Zoeken

Sneeuw

De sneeuw kraakt. Na een aantal stappen bereikt het haar binnenste en komt ze tot rust. Ze blijft staan en ontspant. Het is zo mooi. Kon hij dat ook maar zien. Maar hij ziet en voelt niets meer. Hij zei vanmiddag wel “ja” als ze opmerkte hoe mooi het was, maar het was die ja die haar de voorbije maanden steeds weer die pijn in haar buik bezorgde. Emotieloos. Hij, de man die vorig jaar één en al emotie was en haar muur voorzichtig steen per steen heeft afgebroken zodat haar emotie helemaal vrij kon komen. Nu zat hij zelf al 3 maanden achter een muur met hier en daar een kleine opening, net voldoende om te overleven. Het maakte haar intens verdrietig. Dus had ze de rest van de wandeling alleen verder gezet terwijl hij huiswaarts ging. Ze moest nog wat kunnen ademen. Haar hoofd stond onder spanning. Spanning doordat hij stil was. Ze hield van stilte, als kind al. Maar dan wel een rustgevende stilte. En rustgevend was het de voorbije dagen niet. De stilte voelde geladen. Het maakte haar onmogelijk om nog te genieten. Ze wist dat het niet goed zat, dat hij zich niet goed voelde. Ze voelde dat hij alleen wou zijn. Dat hij leeg was. Ze wou dat hij ook leeg bij haar kon komen. Maar dat lukte hem niet. Als hij leeg was wou hij haar niet. En als ze toch probeerde dichter komen verweet hij haar dat ze hem geen rust gaf. Ze begreep het wel, dat ze voor extra druk zorgde. Eigenlijk wilde zij de leegte en emotieloze toestand een stap voor zijn door hem het signaal te geven dat hij over zijn grenzen ging. Maar het lukte haar niet, zodra ze het opmerkte ging hij in de aanval of verdediging. Dus zei ze vaak niets meer. Ze liet hem doen. Ze liet hem afdwalen. En dan als het te lang duurde probeerde ze hem terug te halen omdat ze ziek werd van hem zo te zien worstelen. Soms lukte dat, maar de voorbije maanden had hij steeds meer uitgesproken dat hij een relatie niet meer zag zitten. En daarom liep ze nu alleen door de sneeuw. In de zomer had hij voor het eerst echt open met haar over de bipolariteit gepraat. Hij had uitgesproken dat hij hoopte dat ze op termijn konden voorspellen wanneer het de foute kant op ging om te voorkomen dat het extreem werd. Maar dat was in een helder moment. Zodra die heldere periode voorbij was kon ze zoveel voorspellen of signaleren als ze wou. Hij hoorde het niet. Integendeel, zij werd plots de bedreiging, de oorzaak van alle ellende, de verstoorder van zijn rust. En die boodschap meermaals per week horen had haar onzeker gemaakt. Het had haar adem afgesneden, haar buik verkrampt en haar brein oververhit. De sneeuwvlakte onder een stralend blauwe lucht gaf opnieuw zuurstof. Haar gedachten konden weer rustig vloeien in plaats van de kolken. Ze had echt alles geprobeerd, alles wat hij haar gevraagd had. Maar hij probeerde het nieuwe leven waar hij zo naar uitkeek met haar op te bouwen en tegelijk nog het oude in stand te houden. En dat lukte niet, want die twee levens stonden haaks op elkaar. Ze herkende het. Ze had ook jaren gezocht en geworsteld, maar ze bleef vasthouden aan alles wat ze kende. Natuurlijk lukt het dan niet om je leven een andere wending te geven. Natuurlijk blijf je dan vastlopen. Maar nu had ze wel gedurfd, ze had alles overboord gegooid en de toekomst die ze wou lag voor het rapen. Ze kijkt naar haar voeten die stap voor stap een spoor vormen en die cadans zorgt voor ruimte in haar hoofd. Af en toe roept ze de hond eens terug naast haar om te zorgen dat hij niet te veraf dwaalde. Zo kan ze op tijd ingrijpen wanneer hij onder de sneeuw toch een spoor van een fazant of haas te pakken krijgt. Maanden ervoor had ze voor het eerst gezien hoe een goede jager het was. De parelhoen zat in zijn muil. Ze had even gegruweld bij de gedachte dat het dier dood was, maar hij, de man van haar dromen had in al zijn rust en snelheid de parelhoen vanuit de muil van de hond bevrijd. Wat was ze verliefd op die man. En hij wist het, hij had het gevoeld, hij had ervan genoten, hij had eindelijk hoop op een beter leven. Maar plots was haar liefde een last geworden en had hij haar weggeduwd. Hij had gezocht naar een reden, maar geen enkele had haar overtuigd omdat hij zichzelf tegensprak. Op de duur zocht ze zelf een reden omdat het gemakkelijker zou zijn om hem los te laten. Ze begon zichzelf wijs te maken dat hij haar nooit mooi of aantrekkelijk had gevonden, dat hij haar eigenschappen eigenlijk niet bijzonder vond, dat hij gewoon verliefd was geworden omdat zij verliefd was op hem. Maar ook dat klopte niet, want hij had hààr veroverd. Dus ze wist dat ze niet anders kon dan aanvaarden dat het zijn verleden was die de kloof had veroorzaakt. En dat was moeilijk, want vechten tegen een verleden dat niet het hare was, hoe moest ze daaraan beginnen? Een kleine witte auto met een schattig meisje met bril aan het stuur komt de helling opgeklommen. Ze gaat even aan de kant met de hond. Als de auto zou slippen zouden zij veilig staan. De hond verliezen zou hij niet te boven komen en zij zou het zichzelf niet vergeven dat ze onoplettend was geweest. Ze vraagt zich af of dat meisje naar haar werk rijdt. Zelf mistte ze haar werk enorm. Het was nu bijna een jaar geleden dat ze haar ontslag kreeg. Het museum was haar eerste werkplek die als thuis aanvoelde. Het was ook de plek waar de liefde was ontstaan. Die magische werkplek achterlaten enkele maanden nadat ze haar gezin had in de steek gelaten