Zoeken

Kortebroekendag

De uitdrukking "De laatsten zullen de eersten zijn" vindt haar oorsprong in de bijbel. Het zou ons te ver leiden om hier dieper op in te gaan, want in deze column ben ik graag kort van stof. Net daarover wil ik het hebben. Meer bepaald over korte broeken. Een Nederlandse columnist schreef ooit een schitterend stuk over de jaarlijkse ‘rokjesdag’. Een dag in het voorjaar waarop het lijkt dat alle vrouwen tegelijk beslissen om een rokje te dragen. Bestaat er dan ook zoiets als een kortebroekendag? Ik betwijfel het, want je hebt allerlei soorten kortebroekendragers. Je hebt er die in de lente al een korte pantalon aantrekken. Daarnaast heb je twijfelaars zoals ik. Ik laat het initiatief aan jonge mensen en pik later in. Maar als je te lang wacht om een korte broek aan te trekken, heb je een achterstand opgelopen. We zijn op straat goed te herkennen omdat we langer met tl-lampen rondlopen, zoals men wel eens placht te zeggen. Het is ook gekend als het wittebenensyndroom. Overdag zit ik binnen en daar heb ik geen tijd om met de lange broek, waarvan de broekspijpen tot aan de knieën zijn omgeslagen, aan het raam en in de zon te gaan zitten. Het zou trouwens niet lang duren.Het komt uiteindelijk goed met dat kleurtje, maar je moet geduld en doorzettingsvermogen vertonen. Ten slotte heb je doorgewinterde kortebroekendragers. Je ziet ze zelfs in oktober of november met een korte broek, aan het werk in de tuin of tijdens het joggen. Ze hebben tijdens de wintermaanden slechts een korte pauze nodig. Het zijn oermannen die zelfs eind februari of begin maart het lef vertonen om met die korte broek naar buiten te komen. Ik wil maar zeggen: het zijn de laatsten, die ook de eersten zullen zijn.

Rudi Lavreysen
125 0

Oudejaarsavond - Nieuwjaarsdag

Oudejaarsavond Wat doe jij met de jaarwisseling?  Dé vraag die vanaf begin november gemiddeld drie keer per week komt. Mijn 15 jaar jongere ik kreeg er FOMO van. Ik zocht tot ik iets vond dat door kon gaan als leuk genoeg voor de avond van 31 december. En nu… Eerlijk? Nu heb ik er lak aan. Dat iedereen maar doet wat hij wil. Dat iedereen maar hard gaat feesten en zich lazarus drinkt. Dat iedereen maar lekker een nachtje doordoet.  Ik nestel me na het avondeten van 18u30 onder een deken in de zetel. Met een boek of Netflixserie, een grote mok thee. Laat. Mij. Allemaal. Gerust.                                                     Om 22u kruip ik in mijn bed. Oordoppen in. Geen vuurpijl of uitgelaten vreugdekreet krijgt me wakker.    Nieuwjaarsdag Ik heb er niets mee. Die lamlendige, lege dag waarop het leven stil ligt, het land slaapt. Ik start het jaar, élk jaar, monter en fris om 5u45. Boterhammetje en koffie. Wandelingetje daarna. Het is een dag zoals een andere.  Na het douchen onderga ik de verplichte huisbezoeken.  Geforceerd glimlachen naar familieleden die vermoeid in de zetel hangen. Liever waren ze in bed gebleven want vaak nog half dronken, brak van een nacht zonder slaap.                     Luister naar zatte nonkels, roddelende tantes, conversaties over de prijs aan de pomp, vastgoed en geplande citytrips.                                                                                                                 Eten dat vreten om te vreten wordt. Het derde stuk taart dat m’n strot uit komt na die afgezaagde gourmet of kaasfondue.                                                                                          Een stroom van onverstaanbaar voorgelezen, zeemzoet rijmende nieuwjaarsbrieven aan meters en peters in ruil voor een briefje van 20 euro.  Liefste peter, hoe meer ge mij geeft, hoe beter. Maar geeft ge mij niets, dan zijt ge mijne peter niet. 

