Zoeken

Half tien

Jij armtierig stuk uitgedroogd oranje gebakken vlees. Jij met de blik van een verdwaasde havik die net veertien ontsnapte laboratoriumratten verorberd heeft. Je infiltreert mijn ergste dromen, je stemgeluid scheurt de stilte aan flarden. Ik wil jou aan flarden scheuren, ik wil je verrukte rotkop ontdoen van alle gebakken lucht die zich erin verschanst heeft. Ik wil je laten vierendelen door vier opgefokte shetlandpony’s die net sterk genoeg zijn maar niet zo sterk als grote paarden zodat het langer duurt en extra pijnlijk wordt. Mijn spaargeld geef ik uit aan een gigantische kniptang, hiermee knip ik je scheve poten eraf. Heel traag. Met veel geduld. Ik herinner me de verhalen over Vladimir The Impaler en wil je spietsen met een levensgrote brochettestok. Die ram ik door je achterwerk naar boven en zo hang ik je te bakken over een laag vuurtje. Heel traag. In eigen sap. Met veel geduld. Alle goede dingen in het leven vragen veel geduld. Als je je vorte stinkbek vol Typextanden opentrekt, dan droom ik ervan om je in je blootje door de marinade te rollen en te voederen aan een bende uitgehongerde hyena’s, die klinken trouwens net zoals jij. Ik ruk je atlasgewricht eruit en kijk toe wanneer de zwaartekracht langzaam je hoofd van je lijf trekt zodat het als een met pudding opgevulde kom op de grond kletst. Heel traag. Met veel geduld. Alle goede dingen in het leven vragen veel geduld. Jij hebt geen geduld. Jij schreeuwt en schreeuwt en schreeuwt en schreeuwt en schreeuwt en je hebt geen geduld. Ik blaas je vol helium, plak je gezicht dicht met tape en stop je voeten in een betonklomp, dan gooi ik je in een beerput en vraag ik me af of je zal zakken of drijven. Ik heb geduld, ik zal aandachtig kijken. Alle goede dingen in het leven vragen veel geduld. 

