Zoeken

De zeven zegeningen van Draak Morophin (Deeltje 2)

Zeven treden onder de grond Nordaque volgde de slechtgezinde Danz het kantoor uit. De man rook een beetje muf, naar natte stenen en eeuwig vochtige kleren. Tot zijn verbazing verlieten ze De Unief. De hoofdstraat van het dorpje Konquelphous door, richting een vierkant gebouwtje net buiten het dorp. Nordaque had het bouwwerk nooit echt geregistreerd met het idee dat hij er nooit zou komen. Het grensde pal aan de kliffen. Onder hem beukte de zee met een onvermoeibare kracht tegen de rotsen. De wind gierde langs zijn oren. Ze kwam van over de golven, ijskoud en nat en kreeg vrij spel eenmaal ze de kliffen bereikte. Met een hoge snelheid en een onophoudelijk gejank denderde ze door Konquelphous. Nordaque plooide zich een beetje dubbel om overeind te blijven op het smalle pad.  Danz viste een gigantische sleutelbos uit zijn broekzak. Er hingen meer sleutels aan dan dat er deuren waren in heel Konquelphous. Hij nam zijn tijd, ongevoelig voor de wind en de druppels ijskoud zeewater. Danz koos een oud, metalen ding en ramde het in het slot. 'De volgende keer breng je beter een jas mee,' grapte hij. Nordaque keek hem vuil aan. 'Welkom.' Danz boog cynisch. 'Je bent niet de eerste, het is een geliefde straf voor arrogante kereltjes als jezelf. Kom mee.'  Danz trok de deur dicht en sloot daarmee de wereld buiten. De stilte viel abrupt. Nord schudde de druppels uit zijn haar. Het was een bijzonder sobere werkruimte, met één raam met zicht op zee, potdicht uiteraard. Verder stond er een tafel, overdekt met mappen en paperassen. En een klein vrij stukje waar een bord met koude etensresten stond. Hier nuttigde Danz zijn maaltijden en verwerkte hij 'de verslagen', dacht Nordaque moedeloos. Danz plukte een sleutel van een nagel naast een deur. 'Kom mee,' gromde hij. Nord volgde hem een trap af, slechts zeven treden maar hij stond in een andere wereld. Zonder daglicht. De trap mondde uit in een gang, van nauwelijks tien meter lang. Op het einde, tegen de muur brandde een vuurkorf. Links en rechts in de gang zat een deur. Nord begreep onmiddellijk waar Danz specifieke geur vandaan kwam. Hij sloeg zijn hand voor zijn neus en mond. 'Blijf hier wachten,' blafte Danz, tevreden met zijn rol van baas. Hij trok naar de kast onder de trap en keerde terug met een zwabber, een emmer en een paar dikke, lange handschoenen. Het poetsgerief dropte hij voor Nordaque, als heldere boodschap. De handschoenen trok hij met veel vertoon aan.  Nordaque slikte nerveus. 'Dat zijn cellen,' zei hij met hoorbare weerzin. Er kroop een onplezierig lachje rond Danz lippen en die bleef daar plakken toen hij op de linkerdeur trommelde. 'Lortarson, ga op je plek staan, je krijgt bezoek!' bulderde Danz. Hij telde luidop tot vijf. Nordaque ademde scherp in. De deur zwiepte open. Danz marcheerde de cel in, greep de enige bewoner nogal ruw bij de schouders en klikte met een geroutineerd gebaar twee metalen ringen rond zijn polsen, die hij vervolgens met een ketting verbond aan een metalen ring in de muur. 'Zitten,' blafte hij. De gevangene negeerde hem compleet en nam Nordaque nieuwsgierig op. 'Lortarson, ik vraag het geen twee keer, zitten!' brulde Danz, recht in het gezicht van de jongeman. 'Geen van beide keren was echt een vraag, Danz,' antwoordde hij vrolijk. 'Wie is dat?' 'Dit is...' 