Zoeken

Tante Louise

Na een lange reis sta ik aan de rand van een ondoordringbaar bos. Ik slik, en laat mijn ogen over de gedetailleerde wandelkaart glijden, waarop het bos er bijlange niet zo donker en onheilspellend uitziet. Ik span de riempjes van mijn rugzak stevig aan, en volg een onverharde weg dwars door het bos. Een mistsluier vlijt zich als een deken over het gebladerte en het koude vocht dringt door tot diep in mijn botten. Twee weken geleden zat ik nog nietsvermoedend aan mijn bureau te zwoegen aan mijn tweede roman, tot een telefoontje van een illustere advocaat mijn hele leven overhoop gooide. Een overleden tante, van wiens bestaan ik niet op de hoogte was, liet haar volledige vermogen achter. Ik dacht eerst dat ik er werd ingeluisd, maar het verhaal van de advocaat was zo gedetailleerd dat er geen twijfel mogelijk was. Hij mailde me enkele bewijsstukken door en daar stond het zwart op wit: ik zou een gigantisch bedrag erven. Nog niet eens halfweg word ik opgeschrikt door een vreemd geluid. Vliegensvlug grijp ik naar de berenspray die ik kocht op aanraden van de winkelbediende van de buurtwinkel in Lake Louise. Ik begin, ook op aanraden van de behulpzame winkelbediende, luid te zingen om de beer af te schrikken. Tevergeefs, plots sta ik oog in oog met een vreemd wezen. Ik blijf stokstil staan. Wat is dit? Het is geen beer, dat zie ik zo, maar welk dier is het dan wel? En hoe moet ik nu reageren? In mijn gedachten keer ik terug naar de biologielessen op de middelbare school, die mij nooit echt wisten te boeien. Ik graaf in mijn geheugen, maar kan geen naam op dit vreemde schepsel plakken. Het dier staart me aan, houdt zijn kop schuin. Het draagt een gewei, maar het is geen eland. Het heeft een ruige olifantenhuid en de vriendelijke, nieuwsgierige ogen van een koe. Mijn schouders ontspannen en mijn ademhaling vindt haar normale tempo terug. Ik wandel langzaam naar het dier, dat me even besnuffelt en dan terug de struiken induikt. Nadat ik enigszins bekomen was van het vreemde telefoontje van de advocaat probeerde ik het levensverhaal van m’n onbekende tante te reconstrueren. Ik kon me niet herinneren dat mijn vader ooit iets over haar bestaan had verteld. Hij was een zwijgzaam man. Hij pleegde zelfmoord twee dagen na mijn achttiende verjaardag. Ik belde mijn moeder, die ik al een halfjaar niet meer had gezien. Ze klonk zoals steeds beneveld, over een tante in Canada had ze natuurlijk nog nooit gehoord. Ik vertelde haar bewust niets over de erfenis, als ze langs de kassa kon passeren zou er zeker wel een belletje gaan rinkelen. Ik googelde de Canadese naam van mijn tante, Louise Parker, en noteerde zorgvuldig alle informatie die ik over haar vond in mijn tot de naad versleten notitieboekje. Net na de Tweede Wereldoorlog verliet ze haar man en koos voor een leven aan de zijde van een Canadese soldaat aan de andere kant van de wereld. Ik kon me wel inbeelden wat een groot schandaal dat in die tijd was. Na grondig speurwerk ontdekte ik hoe het mijn tante in Canada verging. Haar geliefde soldaat overleefde dan wel een oorlog, twee jaar na het einde van de oorlog overleed hij onverwachts in zijn slaap. Mijn tante verkocht hun huis in Vancouver en trok zich terug in hun buitenverblijf, een afgelegen huis in de Rocky Mountains. Ze had weinig sociaal contact, zocht troost in boeken, de enige andere bewoners van haar nieuwe woonst middenin het bos. Uiteindelijk begon ze zelf te schrijven, eerst schreef ze kortverhalen die ze opstuurde naar een lokale krant. Daarna werkte ze ruim twee jaar aan haar debuutroman. In haar leven schreef ze elf romans, waaronder enkele bestsellers. Ik had er nog nooit één gelezen, maar bestelde meteen twee romans. De dag erna lagen ze beloftevol op me te wachten bij het postpunt om de hoek. Ik wandel verder door het bos, links van me stroomt een