om met hem een nieuw leven te starten was zwaar geweest, misschien wel te zwaar had ze deze week bedacht. Zelf was ze nooit met de auto gaan werken. Waar ze 45 jaar gewoond had zat ze vlakbij de stad en alles was te voet of met het openbaar vervoer bereikbaar. Maar hier moest ze wel terug leren rijden. En hij was erin geslaagd om haar zelfvertrouwen terug op te bouwen. De laatste weken vond ze het zelfs opnieuw fijn om met de auto te rijden. De angst was weg. Ze stapt verder en kruist een oudere man. Ze zeggen elkaar goedendag. Eigenlijk zou ze wel willen praten, want ze kent hier nog niemand. In haar vroegere thuis kwam ze om de haverklap wel iemand tegen waarmee ze een praatje kon maken. Maar de man ziet er niet aanspreekbaar uit. Dus loopt ze verder naar beneden en dan linksaf en terug naar boven. Die weg hebben ze deze zomer samen gelopen. Ze dacht dat ze het nooit zou uitlopen in die hitte, maar het lukte. Lopen was iets wat ze nooit wou doen. Ze zag het plezier niet. Haar broer, zus en schoonbroer liepen marathons, maar zij was altijd gewoon een wandelaar geweest. Hij spoorde haar aan om het eens te proberen en het beviel haar zo erg dat zij uiteindelijk diegene was die vroeg om te gaan lopen. Maar na een paar keren kwam daar ook een einde aan. Hij schrapte alles: boksen, lopen, culturele uitstapjes, uitnodigingen bij vrienden. Hetgeen overbleef waren verplichtingen: de zorg over de kinderen, het werk, verbouwingen en wat tijd voor de relatie. En dat was wat haar zorgen baarde. Dat tijd voor de relatie de voorbije maanden ook als opgave werd gezien. Dat hij niet meer zag dat dit misschien nog het enige was waar hij evenveel of meer bij terugkreeg dan hij erin stak. Ze wist dat hij te diep was gegaan en ze voelde haar mislukt dat ze het niet had kunnen tegenhouden. Het enige wat ze nu kan doen is zichzelf niet verliezen. Ze is gevoelig aan sferen. Te lang in de buurt van depressieven of nee-zeggers of pessimisten kan het licht uit haar ogen halen. De sneeuw is er echt wel op het juiste moment. Al drie dagen zorgt het steeds weerkerend proces van dikke vlokken en dan weer een helblauwe lucht voor hoop, een houvast. Haar leven had er anders uitgezien hadden haar ouders hun hart gevolgd. Maar haar ouders waren twijfelaars, uitstellers. Ze herinnert zich nog hoeveel keren ze op het punt stonden hun leven om te gooien. Op een avond zat daar een vreemde man met foto's en een kaart aan de livingtafel. De avonden erop werden alle pro's en contra's opgelijst. Zij was een jaar of 14 en probeerde zoveel mogelijk info mee te pikken. Het ging over een huis in Carcasonne. Ze snapte het allemaal niet goed. Waarom zouden haar ouders nu plots naar daar verhuizen en niet naar de bergen? Was het iets zoals een paar jaren eerder toen het aanbod kwam om een functie in Afrika te gaan uitoefenen? Nee, daar had het niets mee te maken. Hoe gingen ze dan werken vroeg ze zich af. De plannen werden van tafel geveegd net nadat zij toch een beetje enthousiast was geworden. Niet veel daarna kwamen de zwarte jaren. Er werd niet meer gesproken over naar de bergen verhuizen. In de plaats daarvan zaten bankdirecteuren aan de livingtafel en werd alles in het werk gesteld om de woonst en het buitenverblijf aan de kust uit handen van de deurwaarders te houden. Ze wou graag verder studeren en ging een studielening aan. In de weekends werkte ze en de eerste maanden loon van haar allereerste job in Antwerpen ging naar de afbetaling van de studielening. Het faillissement van haar vader, de problemen met haar zus en broer en de zorg over haar grootmoeder zorgden er uiteindelijk voor dat haar ouders nooit hun droom waarmaakten. En toen in 2020 haar moeder door een trombose volledig hulpbehoevend werd verdween ook de droom om veel te reizen achter slot en grendel. En nu waren het haar ouders die haar motiveerden om haar hart te volgen. Haar ouders die altijd hard gewerkt hadden en luiheid afgekeurd hadden zeiden nu dat ze op het werk niets moest bewijzen, dat ze er toch niets mee ging winnen. Dat ze haar tijd beter stak in profiteren, verlof nemen waar het kon, niet teveel verantwoordelijkheden nemen en meer voor zichzelf in plaats van voor een ander zorgen. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als ijverigheid, verantwoordelijkheid en naastenliefde er met de paplepel ingegoten werden of aangeboren waren. Als kind hadden maatschappelijke problemen haar al wakker gehouden. De enige momenten waar ze echt helemaal tot rust kwam waren de twee weken paasvakantie in de bergen en de twee zomermaanden aan zee. Op die momenten kon ze ademen en in alle rust alles verwerken. Ook daarom was ze zo gelukkig toen ze iets meer dan een jaar geleden voor het eerst bij hem thuis kwam. Een huis op een helling met zicht op de lichtjes van de stad, een bos naast het huis en overal in de omgeving weiland en hellingen. De bergen in het klein. En een man waar ze met elke vezel van haar lijf van hield omdat hij voor haar simpelweg perfect was. Hier en met hem zou ze beter ademen. Haar rondje is uit. Ze gaat het huis terug binnen. De haard brandt. De avond valt. Straks verschijnen de lichtjes in het dal. Morgen is een nieuwe dag. En als ze opstaat en de living binnengaat, dan is daar die geur van 40 jaar geleden in haar favoriete huis in de bergen. Ze begrijpt er niets van, hoe die geur hier geraakt is. Maar waar die geur is, daar is haar thuis.            