'Hunister, Nordaque Hunister, oud genoeg om zichzelf voor te stellen.' Nordaque oogstte daarmee een vaag lachje bij de gevangene. Hij kon onmogelijk ouder zijn dan Nordaque zelf. Hij sloeg hem met verstomming gade, waardoor de ander nog breder grijnsde.  'Jouw nieuwe gezelschapsdame, Lortarson. En geen grapjes deze keer. Meneer Hunister hier is een gewaardeerd lid van de gemeenschap.' Danz draaide zich op zijn hakken om naar Nordaque. 'Je poetst zijn kamer, twee maal per week. Daarna slaan jullie maar een babbeltje. En Hunister?' 'Ja, meneer.' 'Raak hem nooit of te nimmer aan, hij is....' '… een Wilderen,' zuchtte Nordaque ademloos. Hij kende het ras alleen uit de biologieles en de geschiedenisboeken en vroeg zich af waarom de school zo'n exemplaar vasthield.  'Geboren in het licht van de Everdraak, wilde ik zeggen,' bromde Danz misnoegd nu Nordaque zijn introductie verpestte. 'Huidcontact is gevaarlijk, ik hoop dat je de cursus kent, Hunister.' 'Oh, dat moeten we nog eens zien,' verzuchtte de Wilderen. 'Maar ik ben blij dat je me deze keer iemand bezorgde die wel oplette in de lessen. Hoi, ik heet Lortar Lortarson.' Hij knikte maar, handen schudden zat er niet in.  'Ik kom je over precies drie uur weer halen.' Danz stond al bij de deur.  'Drie uur? Hoe kan ik hier drie uur kuisen?' De kamer telde hoogstens zes vierkante meter. 'Dan slaan jullie maar een babbeltje, zoals ik net zei. Vriendschappen en dingen bijleren stimuleren de groei.' Lortar zond de bewaker een vernietigende blik toe. 'Veel plezier samen, jongens.' Danz verliet bijzonder goedgeluimd de cel. En sloot die af. Er stond één bed, een lage kast met twee deurtjes en twee lades en een werktafel. Daarop lagen dikke boeken, kaarten, schrijfgerief en schriften. De kamer had geen raam. De Wilderen zat in kleermakerszit op de koude grond, met zijn handen achter zijn rug en keek geamuseerd toe hoe Nordaque zijn kamer keurde. Nordaque stond ongemakkelijk op de zwabber te leunen. Hij probeerde vooral niet te staren.  'Jij bent een levend fossiel,' brabbelde hij. Eén wenkbrauw kroop omhoog. 'Wel, jij bent niet bijzonder tactvol,' kwam het vrolijk. 'Maar bedankt, denk ik. Of was dat geen compliment?' Dik blond haar, in lange pieken rond een bleek maar knap gezicht met die ogen als een soort sterren. Ze smeekten bijna om er in te verdwalen. De Wilderen was ongelofelijk mooi, daar stond zijn ras om gekend. Het was één van hun Zegeningen: schoonheid. Nord kende niks van mannelijk schoon maar zelfs hij kon inschatten dat deze jongeman 'iets' had.  'Je staart,' zei de Wilderen monter.  'Ik mag, jij hoort niet eens te bestaan. Wilderen zijn uitgemoord,' herpakte Nord zich betrapt.  'Wauw, dit wordt hier gezellig. Heb je iets tegen veronderstelde uitgestorven rassen, meneer Hunister?' 'Wat?' 'Niks, laat maar. Nog nooit van je leven iets gepoetst?' vroeg de Wilderen met een zachte, melodieuze stem zonder greintje spot. Al deed de grijns op zijn gezicht wat afbreuk aan de bezorgde toon. Nord vond het een bijzonder onaangename ervaring: vloeren dweilen behoorde inderdaad niet tot zijn talenten. Het feit dat de jongen zat toe te kijken en opmerkingen gaf, maakte het niet beter. 'Ik wil gerust ruilen,' stelde hij ten slotte voor, alsof Nordaque de grootste kuisramp ter wereld was. Hij rammelde met zijn boeien. Nord zwabberde nijdig verder, tot groot vermaak van de Wilderen.  