zilverkleurige rivier. Het geluid van het kolkende water houdt me gezelschap. Ik wandel stevig door, ik wil zo snel mogelijk het huis bereiken, de mist houdt het bos in een wurggreep en ik zie amper waar ik loop. Ik bedenk me net dat ik me beter ook een zaklamp had aangeschaft, wanneer ik hard ten val kom. Ik lig languit met mijn gezicht op de koude grond. Ik krabbel recht, wrijf met mijn handen de fluweelbruine aarde van mijn gezicht en mijn knieën. Mijn oog valt op de steen waarover ik struikelde. Ik neem de gladde steen in mijn handen en bestudeer hem grondig. Het is geen gewone steen, er staan allerlei bizarre letters en cijfers op. Ik herken de initialen van mijn tante. Ik knijp in mijn arm. Dit kan toch niet waar zijn? Ik voel er niets voor om nog veel tijd te spenderen in dit spookbos, ik stop de steen vanboven in mijn rugzak en wandel verder, de pijn in mijn linkerknie verbijtend. De advocaat van tante Louise bezorgde me de vliegtickets voor de reis naar Calgary en de nodige instructies om het huis te bereiken. Op het vliegtuig las ik de debuutroman van mijn tante. Een liefdesverhaal, over een soldaat die hopeloos verliefd wordt op een verpleegster die zijn oorlogswonden verzorgt in een veldhospitaal aan het front van de Tweede Wereldoorlog. Ik herkende elementen uit haar levensverhaal, kleine details die ik in mijn boekje had genoteerd. In mijn hoofd vielen losse puzzelstukken langzaam in elkaar. Ik herkende mezelf in haar stijl, in de emoties die ze beschreef. Een deel van het verhaal werd verteld vanuit het perspectief van het nichtje van de verpleegster, een verlegen tienermeisje met een veel te rijke verbeelding, ik voelde een sterke verbondenheid met dit personage. Volgens de plattegrond ben ik nu vlakbij het huis van tante Louise. Haar advocaat zou me daar opwachten. Maar na het vreemde dier en de bizarre steen moet ik eerst nog een derde beproeving doorstaan. Langs de kant van de weg zie ik plots een man staan. Hij heeft lange zilverkleurige haren, een verweerd gezicht, een rond brilletje en helderblauwe ogen die dwars door me heen kijken. Hij draagt een veel te korte broek, waaronder zijn magere, zongebruinde billen zichtbaar zijn. Is dit de advocaat die me tegemoet komt? Het lijkt me vrij onwaarschijnlijk, hij ziet er helemaal niet uit als een advocaat. Maar in dit bos is alles ongewoon. Ik vraag de man, in het Engels, of hij de advocaat van mijn tante is. Hij antwoordt, niet in het Engels, maar in een onbegrijpelijke taal. Het lijkt op Japans, maar de rare snuiter heeft helemaal geen Japanse trekken. Hij komt langzaam naar me toe, iets weerhoudt me ervan hard weg te rennen. Hij stopt me een envelop in mijn handen. Ik bedank hem snel, leg de envelop in mijn rugzak, bovenop de steen, en wandel verder. Nu ik het huis nader stapelen de vragen zich op. Wat doe ik hier? Wie ben ik? Ik denk terug aan de afgelopen maanden, aan de verwoede pogingen om een pijnlijk afgebroken liefdesrelatie te verwerken in mijn tweede roman, bijna verpletterd onder de druk die een behoorlijk succesvol debuut met zich meebrengt. Ver weg van de bewoonde wereld, in een bos dat betovert, besef ik hoe ik alsmaar cirkeltjes liep, op zoek naar een stem die ik nooit in mijn kleine, besloten wereld had kunnen vinden. Het bos opent zich. De donkere sparren wijken voor esdoorns met betoverende herfstkleuren. Ik kom op een open plek, doorkruist door een grindpad dat me rechtstreeks naar het huis van mijn tante brengt. Het huis lijkt weggeknipt uit de sprookjes waar ik vroeger bij wegdroomde. Ik klop op de voordeur. Na enkele seconden gaat de deur open. Een man begroet me hartelijk, hij stelt zich voor als de advocaat van mijn tante. Hij leidt me naar binnen en biedt me een kop warme koffie aan. Ik neem plaats aan tafel en geef mijn ogen de kost. Het huis voelt op een bizarre manier vertrouwd aan.