Fien SB
42 2

Leven met twee polen

Zij ligt buiten in de hangmat, hij boven in een donkere kamer.Ze krijgt een sms of ze even bij hem wil komen liggen.Hij voelt zich doodop en is bang dat hij doodgaat.Ze streelt hem tot hij weer rustig is.Wat houdt ze van deze warme bijzondere man.En hoe boos is ze op diegenen die van hem misbruik gemaakt hebben.Al weken stroomt de liefde van de ene naar de andere.Teder, intens, echt. Een paar dagen later vraagt hij om een valies te maken voor 3 dagen.Ze vertrekt vol spanning, enerzijds nieuwsgierig, anderzijds angstig.Verrassingen zijn voor haar altijd dubbel.Wat als ze hem teleurstelt? Wat als ze bang is? Wat als ze niet goed genoeg is?Na enkele uren staan ze in de Ardennen bij een prachtig kasteel.Hij is weer zijn schattige onzekere warme zelf bij aankomst en zij is verliefd. Hij staat in de kasteeltuin en staart naar boven, naar het raam, waarachter zij in bad zit.Zijn ogen schieten vol. Ze moest eens weten hoeveel hij van haar hield.Zij zit in bad en geniet van muziek. Haar speels en vrolijk kantje komt naar boven.Samen aan het ontbijt is het alsof er altijd al een wij was en altijd een wij gaat zijn.Ze wandelen en zien een huis te koop.Ze beginnen weer te dromen. Over de zoektocht naar de ideale plek, de juiste spullen voor de inrichting.Ze lacht als ze aan zijn perfectionistisch kantje denkt en ziet het helemaal voor zich.Hij heeft smaak, ze houdt van zijn smaak. Er is een hoekje af, bij hem en bij haar.  Weken later, zonder duidelijke aanleiding, zonder signaal is hij weg. Zijn blik is wazig en op de grond gericht of in het ijle. Als ze vraagt om oogcontact ziet ze alleen die verdomde spoken, hem vindt ze niet.Ze kruipt tegen hem in de zetel omdat woorden nu niet helpen, zachtheid misschien wel.Hij duwt haar van zich af. Ze schrikt. Wat heeft ze niet opgemerkt? Wat heeft ze gezegd? Wat heeft ze gedaan?Weken gaan voorbij. Geen zoen, geen aanraking, geen hand, niets.Ze wordt gek in haar hoofd en stelt vragen, ook aan externen.Ze mist hem, haar fantastische man die haar aanvult, opvult en laat vullen.Ze luistert, probeert te doen wat hij vraagt. Maar niets helpt. En dan plots komt er weer opening, even onverwachts als de sluiting.Hij kijkt naar haar en de liefde loopt over.Nog voor hij zegt hoe graag hij haar ziet heeft ze die woorden al gevoeld.De druk gaat van haar borst en ze huilt vanbinnen.De weken die volgen zitten vol van die echte liefde afgewisseld met afstand. Zij heeft het niet door en reageert soms te intens op beide. Zij wil genieten, vooruit gaan, leven, niet teveel moeten, niet teveel nadenken.Vertrouwen op de liefde en elkaar. Ze gaan regelmatig wandelen en eten. Ze liggen ook af en toe wat langer in bed zacht te praten. Hij beschrijft de verre toekomst, maar maakt ook plannen voor de dichtbije.Zij zit overal in die toekomst en de kinderen ook, dus ze is gerust. Maar hij blijft doodop, doodop van het verlies van zijn vader, doodop van de verantwoordelijkheid over de kinderen, doodop van het werk waar hij vanaf wil, doodop van het verlangen naar een plekje in de natuur met haar aan zijn zijde, doodop van zijn mentale en fysieke gezondheid, doodop van de angst om de liefde weer te verliezen, doodop van het gevoel maar de helft meer te zijn, doodop van het verleden die hem niet loslaat. Het jaar was gewoon te zwaar. De jaren ervoor ook. Dus grijpt hij naar zijn vertrouwde houvast: werken en voortdoen en niet meer aan de toekomst denken, niet meer dromen, niet meer voelen, gewoon dag per dag overleven. Dat zorgt voor spanning en spanning bovenop het diep dal veroorzaakt kortsluiting, rare reacties die haar uit balans brengen omdat ze het allemaal nog niet goed kent.  Eén keer, twee keer, drie keer. Muggen die in olifanten veranderen en teveel olifanten kunnen een ruimte verwoesten.Ze weet dat ze beter kan, dat ze nog wat kennis en ervaring mist om de muggen gewoon dood te meppen zodat de mooie ruimte heel blijft.Ze gaan slapen. Ze omhelst hem, voelt zijn liefde onder die zware last die hij al jaren draagt.Ze staat op en vertrekt met de kinderen, hij naar het werk. Ze krijgt een bericht: ik wil niet dat je terug naar huis komt vanavond.Het is definitief voorbij. Laat me nu gerust.We spreken nog over hoe we het praktisch regelen.Ze gelooft het niet, maar weet dat het nu geen zin heeft te reageren. Ze wil kijken in zijn agenda wanneer hij vrij is om te gaan wandelen of ergens naartoe te gaan zodat ze hem kan terughalen met zachtheid en rust. Maar het paswoord is gewijzigd.Haar buik krimpt in elkaar.Even denkt ze dat ze zich heeft vergist, even komen haar spoken ook boven.Dat hij toch geheimen heeft, niet is wie hij is.Maar al gauw voelt ze dat het niet klopt. Haar man is weg.De spoken uit het verleden hebben hem weer de dieperik in getrokken.Ze is bang.Bang omdat ze niet weet hoe lang.Bang omdat ze weet dat zowel zijn als haar gezondheid ook in gevaar is als hij niet terugkomt.Ze wil hem aan haar zijde.Samen zijn ze gewoon zoveel beter.Ze vullen elkaar aan, laden en ontladen elkaar, lopen in elkaar over, gaan in elkaar op.In alles, overal, elke dag dat hij hij is en zij zij.

