Zoeken

Pure rust.

Soms was het tijd voor het nageslacht, soms tijd voor een gevecht, nu slechts het tikken -tik tik tik- op het raam. Ik sta op, bevrijd mijn oren van de slaperige doppen, hoor nu beter. Een kleine tuinvogel ziet me naderen en drijft het tikken op. Het klinkt als agressie. Het klinkt te groot voor een vogeltje van die omvang. Haastig bevestig ik het krantenpapier tegen het raam om het rode borstje tot rust te brengen. Die handeling helpt. Is het het mannetje, het vrouwtje dat me dankbaar aankijkt? Doorheen het glas dat niet is afgeplakt zie ik nergens de tweede helft van het koppeltje. Ze wonen al een tijdje samen in de tuin. Ik was getuige van de bouw van hun optrekje. Een liftje ontbrak maar hé ja dat zat al in hun vleugels vervat. Het tikkende vogeltje wil me blijkbaar iets vertellen, iets vragen. Het wil iets kwijt, iets vinden. Onlangs ging ons gesprek over bekende tuinvogels (waar iedereen de naam van kent) en ik hoorde voor het eerst over de gekte van mensen om naambekendheid belangrijk te vinden. Daar hebben wij geen last van, bekte hij. Of zij. Ben ik een koolmeesje, een blauwborstje, roodborstje, duif? Dat is toch van geen belang, als je vliegen kan.  Ooit kwamen ze als koppel bij me aankloppen na een banale ruzie. Ze wisten niet dat dat de mensen ook overkwam. En ik werd gevraagd uit te leggen waarom de geest van mensen lijkt weg te vliegen van elk lichaamseigen genot, niet gebaseerd op drank of drugs die als een helicopter boven het hoofd hangt, maar genot op basis van de eigen pure rust. Het vogeltje achter de krant leek iets te kunnen ontcijferen, misschien het antwoord waarvan ik was vervreemd, ik probeerde iets te lezen in zijn vlucht.

Ingrid Strobbe
3 0

Een niet-kandidaatstelling

  Ik zal eerlijk overdrijven, u heeft gelijk, mijn leven is voorbij. Ik heb mijn kansen gehad, wil geen jong volk beroven van de hunne, mijn leven is voorbij. Ik begrijp dat wel. Ik ben maar een normale jongen, niks slachtofferigs aan, geen diverse kink in de kabel, niets waarmee u het nieuws kan halen, en te oud bovendien. Ik heb geen aandacht nodig, dat komt er ook nog eens bij. Telkens ik aandacht krijg, te veel aandacht naar mijn zin, duik ik onder, weg, verschuil me achter de rokken van mijn normaliteit, mijn irrelevantie, mijn over het hoofd gezien worden is een troost moeilijk uit te leggen in een tijd waar het hoogste goed oogballen trekken is. Sommige beweren zelfs dat mijn positie onverdedigbaar is, dat je de aandacht moet trekken om de problemen in de maatschappij aan de kaak te stellen; en daar kan ik inkomen. Jammer dat die aandacht verzandt in aandacht voor persoonlijke problemen, zoals het mijne. Het gaat altijd om mijn probleem. Mijn probleem is de beste manier om die oogballen te trekken, het is een strategie geworden, eentje waarvoor ik een beetje bang ben. En die strategie is dan ook de reden dat ik niet zo gek ben op aandacht. Die lijkt van iedereen een slachtoffer te willen maken, erop uit medelijden op te wekken, want als je het maar erg genoeg hebt in het leven omwille van wie je bent, dan krijg je wat voor mekaar. Dan krijg je wat gedaan. Of dat lijkt toch zo in al die getrokken oogballen. Ik voel me dan ook hypocriet wanneer ik zeg dat ik het jammer vind dat ik niet kan deelnemen aan de kans van deBuren om een schrijfresidentie in Parijs mee te maken. Ik ben te oud. Dat is mijn probleem. Niet het uwe.

Bas Tuurder
60 2

De Sleutelkaart

Het leven was meer en meer zoals haar jurk die knelde, vooral in de oksels. Dan maken wij de armsgaten groter, grapte haar dokter en verzocht haar het katoen uit te trekken voor zij op de weegschaal stapte. Een schavot moet niet hoog zijn om je te vernederen. Alle katoen, beval hij nog en wees naar haar ondergoed. Om de centimeters van haar bestaan te optimaliseren, wou hij de laatste gram afwegen. Zij gehoorzaamde en kneedde het textiel tot een bolletje dat zij op de stoel achterliet. Een reuzenkeutel die haar vertederd toelachte. Wit roze ruitjes waren haar ding, al van toen zij klein was. Bij sommigen gaat een babykleur, een leven mee.   Het was snikheet op de bus waarmee zij terug naar huis reed, maar toch kon zij beter ademen dan bij de arts. Gelukkig had zij in zijn praktijk geen hoestbui gekregen, anders had hij haar buiten een bloedonderzoek en een scan, een hele rits testen voorgeschreven. Hij reageerde altijd bezorgder dan zijzelf. Alsof hij betaald werd om haar toekomst in het oog te houden. Sedert zij geen maandloon meer aan een waarzegster spendeerde, was dat ook zo. En met zijn bloeddrukmeter, stetoskoop en ander fonkelend gerief, kon hij beter in haar ziel binnendringen dan de sibille die alleen oog had voor haar tarotkaarten. In zijn doktershanden, voelde zij zich zelf de sleutelkaart. Dat was ook zijn geld waard. Verdikt? had hij lachend gevraagd toen hij naar een rationele uitleg voor haar beklemmend bestaan scheen te zoeken. De digitale cijfertjes van de weegschaal gaven hem ongelijk. Hij las ze tweemaal. Luidop. Keek naar de inscripties op zijn stralend computerscherm, dan naar haar doffe ogen en werd ernstig. Er was meer aan de hand. Stil kwam hij tegenover haar staan en beroerde met zijn rechterhand voorzichtig de plooien van haar gezicht. De zere zenuw in haar kaak was een wegwijzer. Met watten vingertoppen drukte hij kuiltjes vanaf haar keel tot aan haar borst en liet zijn ogen zakken. Hij wachtte de resultaten niet af om er bedrukt uit te zien. Maar zijn serieux stelde haar gerust. Hij gaf om haar.           Door het raam van de bus liet zij haar gedachten verstrengelen met de graffiti die haar als oude bekenden toewuifden. Zij besloot niet af te stappen bij de halte waar in grote letters EASY SUN op de gevel prijkte, het reisbureau waar zij als bemiddelaar werkte. Zij had geen man, geen marmot of papegaai om voor te zorgen en haar werk was haar leven. Tot een tijdje geleden. Tegenwoordig was het eerder de hel. Alles liep mis. Voor haar en de baas van het agentschap waar zij haar dagen sleet. Beiden verstikten in een ander web. Haar chef in het wereldwijde, zij in dat van haar hersenkronkels. Soms wist zij niet meer, welke bestemming zij haar klanten best kon aanraden. Zij liep verloren.         Zij zat de rit uit tot bij haar thuis.  Vandaag wou zij alleen in haar hoofd toeren.   Twee dagen later belde de dokter in de vooravond terwijl zij een etentje klaarstoomde voor haar boezemvrienden Jo en Geoff. Voor een keer klonk hij niet dreigend, wat zij verdacht vond. Zij liet de aardappel waarvan zij de bast en ogen had afgeplukt, in het water glippen, legde het keukenmes op de krant met afval en herhaalde mechanisch: Morgen 13 uur. Is oké, ja. De krantenkop boven de restjes titelde: De ontmoeting tussen de wereldleiders draait uit op een sisser. Zij drukte haar phone uit, staarde naar de doemletters van de morsige krant en was blij dat zij maar een voetnoot in de geschiedenis was.   Professioneel hees hij de zwart-wit foto’s de lucht in en wees naar de puntjes die over haar longen verspreid lagen. Gelaten keek zij ernaar en zag een sterrenhemel bij valavond. Even dacht zij terug aan de tarotkaarten waarop de Grote Arcana, de Dwaas, de Magiër, de Hoge Priesteres en de Keizerin pronkten tussen de zon, de maan en de planeten. Vluchtig vroeg zij zich af waarom zij haar lot niet langer aan hen had toevertrouwd. Maar zoals altijd zorgden de Handen van haar Heler voor rust. Enge woorden waaraan zij zich verwachtte, zoals kanker en uitzaaiing, kwamen niet over zijn lippen. Het moest ook niet. De melkweg onder haar ribben sprak voor zich. De arts zei wel iets van mutatie, dat het erg was, maar onder controle wa. Dagelijks één pil en het kwam weer goed. Zij rookte niet en dat hielp. Het klonk alsof zij verantwoordelijk was voor haar aftakeling of ze toch in de hand had. Nog even haar gewicht checken en zij kon beschikken. Ging een nieuwe afweging, het akelige nieuws misschien bijsturen? Tot volgende keer dan. Hij vulde haar ziektebriefje in en zei nog iets dat zij niet verstond omdat zij net een kledingstuk over haar oren trok. Zij vroeg niet om het te herhalen. Wel dacht zij terug aan wat hij de laatste keer had gestameld en glimlachte. Opnieuw hoorde zij het woord verdict en schreef het in haar hoofd dit keer met een c in plaats van een k. Grappig, hoe één teken een wereld van verschil maakt.         Kwiek zipte zij de jurk met de wit roze ruitjes weer dicht en keek haar Heiland aan. Hij wist wat hij deed. De armgaten leken al een stuk groter. Het werd tijd dat zij bij het volgende doktersbezoek iets anders aantrok. Straks ging hij nog denken dat zij een oude vrijster was. Pillen kunnen verraderlijk zijn, zei hij nog, en straffer dan je denkt. Volgende keer schrijf ik een pruik voor. Wij zien er goed uit en wij blijven er goed uitzien.         Opgelucht snakte zij naar adem en knikte ja voor hen twee.   De krant van van de dag noemde het een hittegolf. Opnieuw reed zij naar huis in een ovenwarme autobus. De temperatuur katapulteerde haar naar een tropische regio. Wat zij niet erg vond. Zij genoot., voelde zich opgelucht. Alsof zij eindelijk de juiste reisbestemming had ontdekt. De wereldtrip waarop zij al jaren broedde en die zij vanaf nu haar klanten kon aanbevelen. Een destinatie zonder beschaving, vooringenomenheid of poespas. De aller natuurlijkste. Gewoon: kamperen. Ergens op de buiten of midden in de wildernis. Knapzak pakken en weg wezen. Wegdromen. Elke nacht. Onder het gewelf van de dierenriem. Tussen de afbeeldingen zoals die in haar eigen uitspansel gegrift stonden. Haar binnenstebuiten tatoeage.         De bus wiegde haar en zij had moeite om niet in te dommelen. Het zonlicht wedijverde met de stralen van een broedkast.         Wat vraag je, schat?  vroeg de Marokaanse vrouw neuriënd op het zitje tegenover haar. Natuurlijk mag je mevrouw een koekje geven. Zij kuste haar woorden zacht in het oor van het kind dat zij in haar groene djellaba meedroeg. De velen meters stof die haar en het meisje als de bladeren van een kool bedekten, schenen hen van de moordende hitte af te sluiten. Het duurde even en dan reikte de peuter met een fuks gebaar, een chocoladewafeltje naar de overkant. Alsjeblief moet je zeggen, pruttelde de moederkool die uit voorzorg een kleenex van tussen de nerven plukte.         Alsjeblief, lispelde de hummel. Haar ogen keken recht doorheen de schim tegenover haar. Geholpen door de straling inspecteerden het kind de inscripties onder de huid. Bruusk duwde het kind het gebak naar voor en deed bij de vonk van haar gebaar, een dikke kruimel op de schoot vallen. Een bobbel midden op een ruitje. Het zakdoekje bleek niet overbodig.         Oeps! lachte de wit roze vrouw, Heel lief. Zij viste de chocoladebrok uit het vierkantje en stak hem met de rest van de wafel in haar mond. Strak bleef de peuter door haar heen staren. Tot de vrouw alles had doorgeslikt, haar vingertoppen had proper gedopt en haar japon had glad gestreken.         De plaats waar de kruimel op de jurk was terechtgekomen was een bruine moedervlek.         Zij lachtte ernaar en het meisje deed mee, voor het zich terug in de groene kool nestelde.         De baby ruitjes hadden voor goed geen leeftijd meer.