Ine Moreels
13 0
Tip

De Hogepriesteres

Veeg die paarse lippenstift van je lippen,Pia. Eén piercing volstaat. Jij hebt dit niet nodig. Je bent mooi,  verknoei jezelf niet. Ik wil mezelf voltekenen. Ik wil een kaart van de wereld rond mijn navel laten tatoeëren. Ik wil gelezen worden. De hele mensheid verdwijnt in mijn schoot. Mannen. Vrouwen. Kinderen. Ze lossen zich allemaal in mij op. Ik adem sterren uit. Het leven is niet moeilijk. Het is duidelijk. Ik heb gewoon nog niet de taal ontwikkeld om uit te leggen hoe het zit. Geef me tijd. Hallo! Zit jij op een andere planeet misschien? Iets voor vier uur. Vince en ik vrijen. Ik open mijn mond om de adem uit mijn lichaam te bevrijden en zie hoe mijn ziel als een wolk engeltjes ontsnapt. Vince hapt de gestrande zielenengeltjes uit mijn hals en vermorzelt ze tussen zijn tanden. Ik kreun, geniet van hoe mijn lichaam uitgeademd wordt. Ik loop leeg. En hij vult me met zijn verlangen. Hij zucht zijn zweet op mijn huid en pompt zijn leven door mijn aderen. Ik verdwijn. Mijn hart klopt in mijn longen, in mijn keel. De sterren spatten voor mijn ogen uiteen. Het is vier uur geweest. We liggen op bed. Onze geslachten staren elkaar bloeddoorlopen aan. Allebei rood verwond door te veel genot. Wapenstilstand. We zwijgen. Ik wil iets zeggen. Ik wil Vince vertellen over het monster dat in mij woont, dat mij soms verscheurt uit onenigheid. Ik wil Vince vragen het uit te drijven. Nog een keer. Vince? Teder verzegelt hij mijn lippen met een kus. Op de straatstenen ligt een hoopje mens. Het is Pia. Ze ligt onbeweeglijk stil om het monster niet opnieuw te wekken. Ze registreert de schade die het heeft aangericht in haar lijf toen ze het gisterennacht heeft willen temmen. Ze wilde het verdrinken in liters alcohol. Ze heeft zijn honger gestild met vergif. Het is kalm in haar hoofd nu. Er is rust. Het monster is verbannen naar een uithoek in haar brein. Het is er nog steeds. Ze hoort het, het ritme van haar hartslag dirigeren met het gebonk van zijn stompe klauwen tegen haar schedelpan. Ze voelt het zijn klauwen scherpen aan haar ruggengraat bij elke beweging die ze maakt. Pia, word wakker Pia. Je moet weer aan de wandel. Je moet me begrijpen. Ik heb jou nodig.  Vandaag ligt het grijs dik uitgesmeerd over de hemel, als een boterham met choco om jezelf mee te verwennen op druilerige dagen. Vandaag laten de regengoden hun pierenverdriet los hangen over de straten . Bij elke stap is het uitkijken voor natte tenen. Een dag om samen iets te doen. Een dag om van elkaar te genieten. Een dag om eens een luchtje te scheppen? Op het marktplein staat een kermis. De koude lucht bevriest de geur van friet en smoutebol. Nog zeven stappen en de kermis tilt Vince en mij op en neemt ons mee. Doldraaiende dynamo’s doen de grond onder onze voeten trillen. Sirenes loeien triomfantelijk boven de beats van de botsauto’s uit.  En we zijn vertrokken! Vince klaart helemaal op. Hij zoent me vol bloemsuiker. Mijn mond is een paarse bloem. Hij neemt mijn hand en troont me mee langs kramen en karren, koningen en narren. We lachen. Ritje maken? Betaal met je leven. Het monster zit in een potsierlijke jurk op Pia te wachten. Haar kolossale hoofd staat krampachtig op haar knokige lijf. Misschien kan haar nek het niet dragen. Misschien bespaart ze de voorbijgangers de aanblik van haar mismaakte gelaat. ‘Fortuna’ licht op in neon boven haar. Jongeman. Wil jij weten wat er voor jou en de jongedame in het verschiet ligt? Zie dat aan! Pia! Walgelijk. Hey, Frankenstein! Vijf euro voor het verhaal van ons leven. De waarheid is niet mooi, jongeman. Fortuna komt maar traag in beweging. Eén voor één laat zij kleurrijke kaarten door haar klauwen gaan. De kluizenaar. De wereld. De hogepriesteres. Haar kaarten liggen in drie stapels voor ons neer. Stilte nu. Ik kan Vince niet aankijken. Hij is niet wie ik ben. Deze vrouw, dit monster. Ze richt haar kolossale hoofd op en zoekt mijn ogen. Ze wandelt bij me naar binnen. Ze heeft mij herkend. Ze zet haar tanden in mijn hart. Ik lees haar waarheid. Ik voel hoe van onder mijn wallen onbedwingbare tranen opwellen. Het zal wel weggaan, hoor ik mezelf tussen tranen door prevelen. Het zal wel weggaan. De wereld zal verdwijnen. In mijn schoot. Iedereen verdwijnt erin. Mannen. Vrouwen. Kinderen. Ik adem sterren uit. En alles zal rust zijn.