Delphinus
8 1

Gladiator

Het begint bij een paar afgehakte benen.  Het linkerbeen behoorde tot een vrouw die zichzelf creatief waande en het normaal vond om haar pupillen te vernederen tegenover hun klasgenootjes. Ze kon vlechtjes maken in haar okselhaar en plastieken kerstdorpjes ondersneeuwen met het roos uit haar haren. Ik nam haar linkerbeen en gooide de rest in het zuur bad in mijn kelder om te verteren en te verdwijnen. Het rechterbeen behoorde tot een andere vrouw die zichzelf geniaal waande en het ook normaal vond om haar pupillen te vernederen tegenover hun klasgenootjes. Haar decibels varieerden evenveel als haar gemoed, nu komt er niet veel geluid meer uit. De roodgloeiende ogen van een medewerkster uit een frietkot nestelen zich nu in iets anders dan haar oogkassen. Het laatste wat ze gezien hebben toen ze nog huisden in de schedel van hun voormalige eigenaar is een glanzende soeplepel en een boze klant. De kleuterjuf die één specifieke kleuter haatte; zij mocht oogsten wat ze gezaaid heeft, en dat zonder haar pezen en haar tenen. Vanaf nu schreeuwt het ook via de geïmplanteerde stembanden van een radiopresentatrice die bij elk zinloos gesprek medelijden en pijn verheerlijkt ten bate van goedkoop entertainment. Nu heeft ze medelijden met zichzelf, maar dit gebeurt in stilte. Elke dasjesman uit de sekte van de Vlaamse Leeuw mocht betalen met een arm. Nu is er een collectie van 26 armen, niet minder en niet meer want mijn kapmes ging stuk. Een zekere barista uit de Starbucks mist nu een hoofd, de scherpte van haar jukbeenderen paste perfect bij het paar roodgloeiende ogen uit het frietkot. Haar eigen ogen mocht ze houden voor zover ze er nog iets mee kon aanvangen. En een willekeurige sporenloper uit een bende van vervloekte sporenlopers mocht zijn zonden afbetalen met z’n intacte romp.  De diepvrieskast ziet er gruwelijk uit wanneer deze uiteindelijk leeg achterblijft. Bevroren bloed en ijskristallen vergezellen de vrieskou, een herinnering aan stabiel vlees.  Wanneer ik oog in oog sta met mijn huisgemaakte wrokmonster denk ik aan hoe ik haar het leven gegeven heb. Ze zou mijn dochter kunnen zijn maar dat is ze niet. We cirkelen rond elkaar in een arena van eigen maak en we bestuderen, we wachten af. Ze weet dat ik haar gecreëerd heb om opnieuw te sterven en dat ze boeten zal voor wat ze is of was. Dit wist ik maar al te goed toen ik besloot om nauwkeurig met naald en draad elk stukje vlees uit mijn collectie rotmensen te assembleren tot één verschrikkelijk opperrotmens. Botten heeft ze om te breken, spieren heeft ze om te scheuren, bloed heeft ze om te lekken en een bewustzijn heeft ze om af te kunnen zien. Ze stormt op me af met die lompe benen die nog aan wandelen na de dood moeten wennen maar ik ontwijk haar eerste aanval want degene die de eerste slag slaat schijnt altijd in het nadeel te zijn. Dus ik ontwijk en de kop is eraf. Figuurlijk dan. Een mes in de rug is al lang niet origineel meer, dus plant ik heel lenig mijn rechterschoen tussen haar schouderbladen waardoor ze frontaal op het grind valt, enkele kiezels hebben zichzelf nu tussen haar tanden geplaceerd. Wanneer kiezels en tanden naar me grijnzen overvalt me een lichte vorm van angst en realiteitsbesef.  