Dorlan Slefficsroth
43 0

Stemmen

Anna vlucht naar buiten, weg van de schreeuwende stilte in haar nieuwe studio, waar ze enkel met de stemmen in haar hoofd kan praten. Op straat is het gezellig druk. Marktkramers prijzen hun waren aan. Sappige dialecten stromen samen, krokante appels aan zachte prijzen, de kracht van de herhaling. Het zonnetje schijnt, mensen houden graag halt voor een praatje. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje tussen de kramen: actrice Laura Peeters is gisteren overleden. Anna en Laura waren vriendinnen. Ze groeiden op in de schoot van hetzelfde polderdorp, een vergeten stipje op een vergeelde landkaart. Ze ontwikkelden elk hun eigen strategie om de wereld buiten het dorp te ontdekken, om uit te breken. Taal was hun geliefkoosde wapen. Anna had oneindig veel vragen, de antwoorden zocht ze in boeken, later begon ze al schrijvend ook haar eigen antwoorden te formuleren. Laura was voorbestemd om actrice te worden. De wereld was haar podium, ze speelde altijd, verstopte zich voortdurend achter een masker van drama en mimiek.   Op de dag van de begrafenis keert Anna terug naar het dorp. Laura’s ouders wilden afscheid nemen van hun dochter in intieme kring. Het is meteen duidelijk dat niet iedereen dat begrepen heeft. Anna ziet journalisten en huilende fans. Ze vraagt zich af of zij hier wél op haar plaats is. Haar ogen glijden over het dorpsplein, op zoek naar één gezicht, met ogen als donkere parels. Het dorp uit Anna’s jeugd was onverzettelijk en hardleers, een brokje onvervalste authenticiteit dat zich nu finaal lijkt over te geven aan de Vlaamse verkavelingswoede. Haar leven onder de kerktoren speelde zich af in een klein, gesloten kringetje: haar ouders, broers, grootouders. En Laura, Samuel en Oskar. Anna en haar vrienden waren even oud en op elkaar aangewezen. Ze hadden de ruimte om samen jong te zijn. Maar in hun tienerjaren werd het dorp plots te klein, te benauwd, ze verlangden naar de onbegrensde mogelijkheden van de stad. Ze hadden grote dromen, maar het dorp en hun jeugd konden ze niet zomaar loslaten.   De terugkeer naar het dorp is een stap terug in het verleden. De tijd verglijdt, samen met gemiste kansen en zachte leugens. Anna glijdt langzaam mee. Onvermijdelijk komt ze bij Samuel en Oskar terecht. De jongens uit haar jeugd zijn uitgegroeid tot succesvolle jonge mannen. Oskar heeft net zijn eigen IT-bedrijf opgericht, Samuel is chef-kok in een hoog aangeschreven restaurant. Ze omhelst haar vrienden, zoekt troost in hun vertrouwde stemmen, vergeving in hun vochtige ogen. Anna en Laura deelden alles, van hun diepste geheimen tot de liefde voor dezelfde jongen. Samuel viel eerst voor de excentrieke, wilde schoonheid van Laura. Later zocht hij toenadering tot de bedachtzame Anna. Er ontstond een bijzondere, kwetsbare vriendschap, voortdurend bedreigd door het gif van de jaloezie. Uiteindelijk koos Samuel voor een meisje uit de stad.  Anna probeerde haar verdriet te overwinnen met haar pen, ze vertrouwde op de kracht van de verbeelding. Ze rukte zich los uit de klauwen van het dorp en zocht lang naar haar eigen stem. Laura verdoofde de pijn, ze vluchtte in haar werk, in drank en pillen, in de armen van foute mannen en uiteindelijk in de dood. De dienst is voorbij. Oskar vraagt om hem te vergezellen naar het enige café in het dorp. Hij bestelt drie glazen witte wijn, de favoriete drank van Laura. De tv staat aan, er worden beelden getoond van hun vriendin. Ze was te zien in verschillende televisiereeksen en op het witte doek. Ze speelde altijd zeer intense rollen. Ze speelde zoals ze leefde, vol overgave, zonder compromissen. De drie overblijvers klinken op Laura. Haar glinsterende ogen vullen het scherm, ze knipoogt naar hen.