Evi Rosiers
124 2

Celeste

Het huis staat alleen, op een open plaats in het bos, ver weg van de drukte van de stad. De routebeschrijving had even goed als volgt kunnen gaan: rijdt u tot het einde van de wereld en slaat u vervolgens linksaf. Voor alle veiligheid volgde ik toch maar de gps van de huurwagen. “Satelliet weggevallen.” zei de mechanische vrouwenstem een vijftal minuten voor aankomst. Ik besloot het erop te wagen en verder te rijden op mijn richtingsgevoel, dat overigens niet zo goed ontwikkeld is. Tot mijn eigen verbazing zag ik even later, aan mijn linkerzijde, een chalet opduiken tussen de bomen. Bestemming bereikt, dacht ik in dezelfde monotone stem als die van de gps-dame.                Vanuit de wagen aanschouw ik de middelgrote blokhout en een vaag gevoel van herkenning besluipt me. Een beetje zoals een déjà-vu. De vrouw die hier woonde, Celeste, bleek een tante van mij te zijn van wie ik het bestaan niet eens afwist. In haar testament had ze laten optekenen dat ze alles aan mij, haar enige familie, naliet. De notaris en ik kwamen overeen dat ik hierheen zou komen om alle papierwerk in orde te brengen. De gedachte dat zij haar laatste jaren hier in alle eenzaamheid had doorgebracht om vervolgens te sterven aan een hersenbloeding, deed me verdriet.                Na een minuut of vijf raap ik mijn moed bij elkaar en wandel ik naar de voordeur. Het gerinkel van de bel klinkt bijna agressief in deze omgeving. Alsof het lawaai van de beschaving een barst slaat in de rust van de natuur. Wanneer er na een minuutje niemand opendoet, klop ik aan. Bang om de sereniteit rondom me opnieuw te verstoren door aan te bellen. Er komt wederom geen reactie. Ik loop rond het huis en tuur langs de ramen naar binnen om te zien of er iemand is. Ik zie geen beweging en besluit terug naar de wagen te gaan. In de mooi verzorgde tuin, staat een grote steen. Hij doet me wat denken aan een miniatuur versie van de menhirs in Carnac. Wat raar, denk ik. Wie zet nu zoiets in zijn tuin? Als bij ingeving wandel ik naar de steen en in de schaduw ervan zie ik een sleutel liggen in het gras. Bingo, gaat het in mijn hoofd en met een gevoel van overwinning wandel ik naar de voordeur en draai de sleutel tweemaal om in het slot. De deur gaat piepend open.                De woonkamer is ouderwets ingericht, maar straalt tegelijkertijd een zekere gezelligheid uit. Een stoffen tweepersoonsbank, een houten salontafel bezaaid met tijdschriften, een haardvuur en her en der staande lampen zorgen voor dat gekende huiselijke gevoel dat enkel oma’s weten te creëren. Op een of andere manier voelt het hier een beetje als thuiskomen.                Mijn oog valt op een grote, witte enveloppe die op de schoorsteenmantel staat. Mijn achternaam in sierlijk handschrift. Geen aanspreektitel, dat is raar, denk ik maar ik geef er verder niet veel aandacht aan. Een begeleidend schrijven van de notaris:                “Hopelijk heeft u de weg naar hier goed gevonden. Uw tante zou wensen dat u het zich naar uw zin maakt. De ijskast is gevuld en u zal zien dat in alle levensnoodzakelijkheden werd voorzien. Ik tref u graag morgenvroeg om 10u05. Indien u problemen zou ondervinden, kan u mij steeds contacteren op het nummer dat u vindt op bijgevoegd visitekaartje.   Tot morgen.     Vriendelijke groeten,   Notaris Chalice.” Ik word dus geacht de nacht hier door te brengen. Plots lijkt de huiselijke kamer dreigender dan voordien en is het alsof de rust van het bos me insluit. Ik voel me bevangen in deze plaats en een deel van mij wil uitbreken, wil schreeuwend naar buiten barsten en ver weg lopen. Naar de rust van het lawaai van de stad, naar de eenzaamheid van de massa, naar de onzichtbaarheid in het gezien worden. Ik ben niet graag alleen met mijn hoofd.                