Fien SB
37 3

De tandartspraktijk en zijn onvaste muren

'Eindelijk, we zijn er,' zeg ik, terwijl ik afstap en de longtailfiets het voetpad opduw. 'We moeten nummer 278 hebben en hier is het... 272', mompel ik meer tegen mezelf dan tegen mijn dochter, die achteraan op de fiets zit en haar allereerste gaatje in een melktand moet laten vullen. Omdat mijn dochter redelijk verkleumd is na deze lange fietstocht van Deurne naar Ekeren, probeer ik voort te maken, tot ik merk dat nummer 274 een of andere brede fabriek blijkt te zijn: 'Oké, toch nog een klein stukje verder...' Zij valt me in de rede: 'Dat ís de tandarts, papa!' Ik parkeer de fiets en zie er een gelijkaardig model staan. 'Zie je, er zijn nog mensen die hiernaartoe komen met de fiets!' Haar ogen bliksemen me neer en met haar recent ontwikkeld cynisme antwoordt ze dat die mensen waarschijnlijk twee straten verder wonen. Acht jaar, maar ik durf haar niet tegenspreken. Ook wanneer ik binnentreed in dit gigantisch pand lijkt dit meer op het hoofdkwartier van MI5 dan op een tandartspraktijk. Een centraal gelegen balie met drie medewerkers en twee keer zoveel schermen vormt één grote vide. De hele ruimte lijkt wel te zijn uitgehold, zoals je bij een appel het klokhuis verwijdert met een appelboor. Daarrond bevinden zich meerdere wachtkamers en toiletten, en ook de praktijkruimtes zijn overal verspreid, te herkennen aan deuren van ondoorzichtig glas. Een grote stalen trap leidt naar de ruimtes boven, waarvan ik niet kan bevroeden waarvoor die dienen. 'Meneer? U mag plaatsnemen in de wachtkamer.' Recht tegenover de balie zit een tiental mensen te wachten. Er staat een koffieapparaat en gefilterd water. We kiezen de kleinere wachtkamer aan de linkerkant, die nog altijd drie keer zo groot is als elke kamer waar ik al heb gewacht. Achteraan staat wat speelgoed en op een tafel liggen er strips. De overstaande muur bestaat uit een doorkijkhaard die zicht geeft op de andere wachtruimte. Overal ligt parket. Mijn dochter zet zich in een uit de kluiten gewassen hoekzetel en neemt een Suske & Wiske. We zijn een half uur te vroeg — niet mijn gewoonte, wel mijn plan — want ik heb veel werk te doen. Ik haal een koffie en begin te werken. Dan pas, tijdens een mijmering over hoe ik de theorie wil formuleren over het modale werkwoord 'hoeven', kijk ik uit het raam. Mijn blik wordt ernaartoe gezogen. Het lijkt wel een schilderij van een Hollandse landschapsschilder uit de Gouden Eeuw. Achter het grote raam ontvouwt zich een majestueus heuvelig landschap, met in het midden een halfbevroren vijver, waarover een kleine houten brug plooit. Aan de linkerkant vertrekt een kiezelweg die slingert door het kleine landgoed. Hier en daar wiegt het riet langs de waterkant en de felle winterzon doet het water glinsteren. Enkele vogels vliegen over. Het is er zo vredig. Té vredig. Ik kijk nu al een tijd naar hoe die vogels telkens exact dezelfde bewegingen maken. Hoe langer ik naar de vijver kijk, hoe meer ik verlang er ver vandaan te blijven. Wanneer ik mijn blik even niet op het water concentreer, lijkt het te stromen, terwijl de vijver volledig dichtgevroren is.  'Jullie mogen mij volgen', glimlacht de jonge vrouw. Ze is erg vriendelijk en begripvol. De manier waarop ze tegen mijn dochter spreekt en haar uitlegt wat ze allemaal doet, sterkt me in de keuze om zo ver te rijden voor deze kindertandartspraktijk. 'Oké, ik ga nu eerst een zalfje smeren.' Ze houdt een vinger tegen haar mond terwijl ze naar mij kijkt en duidelijk maakt dat ze zo meteen het spuitje zal geven. Ik complimenteer haar met de prachtige tuin. Ze neemt het compliment in dank af. 'U bent niet de eerste die dat zegt.' Ik zeg dat het me doet denken aan een poort naar een andere wereld. Ze kijkt me met verbazing aan maar ook met interesse. 'Zoals Narnia', vul ik aan. Ja! Narnia, dat wilde ze ook net zeggen. 'Maar nog meer aan De stad en zijn onvaste muren van Haruki Murakami.' Die schrijver kent ze niet. 'Vooral die vijver', wik en weeg ik mijn woorden, want ik weet niet goed of deze twintiger op een dinsdagochtend wil vernemen hoe je een imaginaire stad kan ontvluchten via een gat onder de vijver. Maar ze dringt aan. Dus ik vertel een weliswaar verkorte versie van het verhaal van Murakami, terwijl zij mijn dochter letterlijk aan de tand voelt. 'Doe je ogen maar dicht, dan kan ik de toverdrank geven.' Mijn dochter geeft geen kik. Terwijl ze de verdoving toedient, masseert ze de wang tussen duim en middelvinger. 'Laat de magie haar werk maar doen.'