Ine Moreels
7 0

Anita gaat vreemd

Anita gaat vreemd. Haar minnaar woont om de hoek. Het is de buurman die nu en dan haar wederhelft bezoekt. Dan kijken de mannen samen voetbal en lachen ze met vrouwen. Ook met haar. Maar: als de kat van huis is, danst Anita rond hém heen. De 'gelukkige' minnaar heet Willy, een naam die klinkt als een klepel van een te traag tikkende klok. Tik... tok. Toch is hij een snelle man, een turbo die niet stilvallen kan. Willy is de match die haar licht ontvlambare lijf doet branden. Grommend als een wilde beer stort hij zich op haar. In ruil zet zij haar tanden in zijn weelderig begroeide torso. Maar soms… Soms voelt ze de drang eens goed door te bijten. Hem pijn te doen, genadeloos af te maken. Naast zijn zweet en zoutig vel zijn bloed te proeven. Zijn ribben te doorboren met een stomp maar krachtig voorwerp. Zijn ogen dicht te schroeien met vuur of één of ander bijtend zuur.   Het is het sluimerende, plots opduikende schuldgevoel dat haar tot zulke waanzinnige gedachten drijft. Ze wordt boosaardig en tegelijk zo teder, zo lief dat ze niet weet of ze moet schreeuwen, hem verscheuren of simpelweg beminnen. Haar lijf davert, haar poriën openen, haar stem gromt. Zo grommen ze samen: hij van opwinding, zij van verwarring, kwaadaardigheid.   Willy weet niet wat het is, bedriegen, hij staat met zijn alleenstaande-status aan de andere kant. Daar waar het niet pijn doet, daar waar het schone leven heerst van cadeaus en saunabeurten. Ze wil het hem inpeperen, kerven in zijn rode, door haar doodgebeten vlees. Tegelijkertijd moét ze hem waarschuwen. Scheer je weg, vlucht voor ik je genot bezorgende lichaam in stukken snijd en in een fondue van chocolade en vruchten dompel. Ach Willy, ga weg!     Maar Willy blijft. Leest enkel liefde op haar schuldbewuste gelaat. Hij voelt geen haat. Hoopt dat ze haar man voorgoed verlaat. Dat die straks in de deuropening staat, hen betrapt tijdens de daad. Anita wil dat hij gaat. Maar hij blijft en zegt “grrr”. Zij gromt “grrr”.  