Maar je bent niet alleen, denk ik onbewust. Niet in dit huis. Niet hier. Mijn oog valt op de kop van het opgezette dier dat aan de schoorsteen hangt en mij lijkt aan te staren. Een ree, met stierenhoorns en kleine – te kleine – oren, zoals die van een kat maar dan anders. Gitzwarte kraalogen die me volgen. Die tot in mijn ziel kijken en me zien voor wie ik ben. Het beest is grotesk in zijn surrealiteit. Het zou een creatie van Jeroen Bosch kunnen zijn. Monsterlijk mooi. Onecht en toch pijnlijk aanwezig. Als een lelijke metafoor voor de mensheid in haar zijn. De haren van dit fabeldier zijn zacht op een harde en stugge manier. Ik wil het verder strelen, maar ik wil er tegelijkertijd liever van wegrennen. Een dualiteit die me vertrouwd aanvoelt. Ik wil het dier een naam geven. “Bromius”, zeg ik luidop. “Dat is jouw naam vanaf nu. Ik doop je tot Bromius en noem je mijn vriend voor de nacht.” Aangenaam Bromius, mijn naam is Herbert.   De volgende ochtend word ik wakker onder een van de wollen dekens in de te kleine tweezit. Mijn nek is stram door de krampachtige houding waarin ik gelegen heb en mijn hersenen lijken uit hun pan te willen barsten. De lege fles whisky die op de kleine salontafel staat, vertelt me genoeg over de oorzaak van die hoofdpijn en verklaart tevens waarom ik me na mijn ontmoeting met Bromius niets meer herinner. Het licht moet halverwege zijn uitgegaan.                Een blik op mijn horloge zegt me dat de notaris hier elk moment kan zijn. In een ijl tempo, maar met behoedzame bewegingen, ruim ik de sporen van gisterenavond op. Ik wil niet dat de notaris een verkeerd beeld van me zou krijgen. Bromius lijkt me te volgen met zijn ogen en me te zeggen: “Jij en ik hadden het fijn gisteren. Was het niet leuk om de teugels los te laten, om jezelf te omarmen en te verdrinken in je bestaan?” Ik wend mijn ogen af van deze valse Godheid. Gegeneerd voor de dingen die we samen gedaan hebben. Beschaamd voor wie ik ben.   De notaris komt binnen zonder bellen en ik schrik wanneer hij me aanspreekt. “Juffrouw Stevens, Julie, het spijt me. Ik wilde u niet doen schrikken.”                “Ik denk dat u zich vergist, meneer Chalice. Mijn naam is Herbert Stevens. Ik ben de neef van mevrouw Celeste.” “Het spijt me mevrouw, maar ik versta u niet.”                “Ik zei dat ik denk dat u zich vergist. Ik ben Herbert. Herbert Stevens. Ik weet niet wie Julie is.” Ditmaal diftongeer ik uitdrukkelijk opdat de man me zou verstaan. “Uw tante waarschuwde me hier al voor, dat dit kon gebeuren.” De notaris blijft een poosje stil en ik kijk hem vragend aan. De ogen van Bromius branden nog steeds in mijn rug alsof hij me iets zeggen wil. “U heeft een episode neem ik aan.                “Ik vrees dat ik u niet helemaal begrijp, meneer Chalice.” “Oh meisje, het spijt me, maar ik versta niets van wat u zegt. Uw tante vertelde me dat u soms in tongen praat en dat enkel de Goden u dan verstaan.” Onbewust werp ik een blik op Bromius. Wetende of hopende dat hij me zou verstaan. “Bromius”, zegt de notaris en ik kijk hem aan. Hoe weet hij dat ik mijn vriend die naam heb gegeven? “Eén van uw meest meesterlijke creaties en tevens uw tantes favoriete. Even lelijk als hij mooi is zei ze altijd.” Zoals ik, denk ik. Dat zei ze ook. Tegen mij. Dat mijn ziekte even lelijk is als ze mooi is. “Een gave vermomd als een vloek.”, suste ze dan. Ik herinner me haar. Ik, mijn naam is Julie, denk ik. “Meneer Chalice?”, mijn stem klinkt anders nu. Hoger. Hij kijkt op, glimlacht en zegt: “Zullen we dan maar snel de papieren ondertekenen?”