Lennart Vanstaen
0 2

waar wil je zijn?

natuurlijk. natuurlijk ben je bang. jij weet ook dat hoe dichter je komt, hoe moeilijker het wordt om weer achteruit te stappen. het is staren naar een praline van pure chocolade- speeksel dat zich begint te vormen naast je tong en je tanden die zich erin willen zetten. denken dat één praline geen kwaad kan en terwijl je haar in je mond neemt, beseffen waar die verleiding zich in verschuilt: het verlangen naar meer. ik weet dat het dat is wat ik met jou doe. ik zie het aan de manier waarop je lichaam zich gedraagt in nabijheid van het mijne. het zoekt toenadering en creëert afstand. het wil, maar je hoofd zegt nee. je lichaam wil dichter naar het mijne komen. je voet wil je lijf naar voren brengen maar zodra ze van de grond gaat, brengt je hoofd haar terug naar haar plaats: “hier blijven”, zegt ze. je houdt jezelf tegen.  ik kijk naar je en zie het gebeuren. we praten met elkaar en terwijl jij spreekt, observeer ik. ik kijk naar je mond als je aan het vertellen bent. ik laat mijn ogen over je gezicht glijden. ze houden even halt bij je hals en kijken dan weer naar je ogen. ik doe het schaamteloos. ik denk dat je het merkt en dat is mijn bedoeling. het is de meest subtiele vorm van opwinding: kijken.  ik raak je aan met m’n ogen en ik weet dat je het voelt. je voelt ze branden en daardoor vat jij evengoed vuur. je lichaam voelt het en je hoofd kan er niets tegen beginnen. je hoofd heeft controle over wat je doet, maar niet over wat je voelt. je hoofd heeft geen controle over mijn ogen. zij gaan waar ze willen.  ik denk dat je hoofd evenmin controle heeft over jouw ogen, ook al zijn ze zo dichtbij. ik zie je naar me kijken wanneer ik tegen je spreek en bewust de andere kant op kijk. je wendt je ogen niet af- zoals gebruikelijk zou zijn. je blijft naar me kijken. ik voel dat je blik niet enkel mijn ogen probeert vast te houden. ze worden getrokken naar mijn wang, mond, hals. je kijkt naar mij op dezelfde manier als ik naar jou- het enige verschil is dat jij pas durft kijken wanneer ik wegkijk.  ik voel dat je naar mij getrokken wordt zoals ik naar jou. ik voel ook hoe je van me weerhouden wordt. het is zoals we op onze plaats gehouden worden. de uitwerking van twee tegengestelde krachten op elkaar: de zwaarte- en  normaalkracht. die houden je waar je bent. maar de relevantere vraag is: waar wil je zijn?  

