogus naar de juiste locatie van de documenten die ze nodig had. Haar kop halfvol achterlatend begon ze de tocht naar de kelderverdieping, ervan overtuigd dat ze terug zou zijn lang voor de rest van de thee koud was.   Eén minuutje – of drie trappen en een lange gang – later, stak Emma het licht van de archiefkamer aan, tikte ze de juiste code in op het slot van de deur en ging ze de grote ruimte binnen. Nog voor de flikkerende buislampen licht begonnen te geven was ze al naar rechts gedraaid; de doos die ze nodig had stond op een van de schabben uiterst rechts. Ze liet haar blik glijden langs de rij robuuste wielen om te zien waar de verrijdbare kasten open stonden – helemaal het andere einde van de kamer, natuurlijk. Zachtjes vloekend wandelde ze terug tot in het midden van de ruimte, greep een van de wielen vast en begon er uit alle macht aan te draaien: negen zware rijen kasten propvol beladen met dozen manuscripten en oude boeken begonnen krakend te bewegen en rolden naar opzij. Maar dan stopten ze. Dat leek veel te snel, dus Emma keek nog eens goed – ja hoor, er was nog altijd een redelijk grote opening te zien. Ze rukte weer ferm aan het wiel, het gat verminderde aanzienlijk, maar ze kon voelen dat er een obstructie zat. Een veel stevigere vloek ontsnapte uit haar mond – wie was zo idioot geweest om iets tussen de kasten te laten staan? De laatste keer dat dit gebeurd was hadden ze een ferme vermaning gekregen omdat een kleine trapladder was vernietigd. Het obstakel voelde echter niet hard genoeg voor iets zo stevig als een ladder. Er had toch zeker niemand een doos documenten op de grond laten staan? Jennifer ging woedend zijn! Emma rolde elke kast opzij terwijl ze er langsliep, boos draaiend aan elk wiel tot ze de juiste plaats bereikte. Zodra de metalen schabben trillend tot stilstand kwamen keek ze bezorgd in de opening en haar hele omgeving vervaagde; het enige dat ze nog zag was het bloed op de vloer. Zo veel bloed. Ze greep het koele ijzer van de kast vast als steun en probeerde weg te kijken van de rode smurrie op de grond. Met afstandelijke verbaasdheid stelde ze vast dat ze niet had gegild of was flauwgevallen. Langzaamaan overtuigde ze haar benen om te bewegen, eerst traag, dan sneller, die kamer uit, langs conservatie, de trap op, naar het licht toe. Haar stem haalde haar een paar seconden later in en de langverwachte gil galmde door het gebouw.  

LienMatlock
13 1