Zoeken

Zeven zonden

Wandelweekend dag 3 Ze zijn terug thuis in de Vlaamse Ardennen. Ze ligt in bed, hij kruipt erbij en knipt het licht uit. Zo onverwacht. De routine om te lezen in bed doorbreekt hij zelden, maar als hij het doet wordt ze meteen stil. Ze luistert, voelt en kijkt in het duister. Hij ligt op zijn rug, zijn handen gevouwen. Er is rust. Hij lijkt te wachten. Ze denkt aan gisteren, aan de abdij en de pot met erwtjes die op tafel stond. Hij vroeg of ze echt waren en wou ze mee naar huis om te laten groeien. Ze nam er zeven uit het potje en stak ze in zijn borstzak. Hij vroeg of het wel genoeg was, of ze er niet beter 70 meenam of het hele potje. Ze zei: je hebt gelijk, de kans dat ze allemaal groeien is klein. Dus stak ze er nog zeven in haar broekzak om de kans te verdubbelen. Ze begint zacht te praten. Vraagt of hij weet waarom ze zeven erwtjes nam. Mijn zeven zonden, vraagt hij. Nee, dan had ik er toch zeventig meegenomen zoals je voorstelde antwoordt ze al lachend. Jij bent diegene die al lang niet meer te biecht is geweest reageert hij. Ik wou anders vandaag wel, kaatst ze terug, maar je durfde mijn biecht niet afnemen. Het is wel een kerk, die fantasieën van jou kunnen echt niet in een kerk, zegt hij alsof hij altijd de heilige is geweest, en daarbij het gaat nu toch niet, ik kan en wil het niet. Dat begrijpt ze.  Dan vertelt ze zacht dat hij haar op de zevende voor het eerst gezoend had en dat zij op een zevende verjaart en zeven altijd haar lievelingsgetal was, samen met drie en éénentwintig. En dat ze naarmate ze ouder werd ontdekte dat haar lievelingsgetallen ook magische getallen waren. Hij zegt dat zijn lievelingsgetal drie was en hij op een derde verjaart. Zij zegt: dan moeten we misschien op een éénentwintigste trouwen, maar het jaar dertig zal te vroeg zijn met al die blokkades van jou, we zullen het jaar zeventig nemen, tegen dan weet je het misschien wel. Hij lacht. Hij wacht even, dan veert hij recht en neemt zijn telefoon. Hij wil weten waarom het magische getallen zijn. Hij leest voor. De uitleg is passend voor wie zij zijn. Ze wordt slaperig en brabbelt nog: drie en zeven, het kan geen toeval zijn, we passen gewoon. Ze denkt aan de erwtjes in haar broekzak. Morgen moet ze die een veilig plaatsje geven. Mijn erwtjes ben ik kwijt, zegt hij droevig, en ik weet precies waar: bij de boomstronk waar we gerust hebben. De wandeling vandaag ging eerst weer door het bos. Het was koud, maar zonnig. Zij deed een sjaal aan, maar was meteen aan het zweten. Hij vroeg om het half uur of hij haar rugzak niet moest dragen en wist dat ze nee ging zeggen en dan volgde zijn hoofdschudden en een omhoog getrokken mondlijn omwille van haar koppigheid. Ze vond die mondlijn fijn. Die veranderde samen met zijn ogen naargelang zijn gemoed. Na een goed uur wandelen kregen ze aan de rechterzijde de weidsheid van de hoge venen te zien. Prachtig vonden ze het. Hij deed zijn hemd uit en legde het op een boomstronk om te gaan zitten turen in de verte. Zij ging naast hem zitten. Ze vertelde over haar angst van vleesetende planten en afgevroren voeten als je vast kwam te zitten in de venen. Hij deelde zijn herinneringen uit zijn kindertijd. Hij ademde diep in en zei dat hij zo graag in vrijheid en weidsheid wou leven, maar zo vast zat en geen uitweg zag. Zij wreef over zijn rug. Ze begreep hem. Bij het opstaan vielen de erwtjes uit zijn hemd, daar in niemandsland, zij waren wel ontsnapt om in de lente uit te breiden, in alle weidsheid en vrijheid, net als hun liefde.  De erwtjes liggen daar perfect zegt ze. Ze zoekt zijn hand en valt in slaap. 