'Maak je niet zo boos,' suste de jongeman tenslotte. 'Dit is mijn verzetje, zo twee keer in de week. Ga nu niet pruilen omdat jouw trots zegt dat 'poetsen' niet hoort voor een welopgevoede jongen als jezelf. Dat vond je voorganger ook, hij was saai. Ik geniet oprecht van het gezelschap en de afleiding.' Nord stond op hem neer te kijken. Er begon hem iets te dagen.  'Zit je hier altijd alleen?' vroeg hij. 'Ja, toch zo een beetje. De Dapperen houden hun Wilderen graag uit het zicht van de wereld. Er zou al eens een pientere geest vragen kunnen stellen over waarom een jongeman in de lokale cel van Konquelphous zit, alleen omdat hij tot een uitgestorven volk behoort. Wel, volgens uw mening dan.' Nord pikte de hint op en negeerde die vakkundig. De Wilderen kauwde op zijn lip. 'Begrepen, ik kon het maar proberen. Jullie zijn toch ook allemaal zo trouw aan de vlag van De Unief, is het niet. Wel, ja, ik zit hier alleen. Er is Danz maar die volstaat niet als gesprekspartner. Hij spreekt zelden in volzinnen. Daarom sturen ze studenten, al doen de meesten hun mond ook niet open. Kuis je de tafel ook?' Nord voelde er veel voor om de natte zwabber in zijn gezicht te draaien maar maakte een diepe buiging in plaats. 'Natuurlijk, mijn heer.' Hij kreeg een fijn lachje als beloning. Nord slaagde erin de klus te klaren zonder de kamer onder water te zetten, zijn eerste poetsbeurt overleefde Danz' keuring. Danz trok de handschoenen opnieuw aan voordat hij de Wilderen losmaakte. De jongeman wreef misnoegd over zijn polsen.  'Tot zaterdag,' mompelde Nordaque.  'Ja, tot zaterdag, Hunister, Nordaque Hunister. Ik vond het aangenaam.' De Wilderen stond tegen de muur geleund, met zijn handen in zijn zakken en keek Nordaque na.  'Je mag Nord zeggen,' zei hij in een opwelling en hij genoot van de verbijstering in de groene ogen voordat de deur dichtsloeg. Einde, voor hier.  (En daar gaan ze, op zoek naar draak Morophin. Nordaque Hunister en Lortar Lortarson... ik zie het helemaal zitten. Hopelijk beleeft iedereen hier echt evenveel plezier aan het schrijven en verzinnen van zijn/haar/hun teksten en verhalen)

De Donderklif
5 1
Tip

De zeven zegeningen van Draak Morophin

De Unief van de Stamboomgerelateerde Dapperen, Kantoor van de Allerhoogste Dappere (Eerst en vooral: Tip van de week zijn, maakt mijn week goed. Ik word daar altijd lichtjes euforisch van. Inclusief hupppeltje op weg naar het werk en zo van die dingen. HARTELIJK BEDANKT voor de ongelofelijk mooie woorden in verband met onderstaand stukje tekst. Het is altijd bijzonder leuk als een verhaaltje over wassmoosen, vuurtorens en Wilderen (of de inleiding ervan) waardering krijgt :) Dus bedankt om ons te laten zweven, daar drinken we een warme choco op!) 'Meneer Hunister, u bezorgt onze school een bijzonder slechte naam.' Nordaque Hunister hoorde al zijn hele leven dat hij intelligent was, briljant zelfs. Al zat daar nu enige verandering in aan te komen. Hij verheugde zich er toch wel een beetje op. Hij stond met keurig neergeslagen ogen voor de werktafel van de Allerhoogste Dappere.  'Ten eerste, jongeman, stop uw hemd in uw broek. U stormt hier binnen alsof u recht uit bed komt. Begrijpt u waar u staat?' 