Ellen Tomaluk
41 0

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO a

kwetsbare MAN kwetsbaar mannelijk schoonheidsideaal ¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨ Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd om in de fabriek te gaan werken, had de maatschappij al een kiem van ontevredenheid gelegd. De ongelijkheid was mij tijdens mijn schoolperiode al duidelijk geïllustreerd: er werd geen enkele moeite gedaan om mijn interesse voor de leerstof te wekken. Met veel straffen werd ik enkel uit het analfabetisme gehaald, niet meer en niet minder. De traditie eiste immers dat de mensen uit mijn arbeidersbuurt op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachtten er dan ook geen intellectuelen van te maken. "Ik kon al lezen voordat ik het op school leerde, maar ik mocht niet lezen; lezen was slecht voor de hersenen, zei men daar toen."Tot grote spijt van mijn omgeving werd ik later actief in de politieke milieus van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, op wie ik onbewust verliefd was geworden. Ik vond er voor het eerst de woorden (en het begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was er iemand die mij, als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later AMADA werd en nu PVDA). Nadat ik enkele vergaderingen had bijgewoond, werd ik voor het eerst geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat zij tegenover mij als arbeider hanteerden — het zou niet de laatste keer zijn — en met de emotionele afstandelijkheid. Alles mocht, zolang men maar de taal van Marx sprak. Toch belette dat niet dat ik me bewuster werd van mijn positie als arbeider; de kiem kreeg wortels. Maar de spanning die werd veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven, maakten dat ik me er niet meer thuis voelde. Ik koos de weg naar het apolitieke milieu.Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later naar Leuven, Brussel en nu Antwerpen) en sloot ik me aan bij tal van groepen die één ding gemeen hadden: de zoektocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide seksspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero schijnen te zijn), waardoor ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven. Ik kreeg in mijn jeugd de indruk dat alle mensen homo-erotische gevoelens hadden en die op de een of andere manier uitten, maar dat ze werden belet om die openlijk te beleven. Over seksbeleving werd immers niet gepraat; het werd belachelijk gemaakt. Toen ik ongeveer twaalf jaar was, hadden de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij dat mijn schuldgevoel me dwong om slecht te vinden wat ik eigenlijk fijn vond. Daarom biechtte ik mijn seksspelletjes op met een jongetje van wie ik ontzettend veel hield en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij om 'zulke dingen' nog te doen. Ik moest hetero worden.Ook de linkse beweging, waar fallocratisch gedoe de norm was, sterkte mij in het idee van de heterovanzelfsprekendheid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Ik wérd hetero. Op twintigjarige leeftijd hield ik dat niet meer vol. Ik voelde me genoodzaakt de bars in Brussel te bezoeken. In mijn dagelijks leven was ik hetero, ’s avonds was ik homo. Mijn verhuizing naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit bij prof. Steven De Batselier en mijn verblijf in de 'Pimpel' zijn cruciaal geweest voor mijn evolutie. Daar kon ik voor het eerst mijn homo-zijn verwoorden. Daarbuiten ging mijn schizofrene leven echter gewoon door. Op een dag ontmoette ik in de enige bar die Leuven rijk was een lieve jongen die actief bleek bij de Leuvense Studentenwerkgroep Homofilie (LSWH). Als een goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist destijds maar vaag van hun bestaan, omdat hun werking vooral gericht was op studenten. De rest van de onderdrukte homo’s die geen banden hadden met de universiteit, kon het bestaan ervan hoogstens vermoeden. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de rode loper van de hulpverlening uitgelegd. Maar goed, eenmaal binnen werd je getolereerd. Toen ik hoorde wat ze allemaal deden — opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen — dacht ik dat mijn leven zou veranderen. Geen ellendige bars meer, geen constante uitbuiting van onze gevoelens, en niet meer het gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte had aan affectie.Weg ermee: leven! De LSWH betekende voor mij een lichtpunt. Ik dacht daar mensen te vinden die, net als ik, naar buiten wilden treden. Mensen die ons homo-zijn niet langer wilden verbergen. Ik hoopte bij hen de kracht te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen en mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht dat de problemen spoedig voorbij zouden zijn. Ik hoopte op mensen die achter me zouden staan en me zouden leren in verzet te komen tegen de constante vernedering van het beloerd, bespot en uitgescholden worden. Maar de droom was kort, de teleurstelling pijnlijk. Er werd gezegd dat we 'de mensen niet moesten choqueren', want we moesten 'die hetero’s de tijd gunnen en hen vragen ons te tolereren'. Hoe zij dan met ons moesten leren leven, bleek uit de vele gesprekken over hoe men 'gelukkig kon leven in deze