mme evil
98 4

Slaaf van de naald

Afkicken bleek een grote vergissing. Ik had dringend een shot nodig. Mijn neus droop, ik zweette als een rund ook al had ik het koud, ik rilde en liep om de haverklap naar het toilet. Mijn anus bloedde van de diarree. Afkicken... het was nooit een vrije keuze geweest, eerder een kwestie van armoede. Heroïne kostte nu eenmaal geld, iets wat ik zelden had en zoals je wellicht weet doen wanhopige mensen soms domme dingen. Het was maandagochtend. Een typische klotedag. Ik schuimde de advertenties in de krant af in de hoop hier of daar een baantje te vinden. Kieskeurig was ik niet. Ik wilde alles doen: afwassen, lijken ruimen, pekinezen uitlaten. Als ik maar wat geld kon verdienen om mijn heroïneverslaving nieuw leven in te blazen. Zelf dealen was uitgesloten. Diefstal? Neen. Eén keer hadden de flikken me al gepakt en een tweede keer zou me ongetwijfeld een gevangenisstraf opleveren. Ik draaide enkele telefoonnummers en maakte wat afspraken, waaronder bij een poetsbedrijf en een chique restaurant. Natuurlijk liep het fout. Toen ik hen vroeg waar het aan lag zeiden ze dat het mijn voorkomen was. Thuis keek ik eens goed in de spiegel. Ik kon hen geen ongelijk geven. Vanbuiten was ik misschien een wrak, maar vanbinnen had ik ze nog allemaal op een rij. Dankzij mijn bovengemiddeld stel hersens kreeg ik een briljante ingeving. Ik besloot om zelf een advertentie op te stellen: Gigolo, 24 jaar, regio Antwerpen. Komt ter plaatse. Prijs overeen te komen. Geen taboes. En ik zette er m’n telefoonnummer onder. Ik stuurde de tekst in naar de redactie. Toen ik een week later de krant ging halen, stond de advertentie erin. Met mijn laatste geld kocht ik een rolletje pepermuntjes. Ik ging naar huis om naast de telefoon te wachten op mijn eerste klant. Terwijl mijn blik over de krantenkoppen gleed, overdacht ik wat er allemaal kon gebeuren. Ergens hoopte ik op lekkere meiden, maar dat was natuurlijk uitgesloten. Nee, eenzame, lelijke wijven, dat was wat me te wachten stond. In alle soorten en maten. Mijn middenrif begon al samen te krimpen van walging. Ik beeldde me in hoe ik zulke misbaksels in godsnaam hoorde te bevredigen. Nog in geen honderd jaar zou ik een erectie kunnen krijgen. Waar was ik aan begonnen? Ik zuchtte diep. Over dat soort dingen maakte ik me zorgen. Ik had spijt en scheurde mijn advertentie uit de krant. Het was een symbolische daad. Ik wist immers maar al te goed dat er op hetzelfde moment nog duizenden exemplaren op keukentafels, aan bushaltes of in rokerige cafés gelezen werden. Ik had nood aan frisse lucht. Het regende pijpenstelen. Desalniettemin maakte ik een wandeling. Ik hield van natte kleren, van dat schurende gevoel tegen mijn broze huid. Onderweg liep ik een apotheek binnen. Ik bedelde er om wat valium. Tegen plankenkoorts. Normaal kon je dat enkel op voorschrift krijgen, maar ik bedacht een listig smoesje over ontwenningsverschijnselen en dat ik het papiertje in een plas had laten vallen en dat het doorweekt en onleesbaar geworden was en dat ik morgen zou terugkomen met een nieuw voorschrift van m’n huisdokter en bla bla bla en de man achter de toonbank scheen een goede dag te hebben, want hij gaf me een doosje met dertig tabletten van 10mg. De hele dag zat ik naast de telefoon. Slechts één keer rinkelde hij. Het bleek een man te zijn die Chinees wilde bestellen. ‘Tweemaal nasi goreng met kip, babi pangang met noedels, een klein potje curry en een zakje kroepoek,’ zei hij. En hij wilde ook nog een loempia, maar ik onderbrak hem en zei dat hij het verkeerde nummer had gedraaid. Hij aarzelde en gaf mompelend toe: ‘Ik moet me vergist hebben. Mijn excuses.’ ‘Geen probleem,’ zei ik, en ik verbrak de verbinding. Toen betreurde ik de gemiste kans om hem een loer te draaien. Ik keek een beetje televisie. Stilzitten was de hel, maar de valium deed z’n werk. Er werd een film uitgezonden die ik al eerder had gezien. Het was lang geleden. Ik was de titel vergeten, maar ik herkende enkele scènes en had er niets op tegen om hem nog eens te kijken. Zo meteen, dacht ik, kwam er een scène met een kunstenares die van haar woonkamer een atelier had gemaakt vol met beelden uit papier-maché. Het had iets bevreemdend. De film bevatte ook een bondage-scène met diezelfde kunstenares. Ik wist niet meer of die al geweest was of nog moest komen. Ik stak mijn hand alvast in mijn broek en wachtte hoopvol. Minuten vlogen voorbij zonder dat de telefoon rinkelde en daar was ik blij om. Ik hoopte dat mijn advertentie een stille dood zou sterven. Er belden zelfs geen grappenmakers, iets waar ik min of meer op gerekend had. Ik had zelfs een fluitje (type scheidsrechter in een voetbalwedstrijd) bij de hand om loeihard mee in de hoorn te blazen als er iemand onnozel zou beginnen doen. Ik keek naar het uurwerk. Het was al avond. Buiten regende het nog steeds. Wagens gleden door de straat. De banden maakten een aangenaam geluid op het natte asfalt. Ik dempte het geluid van de televisie om er beter naar te kunnen luisteren. Ik sloot mijn ogen en bevond me al snel in het voorgeborchte van een koortsdroom. Mijn ergste vrees werd waarheid: de telefoon rinkelde. Hard en scherp en onrustwekkend irritant. Ik schrok en stootte met mijn scheen tegen het salontafeltje. Ik kreeg een hartverzakking. Waarom was ik plots zo nerveus? Niemand dwong me immers om de telefoon op te nemen. Toch? Behalve mijn drang naar een shot. De telefoon ging zeven keer over en toen nam ik op. ‘Vince Vercammen,’ zei ik. ‘Goede avond, bent u de man van de advertentie.’ De vrouw aan de andere kant was kortademig. Ze klonk alsof ze een marathon liep tijdens het spreken. Ik wachtte enkele tellen. ‘Meneer, bent u er nog?’ ‘Met wie spreek ik?’ ‘Odette,’ zei de vrouw. ‘Odette Moeskops.’ Dat belooft, dacht ik, met zo’n naam. Ik had geen flauw benul van hoe een dergelijk gesprek hoorde te verlopen, maar Odette wist gelukkig van aanpakken. Ze lichtte toe dat ze een vreemde fetisj had, waarop ik nogmaals zei dat ik geen taboes kende, zoals in de advertentie vermeld, zolang het maar genoeg betaalde. ‘Ja ja,’ zei ze snel, ‘geld is geen probleem.’ Ze trad evenwel niet in detail over wat ze precies wilde. ‘Wat denkt u van duizend euro, meneer Vercammen? Mag ik Vince zeggen?’ ‘Vince is goed. Duizend euro ook.’ Ik bedacht hoeveel gram bruine suiker ik daarmee kon kopen. Ik vroeg haar adres en sprong in m’n wagen. Duizend euro was de jackpot om snel over en weer te gaan en een goor wijf een orgasme te bezorgen. Kinderspel. Bovendien woonde ze op maar twintig minuutjes rijden. Mijn geluksdag. Ik belde nog snel naar mijn dealer of ik in de loop van de late avond nog wat dope mocht komen halen. Alles leek in de plooi te zullen vallen. Ik slikte nog 20mg valium. Ik reed de parkeerplaats van een reusachtig flatgebouw op. Sociale woningen. Ze waren er slecht aan toe. Eenmaal binnen duurde het tien minuten voor ik het juiste belletje had gevonden. Er woonden godverdomme zevenendertigduizend miljard marginalen in dat stuk beton. Moeskops – Peperzak stond er op het naambordje dat toegang verschafte tot mijn eerste werkervaring als gigolo. Ik kreeg de slappe lach. Toen begon me te dagen dat er wellicht meer dan één persoon woonde. Een vrouw en een man? Was Odette getrouwd? Waarschijnlijk was haar man niet thuis en had zij een verzetje nodig. Niets mis mee. Ik haalde mijn schouders op en drukte op het knopje. ‘Hallo?’ zei Odette, even kortademig als aan de telefoon. ‘Het is Vince.’ ‘Kom maar naar boven. Het is op de tiende verdieping.’ De zoemer ging. Ik duwde de deur open. Ik liep een lange gang in. Het stonk er naar pis. Overal lag zwerfvuil. De liften waren kapot. Ik moest verdomme met de klotetrappen naar de tiende verdieping. Odettes deur stond al op een kier. Ik klopte en ging naar binnen. ‘Dag Vince,’ hoorde ik Odette zeggen, ‘bedankt dat je zo snel gekomen bent.’ De stem was afkomstig van een schaduwrijke plek die net buiten de stralenkrans van een lamp viel. Alsof de eerste ontmoeting bewust zo in scène gezet was door een of andere blasé regisseur met vage artistieke ambities. ‘Wil je de deur sluiten alsjeblieft?’ Ik deed wat ze zei en toen ik me weer omdraaide, was ze uit de duisternis getreden. Ze was een mastodont. Zeker een meter negentig, massief en vormloos en ze droeg iets wat voor lingerie moest doorgaan maar wat eerder op een versleten gordijn van een amateurtheater leek. ‘Hallo,’ zei ik, en ik was opgelucht dat de extra dosis valium ingekickt was. Haar grauwe gezicht bezorgde me bijna braakneigingen. Er was iets met die vrouw. Ze was duidelijk gehandicapt, al kon ik niet goed zien wat er precies mis was met haar. Ze had ook een lodderoog. Ze wees naar een stapeltje biljetten op een commode. ‘Duizend euro, zoals afgesproken.’ Ik knikte. Ze had zonet haar invaliditeitsuitkering gekregen, dacht ik. ‘Zullen we naar de slaapkamer gaan?’ Opnieuw knikte ik. Ik kreeg een wee gevoel in mijn buik. Je kunt dit, Vince. ‘Zou ik eerst nog even gebruik mogen maken van het toilet?’ vroeg ik. Haar lodderoog bracht me in de war. Ik probeerde afwisselend in haar gezonde oog en dan in beide ogen tegelijk te kijken, maar daar begon ik zelf scheel van te zien en ik merkte dat zij dat merkte, dus keek ik twee centimeter naast haar blubbergezicht. Odette wees de weg naar de badkamer. Ze toonde me ook waar de slaapkamer was. Daar zou ze op me wachten, zei ze. ‘Kom op, Vince, je kunt dit,’ mompelde ik tegen het geraamte in de spiegel. Ik kreeg een aanval van acute diarree en ging zitten. Het gespeter echode in de porseleinen pot. ‘Denk aan die duizend euro en hoeveel shots je daarmee kunt kopen.’ Ik waste mijn handen. Op de lavabo stond een schaaltje met M&M’s. Ik grabbelde er enkele uit en stak ze gulzig in mijn mond. Ik kauwde en kauwde en slikte en slikte en toen ik de brij door mijn slokdarm voelde glijden, wist ik meteen dat de M&M’s al duizend jaar oud waren. En rot. Ik boog mij over de badkuip en braakte een regenboog. Daarna ging ik naar Odettes slaapkamer. Wat ik daar aantrof tartte werkelijk alle verbeelding. ‘Heb je ooit van trechterseks gehoord?’ vroeg Odette. Mijn mond viel open. Er stond geen bed in de kamer. In plaats daarvan lag Odette op een plastic zeil dat bijna de hele oppervlakte bedekte. Ze was naakt. Met beide handen hield ze een trechter vast die haar bloem bedekte. Ik wist niet waar ik eerst moest kijken: naar de kooi in de hoek waarin een naakte man met anderhalve arm zat, gemaskerd in een lederen SM-kap – hoogstwaarschijnlijk meneer Peperzak – of naar de vuile vleeshoop die op mij lag te wachten. Odettes lichaam was een tapijt van puisten, kwabben, korsten, schilfers, schimmel en huidplooien waar je een ganse familie vluchtelingen in kon verstoppen. Er speelde muziek. Ene Willy Sommers zong Als een leeuw in een kooi, waarop Peperzak zachtjes begon te grommen. En de stank, jezus, de stank in die kamer was niet te harden. Ik wilde niet weten wat het was, maar hoorde mijzelf de hele tijd denken dat het Odettes zieke huid was. Ik hoopte dat ik haar niet hoefde aan te raken. Ik walgde van de gedachte dat haar bloot vlees het mijne zou beroeren en ik stond op het punt om me om te draaien en weg te rennen toen ze zei: ‘Wees niet bang, je hoeft me niet aan te raken.’ ‘O,’ zei ik. Er viel een enorme last van mijn schouders. ‘Je hoeft alleen maar in de trechter te pissen.’ Ze stak het uiteinde van de trechter in haar snoepdoos en grinnikte. ‘Mijn man en ik worden daar geil van, zie je.’ ‘Gewoon in de trechter pissen?’ vroeg ik. ‘Dat is alles?’ Het was moeilijker dan het leek. Ik had namelijk zonet mijn blaas geledigd tijdens het kakken en ik was zo goed als gedehydrateerd. ‘We zouden graag hebben dat je het naakt doet.’ Als het dat maar is, dacht ik. Ik knikte en begon mijn hemd los te knopen. ‘Op die schoenen na.’ Ze wees naar de hoek aan mijn linkerkant. Daar stond een enorm paar orthopedische schoenen. De ene zool was immens, de andere min of meer normaal. Ik keek naar Odette. Ze had een lang en een kort been. Het verschil was zeker tien centimeter. Ik wist het. Ik wist dat er iets met haar scheelde, ook al had ik niet meteen door wat het precies was. ‘Je wil dat ik die schoenen aantrek?’ ‘Ja. En dan mag je in de trechter pissen.’ Ik kleedde me helemaal uit en stak mijn voeten in de schoenen die veel te groot en zwaar voor me waren. Toen bedacht ik me dat ik niet zou kunnen pissen. Zelfs geen druppel. ‘Dan moet ik eerst wat drinken,’ zei ik. Met de reusachtige schoenen strompelde ik naar de badkamer, waar ik me aan het kraantje laafde. Ik dronk tot ik een klotsende waterbuik had. In mijn ooghoek zag ik mijn productie in de toiletpot. Ik besefte dat ik daarnet was vergeten door te spoelen. Ik deed het alsnog en dronk nog meer water. En nog meer. En ik spuwde in het schaaltje met M&M’s. ‘Het zal nog even duren,’ zei ik tegen Odette. ‘Voor ik kan pissen, bedoel ik.’ ‘Doe je dit werk al lang, Vince?’ ‘Ik… eh… nee. Eigenlijk niet.’ ‘Geeft niet, hoor.’ ‘Het is mijn eerste keer,’ bekende ik. ‘O.’ Odette veranderde van zithouding. Dat scheen een zware inspanning voor haar te zijn. Ze hijgde. Op haar voorhoofd stonden zweetdruppeltjes. Ik zweer het je, ze veroorzaakte een luchtverplaatsing om u tegen te zeggen. De walm sloeg in mijn gezicht, warm en vochtig. Ik kon hem smeren. Het geld pikken en gewoon weggaan. Ze zouden me nooit te pakken kunnen krijgen, maar op een bepaalde manier had ik medelijden met hen. Ik mocht dan wel wanhopig zijn, ik had nog altijd een bepaald normbesef. Stelen van gehandicapten deed je nu eenmaal niet. Mijn blaas begon op te spelen. Eindelijk. ‘Ik denk dat ik kan,’ zei ik. ‘Laat maar komen.’ Odette likte haar lippen. Peperzak gromde wellustig in zijn kooi. Hij steunde op zijn stompje en trok zich af met zijn goede arm. Ik liep naar Odettes gigantische lichaam en ging boven de trechter staan. In eerste instantie kwamen er enkel wat druppeltjes uit, wat later volgde een heuse straal okerkleurige urine. Ik mikte alles in de trechter. Odette kreunde en ik zag hoe Peperzak onrustig werd in zijn kooi terwijl ik maar in die trechter bleef zeiken. Er leek geen eind aan te komen. Het was een raadsel waar ze al die urine stockeerde. Anderzijds, haar lichaam was zo groot als een havencontainer. Om een of andere reden begon ik aan dat lachwekkende stompje van Peperzak te denken. Ik vroeg me af wat er met die geamputeerde arm gebeurd was. Ik bedoel, die gozer was toch de rechtmatige eigenaar van zijn eigen ledemaat, dus ik zou denken dat hij hem mee naar huis heeft genomen. Al kon ik me wel inbeelden dat er ethische en hygiënische bezwaren waren en dat zo’n arm daarom bewaard werd in het ziekenhuis. Of vernietigd, maar dat zou zonde zijn, want ik geloofde in tweedehands. Als die arm zich nog in het ziekenhuis bevond, dan had Peperzak toch bezoekrecht, niet? Het volgende wat ik me afvroeg was wat de bezoekuren dan zouden zijn. Golden er andere regels dan bij volledige patiënten? Een poosje later was mijn blaas leeg. ‘En wat nu?’ vroeg ik. Peperzak blafte en zonder me te waarschuwen trok dat goor wijf die trechter uit haar bloem. Het klonk als het ontstoppen van een gootsteen. Ongelogen. Toen kwam de tsunami. Odette had al mijn urine in haar onderbuik opgeslagen en stuwde die nu naar buiten met een oerkreet. Even waande ik mezelf in een verloskamer. De pis stroomde langs mijn voeten. Gelukkig had ik die monsterlijke schoenen aan. Toch kon ik de neiging niet weerstaan om de dampende vloed te ontwijken. Ik zette één stap naar achter en één opzij. Plastic en pis was een glibberige combinatie. Ik gleed uit en viel voorover. Met een smak kwam ik terecht op de deinende vleesmassa die Odette was. Haar huid stonk naar bedorven gehakt. Vervuld van walging krabbelde ik weer overeind. Met elke beweging die ik maakte leken mijn benen onder mij vandaan te glijden. Mijn vingers verdwenen in haar vleesplooien. Ik viel nog een keer, op handen en knieën. Uiteindelijk slaagde ik erin om op te staan en naar de deur te strompelen. Ik hield me vast aan de deurpost. Mijn handen plakten. ‘Zijn we klaar hier?’ vroeg ik. Niet dat het veel uitmaakte, want ik was sowieso van plan hem te smeren. ‘Ja schatje, je kan gaan.’ Ik grabbelde mijn kleren bij elkaar en maakte me uit de voeten. Nog half nat van mijn eigen pist kleedde ik me aan in hal. Daarna nam ik het geld van de commode. Ik telde de biljetten. Twintig stuks van vijftig euro. In de verte jankte Peperzak als een verwaarloosde straathond. Ik was misselijk. Ik had dringend een shot nodig om deze ellende te vergeten. Ik wankelde naar buiten. Bijna struikelde ik over mijn veters. Ik belde mijn dealer. ‘Ik ben er over dertig minuten.’ God, wat was ik blij om zijn stem te horen. De autorit had een kalmerend effect op me. Ik reed met de raampjes halfopen. Op de radio zong Sheila E: We all want a love bizarre. Gelijk had ze. Het inrijden van de straat van mijn dealer voelde als een hemelvaart. Ik parkeerde mijn wagen en strompelde kokhalzend naar de voordeur. ‘Vince, je ziet eruit alsof je overreden bent door een tank,’ zei Rizzo. Hij liet me binnen in zijn kraakpand. ‘Je gelooft nooit wat ik zonet heb meegemaakt.’ We gingen op een versleten matras zitten. Er zaten overal gaten en de gele vulling wurmde zich naar buiten als etter uit een puist. Ik overhandigde Rizzo het grootste deel van het geld. De rest bewaarde ik voor eten. Het eerste wat ik zou kopen was een vers zakje M&M’s om die wrange nasmaak uit mijn bek te wassen. Terwijl ik Rizzo over mijn eerste avond als gigolo vertelde, prepareerde hij een shot voor mij. Rizzo schaterde van het lachen. Ondertussen spande hij mijn arm af boven de elleboog. En hij bulderde. Hij zocht een ader tussen de geïnfecteerde prikwonden. Hij vond er een en prikte. Die korte, scherpe pijn was een geschenk. In het buisje ontlook een bloedbloem. Onmiddellijk daarna drukte Rizzo de zuiger in en dreef de vloeistof in de ader. Enkele ogenblikken later voelde ik hoe de heroïne door mijn bloedbanen kroop en de waanzin van me afgleed. ‘Laatst was hier een gozer,’ begon Rizzo toen hij uitgelachen was, ‘die wat speed en coke kwam kopen. En hij vertelde me een mop. Hij beweerde dat hij ze tijdens een lucide droom had verzonnen. Kun je dat geloven?’ ‘Nee.’ ‘Moet je horen.’ Rizzo gooide de spuit weg en terwijl ik mij neerlegde op de matras, begon hij te vertellen. ‘Een vrouw en haar man zijn bezig met hun wekelijkse wandeling. Ze passeren de praktijk van hun gemeenschappelijke tandarts en de vrouw zegt: Ik heb best medelijden met hem. Hij is zo eenzaam en alleen maar bezig met zijn werk. Haar man geeft haar gelijk en ze vervolgt haar betoog. Weet je wat. Ik zal hem eens verblijden met een pijpbeurt. Dat zal hem goed doen. Dus ze gaat naar binnen en komt een kwartiertje later weer buiten, trots omwille van haar goede daad. Zij en haar man maken hun wandeling af. De week erna gebeurt exact hetzelfde. Ze zegt dat ze medelijden heeft met de tandarts omdat hij zo eenzaam is, gaat naar binnen om hem snel even te pijpen en komt terug buiten. En de week daarna opnieuw hetzelfde scenario. Als ze dan weer naar buiten komt, vraagt haar man: Kijk, ik heb er niets op tegen dat je onze tandarts oraal bevredigt en zo, maar wanneer kom ik eindelijk eens een keer aan de beurt? Waarop de vrouw zegt: Ja, ik heb het er met hem ook over gehad, maar hij heeft liever niet dat je aan zijn leuter likt omdat je zo verschrikkelijk uit je bek stinkt. Het was de beste mop die ik in tijden had gehoord, maar de roes was zo sterk dat ik vergat te lachen.