Haar benen leren snel en ze rent me tegemoet vol spierkracht en toewijding en anarchie tegenover haar lot. Zeven van haar linkerarmen stuwen hun vuisten voort met de snelheid van molenwieken tijdens een storm. Ik buk en rol eronderdoor en tijdens het proces van instinctieve beslissingen ruk ik twee van haar armen af. Ik hoor die radiostem schreeuwen en moet toch toegeven dat het zeer muzikaal klinkt. Die vier seconden plezier komen me duur te staan wanneer ze een derde arm afscheurt en deze richting mijn hoofd slingert.  De horizon schommelt even maar wanneer er drie linkerarmen en zes rechterarmen op mij afkomen duik ik vooruit om mijn monster te rugbytackelen. Nu het op haar rug ligt spring ik recht om meteen een trap op haar gezicht te geven maar voor ik dit kan verwezenlijken grijpt een krachtige rechterarm me bij mijn enkels en gooit me naar de overkant van de arena. Ze recht haar harige mannenrug, imiteert een dominante zilverruggorilla en is nog kwader dan voordien. Met haar aan sneltempo ontwikkelende dijbenen stormt ze op me af, ze scheurt nog een rechterarm van haar torso en springt een tweetal meter de lucht in om met haar afgescheurde arm mijn schedelpan kapot te proberen slaan. Als ik een vlieg was, dan was zij de vliegenmepper. Helaas voor haar doet er zich een ander scenario voor wanneer ik vliegensvlug aan de kant spring om daarna nog een paar van haar armen af te scheuren en haar hoofd te sandwichen tussen twee pezige maar taaie handpalmen. Door de klap is ze even volledig gedesoriënteerd, een voordelig paar seconden voor mij. Ik grijp een handvol zand en kiezelstenen en lanceer de hele zooi in haar lelijk samengestelde gezicht. Haar roodgloeiende ogen zien nog roder door de rommel die zich op haar netvliezen vastgehaakt heeft. Nu is het weer mijn beurt. Verdwaasd staat ze te stuntelen op kiezels, zand en dieprood glanzend bloed. Ik sla mijn linkervuist met een brede, krachtige zwaai tegen haar rechterkaak. Ze wankelt even op haar benen waardoor ze mijn rechtervuist in vliegende vaart niet ziet aankomen. Deze raakt succesvol haar linkerkaak die even een krakend geluid maakt, wat mij een serieuze dosis dopamine oplevert. Ik stomp mijn linkervoet frontaal in haar maag en wanneer ze razend op haar rug valt ,trek ik er met al mijn macht een been van af. Verbazingwekkend lenig, voor een aan elkaar genaaid monster met enkele ontbrekende armen en een afgescheurd been, springt ze weer recht en grijpt me bij de haren om me zoals de propeller van een helikopter aan hoge snelheid rond te zwieren. Ik moet even mijn maaginhoud legen maar laat het hier niet bij. Ik spring recht, hoewel ik sterretjes zie, en lanceer mijn stalen vuist tegen haar kin. Ze noemen dit een uppercut, en deze blijkt heel effectief te zijn aangezien haar schedel aan een hoge snelheid naar de overkant van de arena vliegt, rechtstreeks het publiek in, en het gaat helemaal los. Ik ben mij volledig bewust van mijn spontane overwinning en groet vrouwe Victoria met nog een laatste afgescheurde arm.  Wanneer ik de arena in volle glorie verlaat, glijd ik uit over een plasje vers bloed en land frontaal op mijn afgematte tronie. Met een bloedneus, twee zwart geklopte ogen en een ontwricht kaakbeen blaas ik de aftocht. Om mijn moment van pure catharsis te kunnen afronden neem ik een tuinslang, sluit deze aan op een benzinepomp en spuit de hele arena onder. Inclusief het publiek. Ik neem een lucifertje en brand de volledige boel plat tot het assen regent.  Nu zijn er geen rotmensen meer.   