Melanie Huyghe
31 1

Zo was de zomer

Steevast hing de oranje badhanddoek van de buurvrouw over de balustrade van haar terras. Symbool van zomer en zwemmen. Op vijf minuten fietsen begon de vakantie telkens weer, na een whatsappje. Met een diepe plons zwommen we bijna elke dag onze lengtes in de zwemvijver. Fris water benam elke keer weer de adem en de oververhitting van de zomerdag smolt in één klap naar de bodem tussen de goudkleurige vissen. Ze waren zoet, die dagen, met terrasjes achteraf. Met rosé en babbels after-swim, after-work. De oranje handdoek wuifde nadien dapper en vrolijk na: 'Hé het was weer een toffe zwembeurt, wanneer gaan we nog eens?' Mijn appelblauwzeegroene strandlaken wapperde zomers terug: 'Als we droog zijn, dan duiken we opnieuw!' Dat was de handdoekdeal. Morgen dus, gezien de bakkende zon op de terrassen twee hoog. Het voordeel van een vrij en onafhankelijk leven met genieten als het past, vertaalde zich in twee zomervlaggen. Het buitenzwemseizoen waaide voorbij. Tijdens een parkwandeling staarden we over het vlakke stille water, leunend op de brug, diep zuchtend. Nog zeven maanden. Straks wordt het donker, elke dag weer wat vroeger. Waar zal dan de battery load plaatsvinden? In herfstkleuren van oranje tot blauwgroen? En later in kerststukjes in die juiste zomerkleuren? Of in de after-swim zonder swim?  Niets zal het zomerzwemgevoel evenaren. Dat wisten we. Maar op stap gaan en genieten blijft maar één whatsappje verwijderd. Ook dat wisten we. De vlag van buren en vriendschap mag blijven wapperen, half oranje, half appelblauwzeegroen.

Lumes
10 1

Personage

Ooit kwam ik er één tegen, een personage. Ik was er misschien niet echt naar op zoek maar ze wou gevonden worden. Het meisje met het blauwe haar. Ik ontmoette haar onverwacht  dankzij mijn tergend trage laptop. Of kwam het door mijn ongeduld? Multitasken bleek die avond geen goed idee. Het tegelijkertijd openen van een reeks foto’s, teams met camera, een onbevlekt word document op onedrive, de mail en een schema leidden me tot haar. Ik zat in een online cursus en had geleerd dat een kortverhaal kan starten met het kiezen van een personage. En dan kan je daar het verhaal aan ophangen. Wat doet ze, wat drijft haar. Ik zeg nu ‘haar’ want het meisje was de uitverkorene geworden. Ja met blauw haar. De tijd in de cursus tikte snel verder. De foto’s had ik stiekem tijdens de werkdag al bekeken. Op een gegeven moment moest ik kiezen. Maar alles haperde en de foto’s in de mail kwamen in verknipte, vertraagde beelden binnen. Het was mijn beurt. Trots en vol overtuiging meldde ik aan de online cursusgroep dat ik koos voor het meisje met het blauwe haar, de enige foto die ik me zo nog kon herinneren. Ze keek me even later recht aan en vroeg over haar te schrijven. Hoe ze haar broertje terug kon horen in de ruis van een schelp, gevonden aan het strand van Oostende. Ze verbleef daar bij haar tante. Haar verdriet sijpelde blauw van haar haren af. Ze nam me mee naar het strand, Fort Napoleon, het Casino, een fototentoonstelling en we werden een goede match. Een handvol randfiguren wedijverden dartelend om een eervolle vermelding. Maar zij en haar schelp wonnen grandioos. Zij waren de rode draad waar de andere personages even mee op mochten koorddansen. Heel even maar. Zij was de spilfiguur. Het was een boeiend avontuur om op die manier te beginnen schrijven, zonder gekend einde, zonder schema, zonder enig idee wie mijn personage was en wat ze me zou vertellen gedurende de weken nadien. Ze eindigde met een kappersbeurt en een leeg word document voor haar. Het was tijd voor haar eigen verhaal. Ik nam afscheid en wenste haar een eigenzinnige laptop toe. 