Sara
0 0
Tip

Witte leugens

Twee silhouetten zitten tegenover elkaar aan de eettafel. Man en vrouw. Hun hoofden zijn naar beneden gericht, druk bezig hun gekookte aardappelen met mayonaise in de ogen te kijken. Het is een scène die ik al door duizend-en-een verschillende ramen heb aanschouwd. De avond is mijn favoriete moment. Dan ontvouwt zich een podium dat baadt in het artificiële, vaalgele licht, en kan ik ongestoord binnengluren. De vrouw richt haar hoofd op naar de schim aan de overkant van de tafel en opent haar mond. Ze zegt wat. Met hangende schouders die bijna in haar bord vallen, wacht ze een reactie af. De man geeft haar een korte blik, een knikkend gebaar en een paar woorden terwijl hij met zijn vork werktuiglijk in het bord wroet. Zijn kaken malen als een lopende band. Dit is het punt waarop de vrouw haar man vraagt of hij het lekker vindt, en waarop de man liegt wat hij elke avond liegt. Iets in de trant van 'Heel lekker, schat'. Het superlatief durft wel eens te variëren, en aangezien mijn lipleesvaardigheden nog niet op punt staan is het ook in dit geval wat giswerk – maar van die 'schat' ben ik vrij zeker. Soms is het ook ‘lieveke’, 'bolleke', of 'zoetje'. Maar meestal ‘schat’. In ieder geval zo'n koosnaampje met een dikke kwak mayonaise. Een kwak die bedekt, doorweekt, doordrenkt, tot er enkel een kleffe brei overblijft. Ik walg, maar ik kijk verder. Zoals altijd. Elke woonkamer en elk raam lijkt net een andere vaalgele tint te hebben. Het is een beetje zoals Tolstoj zijn Anna Karenina opende: "Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier." Ik zou het liefst van al met een kopie van dat boek hun raam aan diggelen willen gooien, hen bij de haren nemen en hen pagina voor pagina laten zien wat ongeveinsde emoties en authentieke identiteiten zijn, en hoe je nuances en variaties kan aanbrengen in gevoelsbeleving. Maar ik blijf toekijken. Net zoals dat boek geschreven en gelezen moet worden, moet ik mezelf ook voor dit drama zetten. Dus ik verstop me wat verder in mijn kraag, trotseer de donkere kou, en staar recht vooruit. De avond is nog steeds jong. En wat zou ik in godsnaam anders moeten doen?    