heteromaatschappij'. Dat betekende in de praktijk: 'hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero’s'.De heteronormativiteit werd nooit in vraag gesteld; alleen aan ons, homo’s, werd constant getwijfeld. Geen dromen meer over naar buiten treden. Ons bed, onze kamer, de bars en de werkgroep: dat waren de afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven. Daarbuiten was het op eigen risico; daar was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet fundamenteel bekritiseerd, hooguit hier en daar gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik weer in de bar. Daar vond ik tenminste waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoop dat ik nog maar één doel had: de bar in en een man opscharrelen. Wie of wat hij was, deed er niet toe. Dat kon ook niet, want de sfeer was meestal zo vervreemdend en de muziek zo luid dat nadenken onmogelijk was. ’s Morgens werd de man na een kop koffie gewoon weer op straat afgezet.Zo ging het verder, tot ik op een dag op een van die 'intieme homofuifjes' een vriendje tegenkwam die bij de Rooie Vlinder bleek te zitten. Hij vertelde dat ze de volgende dag zouden meelopen in de 1 mei-betoging. Dus ging ik de volgende dag mee de straat op, wat meteen mijn aansluiting bij de Rooie Vlinder betekende. De vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat, maar vooral: er werd iets ondernomen tegen onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat ik niet de enige was die zichzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij mij simpelweg de mogelijkheid daartoe niet gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een 'gewone' kroeg. Die hetero’s, aan wie we eerst moesten wennen, vielen ook mee; ze kwamen ons zelfs kusjes geven (niet altijd even overtuigd, maar goed, beter iets dan niets). Daar heb ik de draad van mijn verzet tegen het conservatisme weer opgepakt. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. Het werd mooi om 'flikker' te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewustere houding (die me nu soms wordt verweten). Gedaan met het constante rekening houden met hetero’s: vanaf nu moesten zij ook rekening houden met ons. 'Janet' zijn is mooi, en het zou steeds mooier worden.De vakantie stond voor de deur en ik vertrok naar Zuid-Frankrijk naar een alternatief janettenkamp. Daar, veertien dagen samen met homo’s uit heel Europa, ervoeren we de solidariteit die alleen onder onderdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden, bevrijdde mij van tal van complexen die ik in het heteroghetto had opgedaan. Ik kwam sterker terug.Na een jaar bij de Rooie Vlinder heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven.  Na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Een groter probleem dan het kapitalisme is het patriarchaat, dat in ieder systeem verweven zit. (Economisch historica Victoria Bateman) Deze tekst schreef ik en werd gepubliceerd in de rooie vlinder krant 1978 ****************************************************** De Rooie Vlinder (1976–1981) was een radicale, socialistische actiegroep die een fundamentele rol speelde in de vroege Vlaamse homobeweging. In tegenstelling tot eerdere organisaties die streefden naar maatschappelijke aanpassing, zette deze groep in op de totale homobevrijding en een fundamentele verandering van de samenleving.  Belangrijkste kenmerken en doelstellingenIdeologie: De beweging was expliciet links en socialistisch. Ze beschouwden de onderdrukking van homoseksualiteit als een product van de kapitalistische en patriarchale maatschappijstructuur.Bevrijding vs. Integratie: De Rooie Vlinder verzette zich tegen "integratie" in de heteronormatieve wereld. Ze wilden niet simpelweg geaccepteerd worden, maar streden voor het recht om fundamenteel anders te zijn zonder discriminatie.Locatie: De kernactiviteiten vonden voornamelijk plaats in Gent (verbonden aan de UGent) en Antwerpen.  De groep lag aan de basis van vele "primeurs" in de Vlaamse LGBTQ+-geschiedenis:De Eerste Homodag: In 1978 organiseerde De Rooie Vlinder de allereerste Belgische homodag in Antwerpen, de voorloper van de huidige Pride.Eerste Homofilmfestival: Ze gebruikten cultuur als strijdmiddel en organiseerden het eerste festival voor homofilms in Antwerpen.Militante actie: Ze stonden bekend om hun confronterende stijl en betogingen, zoals de protesten rond de omstreden musical Snoepjes.  Erfenis en opvolgingDe beweging werd in oktober 1981 ontbonden, maar hun radicale gedachtegoed leefde voort in het Roze Aktiefront (RAF), dat direct na de opheffing werd opgericht. Tot op de dag van vandaag, in 2026, wordt De Rooie Vlinder herinnerd als de groep die de holebibeweging in Vlaanderen uit de onzichtbaarheid trok en politiseerde. Documentatie over hun acties is onder meer terug te vinden in het Fonds Suzan Daniel, het holebi- en transgenderarchief van België.     ********************************************************************* **************************************************************************** ********************************************************* *********************************************************************   GALLERIJ VERF ED Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/     