Tom Thys
145 0

De schade beperken

Deze keer zou ze niet terugkrabbelen. Wil Heerenveen maakte haar rode sportfiets zorgvuldig vast met een dik kettingslot. Alsof iemand het in zijn hoofd zou halen om hier een fiets te stelen.   Camerabewaking. Wet van 21 maart 2007, waarschuwde een bord aan de ingang van het hypermoderne gebouw. Wil haalde een hand door haar haren en trok de kraag van haar hemd recht. Ze moest dit doen. Voor Elke en voor zichzelf.   Haar schoenen tikten luid op de steriel ogende tegels van de inkomhal. De onthaalbediende, een man met grijs haar en dunne lippen, keek haar zwijgend aan.   ‘Goedendag, ik kom voor Elke Jansen.’   ‘Vrouwenvleugel?’   ‘Ik neem aan van wel. Het is tenslotte een vrouw.’   De onthaalbediende keek haar emotieloos aan. ‘Identiteitskaart?’    Ze staarde naar de muur terwijl hij op zijn toetsenbord tokkelde.   ‘U dient uw badge op een goed zichtbare plaats op uw kledij te bevestigen. Uw identiteitskaart kan u na uw bezoek ophalen. Heeft u iets bij om aan de gedetineerde te overhandigen?’   ‘Neen.’ Had ze iets moeten meenemen voor Elke? Wil speldde de badge op haar houthakkershemd.   ‘U kan uw tas in de lockers aan de overkant opbergen.’   Ze wachtte tot de onthaalbediende nog iets zou zeggen, maar hij wendde zich tot een man die achter haar stond. Het was een grote man met een getaande huidskleur, die haar vanonder zijn borstelige wenkbrauwen met droeve ogen aankeek. Hij had een Tupperware-doos bij. Hij volgde haar blik. ‘Briwat, gebak met amandelen. Mijn vrouw is er gek op. Het zijn de kleine dingen die je het meest mist, hier.’   ‘Je komt je vrouw bezoeken?’ vroeg Wil toen ze aan de lockers stonden. Het deed haar denken aan de kastjes waarin ze haar jas opborg wanneer ze naar een optreden in de Antwerpse concertzaal Trix ging.   Hij knikte kort maar vastberaden. ‘Elke dag. Op zaterdag kom ik met de kinderen. Die mogen maar één keer per week komen. Dit is geen plek voor kinderen. Maar ze moeten hun moeder toch zien.’ Hij speldde zijn badge op zijn T-shirt.   ‘Je gsm mag niet mee binnen,’ zei de man toen Wil haar smartphone in haar achterzak stopte.   Met enige tegenzin legde ze haar gsm in de locker.    Ze hoopte vurig dat de metaaldetector niet zou afgaan. Uiteraard gebeurde dat wel. De cipier wees naar haar navel. Wil volgde zijn bik. Het duurde een paar tellen voor het tot haar doordrong dat hij naar haar riem wees. Ze deed haar riem uit en stapte opnieuw door de metaaldetector. Het verbaasde haar niet eens dat het ding opnieuw afging. De portier wees naar de vloer. Wil hopte op een been om haar schoenen uit te doen. Er zat een groot gat in haar rechtersok. Haar kleine teen was gedeeltelijk zichtbaar. Zo te zien was het een tijdje geleden dat ze haar teennagels nog had geknipt.   ‘Je eerste keer?’ vroeg de man van het amandelgebak toen Wil op de vloer zat om haar schoenen weer aan te doen.   ‘Valt het zo hard op?’    Hij lachte vreugdeloos. ‘Mijn naam is Farid. Voor wie ben jij hier?’   ‘Mijn beste vriendin. En ik heet Wil.’   Ze liepen door een lege gang. Betonnen vloer, kale muren met smalle, verticale ramen. Daglicht was hier een schaars gegeven. Wil onderdrukte de neiging om de man te vragen waarom en voor hoe lang zijn vrouw hier zat. In een soort wachtruimte namen ze plaats op een lelijke, gele bank. Er zaten al een paar mensen, die allemaal naar hun schoenen staarden. Wil volgde hun voorbeeld.   ‘Het went wel,’ zei Farid.    ‘Ik hoop het.’ Een cipier opende een deur. Gedwee liep Wil achter de anderen aan. De bezoekerszaal deed haar denken aan de refter van een middelbare school, maar dan met camera’s aan het plafond. Ze mochten niet zelf kiezen waar ze gingen zitten, maar kregen een tafel toegewezen.   Op internet had ze foto’s gevonden van de rest van het gebouw. Het was nog geen vijftien jaar oud en ontworpen door een gerenommeerd architectenbureau. Wil had lang naar een foto van een cel gestaard. Een bed met een lelijk, bruin laken. Een bureau met een stoel, een wastafel met een spiegel boven en een kleerkast. Hard neonlicht en een raam dat je slechts gedeeltelijk kon openen. Uiteraard met tralies voor. Het idee dat Elke de komende maanden in zo’n kamer moest doorbrengen, had haar kippenvel bezorgd. Een tiental vrouwelijke gedetineerden kwam de bezoekerszaal binnen. Elke droeg een spijkerbroek en haar versleten T-shirt van Anthrax, een van haar favoriete metalbands. Wil was erbij geweest toen ze dat T-shirt meer dan tien jaar geleden kocht, in een winkeltje niet ver van de Antwerpse Groenplaats. Elkes haar was vettig en ze leek wat afgevallen, maar verder zag ze er goed uit. Ze bleef even achter de stoel tegenover Wil staan voor ze ging zitten.   ‘Je ziet er goed uit.’   Elke staarde naar het tafelblad.   ‘Je hebt je eigen kleding aan, zie ik.’   ‘Wat had je dan verwacht? Zo’n oranje pak?’  ‘Eigenlijk wel. En een ketting met een metalen bal aan je voet.’   Nu glimlachte Elke ook. ‘Het is hier Guantanamo niet.’   Aan de tafel links van hen zat Farid tegenover een vrouw met kroezelig, zwart haar. Ze glimlachte naar hem terwijl hij schijnbaar argeloos over koetjes en kalfjes praatte. Zelf zei ze niet veel, maar er viel waarschijnlijk ook niet veel nieuws te melden.  ‘Hoe gaat het met je?’   Elke keek haar nog steeds niet aan. ‘Geweldig. Ik heb me nooit beter gevoeld.’    Wil keek naar haar handen. Het was eraan te zien dat de zomer voorbij was: haar knokkels waren rood en vertoonden al kleine kloofjes. ‘Ik kan me niet voorstellen hoe het is om hier te zitten.’   ‘Dat kan je inderdaad niet.’   ‘Moet je je cel met andere vrouwen delen?’  ‘Nee.’   ‘Da’s wel goed, dat je een cel voor jezelf hebt. Maar wel eenzaam, neem ik aan.’   Elke haalde haar schouders op.   ‘Wat doe je zoal de hele dag?’   ‘Sporten. En ik help in de wasserij. Ik lees ook veel.’   Wil kon zich niet herinneren dat ze Elke ooit een boek had zien lezen. ‘Wat lees je dan?’   ‘Wat er in de boekmobiel zit. Vooral stationsromannetjes en thrillers met een vreselijk voorspelbaar plot. En kookboeken. Vraag me niet waarom ze ons kookboeken geven.’   ‘Zal ik volgende keer wat boeken voor je meenemen?’   Nu keek Elke op. Haar groene ogen glansden. ‘Kom je nog terug?’   Er klonk iets kwetsbaar door in haar stem. Even had Wil het gevoel dat er een kind tegenover haar zat. Ze slikte een krop door. Het had haar vijf dagen gekost om haar moed bij elkaar te rapen. Twee keer was ze tot aan de gevangenis gereden. Daar was ze blijven staan, haar fiets aan de hand. Ze had het niet gekund. Naar binnen gaan, in de buik van dat kille gebouw, waar mensen de dagen aftellen op kale muren. Elke onder ogen komen.   ‘Natuurlijk kom ik terug. Zal ik iets lekkers meenemen? Het eten is hier vast vreselijk.’   ‘Dat valt wel mee.’   Het werd stil. Wil probeerde om haar blik te peilen, maar Elke wendde haar ogen weer af.   ‘Het is vast beter dan de macaroni van Liesbeth!’   Elke reageerde niet. Waarom begon Wil ook over hun kotgenote? Dat was verdomme tien jaar geleden. Liesbeth was een vreselijke kok, maar wanneer ze dronken thuiskwamen, was ze meestal de enige die nog de moed kon opbrengen om iets eetbaars te fabriceren en daar waren ze haar maar al te vaak dankbaar om geweest. Dronken zijn is de beste saus. Wanhopig zocht Wil naar de juiste woorden. Ze keek naar de rode en witte strepen op de vloer. Ze vormden een wirwar, een kluwen. Net als haar gedachten. Al vijftien jaar voerden zij en Elke ellenlange conversaties over de meest absurde onderwerpen. Urenlang konden ze met elkaar praten en filosoferen, in dronken of in nuchtere toestand. Maar vandaag stond er een muur tussen hen in. Wil schoof haar stoel wat verder bij de tafel vandaan. De poten schraapten luid over de vloer. ‘Je moeder zal wel balen dat ze haar handtas in een kastje moet achterlaten. Om van die metaaldetector nog maar te zwijgen.’   ‘Vast.’   ‘Heeft ze er niets van gezegd?’   Elke wreef over haar wang. Een vertrouwd gebaar. ‘Ze is nog niet langs geweest.’   ‘Oh.’   ‘Ik hoef haar ook niet te zien.’    ‘En Grace?’   Er sloop iets donker in Elkes blik. ‘Ik heb twee keer met Grace gebeld, maar ik heb haar gevraagd om niet langs te komen. Dit is geen plek voor haar en ik wil niet dat ze me zo ziet.’   Het drong met een schok tot Wil door dat zij waarschijnlijk de eerste was die Elke bezocht. ‘Sorry dat ik niet eerder ben langsgekomen.’   ‘Geeft niet.’   ‘Het spijt me, Elke. Van alles.’   Elkes mond vormde een dunne streep. ‘Je mag een paar van mijn geschiedenisboeken meenemen, als je terugkomt.’   Het viel Wil op dat ze als zei, en niet wanneer. ‘Geschiedenisboeken?’   ‘In de witte boekenkast in de logeerkamer. Vooral die over het Oude Egypte.’   ‘Ik wist niet dat je daarin geïnteresseerd was.’   ‘Natuurlijk wel.’   Wil had echt geen idee. Ze hadden het nooit over geschiedenis gehad. ‘Ik ga straks naar je huis en breng de boeken morgen mee. En ik zal de brievenbus leegmaken en de planten watergeven. Dat kan ik wel een paar keer per week doen.’   ‘Bedankt.’   Wil wilde graag gedaan zeggen, maar ze kreeg het niet over haar lippen. Ze had helemaal niets gedaan waarvoor Elke haar dankbaar diende te zijn. Integendeel. Jarenlang had Wil zichzelf wijsgemaakt dat haar vriendschap met Elke onverwoestbaar was, maar de afgelopen maanden was ze tot een onthutsend inzicht gekomen: elke vriendschap is voorwaardelijk. Natuurlijk maken we onszelf graag wijs dat dat niet zo is. Dat er mensen zijn die van ons houden en dat altijd zullen blijven doen – ondanks onze gebreken, wat we ook doen. Nog hardnekkiger is de illusie dat wij zelf in staat zijn om onvoorwaardelijke liefde te schenken. We willen heel graag geloven dat we perfect evenwichtige superwezens zijn die op een haast boeddhistische manier door het leven gaan, liefde verspreidend als heerlijk geurende bloemblaadjes, die we uitstrooien over iedereen die ons pad kruist. De waarheid is dat je zelfs de sterkste liefde of vriendschap kan breken. Dat er soms dingen gezegd en gedaan worden die blijven nazinderen, die barsten veroorzaken. Barsten die je niet kan herstellen. Soms rest je slechts één ding: de schade zoveel mogelijk beperken. Aan de lockers kwam ze Farid weer tegen. ‘Het lijkt me een lieve, jouw vrouw.’   ‘Dat is ze ook. De liefste vrouw die ik ken. Een fantastische moeder ook. Binnen elf maanden komt ze vrij.’ Hij deed een niet zo verdienstelijke poging om opgewekt te klinken.   Ze liepen naar buiten. ‘Mijn fiets staat hier,’ gebaarde Wil. Ze aarzelde of ze Farid nog een fijne dag zou wensen. Het leek zo misplaatst.   ‘Veilige thuisrit,’ zei hij.   ‘Jij ook.’   Ze keek naar zijn lichtjes gebogen rug tot hij tussen de auto’s verdween.   (c) Leen Raats Dit is het eerste hoofdstuk van mijn roman 'De schade beperken'.  Ontdek er alles over op www.leenraats.com