Tom Keysers
216 6

Op de Sparta naar Loenhout

             Toen Lex, honderdvijfentwintig kilogram, toekwam bij zijn vriend Patje werd er ten huize Baelus druk gediscussieerd over welke brommer hij mee mocht nemen. ‘De kwetter’ van Moe was een optie. Dit Flandriake haalde makkelijk 65 kilometer per uur. Moe had maar één long dus fietsen ging niet meer. Na veel gezever viel de beslissing: Patje en Lex mochten de Sparta meenemen. Die had drie handvitesses en het was een okkazzieke. Patje had hem gekocht van de zoon van boer Mertens. ‘Die pak ik wel over en lap ik wel op,’ had hij gezegd. Een grote hindernis op weg naar café ‘den Boemel’ was de brug over de snelweg. Lex moest altijd afstappen als ze de brug wilden oprijden want het brommerke ‘trok dat niet’. Bovenop de brug nam Lex terug plaats.             In het café werd er veel gedronken, goed gelachen en er werden straffe verhalen verteld. Plots flitste er een rat vliegensvlug langs achter de frituur van dikke Guy buiten recht het café binnen. Chantal, de cafébazin, begon afgrijselijk te gillen en liet van ontsteltenis een glas vallen. Patje en Lex konden er wel om lachen. De rat verdween, via de toiletten, maar kwam via het keukentje achter den toog weer tevoorschijn en repte zich hals over kop via de voordeur van het café richting pita-bar Abu Simbel twee deuren verder. Ook daar veel geroep en getier. Chantal was wel opgelucht na al die commotie en reageerde: ’Da’s goed voor ene keer. Tegen dikke Guy zal ik mijn gedacht wel ne keer zeggen.’ De Laenen ging van opwinding en zattigheid naast zijn kruk zitten. ‘Ik ga straks toch nog een frietje steken.’ zei Lex. Patje kon de racistische praat niet laten: ‘Die rat zal wel content zijn daar bij Abu Simbel. Die komt niet van bij dikke Guy. Die zit bij Selda uit Irak.’ Chantal mopperde: ‘Patje, ander onderwerp want ik heb geen zin in uw gezaag.’ Gelukkig zat Dennis ook aan de toog en die wist te vertellen dat hij een nieuwe caravan had gekocht. ‘Ik heb er wel veel problemen mee gehad. Als ik het kraantje in het keukentje openzette, begon het toilet te lopen en andersom. Er zat een darmpke verkeerd.’ Hij schuifelde wat op zijn kruk en dronk nog wat van zijn trappist. ‘Iets later stond de schuif met bestek onder de poembak vol water. Er zat een ander darmpke verkeerd. Vloeken jongen, vloeken heb ik gedaan.’ Chantal die wat glazen afdroogde, vroeg: ‘En ben je er al mee weg geweest?’ ‘Zeker!’ zei Dennis. ‘Naar Hühnerscheid. Da’s niet ver van Bastogne. Slecht weer gehad. Ons Kelly was vergeten greppeltjes te graven. Ook wat gezever gehad met het gasvuur. Ineens een steekvlam van wel drie meter. Bijna heel de voortent weg. Da’s nylon, hé. Veel geluk gehad. Er zat een darmpke geplooid.’ Lex en Patje begonnen te lachen. Dennis ging onverstoorbaar verder: ‘Met den deze moet ik wel naar de keuring, want die weegt meer dan zeven honderd kilogram. Hij is wel veel beter dan dat Rapido plooicaravanneke dat ik heb gehad.’ Ondertussen was het half één ’s nachts en de twee vrienden zeiden: ‘Nog ene Chantal. Dan is het weer mooi geweest.’             Rond 01.45 stapten Patje en Lex op de brommer om terug te rijden naar Rijkevorsel. Als groot obstakel op hun weg naar huis nog steeds die vervelende brug. Patje kwam boven en realiseerde zich plots dat hij wel tot boven was geraakt zonder dat Lex was afgestapt. ‘Allez, nu geraak ik die brug wél op.’ dacht hij stomverbaasd. Er klopt iets niet. Hij keek achterom en zag zijn vriend niet. ‘Waar is de Lex?’ Er zat niks ander op dan terug te keren richting Loenhout. Anderhalve kilometer na de rechtsomkeer zag Patje zijn vriend tegen een boom zitten. ‘Ik zen er afgevallen,’ wist Lex beteuterd te vertellen. Een halfuur later arriveerden de twee vrienden ten huize Baelus waar ze alsnog het zoveelste pintje dronken.                                                                  

Hubert Grimmelt
16 0

Moment des arts

met mijn ogen toeluister ik naar zijn ademhalingzwoel zwelt de nachtluchten ik denk aan al mijn liefdes in deze stad   met zijn ogen toespeelt hij met zijn gevoelbij een adempauze kijkt hij naar de volle maan - naar meerkijkt dan vanop de berg naar de kunst achter zijn rug: Brusseldan naar de oprijzende moerasoevers voor zichtrappen waar passanten arm in arm, hand in hand, hand in haarop Mont des Arts op dat moment - een hoogtepunthun blik nog even laten zweven over de benedenstad   een zilveren gloed vloeit over het gouden midden van het panoramavan koper is de soundtrack die hij met zijn ademtochten speeltvoor vele levens vanavondof we nu klimmen of dalen   ik ben de avond daarop rond hetzelfde tijdstip teruggegaanom hem meer te gevendan de munten die ik de avond voordien in mijn portefeuille vondwe herkenden elkaar'je suis revenue pour vous remercier''merci'we glimlachten magnetischeen jongeman danste naar ons toehij bonsde met zijn rechterhand op zijn hart, mouvement du respecten legde tien euro in de instrumentenkoffer, geste doréwij drie met onze handen op onze harten op de trappen waar passanten arm in armgenoten van dat moment des arts onder de volle maan   van zijn mond gleed naar zijn hals een tedere trilling - zo ontstaat het geluid van saxofoonde muzikant blies sterren de stad inze stijgen verder naar het bovenmaanse   ik heb het hem gevraagd en zijn naam en waar en wat hij het liefst en hij zei'op deze hellingmet de lucht tussen onsals ik ze tussen mijn lippen perskan ik mijn onderdak betalen'   in Brusselzwelt zwoel de nachtlucht vol sax