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
85 0

Niet alles wat in mij spreekt, is van mij

Ik voel me nog elke dag slecht over mezelf.Niet omdat er steeds iets misgaat, maar omdat die stem er nog is.Die stem die zegt dat ik tekortschiet, te veel ben, of het nooit helemaal goed doe. Die stem is niet ontstaan uit zelfkritiek. Hij is ontstaan uit afwezigheid. Als niemand je leert dat jouw gevoelens ertoe doen,ga je vanzelf aannemen dat ze het probleem zijn. Als niemand blijft wanneer het moeilijk wordt, ga je denken dat jij degene bent die niet de moeite waard is om voor te blijven. Zo wordt emotionele afwezigheid een innerlijke waarheid. Ik heb mezelf jarenlang beoordeeld met maatstaven die nooit van mij waren.Ik noemde het zelfreflectie, verantwoordelijkheid, realisme. Maar in werkelijkheid was het aangeleerde afwijzing. Een oude overlevingsstrategie die bleef hangen toen het gevaar al voorbij was. Het lastige is: die stem klinkt logisch. Rustig. Redelijk. Hij schreeuwt niet, hij concludeert. En juist daarom geloof je hem. Maar hoe vaker ik keek, hoe duidelijker het werd: die stem zegt niets over wie ik ben,maar alles over wat ik heb gemist. Je kunt jezelf niet goed leren zien als niemand je ooit heeft gespiegeld met zachtheid. Je kunt geen zelfvertrouwen opbouwen als je innerlijke wereld nooit welkom was. Dat ik me slecht voel over mezelf, is geen karakterfout.Het is een restant. Een vervolg van een jeugd waarin ik mezelf moest dragenzonder dat iemand het overnam. En misschien is dit het moeilijkste om te accepteren:dit verdwijnt niet zomaar. Niet door inzicht, niet door begrijpen. Niet door harder mijn best doen. Maar het verandert wél zodra ik stop met die stem behandelen als waarheid. Niet elke gedachte verdient geloof. Sommige gedachten verdienen context. Soms is vooruitgang niets anders dan dit: dat ik mezelf niet langer veroordeel voor iets wat ooit nodig was om te overleven.

Onzichtbaarkind
0 0