'Ja, meneer.' Nordaque Hunister (Nord voor de vrienden maar hier, in deze school, noemde niemand hem zo en hij miste het.) begon aan de onmogelijke klus om in enkele seconden tijd zijn voorkomen te fatsoeneren. Hij kwam niet uit zijn bed gerold maar uit dat van Hester. Er gleed een vaag glimlachje rond zijn lippen voordat zijn gezicht opnieuw het ondoorgrondelijke masker terugkreeg. Hij temde zijn haar, plooide zijn mouwen keurig over en stopte zijn hemd in zijn broek. Hij knoopte zijn das netjes en overwoog toch om het bovenste knoopje van zijn hemd open te laten, de kraag zat als een strop rond zijn hals.  'Tsss.' De Allerhoogste Dappere klakte bestraffend met zijn tong nog voor Nordaques vingers het knopje bereikten. 'Waag het niet', luidde de boodschap. Hij stond te kijk gezet, vlak voor de werktafel. 'Goed, daarmee zal ik het maar moeten doen. Meneer Hunister, weet u hoeveel er van dit gesprekje afhangt?' 'Ja, meneer.' 'En u vond het niet nodig om een vers hemd aan te trekken, uw schoenen op te blinken, uw haar te kammen en op tijd te komen? U neemt dit niet zo serieus als zou moeten.' Nordaque hield wijselijk zijn mond. Hij hoopte ergens, een heel klein deeltje van hem, om van school geschopt te worden. 'Dit is De Unief. van de Stamboomgerelateerde Dapperen, meneer Hunister. Uw ouders, grootouder en de rest van uw stamboom, liep hier school. Hier begon hun loopbaan en uw familie behoort al jaren tot de top van dit land. Zij bepalen mee en al keur ik de meningen en acties van uw familie niet altijd goed, ze zijn wel doorslaggevend.' De Allerhoogste Dappere vlocht zijn vingers in elkaar bovenop de tafel en toverde een min of meer begripvolle uitdrukking op zijn gezicht, waarmee hij wilde aantonen dat jongemannen in crisis de meest normale gang van zaken was. Nordaque zat niet crisis. Hij hield gewoon niet van school. 'Al eeuwenlang levert deze plek nieuwe koningen, generaals en andere hoogwaardigheidsbekleders af. Dit land draait op onze oudstudenten. Hier studeert het kruim van het kruim, de besten, diegene met een goed verstand. Jongens en meisjes als uzelf krijgen les van professoren van uit iedere hoek van de wereld, zodat ze klaar zijn om de toekomst te bouwen. Wie hier de aula verlaat, heeft een doel. Wat is het uwe, meneer Hunister? Wat wilt u later doen als u groot bent?' De vraag verraste hem. 'Nog niet over nagedacht, meneer.' Eigenlijk wilde hij veearts worden, met een specialisatiejaar in wassmoosen. Niet dat hij het ooit luidop zou zeggen. Zulke lessen zaten hier niet in het lessenrooster. 'Wilt u in de politiek? Schrijver worden? Lesgeven...' 'Ik weet het niet,' herhaalde Nordaque.  'Uw inschrijvingsgeld is groter dan het jaarloon van ons keukenpersoneel, meneer Hunister. Het is een eer om hier te mogen en te kunnen studeren. U slaagde met glans en met verbazende resultaten voor ons toelatingsexamen. Uw gebrek aan inzet en motivatie verbaast mij een beetje. Ik ken uw ouders. Ik weet waar uw wieg stond en waar u heen gaat, al weet u dat zelf nog niet. Maar met zulke cijfers haalt u het einde van het jaar niet, maak ik mezelf duidelijk? U brengt ons in schande met uw gedrag. We zagen al heel veel door de vingers, u bent een veelbelovende student en heel veel ogen zijn op u gericht...' Nordaque knikte gedwee, zoals altijd en luisterde maar met één oor naar de tien minuten durende preek. Daarin uitsluitend lof voor de school, de beroemde studenten en de professoren, natuurlijk. Ieder van hen had zijn wortels in De Stamboom, die