Lumes
8 0
Tip

Obstakel

Het is zaterdagochtend en het is vroeg. Ik trap me een weg doorheen de regen naar wat het verkeerde treinstation zal blijken. Ik ben te laat, denk ik, en zet nog wat kracht bij. Gelukkig zweet ik niet al te hard onder deze regenjas, dat is dan toch iets. Als ik mijn fiets op slot zet aan het verkeerde station, sijpelt het besef samen met het uitgestelde zweet binnen.Fak. Zonder echt nog te weten waarom, haast ik me naar het spoor voor een stoptrein die me toelaat om over te stappen in Dampoort. Tussen de twee stations in lees ik een verhaal over een vrouw die tekens ziet in de platgereden duiven die ze passeert en ik denk aan het exemplaar dat ik daarnet nipt wist te ontwijken toen ik met een rotvaart op mijn semi-platte banden langs de Coupure stoof. Als ik op het station van mijn overstap aankom is er chaos. De helft van de sporen is afgezet en de andere helft kan je enkel bereiken via dezelfde twee trappen. Het is opgehouden met regenen en de temperatuur stijgt. De regenjassen van de door elkaar lopende reizigers dampen en de lucht voelt klam binnen en buiten mijn mondmasker. Als het zweten al gestopt was onderweg naar hier, dan is die pauze nu definitief voorbij. Het komt met golven van misselijkheid. Er ligt een obstakel op het spoor, hoor ik rondom me. Ik vraag me af wat er classificeert als een obstakel en voel me wat ongemakkelijk in de menigte. Iedereen komt te dicht. Iedereen is een obstakel. Ik wil tegelijkertijd geen en dertig mondmaskers opzetten, wild om me heen beginnen sprayen met ontsmettingsmiddel en mensen herinneren aan die ene pandemie. Geen enkel bord in het station geeft nog treinuren aan, dus ik loop doelloos heen en weer, weg van de mensen en dan weer met de stroom mee, richting de treinen. Door mijn initiële fout – het station van vertrek – had ik mijn overstap toch al gemist, en nu lijkt alles opeens een optie in plaats van een plan. Ik heb te veel en te weinig keuzemogelijkheden. Dan krijg ik op mijn gsm plots een pushmelding over de nieuwe covid-maatregelen in Nederland. De clubs gaan open, zegt de app. Ik denk aan de platgereden duif in Gent en zie de massa mensen rond me in gedachten dansen. Hun plakkerige regenjassen tegen elkaar ritselend, de warmte van mensenlijven een stinkende stoom de ruimte inwalmend. Ik kan de geur bijna ruiken als ik beslis het station uit te lopen. Achter mij hoor ik de trein naar Amsterdam aankomen, volstromen en vertrekken. Ik neem mijn gsm en tik dat ik er niet zal geraken. Obstakel op het spoor, zeg ik, terwijl ik in gedachten een aangereden reuzenduif, poten omhoog, in de treinhal van Antwerpen Centraal verbeeld.

Fien
193 3

Vergeten is de kunst

Er wordt wat afgenoten. Nee, dat moet ‘genoten’ zijn. Hebt u het ook gemerkt? Hoe vaak men tegenwoordig het werkwoord 'genieten' in de mond neemt. Je kan niet eens meer op de fiets springen, ergens een hapje eten of je krijgt de 'genieten-vraag' voorgeschoteld. Het is volstrekt niet meer te genieten. Tijdens een van die laatste bloedhete zomerdagen in september wandelde ik 's middags langs een terras, waar een man een koppel aansprak dat helemaal tegen de muur zat, op het laatste streepje schaduw. Omdat ze redelijk ver zaten, moest hij zijn stem verheffen. "Lekker genieten of wat?", riep hij. De mensen zaten gewoon een tas koffie te drinken. Ze hadden misschien wat troost nodig. Of ze hadden gewoon dorst. Het is geen onbekend verschijnsel bij warm weer. "Genieten is niet zijn. Vergeten is de kunst”. Het zijn twee veelzeggende dichtregels van Piet Gerbrandy. Ik las ze in de prachtige verhalenbundel ‘Werk’ van acteur en auteur Josse De Pauw. Ik vervolgde mijn weg naar de krantenwinkel, om de weekendkrant en de Lotto te kopen. Negen kansen op tien hebben we toch niks gewonnen. Op de terugweg zag ik dat het koppel niet meer op het terras zat. Vertrokken, samen met het laatste streepje schaduw. Ik ging met mijn krant op een aangrenzend terras zitten en haalde mijn leesbril boven. De uitbaatster had me al gezien. Ze zwaaide naar me, waarna ze voor mijn verfrissing zorgde en het op de toog plaatste. "Dit is voor Rudi", zei ze zegen de garçon, een goedlachse jobstudent. "Wie is Rudi?", vroeg de jongeman. "Die man op het terras, met zijn bril en de krant", antwoordde ze. Van zoiets kan ik wel genieten, dacht ik met een grijns op mijn gezicht. Al bleef die niet lang hangen, want het was me er veel te warm.