Jill Marchant
0 0

Die vluchtige zomer

Hoe vluchtig was die zomer Als een zuchtje in de herfst Drie hittegolven zei de weerman Ik trek een warme trui aan Te weinig water stond in de krant Ik neem een glas water van de kraan Niets gebeurt op politiek vlak Alleen revoluties brengen politiek Weer een kat vermist En de asielen zitten bomvol Net als de wegen, de steden, het openbaar vervoer Als heel de aardkloot eigenlijk Want niemand woont in de oceaan Water genoeg daar Maar we hebben liefst iets zoetigs Om onze tanden kapot te knabbelen Op kosten van de sociale onzekerheid Om nadien tien vegi kookboeken te kopen Dieet 363 te volgen En de maand nadien een nieuwe kleerkast Want weer een maatje bij Zolang ze maar geen vreemd kleurtje hebben Ik vind wit een vreemde kleur Zolang ze niet anders zijn Mijn spiegel schrikt zich elke ochtend te pletter Besef Als de linkshandigen beginnen rechts te schrijven Is hun laatste pennentrek nader We gaan iets voor het klimaat doen Elektrische boten in Amsterdam Ze gaan varen met 300 miljoen Chinezen Die voor het eerst een monovolume kopen Fijn in gangnam style het milieu … verder om zeep helpen Moet er nog een iFoon, e-auto of tablet zijn Nikkel, mangaan en kobalt Kom gerust langs in Congo Lieve Belgen en Chinezen Ontgin het, steel het, verkoop het Laat de kinderen putten graven Twintig meter diep Kinderen en ertsen genoeg Vooruit met die plundering Want de zomer was weer vluchtig En lithium wacht op ons Made in Chili en Australia Een half miljoen ton Voor minder komen we niet langs Want we hebben het druk Met het plunderen als kolonisten Van elke Afrikaanse bodem En onze dieetboeken zijn reeds tweedehands Zo vluchtig als die zomer   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
0 0

Wat is jouw missie?

In Amsterdam heb ik wortels. Elke vezel in mijn lichaam bevestigt dit terwijl ik langs de grachten en de trapgeveltjes slenter. Hier voel ik het verleden van mijn oma, mijn overgrootmoeder, mijn grootvader. Hier schilder ik het beeld van mijn familie uit lang vervlogen tijden.   Hier werd mijn oma geboren in 1900. Een millennium-kind. Hier heeft zij de 'roaring twenties' beleefd, haar dromen als mode ontwerpster gevolgd en liefde gekend. Op deze plek heeft zij gewonnen en verloren. De kille oorlog sneed de pas af van velen. Ook die van haar.   Op een dag was haar atelier dichtgetimmerd. Ja, haar klanten waren Joods. En die rotmoffen, zoals ze toen smalend genoemd werden, maakten alles stuk. Ook dat deel van mijn verleden. ‘Wat als…’ denk ik vaak. ‘Wat als’ ze haar bedrijf verder had kunnen uitbouwen zonder de oorlog. Wat als ze haar succes als mode ontwerpster verder had kunnen ontplooien. Grote namen als P&C, C&A, en vele anderen, waren haar vast cliënteel.   Als de oorlog niet zo wreed was geweest, was ik de kleindochter van een grote mode ontwerpster. Helaas werd die droom haar ontnomen. Meer dan eens. Soms draait het leven zo. Sommige dingen hebben we niet in de hand. Nu leven we in een tijd dat iedereen zijn of haar leven zelf in de hand neemt. In alle geuren en kleuren wordt dit luidkeels verkondigd in magazines en zelfhulpboeken.  Zelfontplooiing en je eigen leven in de hand nemen is nog nooit zo populair geweest. Als je voor de kost wc’s schoonmaakt, word je argwanend bekeken: ‘werk jij wel genoeg aan je zelfontwikkeling… Je kan vast méér dan dat’,  zijn de vragen die dan als een zwaar hangijzer in de lucht hangen. En ja, voor een groot stuk zijn we zelf verantwoordelijk voor hoe we onze talenten gebruiken. Maar wat als er weer een oorlog uitbreekt? Wat als het klimaat een loopje met ons neemt en ook in onze contreien rampen veroorzaakt? Wat als ons vaderland zoveel schulden maakt dat inflatie onvermijdelijk is? Wat dan met onze zelfhulpboeken? Misschien krijgt een wc poetsen dan weer een frisse dimensie en krijgt de schup weer een waardige plaats. Dan is er plots geen ruimte meer voor al onze foliekes over je passie of missie volgen. Nee, dan is het overleven geblazen. Misschien moeten we dan gaten graven om lijken te bergen of vechten voor een hap eten.  Dan zullen onze overlevingskwaliteiten en ons 'basic instinct' de dans bepalen...  

Heidi Schoefs
24 0