wortelde diep in de aarde van één of ander ver afgelegen eiland, Brès genaamd. Zij stamden af van de oorspronkelijke Dapperen, een groep mannen die met gevaar voor eigen leven, een einde maakte aan de heerschappij van de Wilderen. Door dat volk zo goed als helemaal uit te roeien tijdens een bloederige maar korte inval op het eiland Brès. Schedels spleten, botten braken, vrouwen werden kortstondig weduwe alvorens ze weggevoerd werden, de galgen draaien overuren en er volgde een intense jarenlange klopjacht op al wie erin geslaagd was de aanval te ontkomen. Nord had zo zijn twijfels over de dapperheid van die groep maar commentaar op de Stamboombende en hun daden viel niet in goede aarde. Wilderen vormden een gevaar voor de mensheid, het kleinste kind wist dat.  Zijn blik dwaalde rusteloos af. De kamer had meer dan genoeg afleiding te bieden. Met als pronkstuk een grote glazen bak op een massieve, donkere steen. De steen op zich was al een meesterwerk.  Loodzwaar. Met sierlijke taferelen vol draken en veldslagen. De tombe van de Eerste Allerhoogste Dappere. De tombe was er eerst, de eerste steen van de toekomstige school voor beloftevolle jongeren, zo stond er in de brochure van de school. De Unief. vormde zich op bijna organische manier rond het meubelstuk na het tragische overlijden van de Eerste Dappere. De man, pas veertig geworden maar al een rijzende ster in de academische wereld, was niet opgevreten door een draak, zoals Nordaque altijd had gedacht. Hij ruilde het tijdelijke met het eeuwige ook niet in tijdens één van de bloederige veldslagen op het eiland Brès. Nee, hij was van de klif getuimeld na een dronken nachtje stappen in het dorpje Konquelphous. Zo de woeste zee in. Kliffen zijn dodelijk, dat stond op het bordje bij de rand, daar geplaatst door de oplettende burgers van Konquelphous. Waarna zijn volgelingen zijn lijk nog naar boven mochten sleuren. Eerder op die avond had de Eerste Allerhoogste Dappere luid verkondigd dat hij verzot was op de kliffen van Konquelphous en zijn maten interpreteerden die woorden als: 'Daar wil ik ooit begraven worden'. En zo geschiedde.  Dus trokken ze de school maar ter plekke op, zo uit donkere stenen rechtstreeks uit de klif gehakt. Het duurde jaren om het bouwwerk klaar te krijgen. Menig arbeider tuimelde in navolging van hun leider, de dieperik in tijdens de werken. Die kregen geen eervolle tombe en weinigen werden ook maar gezocht maar hun namen stonden keurig in de inkomhal gegrift, als eerbetoon. Maar de school kwam er eindelijk: rotsvast, letterlijk en al eeuwen een baken voor licht en wijsheid en etc... De tombe diende nu als voetstuk voor een glazen bak waarin De Allerhoogste Dappere belachelijk kleine, veelkleurige draakjes hield. Vreemde keuze van huisdier. Nordaque liet de man voor hem rustig de loftrompet afsteken voor zijn naam, faam en bereikte doelen. Hij observeerde de draakjes. Op de werktafel stond een identieke draakje, onder een stolp. Steendood en vastgepind met naaldjes op een bloemetje, om zijn pracht te tonen. Het beest was verwaarloosbaar klein, nauwelijks groot als Nordaques hand, met dank aan de vleugels. De aanblik van de donkere poederogen op de knalrode vleugels bezorgden Nordaque een rilling. Hij voelde zich een beetje bekeken. Door een dood draakje. 