Leen Raats
26 0

Oude bomen verplant men niet

1 Jeanne van Overschelde was een hardwerkende vrouw met het hart op de juiste plaats. Haar hele leven stond in het teken van anderen: haar man, haar vijf kinderen, de minder gestelde boeren die tijdens koude oorlogswinters dreigden te ver­hongeren en de patiënten die ze met meer dan beroepsmatige zorg omringde in het hospitaal waar ze aan de slag ging nadat de boerderij van haar echtgenoot was opgeslokt door een gigantische melkveefabriek. Haar man, verslagen door een onbereikbare concurrent, zocht zijn toevlucht tot de drank, die gewillig zijn gevoelens wegspoelde. Hij maakte Jeanne echter met harde hand duidelijk dat hij niet langer de kostwinner, maar nog steeds de baas in huis was. Toch bleef Jeanne hem steunen. Eens getrouwd, altijd getrouwd. In goede en in slechte tijden. Ze werd er har­der door, maar niet minder behulpzaam. Wie Jeanne om hulp vroeg, kreeg hulp. Ondertussen was ze met pensioen. Haar man was uiteindelijk bezweken aan de levercirrose die hij dertig jaar lang opbouwde. Haar kinderen hadden nu zelf een gezin om voor te zorgen. Zelfs haar kleinkinderen, waarvan de oudste al met haar vriend samenwoonde, hadden haar niet meer nodig. Natuurlijk kwamen ze nog weleens op bezoek en brachten dan steevast een ruiker opzichtige bloemen of een doos likeurpralines mee, maar dat was eerder een soort liefdadigheid geworden dan een dringende behoefte aan haar hulp of aanwezigheid. Als Jeanne morgen zou sterven, zouden ze een tijdje verdrietig zijn. Dat verdriet zou na enkele weken al overgaan in een bitterzoete herinnering. Maar niemand, niet haar drie dochters, niet haar twee zonen, niet de zeven kleinkinderen die enkele jaren geleden nog hielpen bij het plukken van tomaten en bonen in Jeannes moestuintje, zou­den haar echt missen. Naarmate Jeanne ouder werd, werd ze kleiner. Daarbij krompen niet enkel haar beenderen, maar ook haar invloed op de levens van anderen. Met voorzichtige passen liep Jeanne die ochtend over het tuinpad. De bouwvakkers waren al volop in de weer. Ze had de vrachtwagens over het grasveld achter haar huis horen denderen toen ze een ketel water op het gasfornuis in de bijkeuken zette. Felle lichten scheurden de mistige schemering aan stukken. Jeanne rilde en trok haar vest dichter om zich heen. De glazen deur van de serre protesteerde even, maar gaf zich dan toch gewonnen. Jarenlang had haar man op die verdomde rotdeur gevloekt. Jeanne vloekte niet. De serredeur klemde al zolang ze zich kon herinneren. Het hoorde bij het huis. Haar huis. De kinderen van haar vorig jaar overleden huisbaas wilden het huis, dat Jeanne altijd voor een appel en ei gehuurd had, slopen, net zoals ze met de huizen op het perceel achter Jeannes huis hadden gedaan. Die bewoners, twee jonge gezinnen, hadden zich gemakkelijk laten verjagen. Jeanne niet. ‘Oude bomen verplant men niet,’ had ze gezegd. Ze konden het niet vatten, die jonge mensen met hun ambities en drang naar mate­riële rijkdom. Ze hadden haar extra tijd gegeven. Die was nu bijna op, maar Jeanne wilde niet vertrekken. Ze was heus niet van plan om de resterende jaren van haar leven in een bejaar­dentehuis te spenderen. Zoveel vrien­den en kennissen had ze zien uitdoven van zodra ze uit hun vertrouwde omgeving werden weggerukt. Kranige vrouwen, die decennialang met verweerde handen in de aarde hadden gewroet, vodden uitgewrongen en groenten ingemaakt in weckpotten, die zich plots niet meer konden wassen zonder hulp. Sterke bomen, wier wortels zo gewend waren aan de vertrouwde grond waarin ze waren opgegroeid, dat ze gedoemd waren om uit te dro­gen van zodra ze verplant werden. Het was een korte weg van het rusthuis naar het graf. Een weg die Jeanne niet wilde afleggen. Niet op die manier. Jeanne plukte enkele kerstomaatjes. Een bouwvakker liep achter haar tuin door. Ze keek de jongeman zo indringend aan dat hij zijn ogen neersloeg en zijn hand, die hij al half had opgeheven om haar te begroeten, haastig in een broekzak moffelde. Nijdig stopte Jeanne de to­maten in een zak van haar vest. De jongeman deed ook maar zijn werk. Dat wist ze wel.De deurbel ging, nauwelijks hoorbaar boven de vrachtwagens en betonmolens. Jeanne slofte op haar pantoffels naar binnen. In de bijkeuken draaide ze het gasvuur onder de fluitende ketel uit. ‘Goedemorgen, Jeanneke!’ riep Wendy op haar eeuwig enthousiaste toon. Ze maakte aanstalten om haar schoenen uit te trekken.‘Laat maar kindje, ik moet toch nog schoonmaken,’ zei Jeanne automatisch. Terwijl ze het zei, drong het met een pijnlijk besef tot haar door dat dat niet waar was. Ze zou deze keuken nooit meer schoonmaken.‘Fris weertje,’ rilde de verpleegster.Jeanne knikte enkel. Ze vroeg zich af waarom jonge mensen zich altijd net iets lich­ter kleedden dan het seizoen toeliet. Ze ging Wendy voor naar de keuken. De vertrouwde pijnscheut in haar schouder diende zich aan.   2 ‘Pijn in je schouder?’ Wendy nam de hand van de oude vrouw in de hare. De verharde huid met eeltplekken voelde ruw aan.‘Niet meer dan anders,’ antwoordde Jeanne met de schijnbaar luchtige verbetenheid van iemand voor wie pijn vanzelfsprekend is geworden.Wendy prikte in Jeannes vinger om haar suiker te meten. ‘165. Wat heb je als ontbijt gehad?’‘Suikervrije confituur.’‘Maar wel met goede boter, of niet soms?’Jeanne staarde nukkig naar het tafelblad. ‘Enkel de pastoor zondigt nooit, kindje.’ Wendy wist dat het geen zin had om er verder op in te gaan en spoot de vrouw in met insuline. Een vrachtwagen denderde langs het huis. ‘Wat een lawaai weer,’ zei ze om maar iets te zeggen. ‘En zo vroeg op de dag al.’‘Ze zijn al bezig sinds zeven uur. De huizen hebben ze al platgegooid, nu volgen de bomen. Gisterenmiddag hebben ze de eik omgehakt.’ De oude vrouw keek niet op, zodat het leek alsof ze tegen zichzelf praatte. ‘In deze perio­de van het jaar gingen we altijd kastanjes rapen in het bosje dat vroeger aan onze tuin grensde. En dennenappels, om de open haard aan te maken.’ Het was niet de eerste keer dat ze dit verhaal vertelde. Toch deed de verpleegster alsof ze aandachtig luisterde terwijl ze Jeannes voet op haar been legde en bestudeer­de. Wendy wist dat wonden van diabetici moeilijk genezen, maar in Jeannes geval leek er helemaal geen verbetering op te treden. ‘Rust je wel genoeg?’‘Rust roest.’ Er viel een stilte. Wendy was nooit goed geweest in afscheid nemen. Het viel haar op dat er nog niets ingepakt was. Ze nam een slok van de koffie die Jeanne zoals altijd voor haar had klaargezet. Een half klontje suiker, een wolkje melk en een Madelei­ne‑cakeje. Deze tafel, deze koffie, deze keuken, dit wat onderkomen huisje met moestuin, het was de natuurlijke habitat van dit vrouwtje. Wendy kon zich de vrouw niet in een andere omgeving voorstellen. Het was Jeanne die de stilte doorbrak. ‘Nu zitten we hier nog gezellig aan de koffie. Straks komen mijn dochters alles in­pakken, terwijl mijn zonen de kasten uit elkaar schroeven.’‘Wat gebeurt er met je spullen?’‘Een deel neem ik mee naar het rusthuis. Het grootste deel gaat naar de kringloop­winkel en ik hoorde mijn schoonzoon over het containerpark praten.’ Ze sprak het woord containerpark uit alsof het een vreselijke plek was. De staande klok in de hoek gaf aan dat de verpleegster al naar de volgende patiënt had moeten vertrekken. Maar geen van beide vrouwen maakte aanstalten om op te staan.‘Ik kom je bezoeken in het rusthuis. Dat vind je toch goed?’ Tot haar verbazing schudde Jeanne het hoofd. Er leek iets te breken in het magere vrouwtje. Een traan rolde over haar wang. Ze veegde hem ongeduldig weg. De ver­pleegster aarzelde nog even, maar boog zich toen naar Jeanne toe en sloot haar in de armen, alsof ze een kind was dat getroost moest worden. Haar rechterhand rustte teder op Jeannes knokige ruggengraat.   3 De voordeur maakte een schurend geluid. Jeanne bukte zich om de post, die zich de afgelopen weken had opgestapeld, op te rapen. Ze legde de reclamebundel en enveloppen ongeopend op het aanrecht. Ze hadden de elektriciteit reeds afgesloten. Door het keukenraam viel wat zwak maanlicht naar binnen, maar Jeanne had geen licht nodig om haar weg te vinden in het huis waar ze vijf kinderen had grootgebracht. Met langzame maar zekere passen liep ze door de kamers. Het had vreemd moeten aanvoelen, zo zonder haar vertrouwde meubelen, maar dat was niet zo. Integendeel: het leek wel alsof ze het huis nog beter aanvoelde nu er geen tafels, voorraadkasten een kamerplanten met de aandacht gingen lopen. In de woonkamer bleef ze abrupt staan. Een angstig ogenblik lang dacht ze dat er iemand in de kamer stond. Toen besefte ze dat het haar spiegelbeeld was. Ze waren de lange spiegel, die altijd in de hoek had gestaan, vergeten. Behoedzaam kwam Jeanne dichterbij. Het was te donker om haar spiegelbeeld goed te kunnen zien. Jeanne was slechts een vage schim. Een afdruk van de vrouw die ze ooit was geweest. Ze streelde over haar gerimpelde huid. Jeannes gezicht was een kaart van haar leven. De rimpels op haar voorhoofd ontstonden tijdens koude nachten waarop ze lag te wachten tot haar man dronken de trap op strompelde. De kraaienpootjes om haar ogen waren stille getuigen van het feit dat ze haar kinderen alles had willen meegeven wat ze zelf nooit had gehad. De rimpels om haar mond herinnerden aan de zeldzame maar intense momenten waarop Jeanne zich oprecht gelukkig had gevoeld. Haar huid had haar glans verloren, die enkel nog op oude foto’s werd herdacht. Haar eens zo volle lippen waren uitgedroogd. De sierlijke hals waar haar man lang geleden, toen ze pas verkeerden en de drank nog niet alle passie had gedoofd, steeds weer met bevende vingers over streelde, leek nu eerder op een oude dweil dan een hals. Jeanne voelde zich een wezen uit een ander tijdperk, iets dat dapper streed om een laatste beetje bestaansrecht. En toch. Toen Jeanne van Overschelde op die kille novembernacht in het schaarse licht van de volle maan die in de lege kamer naar binnen viel, naar haar spiegelbeeld keek, zag ze nog iets van haar oude glans. Een twinkeling, een lichtpuntje. De jonge, sterke vrouw van vroeger zat nog in haar, ergens onder haar oude knoken en rim­pelige huid. En die vrouw wilde niet in een stoel voor een venster met zicht op het park zitten wachten tot de dood zijn kille hand op haar schouder legde. Jeanne danste. Ze had het eerst niet eens in de gaten. Haar voeten leken als vanzelf te bewegen, en haar armen volgden, in golvende bewegingen. Haar spiegelbeeld danste sierlijk met haar mee. Niet in de oude, grijze vest die ze droeg, maar in een prachtige jurk. Jeanne kende die jurk maar al te goed: ze had hem gekregen voor haar zestiende verjaardag en droeg hem zo vaak als de gelegenheid dat toeliet: op feestjes, in de kerk op zondag, bij zomerse familiebezoekjes. Toen schopte Jeanne haar schoenen uit, en danste verder op blote voeten. Ze voelde zich licht worden. Het leek wel alsof ze zweefde. Met een verrimpelde vinger streelde ze over het houtwerk aan het raam. Haast onopgemerkt vielen de plooien van haar huid samen met de nerven van het hout.

Leen Raats
2 1