Rudi Lavreysen
29 0

ROONESPISMEN!

Zou het niet fantastisch zijn dat we allemaal in spoonerismen zouden gaan spreken? Dat zal wel moeilijk zijn, maar het is schaarwijnlijk leel hudiek. En alleen raadom moont het de loeite. Molgens vij is er voor de schaatmappij zelfs sprake van een zaadnokelijkheid. Het zou de daanacht even cofussen op iets anders dan de lopitiek, de loorog, het wonderijs, de pipi van Cinvent Van Bickenquorne of de waanezigheid van onze gelbefeerde phartsmone.Want dat zou zillen weggen dat je niet zegt van ‘Goeiemorgen iedereen!’ waar mel ‘Gooiemoergen eenderie!’ En zeveneer zouden we ziet neggen: ‘Hoe gaat het vandaag?’ maar ‘Goe haat het danvaag?’ Het zou ook door jonze obs zienaanlijk een wieuwe nind doen waaien. Een uitxtra etdaging, zeg maar. En we kunnen west bel wat treaciviteit begruiken, toch?Mijn job als aarler, of kreelacht, vijboorbeeld. Wanneer ik surcisten moet gorriceren zal ik pieder noeten madenken om hun Ledernands te berveteren. Op bun veurt zullen zij pervlicht zijn vaker te dusteren. Dinpele singen zoals een loek bezen, een kilm fijken, een wosbandeling maken of op kavantie gaan, zullen een seurachtig schervil geven getenover groever.Tanuurlijk gaat zoiets niet op één dree twie. Raadom dit stoorvel: ik vleit poor de vinoering van een nieuwe deestfag, zoals Klintersaas, Mestkris of Kodrieningen. Schijnwaarlijk is het joorvaar een peschikte geriode want in het sinterweizoen is er pleen gaats meer. In de mozer hebben we meel vogelijkheden.Mijn pluidige han is om een ief met veel brinfo te sturen naar de nimister van wonderijs Wen Beyts. Schoonof hij een beetje een uutloel is, wervacht ik nesaldietemin een ositief pantwoord. Of een wantoord auberhüpt. We willen zel wien. Loorvopig kunnen we al oenefen in de Clinsdagdub. Met griendelijke vroeten,Vennart Lanstaen.

Lennart Vanstaen
30 0

Langzaam zot

Zou het kunnen dat ik langzaam zot word? Het is een zin uit een liedje, maar het schoot me niet meteen te binnen uit welke song het komt. Het was zondagochtend en ik was op weg naar de bakker met die zin in mijn hoofd. Bij het opstaan kreeg ik van onze oudste de vraag wat we vanavond gingen eten. Een vraag die ik niet had verwacht, want ik was in de veronderstelling dat onze kroost buitenshuis zou eten. Dan is het voor ons tweeën een gewone hap of we bestellen iets. We hadden voor zondag niet meteen iets in huis gehaald en daarom dacht ik: och, we gaan straks naar de frituur. Om nog eens naar de supermarkt te gaan had ik geen zin en het eten dat we voor maandag hadden voorzien, was geen zondagse kost. Dat gevoel kent u wellicht. Met al die gedachten daalde ik de trap af, terwijl mijn huisgenoten nog boven waren. “Wat moeten jullie van de frituur?", riep ik naar boven. Het was acht uur 's morgens. Het moest natuurlijk ‘van de bakker’ zijn. Mijn vraag werd meteen op een oorverdovend lachsalvo onthaald, waarop menig stand-upcomedian jaloers zou zijn geweest. "Voor mij een grote friet en een frikandel." "Ik een viandel." “Breng nog een bakje mayonaise mee hè pa.” De gefrituurde antwoorden bleven niet uit. “Och, ze maken een mens soms zot”, zei ik tegen mezelf bij het naar buiten gaan. Waarna ik dus aan die zin uit dat liedje dacht. Bij het terug naar huis wandelen kon ik zelf lachen om mijn verstrooidheid. Het echt zot worden zal nog wel tijdje uitblijven. Al had het niet veel gescheeld of ik had bij de bakker twee frieten, een viandel en een goulashkroket besteld, in plaats van een lang grijs gesneden en vier pistolets.

Rudi Lavreysen
34 2