'Het zijn Mobeese Jachtdraakjes.' De Allerhoogste Dappere legde zijn gerimpelde, met levervlekken overdekte hand liefkozend over de stolp. 'Zeldzaam. En meedogenloos in hun speurtocht naar Wilderen. Meneer Hunister, een jongeman met uw capaciteiten mag zijn leven niet zomaar vergooien. Dat is bijzonder slecht voor uw toekomst en onze reputatie. U kunt wachten in de gang, u wordt zo dadelijk opgehaald.' Nordaque vluchtte het kantoor uit en plofte op de stoel in de gang, naast de deur. Hij maakte zijn das los, het bovenste knopje van zijn hemd volgde.  'Zo dadelijk' vertaalde zich in anderhalf uur. Op het einde van de gang dook een magere kerel op. Met een ontevreden uitstraling die hem wonderwel paste. Hij marcheerde bijna de gang door, doelbewust richting kantoor en klopte aan zonder Nordaque ook maar aan te kijken, al zat die daar naast de deur. De deur ging open en weer dicht. Nordaque kauwde een tikje bezorgd op zijn onderlip, hij herkende de man van in het dorp grenzend aan De Unief. en zijn aanwezigheid hier beloofde niks goeds. 'Meneer Hunister, komt u maar binnen. Dit is de heer Danz,' stelde de Allerhoogste Dappere hem voor. 'Hij staat in voor uw werkstraf. Vier weken lang zal u iedere dinsdagmiddag en iedere zaterdagmorgen meneer Danz helpen met het uitvoeren van zijn job. Krijg ik een goed verslag op mijn bureau, dan begint u met een schone lei en verwacht ik goede resultaten zoals hoort bij iemand met uw talenten. Ik hoop dat dit even leerrijk voor u zal zijn als de lesblokken.'   (Inleiding van wat hopelijk een goed onderbouwd, logisch magisch getint verhaal zal worden, hahaha)

De Donderklif
69 1

Een slijmerige droom

SSSSHHHIIII!!!  Het gesis snijdt door het verlaten ruimtestation op planeet Xylos. Ruimtevaarder Brek klemt zijn kaken op elkaar bij het horen van het akelige geluid en stuift verder door het doolhof van gangen. Zijn hart bonst als een raketmotor en zijn vertrouwde blaster voelt zwaar aan zijn zijde. De vloer glimt van de paarse blubber en is bezaaid met verbrijzelde pantserstukken en gescheurde tentakels. De walgelijke resten van de Zergonauten die hij al eerder had ontmoet. Maar dit gesis, dit is nieuw... Waar komt het vandaan? ‘Potverdorie,’ mompelt hij en trekt met zijn been.  Met een luide plop komt zijn laars los uit een groene plas. Een stroperig draadje van de vloeistof rekt zich uit als een rekker en springt dan los. Brek wankelt even op zijn benen, maar slaagt er toch in om zijn evenwicht te behouden. De geluiden rond hem worden alsmaar luider en luider en lijken nu wel van alle kanten te komen. Razendsnel zet Brek zich af en twee grote sprongen brengen hem net buiten bereik van een neerdalende klodder slijm. De vloeistof spat uiteen op de metalen muur achter hem en druipt borrelend naar beneden.  ‘10XP Combo’ verschijnt in grote blokletters op de HUD in zijn helm. De geluiden achter hem verraden dat zijn achtervolgers hem nog steeds dicht op de hielen zitten. Met een snelle blik over zijn schouder ziet hij vier donkere vormen zijn richting uit kruipen. Nog meer Zergonauten! Waar blijven die toch vandaan komen? Zijn hand schiet bliksemsnel naar het laserpistool aan zijn zijde. Een reeks blauwe flitsen vult de lucht en al snel spatten de aliens uiteen in een explosie van felgroene blubber. Een kleine tentakel landt boven op zijn helm en glijdt langzaam naar beneden. Brek knarst even met zijn tanden en met een snelle beweging veegt hij de smurrie van zijn vizier. ‘+1500 XP Multi-Kill!’ Brek kan een glimlach niet onderdrukken. Nog 1330 XP-punten en ik heb een nieuwe upgrade, flitst door zijn hoofd. Op volle snelheid duikt hij een zijgang in. Een diep gegrom laat hem plots verstijven. De grond trilt onder zijn voeten. Uit de schaduwen wringt een enorme gedaante zich tevoorschijn. De grootste Zergonaut die Brek ooit heeft gezien, staat hem om de hoek op te wachten. Zijn tentakels kronkelen hevig en zijn tientallen ogen kijken Brek woedend aan. ‘Eindbaas level 3: Gorlog!’  De tekst knippert op het scherm van Breks helm. ‘Haha! Nu ben je van mij, aardworm!’ Het gorgelende geluid rolt door de verlaten gang en brandt in de oren van Brek.   ‘Ik, Gorlog de Verschrikkelijke, leider van de Paarse Plaag, zal je leren dat je niet met ons rotzooit!’ Het slijm tussen zijn slagtanden vormt lange rekkers bij elk woord. Traag heft Gorlog een dikke tentakel op, klaar om Brek te verpletteren. ‘Wacht maar af, slijmbal!’ Brek grijpt naar zijn vertrouwde laserpistool. Het glipt bijna uit zijn klamme handen.  ‘Geef je toch gewoon over, stinkende mestkever!’ roggelt Gorlog verder. ‘Kijk om je heen. Je bent alleen. Mijn slijmerige onderdanen hebben je ruimtebasis overspoeld! Nu wordt het een perfecte broedplaats voor mijn larven! Niets of niemand kan je nu nog helpen!’ ‘Pfff! Ik hoop voor jou dat je even goed vecht als praat, zure augurk!’ Brek neemt zijn pistool steviger vast en zet zich schrap. Zijn laarzen vinden nauwelijks grip op de verraderlijke smurrie die de vloer bedekt.  ‘Kom maar op als je durft!’ Gorlogs ogen vernauwen zich tot spleten. Het middelste, grootste oog blijft Brek onheilspellend aanstaren. ‘Wat ga je doen, drilpudding? Me hypnothiseren?’ ‘Drilpudding? Ik zal je leren!’ De tentakels van de enorme Zergonaut kronkelen nu wild in het rond. De zuignappen aan hun uiteinden spuwen een regen van groen slijm uit. Brek springt van links naar rechts en probeert de aanvallen zo goed mogelijk te ontwijken. Hij doet een snelle uitval naar links, maar Gorlog is verrassend snel voor zo’n kolossaal slijmmonster en ontwijkt behendig de laserstralen. Dan maar naar rechts, denkt Brek wanhopig. Een spervuur aan laserflitsen snijden door de lucht en raken Gorlog recht in de buik.  ‘Is dat alles wat je kan?’ smaalt Gorlog. ‘Het kriebelt zelfs een beetje!’ Met grote ogen ziet Brek dat de heerser van de Paarse Plaag nog geen schrammetje heeft. Dit houd ik niet lang meer vol, schiet het door zijn hoofd. Een tentakels scheert rakelings langs zijn helm en laat een dikke laag groen snot achter. Ik moet iets bedenken! Maar op dat ogenblik slaat Gorlog met één van zijn tentakels hard tegen de helm van Brek . De onverwachte klap is zo hevig dat het glas van het vizier barst en Brek pardoes achterover op de grond valt. De wereld tolt even en hij voelt de koude ondergrond in zijn rug. Zijn vingers voelen verdoofd aan en het laserpistool glipt uit zijn hand. De schaduw van Gorlog glijdt langzaam over hem. ‘Dit is het einde, modderkruiper.’ Gorlog grijnst zijn slagtanden bloot. ‘Heb je nog laatste woorden?’ ‘Eet ruimtestof, tentakelidioot!’ De slijmerige grijns verdwijnt langzaam van Gorlogs gezicht en met luid geroggel werpt hij zich op de onfortuinlijke ruimtevaarder. BOOOEEEMMM! Met een oorverdovende knal spat Breks wereld uit elkaar…

bramds
9 1