Delphinus
5 1

havelings

Nu de horizon die rillerige tuin van verlangen in een diffuus trillende lijn aanlegt en het onduidelijk wordt wat zakt, het verhittende onder het verkoelende, of omgekeerd, de mist van meer, nu, dat haar uitnodigt in bevangenis te blijven staan, vleit zich langzaam om haar eigen einders heen, haar lichaam dampt van ver tot dichtbij, de geest van minder, nu, stijgend over het milde het scherpe, of omgekeerd, het water van vroeger of later, zwaar, modereert en modelleert, nu, de reactor van haar kern, nu.     Lam laat ze zich houden in het beeld van euforische stand terwijl daaruit, als grijze sneeuw, een grauwe gestalte achterover, voorover, vallen, vallen is wat ze doet, die gedaante, plat op een buikse rug, een rugse buik, plat, een schaduw die zich wild laat houden in het beeld van lig, liggen, liggen als een getormenteerd zwerk op de zanderige werkvloer van het strand, gestrand, hiertussen, tussen euforie en torment, hiertussen dromt ze zich als een nu eens bedwelmd, dan weer alert vierend zeil van zinnelijkheid.     De wind die alle beelden steelt. Het licht tussen licht in dat nooit verveeld, het onbestemde van wat ze tonen wil, aan de wereld, aan zichzelf, het ondoordachte van haar zijn, spontaan wil ze in de golven onderduiken, spontaan zinken, zinken tot in de bron van haar voortstuwing, de bron waaruit zuurstofbellen pruttelen alsof door haar adem aangedreven, ze ademt. Diep in. Diep uit. En het herhaalde, hertaalde van hoe haar borstkas vraagt, wie weet precies wat, of hoe, en hoeveel jaren al keert ze hier terug als op stappen van zichzelf die voor haar uit trappelen, water, water van ze drijft tot ze weggewassen in hetzelfde moment dezelfde ruimte vindt, voor zichzelf, een immer almaar ternauwernood verdrinkingsdood, en toch, elke keer weer, haar kraag omhoog, haar kraag omlaag, het badpak onder haar kleren, haar kleren over het badpak, er is geen temperatuur, geen atmosferische druk, het is een wissen ook, hier, een wissen van sporen die alleen maar willen zeggen, zij is dezelfde hier, aangekomen, het kon niet anders lopen, zie kijk, haar voeten vol zout lopen de bewaring in, de illusie, het nodige zelfbedrog, de bravoure om brak water geen ingang te gunnen, ze zoekt naar wondes, niet, ze zoekt naar littekens, niet, ze zoekt naar waar de huid zichzelf vervangen heeft. Dat ze kan zeggen, het is een ander die erin leeft. Die zwemt. Die zweeft.     En alle beelden die haar stelen.    En de wind strelen.  En in de verte, hoogte en laagte, de dolfijnen en de albatrossen in hun hermetische taal sprekend, sprekend over hoe ze, projecteren mag als ze wil, ze blijven beweren dat ze dezelfde is gebleven, dezelfde die ternauwernood verdronk, zonder atmosferische druk of temperatuur, dezelfde die ademt. Diep in. Diep uit.    Het is een vergissen ook, de sporen zeggen, zij is anders hier, aangekomen, het kan zijn, dat we ons van lopen vergissen, van voeten, van zoet, van het bewaarde, is de realiteit overgebleven dat ze bang, zelfs laf was geweest, helend water een uitgang te gunnen, ze vindt klanken die aan geen schelp toebehoren, zuiend geruis van een onthouden iets dat vraagt of het badpak, de kleren, wat zit nog gegoten op de bodem waarin de bron spoorloos is, de dolfijnen, de albatrossen weten het ook niet, waarom, was het de zomer of de winter die haar verzwolg, een seizoensgebonden zwichten of een jaarlijks verzet, wat is de wederkerigheid van dit gevaar, brekend op de storm bovengronds en de stroom onder water, wat splijt hier dat het zo atomair noodzakelijk lijkt, nu, de kern van haar reactor, nu, nu het niet te modelleren nu, het niet te modereren nu, nu de gevangenis haar overstijgt, wat is de onbewuste pathetiek die zich onvoldoende vindt nog maar de handen om de tralies te leggen, laat staan nijpen, fijn, wat nijpt dit koud staal fijn, oorzaak, gevolg, van het moment niet meester zijn, niet meester kunnen zijn, hoe ver te ver is ze dit keer ontsnapt, ruim op overschot, komeet van over eeuwen kom ik er nog eens op terug, ze laat alle zink los.    Bouwt een cel van ik, enkel ik kan de enige zijn die me ontvalt wanneer ik het over mezelf heb, hier, hier verraad ik me, hier en nu, nu en hier geef ik al het alchemistische de kans om te falen in het maken van goud van mij, lood, lood, lood en schiet me uit mijn evenwichtige baan om mezelf heen, een impact ergens, een staartje dat in een dampkring wat van de zijige haren achterlaat, iemand, iemand die van mij een pels maakt, geknuppeld neer, geslagen hond, zee van zeer en kan ik dan mijn eigen ijs en eis niet doen smelten, beer ik maar, heen en weer, been ik maar, op andermens voeten tot het van die mens ook niet meer zal moeten. Omdat ik haar zo stilaan vergeten ben. Haar zo moeilijk onthoudt. Zo moeilijk voor de geest kan doen verschijnen als zij, zij was de reden, de oorzaak, de bron van al mijn gevolgen. Diep. Uit. Diep. In. Adem.    En dank je wel voor de vervolging. Het aanjagen. De strijd. En het aanlengen van mijn mysterie dat niet anders kan dan om mijn falen, horizon-taal, gestippel-lijnd, kan draaien. Draaien en draaien. Als een melk weg rond. En rond en rond.     Beeld en wind.   Steel en streel.    Klank, kleur en geweld. 

Bas Tuurder
36 1