Fien SB
27 2

Over de helft

Wandelweekend.  Door miezerige regen een bospad 400 meter afdalen over een lengte van enkele kilometers. Even een stop in een dorpje om binnen te gluren in het leegstaand gasthof waar hij 40 jaar geleden met zijn vader kwam.  Zou dat vrouwtje nog leven? Wellicht wel, want het interieur is nog exact hetzelfde.  Zij stapt het toeristisch kantoor binnen, hij de kerk. Hij komt buiten met een rugzak vol kaarsen. Ze lacht. Eén of twee waren blijkbaar niet genoeg, de komende jaren kunnen we nog veel hulp van hierboven vragen. Heerlijk vindt ze de trekken van zijn mond en zijn pretoogjes op zo'n momenten! Ze gaan verder door het bos, helemaal naar boven nu, tot het plateau. De kilometers die volgen zijn een verademing na het gesloten bospad. Die weidsheid. Geelgroen wintergras, hier en daar kleine groepjes naaldbomen. Hij kijkt vaak naar haar, neemt haar vast. Haar hoofd is leeg, haar hart vol. Er is rust.  Ze eten iets en lachen met elkaar. Als ze terug verder lopen voelen ze de stijfheid in de benen. Zij overdrijft wat, hij lacht. Ze zijn over de helft. Ze vraagt zich af hoe het er uitziet als de brem in bloei staat. Hij vertelt over everzwijnen en over hun overwinning op beroepsmilitairen tijdens een oefening in het leger. Ze kijkt hoe hij bovenop een vervallen bunker kruipt en neemt een foto van hem rechtopstaand in de winterlucht. Ze houdt van die man.  In het verlaten dorp wordt ze niet overspoeld met gedachten aan de wereldoorlog. Ze krijgt niet dat luguber gevoel waar ze voor vreesde. Nee, in de kerk overvalt haar plots weer dat verdriet. Haar nichtje die het leven verliet. Het beeld van een trein. Haar lach die ze nooit meer zou zien. Eén, twee, drie, vier tellen inademen, vasthouden en weer uitademen. Nu niet huilen. Hij fotografeert haar, ze ziet het niet. Had ze maar een pen, dan kon ze hier wat voor haar neerschrijven op de gedenksteentjes.  Ze gaan verder, door struikgewas naar beneden, naar de kazerne waar hij sliep. Ze ziet de foto's weer voor zich. Hij in een kamer met zijn mooie kont voor de grap ontbloot, hij met baret naast zijn kameraden, hij in camouflagepak. Ze was toen vast ook verliefd geworden. De weg tussen de kazerne en de auto is lang. Ze hebben 18 kilometers in de benen. Vroeger was dit niets, maar het afgelopen jaar was zwaar en de wandelingen licht.  Ze huppelt en zwaait haar armen los. De laatste snokskes vraagt hij.  Terug bij de auto aangekomen omhelzen ze elkaar. Wat een mooie eerste dag!  

Fien SB
16 2

Sounds of Soundos.

De hele week las ik over haar en over hem, over de vurige discussie, over haar melding en zijn fout. Over haar cijfers en zijn vriendinnen. Over haar, over hem. Ik hoorde haar geroep, ik zag zijn onhandigheid. Ik zag haar fluo haaknagels, ik zag zijn achteruitdeinzen. Ik hoorde en zag sounds of us; journalisten en specialisten die de discussie gingen ontleden. Ik las de schrijvers met een mening of een poging tot inname van een standpunt. Heb ik een standpunt? Dat vroeg ik me af. Ik voelde me aangetrokken tot hem, niet tot haar. Haar geroep en getier had ik gezien, ik had daarachter verdriet vermoed. Ik had zijn opmerking niet fout gevonden. Ik had zijn lach niet ontwapenend gevonden.  Ik zocht het midden, zag de kampen, ik wilde noch rechts noch links. Als buitenstaander zocht ik het midden. Stond ik er echt buiten dan? Ging die onveiligheid dan aan mij voorbij? Ik, die erin was opgegroeid? Kon ik iets zeggen over die onveiligheid? De viespeuk in de auto met zijn ontbloot geslacht is een vage herinnering. De verkrachting in dat hotel is slechts een vage herinnering, en toch werd ik verkracht door mijn toenmalig lief die gedrogeerd wilde krijgen wat ik moest geven en dat toch niet deed. Kon ik iets zeggen over mijn vader die me nooit betaste maar wel bekeek; heel subtiel met zijn ogen onder mijn rok naar mijn tienerbenen. De hele week las ik over hem, over haar, over de verhitte discussie. Ik dacht aan dit beeld (zie foto) het werk van Mark Manders. De krop, de keel, woorden om uit te breken. Ik dacht aan de mannen die de vrouwen angstig maken, de verhalen van meisjes die slachtoffer werden aan meisjes die het nooit wilden worden. De serie over de serieverkrachter Sambre. De woorden van mijn moeder die slachtoffer werd van het geweld van mijn vader. Daar dacht ik aan, aan die angst waar ik nog niet volledig van bevrijd ben. Ik hoop maar dat de sounds of Soundos niet méér meisjes bang zullen maken want tegen de cijfers geen enkel argument. Zijn er cijfers van meisjes die van hun angst afraken, en hoe deden ze dat? Ik hoop maar dat de sounds of Bart veilig aanvoelen voor zij die met angsten kampen. Ben ik nu toch langzaamaan richting één kamp aan het redeneren? Ik wil niet links, niet rechts. Ik wil het midden. Ik wil mezelf, alle vrouwen veilig. Ik wil de mannen met viezigheid in hun hoofd, de mannen met slechte plannen in hun hoofd in het midden van het plein, op een podium op het plein, met zeer luide woorden die zij uitspreken, geen getier en geroep maar oprecht en beschaamd horen zeggen wat er mis loopt in hun hoofd. Ik wil ze horen zeggen dat ze het zelf vreselijk vinden, dat ze willen ophouden, dat ze vrouwen veilig willen, dat ze niet meer en nooit meer, dat ze berouw hebben, dat ze vrouw willen zijn om te voelen wat het is een vrouw te zijn, dat ze opnieuw mens willen worden. Ik wil ze in het midden van het plein of in de lotto arena; alle mannen die in hun leven vrouwen een onveilig gevoel hebben gegeven. Ik wil ze horen zeggen dat ze dan zelf onveiligheid hebben ervaren, dat ze zich niet geliefd en gewenst hebben gevoeld. Ik wil ze horen zeggen dat ze het niet voelen, niets voelen en opgesloten willen worden, gestraft willen worden. Dat iemand (een beul) met een hakbijl hun geslacht mag maaien. Dat moet toch kunnen.  Heb ik nu een standpunt waar ik me goed bij voel?

Ingrid Strobbe
6 0